Vordering sub 2 strekt ertoe dat in rechte wordt vastgesteld dat Videma misbruik van haar economische machtspositie maakt door aan de leden van NVZ (eenzijdig) voor doorgifte van tv, vertoning van tv en vertoning en doorgifte van tv (all-in tarief) een onbillijk en excessief tarief op te leggen, en welk tarief aanzienlijk hoger is dan relevante referentietarieven in binnen- en buitenland.
Misbruik van machtspositie in de zin van artikel 24 Mw (dat in materieelrechtelijk opzicht aansluit bij artikel 102 VWEU) kan bestaan in de toepassing van te hoge prijzen, die niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie (HvJ arrest van 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4, C‑52/07, ECLI:EU:C:2008:703, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband moet worden nagegaan of er een buitensporig groot verschil bestaat tussen de daadwerkelijk gemaakte kosten en de daadwerkelijk gevraagde prijs. Indien dat zo is, moet vervolgens worden onderzocht of een prijs is opgelegd die onbillijk is, hetzij absoluut gezien, hetzij in vergelijking met concurrerende producten (HvJ arrest van 14 februari 1978, United Brands en United Brands Continentaal/Commissie, 27/76, ECLI:EU:C:1978:22, punt 252). In haar deskundigenbericht heeft de geschillencommissie het separate doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen onbillijk geacht, omdat er geen rekening wordt gehouden met het specifieke gebruik van tv-beelden in de ziekenhuizen. Ten aanzien van de hoogte van die tarieven heeft de geschillencommissie geen uitspraak gedaan (p. 11 van het deskundigenbericht), zodat niet kan worden geoordeeld dat het doorgifte- en vertoningstarief voor ziekenhuizen te hoog was.
De geschillencommissie heeft ten aanzien van het all-in tarief geconcludeerd dat het van 2012 op 2013 excessief is gestegen, hetgeen impliceert dat de tarieven in 2013 en 2014 excessief hoog waren. Voorts is geoordeeld dat hiervoor geen objectieve verklaring was. Een inzicht in de kosten, waardoor het tarief van 2012 op 2013 zo excessief zou moeten stijgen, is door Videma niet gegeven. Nu een objectieve reden voor het excessief gestegen all-in tarief ontbreekt, wordt geoordeeld dat het all-in tarief onbillijk en excessief was en dat Videma door het eenzijdig opleggen daarvan misbruik maakt van haar economische machtspositie.
Een internationale tariefsvergelijking, na correctie op basis van de PPP-index (die het verschil in koopkracht van burgers in de lidstaten van de EU uitdrukt), kan eveneens een aanwijzing voor misbruik van machtspositie opleveren, als de referentielanden op grond van objectieve, geschikte en verifieerbare criteria zijn gekozen en als de tariefsvergelijking op homogene grondslag is verricht. Een eventueel geconstateerd verschil in tarieven moet echter alleen dan als onbillijk worden gezien indien het verschil significant en duurzaam is (HvJ arrest van 14 september 2017, Autortiesību un komunicēšanās konsultāciju aģentūra/Latvijas Autoru apvienība en Konkurences padome, C‑177/16, ECLI:EU:C:2017: 689, punt 61).
In haar deskundigenbericht stelt de geschillencommissie vast dat in het overgrote deel van de lidstaten van de EU door ziekenhuizen niet betaald wordt voor de rechten. Dit leidt ertoe dat de waarde van de vergelijking met de tarieven in andere lidstaten beperkt is voor de vraag of het Nederlandse tarief voor 2013 en 2014 billijk is. De geschillencommissie tekent aan dat voor zover er in drie lidstaten, te weten Duitsland, Spanje en Denemarken, wel tarieven zijn voor ziekenhuizen de vergelijking van deze tarieven met die in Nederland wordt bemoeilijkt, omdat die buitenlandse tarieven niet gelijkwaardig zijn qua omvang van het zenderpakket, de rechten waarvoor betaald wordt en/of de vrijwaringen die door de betreffende cbo verstrekt worden.
Geoordeeld wordt dat aan de internationale tariefsvergelijking door de geschillencommissie geen bewijs van misbruik van machtspositie kan worden ontleend. Gelet op het bovenstaande zal de vordering sub 2 worden toegewezen, in zoverre die betrekking heeft op het all-in tarief.