11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Benadeelde partij [naam benadeelde 1]
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 25.285,89 (zegge: vijfentwintigduizend tweehonderdvijfentachtig euro en negenentachtig cent), bestaande uit € 7.785,89 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 25.285,89 (hoofdsom, zegge: vijfentwintigduizend tweehonderdvijfentachtig euro en negenentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 25.285,89 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 161 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
Benadeelde partij [naam benadeelde 2]
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 17.500,00 (hoofdsom, zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 17.500,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 122 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
Benadeelde partij [naam benadeelde 3]
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 17.500,00 (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 17.500,00 (hoofdsom, zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 17.500,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 122 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
Benadeelde partij [naam benadeelde 4]
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4] , te betalen een bedrag van € 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 15.000,00 (hoofdsom, zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 15.000,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 110 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. C.G. van de Grampel en I.M.A. Hinfelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2019.
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
met een vuurwapen een kogel in het lichaam, althans in de richting van, die
[naam slachtoffer] heeft afgevuurd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam
aan [naam slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of inwendige bloedingen in het lichaam en/of postanoxische encephalopathie (hersenletsel wegens zuurstoftekort), heeft toegebracht door
een kogel in de richting van die [naam slachtoffer] af te vuren;
meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam
[naam slachtoffer] heeft mishandeld door een kogel in de richting van die [naam slachtoffer] af te
vuren,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of inwendige bloedingen in het lichaam en/of postanoxische encephalopathie (hersenletsel wegens zuurstoftekort)
ten gevolge heeft gehad;
meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam
grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig
een vuurwapen ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) de trekker heeft
overgehaald/ingedrukt, waardoor een projectiel (een kogel) in het lichaam,
althans in de richting van, die [naam slachtoffer] is afgevuurd
en/of
de ter plaatse gekomen hulpverlener(s) geen mededeling heeft gedaan van het
feit dat mevrouw [naam slachtoffer] getroffen was door een projectiel (een kogel)
afkomstig uit een vuurwapen,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zwaar
lichamelijk letsel, te weten een schotwond en/of inwendige bloedingen in het lichaam en/of postanoxische encephalopathie (hersenletsel wegens zuurstoftekort) heeft bekomen,
althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;
hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam
alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),
een wapen, als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet
wapens en munitie,
namelijk een pistool van het merk cz, type Vzor 50, kaliber 7.65mm,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.