11 Beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft het onder feit 2 ten laste gelegde;
verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 238 (tweehonderdachtendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 119 (honderdnegentien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,
en mrs. A.A. Kalk en J. Bergen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Witteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig
heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke
verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het
openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , welk genoemd rijgedrag
hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl
-in die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die [plaats delict] een
voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een tramhalte was gelegen, welke
oversteekplaats door bebording naast en boven de weg kenbaar werd gemaakt aan
weggebruikers, en/of
-door die tramhalte het zicht op voetgangers, die de rijbaan via die
voetgangersoversteekplaats wilden oversteken, deels werd belemmerd, en/of
-er sprake was van duisternis,
ondanks bovengenoemde omstandigheden
-die voetgangersoversteekplaats met een veel hogere snelheid dan de ter
plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur is genaderd en/of is opgereden
en/of
-in ieder geval met een gelet op bovengenoemde omstandigheden veel te hoge
snelheid heeft gereden en/of
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig
tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien
en waarover deze vrij was en/of
-(aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger
(inmiddels) doende was die voetgangersoversteekplaats van links naar rechts
over te steken, althans aanstalten maakte om via die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of
-die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of
-(vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 80 en 93 km/u op of nabij die
voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die
voetganger,
waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood
hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer
openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op
die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op
die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
terwijl
-in die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die [plaats delict] een
voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een tramhalte was gelegen, welke
oversteekplaats door bebording naast en boven de weg kenbaar werd gemaakt aan
weggebruikers, en/of
-door die tramhalte het zicht op voetgangers, die de rijbaan via die
voetgangersoversteekplaats wilden oversteken, deels werd belemmerd, en/of
-er sprake was van duisternis,
ondanks bovengenoemde omstandigheden
-die voetgangersoversteekplaats met een veel hogere snelheid dan de ter
plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur is genaderd en/of is opgereden
en/of
-in ieder geval met een gelet op bovengenoemde omstandigheden veel te hoge
snelheid heeft gereden en/of
-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-(aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger (inmiddels) doende was die voetgangersoversteekplaats van links naar rechts over te steken, althans aanstalten maakte om via die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of
-die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of
-(vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 80 en 93 km/u op of nabij die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die
voetganger;
2.
hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam, als bestuurder van een
motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval en/of door
wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de [plaats delict] , de
plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist
of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam slachtoffer] )
letsel en/of schade was toegebracht;