11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar,
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 11.294,73 (zegge: elfduizend tweehonderdvierennegentig euro en drieënzeventig cent), bestaande uit € 1.294,73 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 11.150,- (zegge: elfduizend honderdvijftig euro), bestaande uit € 1.150,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in het resterende deel van hun vorderingen; bepaalt dat dit deel van hun vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 11.294,73 (hoofdsom, zegge: elfduizend tweehonderdvierennegentig euro en drieënzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 11.294,73 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 91 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 2.000,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.000,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 11.150,- (hoofdsom, zegge: elfduizend honderdvijftig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 11.150,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij(en), tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij(en) en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. J.M.L. van Mulbregt en M. Beusmans-Verwijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 07 augustus 2019 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven,
met dat opzet,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug van die
[naam slachtoffer 2] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(atikel 287 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 07 augustus 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
aan een persoon, (te weten [naam slachtoffer 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel
(een geperforeerde long), heeft toegebracht,
door die [naam slachtoffer 2] opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp, in zijn rug te steken;
(artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht);
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 07 augustus 2019 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 3] van het leven te beroven,
met dat opzet
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik van die
[naam slachtoffer 3] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(artikel 287 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht);
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 07 augustus 2019 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
aan een persoon, (te weten [naam slachtoffer 3] ), opzettelijk zwaar lichamelijk
letsel (een geperforeerde darm), heeft toegebracht,
door die [naam slachtoffer 3] opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig
voorwerp, in zijn buik te steken;
(artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht);