Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4800

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
C/10/502541 / HA ZA 16-531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een stichting die zich bezighoudt met het beschermen van dieren en de behartiging van hun belangen in de maatschappij spreekt twee fokkers aan op een vermoeden dat de fokkers niet (steeds) voldoen aan de vereisten van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. In reconventie vorderen de fokkers onder meer een rectificatie van een op de website van de stichting gepubliceerd artikel.

Bevoegdheid bestuursrechter of civiele rechter, ontvankelijkheid stichting, onrechtmatige daad, toetsing aan artikel 3.4 Besluit houders van dieren, onrechtmatige publicatie, weging rechten, vrijheid van meningsuiting, misbruik van recht, volledige proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/502541 / HA ZA 16-531

Vonnis van 21 juni 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING DIER & RECHT,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.L. de Graaff te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

handelende onder de naam Gouden Spetters,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

handelende onder de naam Gouden Spetters,

3. [gedaagde 3],

handelende onder de naam Xanthous,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.S. Ganeshie te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Dier & Recht respectievelijk fokkers [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en fokker

[gedaagde 3] genoemd worden. Waar gedaagden gezamenlijk worden bedoeld, worden zij aangeduid als de fokkers.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 10 mei 2016, met 9 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met 24 producties;

  • -

    de oproepingbrief van de rechtbank van 12 oktober 2016;

  • -

    de zittingsagenda d.d. 20 december 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met 6 producties (doorgenummerd als producties 10 t/m 15):

  • -

    de door de fokkers overgelegde producties A, B en C;

  • -

    de pleitnotities van mr. De Graaff;

  • -

    de pleitnotities van mr. Ouwendijk;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2017;

  • -

    de brief van mr. De Graaff van 31 januari 2017, houdende een reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de brief van mr. Van Ouwendijk van 6 februari 2017, houdende een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dier & Recht is een stichting die zich inzet voor het beschermen van dieren (zowel individueel als gezamenlijk) in de ruimste zin van het woord en de behartiging van hun belangen in onze maatschappij via het recht. Daarnaast houdt Dier & Recht zich onder meer bezig met de verbetering van de rechtspositie van het dier, rechtsontwikkeling en verbetering van wetgeving ten gunste van het dier en toepassing van bestaande rechtsmiddelen ter bescherming van het dier.

2.2.

De fokkers zijn beiden lid van de Golden Retriever Club Nederland (hierna: GRCN) en de Golden Retriever Vereniging (hierna: GRV). De GRCN en GRV hebben reglementen voor het fokken opgesteld.

De fokkers fokken met inachtneming van de reglementen van de GRCN en de GRV.

2.3.

In 2013 is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken door het Expertisecentrum Genetica Gezelschapsdieren van de Universiteit Utrecht een zogenaamd incidentieonderzoek naar schadelijke raskenmerken en erfelijke gebreken bij populaties gezelschapsdieren uitgevoerd.

Onder het kopje ‘1.2 Doelstelling’ staat, onder meer, het volgende vermeld:

“Het project heeft als doel om de cumulatieve incidentie van rasgebonden erfelijke ziekten en schadelijke raskenmerken bij honden en katten in Nederlandse populaties vast te stellen. De benodigde informatie hiervoor wordt - eerst handmatig en later geautomatiseerd - verzameld in eerstelijns dierenartsenpraktijken. Hiermee wordt voor het eerst objectief de omvang duidelijk van erfelijke ziekten en schadelijke raskenmerken in raspopulaties binnen de gezelschapsdierensector. Per raspopulatie kan met deze informatie worden geprioriteerd welke problemen het meest ernstig zijn.

Op basis hiervan kan gericht beleid worden ontwikkeld om de rashonden en –katten in Nederland te begeleiden naar gezondere populaties en kunnen de resultaten van dit beleid worden gemonitord.

Ook kunnen hiermee (potentiele) dierhouders, rasverenigingen en fokkers beter geïnformeerd worden over de gezondheid van rassen en kunnen ze worden aangesproken op hun rol en verantwoordelijkheden in de aanpak van de problematiek. (…)”.

2.4.

Op 1 juli 2014 is het Besluit houders van dieren van kracht geworden. In artikel 3.4 van dit Besluit staat, voor zover van belang weergegeven, het volgende:

“ 1. Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de

gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen worden benadeeld.

2. In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk

voorkomen dat:

a. ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;

b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren; (…).”

2.5.

Op 27 november 2014 heeft de Raad van Beheer op kynologisch gebied, de overkoepelende organisatie van rashondenfokkers, het projectplan Fairfok aan de staatssecretaris van Economische Zaken aangeboden. Dit plan is op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken opgesteld en heeft tot doel om te komen tot gezonde en sociale rashonden in 2024.

2.6.

Op of omstreeks 16 maart 2016 heeft een medewerkster van Dier & Recht zich onder een valse naam en onder valse voorwendselen toegang verschaft tot fokker [gedaagde 3] door zich voor te doen als potentiële puppiekoper ten einde informatie c.q. bewijs te verkrijgen over de fokmethode en het fokbeleid van de fokker.

2.7.

Met ingang van 16 april 2016 is in de fokreglementen van de GRCN en de GRV een DNA-screeningsonderzoek bij de ouderdieren naar ichthyosis verplicht gesteld.

3 De vordering in conventie

3.1.

Dier & Recht vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat de rechtbank :

  • -

    i) verklaart voor recht dat de fokkers onrechtmatig handelen door te verzuimen hun ouderdieren structureel te onderzoeken op HD, ichthyosis en PRA, dan wel door ouderdieren die drager zijn van of lijder aan deze erfelijke aandoeningen zijn, althans een grotere kans blijken te hebben nakomelingen te krijgen die zelf drager van of lijder aan deze erfelijke aandoeningen zullen zijn, niet structureel van de fok uit te sluiten;

  • -

    ii) de fokkers veroordeelt om bij iedere toekomstige fokcombinatie, met inachtneming van de laatste stand van de wetenschap, de standaardtests uit te voeren die op dat moment de meeste zekerheid bieden over het bestaan van erfelijke aandoeningen, een en ander op straffe van een dwangsom;

  • -

    iii) de fokkers veroordeelt om de ouderdieren die op grond van de onder (ii) genoemde standaardtests blijken drager van of lijder aan een erfelijke aandoening te zijn, althans een grotere kans te hebben om nakomelingen te krijgen die zelf drager van of lijder aan een erfelijke aandoening zullen zijn, van de fok uit te sluiten, een en ander op straffe van een dwangsom;

  • -

    iv) de fokkers veroordeelt in de kosten van de procedure, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis zijn voldaan.

Dier & Recht legt aan haar vorderingen het volgende, verkort weergegeven, ten grondslag.

3.2.

Ingevolge de open norm van artikel 3.4 Besluit houders van dieren mag de fokker niet fokken op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van ouderdier of nakomelingen wordt benadeeld. De fokker dient voorzover mogelijk te voorkomen dat ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan nakomelingen.

Hieruit vloeit volgens Dier & Recht voort dat fokkers gehouden zijn om (i) ouderdieren te onderzoeken op erfelijke aandoeningen en (ii) hun fokbeleid op de resultaten van die screening aan te passen.

3.3.

Dier & Recht zijn van mening c.q. vermoeden dat de fokkers niet (steeds) voldoen aan de vereisten van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. De fokkers testen kennelijk niet structureel op erfelijke aandoeningen voordat zij gaan fokken met de betreffende ouderdieren en als zij wel testen geven de resultaten van de testen hen niet steeds aanleiding om hun fokbeleid aan te passen in die zin dat de ouderdieren die belast zijn met een erfelijke aandoening van de fok worden uitgesloten.

3.4.

Uit de websiteprofielen van de Golden Retrievers van Gouden Spetters blijkt dat de honden niet structureel worden getest op ichthyosis, PRA en HD. Daarnaast is gebleken dat Gouden Spetters in het verleden in elk geval één keer heeft gefokt met twee dieren die elk drager van ichtyosis zijn, hetgeen betekent dat 25 % van de nakomelingen leidt aan ichthyosis. Gouden Spetters heeft in het verleden ook gefokt met een ouderdier met HD-B.

3.5.

Fokker [gedaagde 3] heeft gefokt met een aantal ouderdieren die niet op de aandoeningen ichtyosis en PRA zijn getest.

Ook als fokker [gedaagde 3] haar ouderdieren wel structureel laat testen maar de resultaten daarvan niets steeds op haar website zet, voldoet haar wijze van fokken niet aan artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren, omdat fokker [gedaagde 3] bij twee van de drie oudercombinaties heeft gefokt met een ouderdier dat drager van ichtyosis is.

3.6.

Dit fokken met ouderdieren met HD-B of (mogelijk) met PRA dan wel met ouderdieren die drager of lijder zijn van ichtyosis is in strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren. Deze wijze van fokken kan immers tot zieke dieren lijden.

3.7.

De fokkers handelen derhalve in strijd met een wettelijk voorschrift en daarmee onrechtmatig. Ook aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, nu dit handelen aan de fokkers kan worden toegerekend nu zij als professioneel handelende fokkers geacht moeten worden op de hoogte te zijn van het bestaan en de ernst van de erfelijke aandoeningen en er voor kiezen om niet zoveel mogelijk te voorkomen dat deze erfelijke aandoeningen worden doorgegeven aan, althans kunnen ontstaan bij, de nakomelingen van de ouderdieren.

Door het onrechtmatig handelen van de fokkers ontstaat steeds een risico dat ernstige erfelijke aandoeningen worden doorgegeven aan nakomelingen. Deze aantasting van de gezondheid en het welzijn van de huidige en toekomstige nakomelingen van zieke ouderdieren kan als schade worden aangemerkt.

Ook aan het relativiteitsvereiste is voldaan, nu artikel 3.4 van het Besluit strekt tot bescherming tegen deze schade.

3.8.

Op de fokkers rust een verzwaarde motiveringsplicht, nu zij de enigen zijn die kunnen verklaren op welke erfelijke aandoeningen zij testen en hoe zij omspringen met de resultaten van deze tests.

4 Het verweer in conventie

4.1.

De fokkers concluderen tot onbevoegdverklaring van Dier & Recht in haar vordering, dan wel tot niet-ontvankelijkverklaring van Dier & Recht, dan wel de vordering ongegrond te verklaren, dan wel Dier & Recht de vordering te ontzeggen, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, met veroordeling van Dier & Recht in de kosten van de procedure en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis. Subsidiair, indien Dier & Recht wel bevoegd is, verzoeken de fokkers de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren van de vorderingen van Dier & Recht kennis te nemen, nu er bezwaar en beroep open staat tegen de beslissingen van de bevoegde instanties en de bestuursrechter dan ook bevoegd is.

De fokkers voeren daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan.

4.2.

Dier & Recht is niet bevoegd om een vordering in te stellen die alleen gebaseerd is op artikel 3.4 Besluit houders van dieren.

  • -

    a) Dier & Recht is namelijk niet bevoegd tot het opsporen en handhaven van vermeende overtredingen van artikel 3.4 van het Besluit, nu artikel 2g sub 2 van het Besluit bepaalt dat alleen het LID (Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming) bevoegd is tot opsporing en handhaving van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. Dier & Recht had – indien zij de fokkers wilde aanspreken – dit via het LID moeten doen, zoals ook in artikel 2 lid 1 van haar statuten is aangegeven: ‘de bestaande rechtsmiddelen ter bescherming van het dier toe te (laten) passen.’.

  • -

    b) Dier & Recht kan volgens de (wel tot handhaving bevoegde) Nederlandse Vlees en Waren Autoriteit (hierna NVWA) niet namens de overheid, NVWA of LID optreden, maar hooguit in een civiele procedure de voor de fokkers geldende regeling betrekken, hetgeen niet gelijk is aan het alleen baseren van de hele vordering op dit artikel.

  • -

    c) Dier & Recht kan slechts een civiele procedure entameren op basis van concrete gevallen en op basis van een klacht van een consument, op de grondslag wanprestatie. Dier & Recht is niet bevoegd om op grond van het Besluit een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen.

  • -

    d) Dier & Recht is niet bevoegd tot het invullen van de inspanningsverplichting van artikel 3.4 van het Besluit c.q. het stellen van nadere regels ter invulling van de open norm van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. De handhaving van artikel 3.4 van het Besluit zal op termijn worden gestoeld op de uitkomsten van een incidentieonderzoek waarmee gericht beleid kan worden ontwikkeld om te komen tot een gezondere rashond en met inachtneming van het Project Fairfok van de Raad van Beheer. Op dit moment kan de handhaving alleen worden gebaseerd op het bestaande, wetenschappelijk onderbouwde fokreglement van de Golden Retriever Club Nederland (hierna GRCN) en de Golden Retriever Vereniging (hierna GRV).

4.3.

Dier & Recht is niet bevoegd om te procederen op basis van artikel 3:305a BW.

Dier & Recht is volgens haar statuten bevoegd om in rechte eigenaren van (ras)honden met een daadwerkelijk geconstateerde aandoening te vertegenwoordigen, maar niet om een algemeen verbod op het fokken met bepaalde honden te vorderen. Dit valt niet onder de reikwijdte van artikel 3:305a BW. Dat zij hier eigenaren vertegenwoordigt, is gesteld noch gebleken. Dier & Recht heeft niet gesteld dat schade is geleden en waaruit de concrete schade in deze procedure blijkt.

4.4.

Indien Dier & Recht wel bevoegd is tot het voeren van deze procedure, geldt dat deze rechtbank onbevoegd is om van de vordering kennis te nemen, aangezien uitsluitend de bestuursrechter bevoegd is.

4.5.

Dier & Recht heeft geen grondslag aangevoerd voor haar vordering. Dier & Recht baseert haar vordering uitsluitend op een vermoeden dat artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren wordt overtreden, zonder dat zij daarbij stelt of onderbouwt dat door de fokwijze van de fokkers het gestelde risico is verwezenlijkt.

4.6.

Artikel 3.4 bevat een inspanningsverplichting en geen verbod. De fokkers voldoen aan deze inspanningsverplichtingen, nu zij hun ouderdieren laten onderzoeken op erfelijke afwijkingen die in de fokreglementen worden genoemd en rekening houden met de uitslagen bij het uitzoeken van een fokcombinatie.

4.7.

Er is geen sprake van onrechtmatig handelen door de fokkers. De hen verweten gedragingen zijn niet juist:

  • -

    de fokkers laten de honden waarmee zij fokken structureel onderzoeken op erfelijke afwijkingen overeenkomstig alle volgens de fokreglementen van de rasverenigingen verplichte onderdelen (Het testen op PRA en ichtyosis is pas 16 april 2016 – dus na de geboorte van de nestjes van fokker [gedaagde 3] – verplicht gesteld);

  • -

    volgens het wetenschappelijk onderbouwde fokreglement van de GRCN en GRV wordt het fokken met HD B honden uitdrukkelijk toegestaan, evenals het fokken met dragers van PRA en dragers en lijders van ichtyosis. Dit is in overeenstemming met de FCI (Federation Cynologique Internationale) normen en het reglement van de Raad van Beheer.

4.8.

Er is geen sprake van schade als bedoeld in artikel 6:162 BW. Het door Dier & Recht gestelde, niet onderbouwde, risico heeft zich ook niet bij de fokkers verwezenlijkt. Dier & Recht stelt niet dat door de fokwijze van de fokkers schade is ontstaan in die zin dat er nakomelingen zijn geboren die lijden aan een van de door Dier & Recht genoemde afwijkingen.

5 Het geschil in reconventie

5.1.

De fokkers vorderen, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, dat de rechtbank:

  • -

    voor recht verklaart dat Dier & Recht niet bevoegd is om een vordering in te stellen die alleen gebaseerd is op een (vermoeden van) overtreding van artikel 3.4. van het Besluit houders van dieren;

  • -

    voor recht verklaart dat Dier & Recht onrechtmatig heeft gehandeld door een medewerkster van Dier & Recht onder valse voorwendselen en onder een valse naam tot onbevoegde opsporing te laten overgaan teneinde informatie/bewijs te laten vergaren tegen fokker [gedaagde 3] ;

  • -

    Dier & Recht veroordeelt tot volledige vergoeding van de door de fokkers gemaakte kosten voor rechtsbijstand, nader te specificeren, dan wel subsdiair, indien geen misbruik van recht wordt aangenomen, het liquidatietarief in conventie met een factor 2 te verhogen;

  • -

    Dier & Recht veroordeelt tot onmiddelijke verwijdering van het gewraakte artikel over de onderhavige procedure onder verbeurte van een nader door de rechtbank te bepalen dwangsom voor iedere dag dat Dier & Recht hiermee in gebreke blijft, alsmede tot onmiddelijke plaatsing van een nader op te stellen rectificatie op haar website, waarbij in ieder geval de van belang zijnde rechtsoverwegingen van het door de rechtbank te wijzen vonnis dienen te worden vermeld;

  • -

    Dier & Recht veroordeelt in de kosten van de procedure en in de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis.

De fokkers leggen aan hun vorderingen het volgende, verkort weergegeven, ten grondslag.

5.2.

Dier & Recht maakt misbruik van recht, nu zij haar vordering baseert op onjuiste standpunten c.q. omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of had behoren te kennen en op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden:

  • -

    Dier & Recht wist dat zij niet bevoegd was om een vordering te baseren op een vermoedelijke overtreding van artikel 3.4 van het Besluit, omdat haar bij de overheid ingediende verzoek om handhavend te mogen optreden met betrekking tot dit artikel door de overheid is afgewezen;

  • -

    Dier & Recht had moeten begrijpen dat haar stellingen en vorderingen niet te lezen zijn in de open norm van artikel 3.4 Besluit houders van dieren, niet onderbouwd worden door wetenschappelijk onderzoek, in strijd zijn met internationaal opgestelde regels en met fokreglementen, lijnrecht staan tegenover de insteek van het incidentieonderzoek en het project Fairfok en gebaseerd zijn op een wetsartikel tot handhaving waarvan Dier & Recht niet bevoegd is, en daarom geen kans van slagen had.

5.3.

Gelet op het bovenstaande is aanleiding om Dier & Recht te veroordelen tot volledige vergoeding van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand, dan wel - subsidiair - om het liquidatietarief in conventie te verhogen met een factor 2. Dier & Recht heeft de fokkers immers door deze handelswijze nodeloos op hoge kosten gejaagd.

5.4.

Dier & Recht heeft onrechtmatig gehandeld door onder valse voorwendselen en onder een valse naam zich toegang te verschaffen tot fokker [gedaagde 3] om tot onbevoegde opsporing over te gaan om informatie/bewijs te krijgen voor haar vermoeden dat artikel 3.4 van het Besluit werd overtreden.

Deze handelswijze van Dier & Recht is een verregaande schending van de rechtszekerheid en heeft geleid tot veel wantrouwen bij de fokkers naar nieuwe puppiekopers. Uit angst om ten onrechte in een procedure te worden betrokken zijn fokkers nu huiverig om iets negatiefs te vertellen, terwijl zij eerst veel informatie verschaften aan potentiële kopers over door hen gebruikte combinaties.

5.5.

Het door Dier & Recht op haar website gepubliceerde artikel dient op straffe van verbeurte van een dwangsom te worden verwijderd, omdat het artikel onjuiste, onvolledige en ongefundeerde informatie bevat, die de fokkers en de bonafide fokkers van het ras Golden Retriever in zijn algemeenheid en het ras Golden Retriever ernstig in diskrediet brengt.

Dier & Recht heeft tot op heden niet voldaan aan het verzoek van de fokkers om het artikel te verwijderen, zodat de fokkers belang hebben bij de verwijdering van het artikel en het plaatsen van een rectificatie.

5.6.

Dier & Recht betwist gemotiveerd de reconventionele vorderingen van de fokkers en concludeert tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van de fokkers in de proceskosten.

Dit verweer zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hieronder bij de beoordeling worden weergegeven.

6 De beoordeling

in conventie

6.1.

Centraal staat hier de vraag naar de betekenis, reikwijdte en status van artikel 3.4 Besluit houders van dieren. Dier & Recht baseert haar vorderingen op een vermeend handelen door de fokkers in strijd met artikel 3.4 van dit Besluit door onvoldoende inspanningen te verrichten om te voorkomen dat erfelijke afwijkingen worden doorgegeven aan of ontstaan bij nakomelingen. Dit handelen in strijd met artikel 3.4 van het Besluit levert volgens Dier & Recht een schending van een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 6:162 BW op.

Voordat beoordeeld kan worden of de fokkers terzake onrechtmatig hebben gehandeld, dient eerst te worden onderzocht of Dier & Recht op grond van dit artikel de bevoegdheid toekomt om haar vorderingen in te stellen en of de burgerlijke rechter bevoegd is tot kennisneming van dit geschil.

bevoegdheid burgerlijke rechter

6.2.

De fokkers stellen zich op het standpunt dat de burgerlijke rechter waarvoor de vorderingen zijn aangebracht, niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen, nu - kort gezegd - hiervoor de administratieve weg van bezwaar en beroep open staat. Zij voeren aan dat de onrechtmatige daad uitsluitend is gegrond op een vermoeden van overtreding van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren, dat dit Besluit onder het bestuursrecht valt, daarom alleen kan en mag worden gehandhaafd door de Landelijke Inspectiedienst (hierna LID) en de NVWA en dat tegen de beslissingen van die toezichthoudende instanties bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open staat.

6.3.

Vooropgesteld dient te worden dat Dier & Recht aan haar vorderingen een onrechtmatige daad ten grondslag heeft gelegd. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in beginsel gegeven, nu de berechting van een dergelijk geschil niet bij uitsluiting aan een andere rechter is opgedragen.

6.4.

Niet in geschil is dat het Dier & Recht vrij staat om een verzoek tot handhaving in te dienen bij de betreffende instanties en dat tegen de beslissingen van een toezichthoudende instantie bezwaar en beroep open staat bij de bestuursrechter.

In dit geval staat echter vast dat er geen besluit ten grondslag ligt aan de vorderingen van Dier & Recht. De fokkers hebben dit immers niet betwist. Evenmin is gesteld of gebleken dat Dier & Recht een verzoek tot handhaving aan een bestuursorgaan heeft gedaan. Een verplichting tot het vervolgen van een reeds ingeslagen administratieve rechtsgang is daarom niet aan de orde. Dat er in het onderhavige geval een administratieve rechtsgang openstaat waarvan Dier & Recht gebruik kan maken, staat niet in de weg aan de mogelijkheid om een civiele procedure te entameren en laat onverlet dat de burgerlijke rechter bevoegd is om van de onderhavige, op onrechtmatige daad gegronde vorderingen kennis te nemen.

De fokkers kunnen evenmin in hun verweer worden gevolgd dat in dit geval eerst de bestuursrechtelijke weg dient te worden gevolgd voordat de burgerlijke rechter zich over het geschil mag buigen. Daartoe verplicht geen enkele rechtsregel.

ontvankelijkheid Dier & Recht

6.5.

Dier & Recht stelt dat zij op grond van artikel 3:305a BW bevoegd is tot het instellen van de onderhavige vorderingen.

De fokkers betwisten gemotiveerd - zowel op formele als materiële gronden - dat Dier & Recht bevoegd is om een vordering ex artikel 3:305a BW in te stellen. De rechtbank begrijpt dit verweer als een beroep op niet-ontvankelijkheid van Dier & Recht.

6.6.

Uit artikel 3:303 BW volgt dat een (rechts)persoon uitsluitend een eis kan instellen bij de burgerlijke rechter als hij een voldoende eigen, persoonlijk belang heeft bij de eis. Ingevolge artikel 3:305a BW mag een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid ook een eis instellen die strekt tot bescherming van algemene belangen of de collectieve belangen van andere personen, voor zover die stichting of vereniging op grond van haar statutaire doelstelling de bescherming van deze algemene of collectieve belangen behartigt. Voorwaarde hierbij is wel dat de rechtspersoon in kwestie zijn eis pas aan de rechter voor kan leggen als hij, in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht om het gevorderde door middel van overleg met de gedaagde te bereiken (aldus lid 2 van artikel 3:305a BW).

6.7.

Uit artikel 2 lid 1 van de statuten van Dier & Recht blijkt dat het doel van Dier & Recht is om dieren zowel individueel als gezamenlijk te beschermen in de ruimste zin van het woord en hun belangen in de maatschappij (via het recht) te behartigen, rekening houdend met de eigen waarde van het dier en met het welzijn zoals dat door het dier wordt ervaren. Dier & Recht beoogt volgens haar statuten verder onder meer: het verbeteren van de rechtspositie van het dier, rechtsontwikkeling en verbetering van wetgeving ten gunste van het dier, en toepassing van de bestaande rechtsmiddelen ter bescherming van het dier.

De fokkers betwisten niet, althans niet specifiek en voldoende onderbouwd, dat uit de wetsgeschiedenis van artkel 3:305a BW volgt dat een schending van het belang van dieren tevens een schending kan opleveren van (rechts)personen die eventueel door een belangenorganisatie kunnen worden behartigd. Dat strikt genomen de doelomschrijving gericht is op (behartiging van belangen van) dieren en niet op personen staat dan ook niet aan een beroep op artikel 3:305a BW in de weg.

6.8.

Dier & Recht heeft gesteld en toegelicht welke activiteiten door haar in dit kader zijn ondernomen. Die zijn niet, althans niet specifiek, betwist door de fokkers, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan uit zal gaan. Daarmee is aan het vereiste van belangenbehartiging overeenkomstig het statutaire doel voldaan. Het verweer van de fokkers dat Dier & Recht geen beroep op voormeld artikel toekomt omdat zij niet gesteld heeft namens de eigenaren van honden met een erfelijke afwijking op te treden, faalt dan ook.

6.9.

Dier & Recht en de fokkers twisten over de vraag of voldaan is aan het vereiste van het voeren van voorafgaand overleg over de zaak. De fokkers voeren in dit verband aan dat de gevoerde correspondentie alleen gevoerd is om op papier te voldoen aan artikel 3:305a lid 2 BW en dat Dier & Recht (ook indien de fokkers de verzochte inzage in hun fokadministratie hadden gegeven) tot dagvaarding zou zijn overgegaan, omdat Dier & Recht op voorhand heeft aangegeven dat zij het fokken met honden met HD B en het fokken met dragers en lijders van PRA en het fokken met dragers en lijders van ICT wil verbieden.

Vooropgesteld dient te worden dat artikel 3:305a, tweede lid BW niet onverkort vereist dat sprake is geweest van voorafgaand (constructief) overleg. Bepaald is dat een rechtspersoon niet ontvankelijk is indien deze in de gegeven omstandigheiden onvoldoende heeft getracht om het gevorderde door overleg te bereiken. Uit het partijdebat is voldoende gebleken dat ook een constructief en inhoudelijk voorafgaand overleg gelet op de over en weer betrokken standpunten niet een procedure had kunnen voorkomen, zodat een dergelijk overleg in de gegeven omstandigheden zinloos zou zijn geweest. Partijen hebben dit ter comparitie ook erkend. Lid 2 van artikel 3:305a BW staat dan ook niet aan ontvankelijkheid van Dier & Recht in de weg.

Nu voldaan is aan alle vereisten van artikel 3:305a BW is Dier & Recht ontvankelijk in haar vorderingen.

6.10.

Het verweer van de fokkers dat Dier & Recht niet bevoegd is tot opsporing, handhaving en regelgeving en daarom niet bevoegd tot invulling van de open norm van artikel 3.4 Besluit houders van dieren, staat niet aan haar ontvankelijkheid (ex artikel 3:305a BW) in de weg. Voor zover de fokkers hun niet-ontvankelijkheidsverweer hierop gronden, faalt dit.

6.11.

Dit geldt eveneens voor het beroep van de fokkers op het ‘Schutznormvereiste’.

De fokkers voeren aan dat de onrechtmatige daad niet als grondslag kan dienen, omdat in de visie van de fokkers niet aan het Schutznormvereiste is voldaan. Voorzover de fokkers met die stelling beogen op te komen tegen de bevoegdheid van de rechtbank c.q. de ontvankelijkheid van Dier & Recht, faalt dit verweer om de hierboven uiteengezette gronden.

artikel 3:296 BW

6.12.

Dier & Recht heeft bij conclusie van antwoord in reconventie aanvullend beroep gedaan op artikel 3:296 lid 1 BW. De fokkers voeren verweer tegen deze laattijdige aanvulling en voeren aan dat deze dient te worden beschouwd als een wijziging c.q. vermeerdering van haar grondslag die in dit stadium niet meer kan worden gehonoreerd.

De rechtbank zal het bezwaar hiertegen verwerpen, nu het artikel slechts bepaalt dat hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, kan worden veroordeeld, waarmee Dier & Recht blijkens haar toelichting beoogt ook situaties van dreigend onrechtmatig handelen in de eis mee te nemen.

Nu de fokkers - hoewel daartoe gelegenheid geboden - geen inhoudelijke opmerkingen hebben gemaakt naar aanleiding van het nieuw genoemde wetsartikel en het geen grote wijziging van de grondslag betreft, acht de rechtbank de fokkers dan ook niet in hun verdediging geschaad.

onrechtmatig handelen /strijd met artikel 3.4 Besluit houders van dieren ?

6.13.

Dier & Recht legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de fokkers in strijd handelen, althans dreigen te handelen met artikel 3.4 Besluit houders van dieren, hetgeen kwalificeert als schending van een wettelijke plicht als bedoeld in artikel 6:162 lid 2 BW. Dier & Recht stelt daartoe dat artikel 3.4 Besluit houders van dieren twee verplichtingen met zich meebrengt: de verplichting om ouderdieren te onderzoeken op erfelijke aandoeningen voordat zij met die dieren fokken en de verplichting om gevolgen te verbinden aan de resultaten van dat onderzoek.

6.14.

Vooropgesteld dient te worden dat artikel 3.4 Besluit houders van dieren geen concrete regels maar een open norm bevat. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Evenmin is in geschil dat er al een traject gaande is vanuit de overheid, waarbij de overheid bezig is om meer invulling te geven aan de open norm van dit artikel. De overheid heeft hiertoe aan de Faculteit voor Dierengeneeskunde van de Universiteit Utrecht opdracht gegeven tot een incidentieonderzoek. Doel van het incidentieonderzoek is om gerichter beleid te ontwikkelen om te komen tot een gezondere populatie. Daartoe is beoogd om voor alle honden- en kattenrassen aan te geven in welke mate erfelijke afwijkingen en ziektes bij het ras voorkomen. Daarna zal worden vastgesteld welke in hoger mate voorkomende erfelijke afwijkingen en ziektes als ernstig moeten worden beschouwd en geprioriteerd dienen te worden. Aan de hand van deze wetenschappelijke gegevens kunnen de rasverenigingen hun fokreglementen (zonodig) aanpassen, waarmee concrete invulling wordt gegeven aan artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren.

Daarnaast staat vast dat ook de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied (hierna Raad van Beheer) beoogt te komen tot een gezonde rashond in 2024 door nadere wetgeving. In dat verband is de Raad van Beheer het project Fairfok gestart en een pilot om te komen tot een normenmatrix die per ras voor alle fokkers van dat specifieke ras gaat gelden. Een stamboom zal in dat geval slechts worden verleend indien de fokker heeft voldaan aan de in artikel 3.4 neergelegde inspanningsverplichting, die per ras verschillend zal zijn.

Hieruit volgt dat er van rechtswege al initiatieven zijn ontplooid om te komen tot specifieke regelgeving en een concrete invulling van de norm van artikel 3.4 van het Besluit.

6.15.

Thans dient beoordeeld te worden of sprake is van handelen in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij de vraag of onderzoek naar een aandoening of ziekte op zijn plaats is, dient daarom aansluiting te worden gezocht bij de huidige stand van de wetenschap. In dat verband is van belang dat in Nederland in acht te nemen gedragsregels voor het fokken van Golden Retrievers zijn opgesteld door brancheverenigingen en zijn neergelegd in de fokreglementen van de GRV en de GRCN.

Gesteld noch gebleken is dat de fokkers handelen of gehandeld hebben in strijd met de fokreglementen van die verenigingen.

Of Dier & Recht beoogt te stellen dat in Nederland de internationale standaard van de F.C.I. dient te gelden, is onduidelijk. Zijdelings heeft Dier & Recht namelijk aangehaald dat de strengere internationale regels van het F.C.I. door toedoen van fokkers niet zijn overgenomen in Nederland, maar Dier & Recht heeft daaraan geen verdere consequenties verbonden en zich met name niet (duidelijk) op het standpunt gesteld dat de stand van de wetenschap bepaald wordt door die betreffende standaard, zodat geen aanleiding bestaat voor toetsing aan de normen van de F.C.I.

6.16.

Op de zitting heeft Dier & Recht verduidelijkt dat haar vorderingen zich uitsluitend richten op drie erfelijke aandoeningen. De rechtbank zal per ziekte beoordelen of door de fokkers - gelet op de in Nederland in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen - onrechtmatig c.q. onzorgvuldig is gehandeld.

ICT (ichtyosis)

6.17.

Partijen twisten over de ernst van deze aandoening bij Golden Retrievers.

De fokkers voeren in dit verband aan dat ICT zowel bij mensen als bij honden in verschillende mate van ernst voorkomt en dat de ernstige vorm van ICT - waarbij huidinfecties, ernstige jeuk, kaalheid en rode plekken (kunnen) optreden - niet voorkomt bij de Golden Retrievers. De fokkers stellen dat uitsluitend een milde vorm van ICT voorkomt bij de Golden Retrievers die niet deze klinische symptomen heeft en niet ernstig is. Ook betogen de fokkers dat een lijder aan ICT niet automatisch klinische symptomen (als schilfering, huidverkleuring of huidverdikking) heeft.

Door de fokkers is in dit verband onweersproken (en gedocumenteerd) gesteld dat uit wetenschappelijk onderzoek volgt dat dit geen schadelijke ziekte is en dat het uitsluiten van dragers en lijders zelfs ongewenst is, omdat dit leidt tot een beperking van de genen-pool, waardoor er een toename van het percentage van inteelt is dat uiteindelijk tot meer gezondheidsproblemen zal leiden.

6.18.

Dier & Recht heeft de gevraagde wetenschappelijke onderbouwing van haar standpunt over de ernst van de aandoening ICT bij Golden Retrievers niet gegeven. Dier & Recht verwijst daartoe slechts naar de door de fokkers overgelegde stukken (een stuk over ICT afkomstig van de GRCN en een eindrapport van de Duitse ‘Gesellschaft zur Förderung Kynologischer Forschung’ van juni 2015, producties 13 en 17 van de fokkers), maar Dier & Recht heeft niet navolgbaar toegelicht hoe deze stukken haar standpunt ondersteunen. Te meer nu uit de inhoud van die stukken de juistheid van het standpunt van de fokkers ten aanzien van ICT lijkt te volgen.

Dier & Recht heeft daardoor onvoldoende specifiek en onderbouwd weersproken dat ICT een milde aandoening is bij Golden Retrievers waarvan de dieren weinig tot geen last hebben en daardoor haar stellingen over de ernst van ICT en gevolgen voor het fokken, onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.

Nu niet gebleken is dat ICT bij Golden Retrievers een schadelijke, ernstige ziekte is,

kan de fokkers niet het verwijt worden gemaakt dat zij door te fokken met ouderdieren die lijders en/of dragers zijn, onzorgvuldig handelen.

Heupdysplasie (HD)

6.19.

Wat betreft het debat over de schadelijkheid van HD, hebben de fokkers ten verwere aangevoerd dat met HD-A en HD-B Golden Retrievers volgens nationale en internationele regels mag worden gefokt. Zij stellen dat al decennialang röntgenonderzoek naar HD bij fokdieren verplicht is en wordt uitgevoerd en dat - in overeenstemming met de FCI normen en het reglement van de Raad van Beheer - het volgens het reglement van de GRCN en de GRV is toegestaan om met HD-A en HD-B te fokken. De fokkers benadrukken dat een hond met HD-B geen HD heeft en dus niet ziek is.

Ook met betrekking tot aard en ernst van de aandoening HD-B hebben de fokkers hun stellingen met (een beroep op) wetenschappelijke stukken onderbouwd.

6.20.

Dier & Recht persisteert bij haar standpunt dat het fokken met dieren met HD-B procentueel veel meer nakomelingen met schadelijke vormen van HD veroorzaakt. Dier & Recht wijst daartoe op haar productie 5 bij dagvaarding, een artikel uit ‘The Veterinary Journal 189 (2011)’ (over een wetenschappelijk onderzoek naar HD/ED naar aanleiding van de door OFA opgestelde regels) waaruit dit kan worden afgeleid.

6.21.

Uit het debat tussen partijen blijkt dat zij het erover eens zijn dat een hond als HD-positief wordt aangemerkt als de HD-score in HD-C tot en met HD-E valt en dat HD-B een overgangsvorm is van HD-vrij naar HD-positief, waarbij lichte veranderingen te zien zijn die bij HD passen.

Uit de door Dier & Recht overgelegde productie kan worden opgemaakt dat fokken met dieren met HD-B inderdaad procentueel meer nakomelingen met schadelijke vormen van HD veroorzaakt dan indien er uitsluitend gefokt zou worden met dieren waarvan zeker is dat ze HD-vrij zijn, HD-A. Dit laat echter onverlet dat uit het stuk eveneens blijkt dat ook bij het fokken met HD-vrije dieren een statistische kans is op dieren met HD-C, D of E. Noch nationaal noch internationaal heeft dit aanleiding gevormd voor organisaties tot het uitsluiten van HD-B dieren voor de fok. Als onweersproken gesteld staat immers vast dat het fokken met HD-A en HD-B Golden Retrievers is toegestaan volgens de reglementen van de GRCN en GRV.

Dier & Recht citeert ook niet de twee laatste zinnen van de door haar aangehaalde alinea uit de rapportage:

While breeding from only OFA Excellent dogs will significantly improve hip ratings of progeny, the elimination of the rest of the phenotypically normal dogs from breeding (most of which produce predominantly normal dogs) would also severly restrict the gene pools of breeds. Pragmatic breeding recommendations include breeding from normal dogs (…).”.

Dier & Recht is niet nader ingegaan op het verweer van de fokkers dat de conclusie uit het overgelegde wetenschappelijk onderzoek over HD/ED door de Amerikaanse tegenhanger van de FCI, de OFA, eveneens is dat er met HD-A en HD-B honden gefokt mag worden, dat een uitslag HD-B als normaal geldt en dat het uitsluiten van HD-B honden van de fok tot ernstige schade aan een ras zal leiden. Ook het verweer van de fokkers dat in het Rapport Heupdysplasie Onderzoek van de Raad van Beheer - waarop Dier & Recht zich beroept - uitdrukkelijk staat vermeld dat HD-B betekent dat er geringe afwijkingen zijn gevonden waaraan in het kader van de fokkerij geen betekenis kan worden toegekend, heeft Dier & Recht onweersproken gelaten.

Tegen deze achtergrond heeft Dier & Recht onvoldoende toegelicht dat het fokken met honden met HD-B onzorgvuldig is. Voor deze stellingname is onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing. Dat er een statistisch iets grotere kans is op dieren met HD-C, D of E dan het geval zou zijn indien gefokt zou worden met uitsluitend HD-A honden is onvoldoende om tot onzorgvuldig handelen te concluderen. Gelet op het bovenstaande kan niet worden geoordeeld dat door de fokkers onrechtmatig is gehandeld door te fokken met HD-B honden.

6.22.

Voor zover de vordering ziet op een verbod van het fokken met Golden Retrievers met HD-C, behoeft deze vordering geen verdere bespreking meer. De fokkers hebben immers aangegeven niet te fokken met honden met HD-C en Dier & Recht heeft dit niet weersproken.

PRA (Progressieve Retina Atrofie)

6.23.

Tussen partijen is niet in geschil dat PRA een als ernstig te kwalificeren erfelijke afwijking is.

6.24.

Dier & Recht stelt dat het fokken met dragers en lijders van PRA verboden moet worden en dat de fokkers nalaten hun fokdieren op PRA te testen door middel van een DNA-onderzoek. Dier & Recht stelt voorts dat de verplichting tot testen niet pas is gaan gelden op het moment dat de wettelijke eis is opgenomen in het fokreglement van de rashondenvereniging, maar dat de fokkers al op 1 juli 2014 - toen artikel 3.4 van het Besluit in werking trad - gehouden waren tot het testen van de ouderdieren. Zij wijst daartoe op de Nota van Toelichting waarin is overwogen dat fokken niet is toegestaan als afwijkingen voorkomen hadden kunnen worden door het nemen van passende preventieve maatregelen zoals screenend onderzoek, DNA-testen of wijziging van het fokbeleid.

6.25.

Dier & Recht verliest daarbij uit het oog dat artikel 3.4. van het Besluit niet een algemene verplichting tot het nemen van alle (mogelijke) preventieve maatregelen oplegt. Het zou ook nagenoeg niet realiseerbaar zijn om maatregelen te nemen tegen c.q. onderzoek te doen naar elke mogelijk zich voordoende ziekte of aandoening. Dit strekt te ver. Uit de Nota volgt niet dat dit de bedoeling van de wetgever was bij het formuleren van de open norm. Bij de vraag of onderzoek naar een aandoening of ziekte op zijn plaats is, dient daarom aansluiting te worden gezocht bij de huidige stand van de wetenschap. Gesteld noch gebleken is dat het uit wetenschappelijk oogpunt vóór 16 april 2016 werd aangeraden de ouderdieren door DNA-onderzoek te testen op PRA.

6.26.

In de periode voorafgaand aan 16 april 2016 bestond volgens de fokkers wel al decennialang volgens de fokreglementen de verplichting om fokdieren jaarlijks te controleren op diverse oogafwijkingen waaronder ook PRA. Met honden zonder een geldige (niet ouder dan een jaar zijnde) ooguitslag mocht niet worden gefokt. De fokkers voeren aan dat zij steeds hun fokdieren op alle voorkomende oogafwijkingen hebben laten onderzoeken, maar dat de indertijd voor handen zijnde onderzoeksmethode slechts lijders van PRA kon opsporen en geen dragers. Dier & Recht heeft dit niet weersproken.

De slotsom luidt dan ook dat de fokkers niet onzorgvuldig hebben gehandeld door de ouderdieren (vóór 16 april 2016) niet te testen op PRA. Evenmin kan worden geconcludeerd dat de fokkers na die datum onzorgvuldig hebben gehandeld.

6.27.

Hetgeen hiervoor onder r.o. 6.17.– r.o. 6.21. is overwogen, leidt tot de conclusie dat niet onzorgvuldig is gehandeld door de fokkers. Evenmin kan worden geconcludeerd dat er sprake is van dreigend onrechtmatig handelen. Aan bewijslevering en beantwoording van de vraag of op de fokkers een verzwaarde motiveringsplicht rust, komt de rechtbank niet toe.

De vorderingen zullen daarom alle worden afgewezen.

6.28.

Dier & Recht zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De fokkers hebben verzocht om Dier & Recht te veroordelen tot vergoeding van de volledige proceskosten. Zij voeren daartoe aan dat Dier & Recht misbruik heeft gemaakt van recht door een procedure te entameren die - kort gezegd - op voorhand kansloos was en waardoor de fokkers nodeloos op kosten zijn gejaagd.

6.29.

Vooropgesteld dient te worden dat slechts in zeer bijzondere gevallen plaats is voor vergoeding van de reële, daadwerkelijk gemaakte proceskosten.

Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat de fokkers zeer lichtvaardig zijn gedagvaard, mede bezien tegen de achtergrond dat Dier & Recht ter zitting heeft gesteld dat zij deze fokkers niet een persoonlijk verwijt maakt en dat deze fokkers zijn gekozen ‘als symbool voor een bepaalde groep fokkers die op dezelfde wijze werkzaam zijn’, er geen concrete schade is gebleken en de vorderingen in de kern gebaseerd zijn op veronderstellingen, maar deze handelswijze kwalificeert echter nog niet tot misbruik van recht. Daartoe is meer vereist dan het starten van een weinig kansrijke procedure. Anders dan de fokkers betogen, was op voorhand niet te zeggen dat de uitkomst van deze procedure volstrekt kansloos zou zijn.

Bijzondere omstandigheiden die een integrale proceskostenveroordeling rechtvaardigen zijn niet, althans onvoldoende gebleken.

6.30.

Dier & Recht zal, als gezegd, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op € 288,- aan vastrecht, op nihil aan overige verschotten en op € 904,- (2 x tarief II à € 452,-) aan salaris voor de advocaat.

in reconventie

ontvankelijkheid Dier & Recht

6.31.

De fokkers vorderen een verklaring voor recht dat Dier & Recht niet bevoegd is om een vordering in te stellen die uitsluitend gebaseerd is op artikel 3.4. Besluit houders van dieren. Deze vordering dient te worden afgewezen, gelet op hetgeen hierover in conventie onder rechtsoverwegingen 6.2. tot en met 6.11. is overwogen.

onrechtmatig handelen Dier & Recht door incognito inzet medewerkster?

6.32.

Ter beoordeling ligt vervolgens de vraag voor of Dier & Recht onrechtmatig heeft gehandeld door een van haar medewerksters onder valse voorwendselen en onder een valse naam op pad te sturen teneinde informatie/bewijs te laten vergaren tegen fokker [gedaagde 3] .

6.33.

Niet ter discussie staat dat Dier & Recht onder valse voorwendselen een van haar medewerksters op fokker [gedaagde 3] heeft afgestuurd met het doel om informatie c.q. bewijs van haar vermoedens te verkrijgen.

Uit het partijdebat blijkt dat er op dat moment geen enkele aanleiding was om misstanden bij fokker [gedaagde 3] te veronderstellen en ook achteraf blijkt dat dus niet het geval. Deze handelswijze van Dier & Recht acht de rechtbank dan ook zeer onfatsoenlijk, maar dat maakt het handelen nog niet per definitie onrechtmatig. Het handelen van Dier & Recht dient te worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank laat deze toets echter achterwege nu de vordering reeds afstuit op het ontbreken van de vereiste schade. De fokkers stellen in dit verband slechts dat dit handelen heeft geleid tot wantrouwen bij veel fokkers ten opzichte van nieuwe puppiekopers en dat fokkers nu - kort gezegd - terughoudender zijn met het verstrekken van informatie. Waarin de concrete schade bestaat voor de fokkers is echter niet toegelicht of onderbouwd.

onrechtmatige publicatie /rectificatie ?

6.34.

De fokkers vorderen onmiddellijke verwijdering van het artikel van Dier & Recht op haar website op straffe van verbeurte van een dwangsom. Zij stellen dat in dit artikel onjuiste, ongefundeerde en onvolledige informatie staat, die de fokkers, bonafide fokkers van de Golden Retrievers in zijn algemeenheid en het ras ernstig in diskrediet brengt. De fokkers wijzen in dit verband op de informatie over ichthyosis, die volgens hen onjuist is en stellen dat Dier & Recht impliceert dat de fokkers hun ouderdieren niet laten onderzoeken op erfelijke afwijkingen als ichthyosis, heupdisplasie en PRA en dat door het toepassen van ‘outcross’ alle problemen opgelost zouden zijn, hetgeen niet klopt. De fokkers beroepen zich ter onderbouwing op het rapport Fairfok van de Raad van Beheer.

6.35.

Het bezwaar van de fokkers richt zich - zo begrijpt de rechtbank - met name tegen de navolgende passage:

Dier & Recht eist van beide fokkers dat ze testen op ichthyosis maar ook op heupdisplasie en de oogaandoening PRA. En natuurlijk dat ze bij het fokken rekening houden met die testen. De fokkers stellen dat het testen, en als gevolg daarvan het moeten uitsluiten van honden, leidt tot een aantasting van het ras. Een vreemde redenering omdat die aantasting gemakkelijk teniet kan worden gedaan door het toepassen van ‘outcross’. Outcross is het (incidenteel) fokken met andere hondenrassen waardoor erfelijke aandoeningen worden teruggedrongen. Hierdoor wordt de populatie verrijkt met ‘nieuw bloed’ en neemt de genetische variëteit in één keer flink toe. Maar outcross mag niet als men nog kans wil maken op een stamboom voor de dieren. De fokkers willen dus kennelijk liever een hond met stamboom en jeuk dan een gezondere hond zonder stamboom.

6.36.

Dier & Recht doet beroep op haar recht op vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM en voert aan dat een eventuele belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. Zij wijst erop dat de fokkers in het artikel niet met naam zijn genoemd en dat het artikel ook geen informatie bevat waaruit hun identiteit kan worden afgeleid, zodat hun goede naam niet kan zijn geschaad en geen sprake kan zijn van reputatieschade.

Voorts voert Dier & Recht onder meer aan dat tegenover het belang van de fokkers bij een rectificatie het belang van Dier & Recht staat om aandacht te genereren voor door haar gevoerde procedures, mede nu zij afhankelijk is van donaties. Dier & Recht voert aan veel belang te hebben bij het op de hoogte houden van haar donateurs en andere belanghebbenden van de door haar gevoerde procedures en van haar visie op de hondenfokkerij in Nederland en de aard en ernst van de daarin voorkomende problemen en mogelijke oplossingen daarvoor.

6.37.

In dit geschil staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, rechten tegenover elkaar, te weten enerzijds het recht van de fokkers op bescherming van de goede naam van hun fokkerij, van het ras en van het fokken van Golden Retrievers in haar algemeenheid tegen lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen en anderzijds de vrijheid van meningsuiting van Dier & Recht. Welk van deze rechten in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden, waaronder de aard van de gepubliceerde beschuldigingen, de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die beschuldigingen betrekking hebben, de ernst van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de beschuldigingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal en de inkleding van de beschuldigingen. Bij de afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan één van voornoemde rechten. Indien geoordeeld wordt dat een van beide rechten, gelet op alle omstandigheden van het geval, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt dit mee dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de ‘noodzakelijkheidstoets’ van het tweede lid van artikel 10 EVRM (Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627).

6.38.

Met de fokkers is de rechtbank van oordeel dat de uitlatingen over de fokkers ongenuanceerd zijn. Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en geoordeeld, staat vast dat de fokkers zich steeds hebben gecommitteerd aan de voorgeschreven fokreglementen en de ouderdieren hebben doen testen op genoemde aandoeningen en meer. De tekst van het artikel suggereert dat de fokkers hun dieren niet op genoemde aandoeningen doen testen, hetgeen onjuist is en - in de gegeven omstandigheden - onzorgvuldig jegens de fokkers is.

Dier & Recht kan zich er niet achter verschuilen dat haar pas bij conclusie van antwoord duidelijk werd dat de fokkers ook de mening onderschreven dat ouderdieren op genoemde aandoeningen getest behoren te worden. Zolang zij niet met zekerheid weet of de fokkers op genoemde aandoeningen testen, dient zij zich van dergelijke suggestieve opmerkingen te onthouden, nu deze opmerkingen - indien onjuist - onrechtmatig en schadeveroorzakend voor fokkers kunnen zijn. Dit brengt de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt met zich mee.

6.39.

Dier & Recht is ook met haar oplossing van het toepassen van outcross om aantasting van het ras te verhelpen te kort door de bocht. Uit hetgeen de Raad van Beheer in haar rapport Fairfok hierover heeft opgenomen volgt dat het toepassen van outcross geen sinecure is en niet zonder meer kan worden toegepast. Voordat met outcross begonnen kan worden dient volgens dit rapport eerst per ras een plan van aanpak te worden opgesteld en zal vervolgens de outcross zorgvuldig gemonitord dienen te worden. Ook blijkt uit het rapport dat outcross zich niet leent voor toepassing bij elke soort.

Dit betekent dat Dier & Recht in haar artikel onvolledige en onjuiste informatie verschaft over de werkwijze van de fokkers, de juistheid van de stelling dat te veel uitsluitingen schadelijk kunnen zijn voor het ras (zie de conventie) en de toepassing van ‘outcross’ bij Golden Retrievers. Over de gegrondheid van haar opmerkingen over de ernst van de aandoening ichthyosis heeft de rechtbank in conventie reeds overwogen dat Dier & Recht daarvoor onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing heeft aangebracht en niet gebleken is dat dit een schadelijke ziekte bij Golden Retrievers is.

6.40.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de uitlatingen van Dier & Recht in genoemd artikel onvolledig, ongefundeerd en onjuist zijn, hetgeen een inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting kan beperken.

Het artikel van Dier & Recht heeft echter de aard van een ‘persbericht’. Het publiek wordt geïnformeerd over het dagvaarden van twee fokkers van Golden Retrievers. In het artikel wordt het standpunt verkondigd dat Dier & Recht in deze procedure heeft ingenomen. De rechtbank acht bij de afweging van de rechten de omstandigheid dat de fokkers niet met naam en woonplaats worden genoemd in het artikel van groot belang. Niet gesteld of gebleken is dat hun identiteit op grond van dit artikel kan worden achterhaald. De ernst van de te verwachten gevolgen voor de fokkers als gevolg van de publicatie acht de rechtbank dan ook klein. Dat de onvolledige, ongefundeerde en onjuiste informatie in het artikel directe invloed heeft op de wijze waarop het publiek c.q. de lezer naar de fokkers van Golden Retrievers in het algemeen zal kijken en naar het ras, acht de rechtbank aannemelijk, maar legt onvoldoende gewicht in de schaal. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een publicatie op de eigen website van Dier & Recht en niet om publicatie in een voor groter publiek gemakkelijker en toegankelijker medium als bijvoorbeeld een (digitaal) landelijk dagblad. Om kennis te kunnen nemen van het artikel dient het publiek c.q. de lezer bekend te zijn met de stichting Dier & Recht en actief op zoek te gaan naar haar website.

De slotsom luidt dat gelet op alle omstandigheden van het geval hier het recht op de vrijheid van meningsuiting zwaarder weegt dan het recht van de fokkers op bescherming van de goede naam van hun fokkerij, van het ras en van het fokken van Golden Retrievers in haar algemeenheid. De gevorderde verwijdering van het artikel van de website en rectificatie zijn daarom niet toewijsbaar.

6.41.

De rechtbank gaat er overigens wel vanuit dat dit artikel, gelet op de uitkomst van deze procedure, zal worden aangepast c.q. aangevuld. Dier & Recht heeft immers aangegeven dat zij er belang bij heeft om haar achterban en donateurs te informeren. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat Dier & Recht ernaar streeft om haar achterban juiste en volledige informatie te verschaffen.

6.42.

De fokkers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op nihil aan verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat.

7 De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Dier & Recht in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de fokkers begroot op € 288,- aan verschotten en op € 904,- aan salaris voor de advocaat;

veroordeelt Dier & Recht in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na dit vonnis;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Dier & Recht in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de fokkers begroot op nihil aan verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis, wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.

1182/32