beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rekestnummer: C/10/515413 / KG RK 16-2176
Beschikking van de voorzieningenrechter van 8 februari 2017
de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging
HERAEUS MEDICAL GMBH,
gevestigd te Wehrheim, Duitsland,
verzoekster,
advocaten mrs. R.C.K. van Oerle en K. van der Graaf te Amsterdam,
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET EUROPE B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET GLOBAL SUPPLY CHAIN CENTER B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER BIOMET NEDERLAND B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET HOLDINGS B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER EUROPE HOLDINGS B.V.,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER BIOMET ASIA HOLDING B.V.,
allen gevestigd te Dordrecht,
verweersters,
advocaten mrs. R.P. Santifort en H.A.J. Pors te Rotterdam en mrs. J. de Bie Leuveling Tjeenk en O.V. Lamme te Amsterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als Heraeus en Biomet, dan wel verweersters.
1 De procedure
1.1.
In deze procedure is op 6 december 2016 door de voorzieningenrechter mr. A.F.L. Geerdes beschikking gewezen op basis van de daarin genoemde stukken, te weten een verzoekschrift van 28 november 2016 met 20 bijlagen en een reactie van (een van de advocaten van) verzoekster van 2 december 2016 naar aanleiding van door de voorzieningenrechter gestelde vragen. De beschikking is gewezen zonder dat verweersters daarop gehoord zijn.
1.2.
De voorzieningenrechter mr. P. de Bruin is, op de voet van overweging 2.6. van de beschikking “Indien zich tijdens de beslaglegging situaties voordoen waarin met deze beschikking niet wordt voorzien, kan de beslag leggende deurwaarder zich met de voorzieningenrechter, of bij diens afwezigheid met een andere voorzieningenrechter, verstaan en kunnen zo nodig nadere voorzieningen worden getroffen.”, op 5 januari 2017 telefonisch benaderd door de beslag uitvoerende deurwaarders, waarna een telefoongesprek met de voorzieningenrechter, twee deurwaarders (deurwaarders [deurwaarder 1] en [deurwaarder 2] ), een IT-specialist en drie advocaten van Biomet (mrs. Santifort, Pors en Lamme) plaatsvond. De voorzieningenrechter heeft op dat moment, mondeling en telefonisch, geantwoord op de door de deurwaarders gestelde vraag welke papieren bescheiden het gebouw van Biomet (beslaglocatie Dordrecht) mochten verlaten om gekopieerd en gescand te worden bij DigiJuris en op welke wijze deze weer terug zouden moeten keren. Aangegeven is dat alleen reeds geselecteerde en onder het beslag vallende bescheiden de beslaglocatie mochten verlaten en al die documenten bij terugkeer op precies dezelfde plek waar ze uit ordners waren gehaald, weer teruggestopt moesten worden. Dit is (verder) niet schriftelijk vastgelegd.
1.3.
Op 12 januari 2017 is per e-mail een vraag van een andere, het beslag uitvoerende, deurwaarder ontvangen met betrekking tot de interpretatie van de beschikking. In antwoord op die vraag is namens de voorzieningenrechter, mr. Geerdes, meegedeeld dat bevestigd wordt dat de beschrijving van het proces hoe het beslag wordt uitgevoerd niet onder de geheimhoudingsverplichting als bedoeld in de beschikking valt.
1.4.
Op 13 januari 2017 is, opnieuw telefonisch, nogmaals een vraag door de deurwaarders aan de voorzieningenrechter, mr. De Bruin, voorgelegd. Deze vraag betrof het verzoek om een integrale kopie van de zogeheten NAS-server te mogen maken. De voorzieningenrechter mr. De Bruin, heeft toen in eerste instantie toestemming verleend en na, eveneens per telefoon ontvangen, bezwaren van de advocaten van Biomet, betrekking hebbend op geheimhouding en verschoningsrechten, mondeling en telefonisch besloten dat het maken en meenemen van een kopie van de NAS-server werd toegestaan maar dat de deurwaarders voorlopig niet mochten gaan selecteren, in ieder geval niet tot na het inmiddels aanhangige kort geding tot opheffing van het bewijsbeslag (op vordering van Biomet), dat op 17 januari 2017 in Breda heeft gediend en het exhibitie kort geding dat op 26 januari bij de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, zou dienen, waarvan de behandeling is aangehouden. Deze beslissing is (verder) niet schriftelijk vastgelegd.
1.5.
Bij e-mail van 18 januari 2017 16:04 uur aan Bureau Voorzieningenrechter hebben de deurwaarders twee aanvullende verzoeken aan de voorzieningenrechter voorgelegd. De advocaten van Biomet hebben per e-mail verzocht op die verzoeken te mogen reageren voordat een beslissing zou worden genomen. De voorzieningenrechter, mr. De Bruin, heeft de griffie toen laten weten die reactie af te wachten. De deurwaarders hebben toen eerst verzocht om uiterlijk om 17.00 uur te beslissen en, na een bericht van de advocaten van Biomet dat zij hun cliënten pas om 18.30 uur zouden spreken, verzocht om een mondeling onderhoud.
Hierna zijn de volgende e-mails uitgewisseld (tussen de voorzieningenrechter mr. De Bruin, de deurwaarders en de advocaten van Biomet), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd:
- e-mail van de voorzieningenrechter van 18 januari 2017 17:00 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 18 januari 2017 23:21 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 19 januari 2017 8:25 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 19 januari 2017 12:57 uur
- e-mail van de deurwaarders van 19 januari 2017 14:19 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 19 januari 2017 14:53 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 19 januari 2017 15:31 uur
- e-mail van de deurwaarders van 20 januari 2017 0:46 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 20 januari 2017 7:59 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 20 januari 2017 9:26 uur
- e-mail van de deurwaarders van 20 januari 2017 9:27 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 20 januari 2017 12:02 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 20 januari 2017 12:07 uur.
Na deze laatste e-mail is Bureau Voorzieningenrechter telefonisch benaderd en heeft, bij afwezigheid van mr. de Bruin op dat moment, de voorzieningenrechter mr. W.J. Van den Bergh telefonisch doorgegeven dat de beslaglegging werd bevroren tot de zitting van die middag om 14.30 uur.
1.6.
Op 20 januari 2017 14.30 uur heeft er een zitting plaatsgevonden waarbij de voorzieningenrechter mr. De Bruin, deurwaarder [deurwaarder 2] en twee van de advocaten van Biomet aanwezig waren. Na afloop van die zitting zijn de volgende e-mails uitgewisseld tussen de voorzieningenrechter mr. De Bruin, de deurwaarders en de advocaten van Biomet, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd:
- e-mail van de advocaten van Biomet van 20 januari 2017 17:26 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 20 januari 2017 17:43 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 20 januari 2017 17:43 uur
- e-mail van de deurwaarders van 20 januari 2017 17:56 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 20 januari 2017 18:04 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 22 januari 2017 19:41 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 22 januari 2017 19:46 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 22 januari 2017 19:52 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 22 januari 2017 19:58 uur.
1.7.
Op 23 januari 2017 hebben de advocaten van Heraeus de voorzieningenrechter, mr. de Bruin, gewraakt waarna de voorzieningenrechter heeft bevestigd dat een op 24 januari 2017 om 10:30 uur geplande zitting geen doorgang zou vinden. Op 26 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter schriftelijk gereageerd op de wraking. Op 1 februari 2017 is het wrakingsverzoek ingetrokken en heeft de voorzieningenrechter, via de secretaris van de wrakingskamer, een brief van 1 februari 2017 van de advocaten van Heraeus ontvangen. De inhoud daarvan wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
1.8.
Op 1 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter, na ontvangst van het bericht van intrekking van de wraking, de deurwaarder en de advocaten van Biomet een e-mail gestuurd tot hervatting van de wisseling van standpunten in de stand waar die op 20 januari 2017 was gebleven. Hierna zijn de volgende e-mails uitgewisseld tussen de voorzieningenrechter mr. de Bruin, de deurwaarders, de advocaten van Biomet en de advocaten van Heraeus, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd:
- e-mail van de advocaten van Biomet van 1 februari 2017 20:58 uur
- e-mail van de deurwaarders van 2 februari 2017 0:28 uur
- e-mail van de voorzieningenrechter van 2 februari 2017 13:27 uur
- e-mal van de advocaten van Biomet van 2 februari 2017 13:51 uur
- e-mail van de deurwaarders van 2 februari 2017 14:11 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 14:45 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 14:49 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 14:50 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 14:50 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 14:50 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 2 februari 2017 15:33 uur
- e-mail van de advocaten van Heraeus van 2 februari 2017 16:17 uur
- e-mail van de advocaten van Biomet van 2 februari 2017 22:47 uur.
1.9.
Op 6 februari 2017 hebben mrs. W. Heemskerk en G.C. Nieuwland, advocaten te Den Haag, zich gemeld als advocaten van de deurwaarders.
1.10.
Op 6 februari 2017 heeft er een mondelinge behandeling zitting plaatsgevonden waarbij zijn verschenen de deurwaarders [deurwaarder 2] , [deurwaarder 1] en [deurwaarder 3] , vergezeld van hun advocaten mrs. Heemskerk en Nieuwland en IT-specialist [IT-specialist] van DigiJuris, en daarnaast als advocaten van Biomet mrs. Santifort, Pors, De Bie Leuveling Tjeenk en Lamme. Mrs. Heemskerk en Nieuwland hebben het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota. Alle overige aanwezigen die het woord hebben gevoerd, hebben dat gedaan zonder pleitnota.
1.11.
Bij de mondelinge behandeling van 6 februari 2017 was niemand namens Heraeus aanwezig. In de e-mailcorrespondentie voorafgaand aan de mondelinge behandeling is daarover door de voorzieningenrechter geschreven dat zij gelet op rechtsoverweging 3.6.2. in de beslissing van de Hoge Raad van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ9958) daarvoor geen ruimte zag. Een van de advocaten van Heraeus, mr. R.C.K. van Oerle, heeft daarover geschreven dat Heraeus niet inziet wat zij heeft toe te voegen aan het debat tussen Biomet en de deurwaarder. Daar is aan toegevoegd dat gezien de afstand die behoort te bestaan tussen Heraeus en het proces van beslaglegging Heraeus de conclusie van de voorzieningenrechter, dat voor haar geen plaats is in dat debat, onderschrijft.
2 Inleidende overwegingen
2.1.
De Hoge Raad heeft op 13 september 2013 (zie 1.11.) prejudiciële vragen beantwoord over het conservatoir bewijsbeslag. Voor zover hier relevant wordt in die uitspraak overwogen:
“3.6.2. Het rechterlijke verlof om het bewijsbeslag te leggen geeft geen verdergaande aanspraken dan de bewaring van de in beslag genomen bescheiden; noch dit verlof, noch de beslaglegging zelf geeft de beslaglegger dan ook recht op afgifte, inzage of afschrift. De verzoeker ontleent aan het verlof ook niet het recht bij de beslaglegging aanwezig te zijn (art. 702 lid 1 in verbinding met 443 lid 2 Rv).
(…)
Vraag 3.1 Dient de voorzieningenrechter bij de beslaglegging (in geval van bewijsbeslag in niet IE-zaken) aanwezig te zijn? Zo ja, geldt dit altijd of alleen als het gaat om beslag in woonhuizen. Zo nee, dient hij zich dan beschikbaar te houden voor vragen of problemen die zich tijdens de beslaglegging voordoen?
Vraag 3.1 leent zich niet voor beantwoording omdat de noodzakelijke waarborgen voor de beslagene in verschillende richtingen kunnen worden gezocht, bijvoorbeeld door de beslaglegger te verplichten tot zekerheidstelling voor de door hem eventueel verschuldigde schadevergoeding, of door toezicht van de voorzieningenrechter die het verlof voor de beslaglegging heeft gegeven, of doordat de advocaat van de beslaglegger bij de beslaglegging aanwezig moet zijn en de beslaglegging, nadat conserverende maatregelen zijn genomen, geen voortgang vindt voordat ook een advocaat of andere vertrouwenspersoon van de beslagene ter plaatse aanwezig is, of door een combinatie van deze of andere maatregelen.
Overigens verdient opmerking dat de voorzieningenrechter zitting houdt op alle dagen en alle uren zodat hij, indien zich bij de beslaglegging problemen voordoen, op zeer korte termijn benaderd moet kunnen worden.”
2.2.
In de modelbeschikkingen- en overwegingen die nadien door voorzieningenrechters zijn ontwikkeld, komt overweging 3.6.2. veelal tot uitdrukking in de bepaling “Dit verlof mag slechts worden gebruikt indien verzoekster en/of vertegenwoordigers van verzoekster niet bij de inbeslagneming tegenwoordig zijn”.
De beantwoording van vraag 3.1. komt in die modellen voor in overwegingen en/of bepalingen in het dictum als “indien zich tijdens de beslaglegging situaties voordoen waarin met deze beschikking niet wordt voorzien, kan de beslag leggende deurwaarder zich met de voorzieningenrechter, of bij diens afwezigheid met een andere voorzieningenrechter, verstaan en kunnen zo nodig nadere voorzieningen getroffen worden”.
2.3.
In welk formeel kader de voorzieningenrechter benaderd kan worden, volgt niet uit de beslissing van de Hoge Raad, zij het dat de verwijzing naar het houden van zitting op alle dagen en uren wel een formeel (zittings)kader suggereert. In het geval van een (verplichting tot het houden van een) zitting rijst de vraag wie daar dan aanwezig zouden moeten zijn. Parallellen zouden kunnen worden getrokken met het deurwaardersrenvooi van artikel 438 lid 4 Rv, welke bepaling wel enige formele vereisten bevat waaraan voldaan moet worden. De beslagverzoeker zal, als executant van de beschikking, ook in die procedure moeten worden betrokken. De vraag is of dit laatste past bij de, onder 2.2. geciteerde, modelbepaling dat de beslagverzoeker, en diens vertegenwoordigers, niet bij de beslaglegging aanwezig mogen zijn. Daarbij zij wel opgemerkt dat deze modelbepaling, voor zover het de aanwezigheid van de advocaat van de beslaglegger betreft, afwijkt van het antwoord op prejudiciële vraag 3.1..
2.4.
In het verlengde van het onder 2.3. overwogene rijst ook de vraag naar het formele karakter van de beschikking die op het beslagrekest wordt gewezen. Is dat een eindbeschikking, zodat er – in het geval er geen formeel kader als bedoeld onder 2.3 zou bestaan – geen formeel kader, want geen zaak meer is, of biedt in dit geval een overweging als 2.6. in de beschikking van 6 december 2016, voldoende basis om een of zelfs meer nieuwe beschikkingen te wijzen? De vraag of de beschikking van 6 december 2016 een eindbeschikking of een tussenbeschikking is, is ook relevant voor de mogelijkheid om daartegen hoger beroep in te stellen. Voor zover nodig zal de voorzieningenrechter daarom bepalen dat tegen deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld.
2.5.
En als al verzoeken kunnen worden gedaan om wat voor soort verzoeken gaat het dan en wie kan of kunnen die verzoeken, formeel, doen? Gaat het erom onduidelijkheden op te helderen en praktische vragen voor te leggen of gaat het verder en is sprake van aanvullende verzoeken, bij voorbeeld om de deurwaarder een extra expert te laten inschakelen? Is de deurwaarder in alle gevallen bevoegd en de enige die vragen kan voorleggen of zijn dat ook de advocaten van de beslagene, die bij de beslaglegging aanwezig kunnen zijn? Deze aanwezigheid van de advocaten van beslagene vloeit voort uit het antwoord op prejudiciële vraag 3.1. en wordt veelal met de volgende modelbepaling in een beschikking opgenomen:
“Bepaalt dat verweerders een advocaat of andere vertrouwenspersoon kunnen inschakelen. Deze mag bij het leggen van het bewijsbeslag aanwezig zijn. De deurwaarder hoeft daar niet op te wachten. Als verweerders in het eerste uur na aanvang van het beslag laten weten dat een advocaat of andere vertrouwenspersoon is gevraagd aanwezig te zijn, zal de beslaglegging niet mogen worden voltooid, en dus het beslagen bewijsmateriaal niet mogen worden meegenomen, voordat de advocaat of andere vertrouwenspersoon aanwezig is en zijn mening heeft kunnen geven. Als de deurwaarder gereed is, behoeft hij alleen te wachten op de komst van een advocaat of andere vertrouwenspersoon als deze op dat moment onderweg is.”
2.6.
Verdere vragen die in dit verband rijzen zijn wat het formele karakter van een nadere beslissing of voorziening is, of die beslissing schriftelijk moet worden vastgelegd en of daarvan een grosse moet worden afgegeven. In de bewijsbeslagpraktijk die zich na de uitspraak van de Hoge Raad in 2013 heeft ontwikkeld, worden, voor zover de voorzieningenrechter bekend, voorzieningenrechters telefonisch benaderd door deurwaarders en wordt telefonisch en mondeling een beslissing gegeven. Die beslissing wordt niet op schrift gesteld, laat staan dat er een grosse wordt afgegeven. Een enkele keer wordt de deurwaarder gevraagd een en ander vast te leggen in het proces-verbaal dat van de beslaglegging wordt opgemaakt. Voorzieningenrechters zien daar veelal niets van terug. Aangenomen wordt dat dit in de praktijk niet op problemen, in de zin van geschillen over wat is beslist, stuit.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
Heft op het bevel tot bevriezing van de tenuitvoerlegging van het beslag.
Verstaat dat geen beperking geldt in de beslaglegging op de archiefmail voor zover het de personen die bij legal werk(t)en betreft.
Verklaart zich onbevoegd om op de overige verzoeken van de deurwaarder te beslissen.
Verklaart Biomet niet ontvankelijk in haar verzoeken en vragen.
Bepaalt, voor zover nodig, dat van deze beschikking hoger beroep kan worden ingesteld.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.
2009
Zaak-/rekestnummer: C/10/515413 / KG RK 16-2176
Uitspraak: 9 februari 2017
de rechtspersoon naar het recht van het land harer vestiging
HERAEUS MEDICAL GMBH,
gevestigd te Wehrheim, Duitsland,
verzoekster,
advocaten mrs. R.C.K. van Oerle en K. van der Graaf te Amsterdam
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET EUROPE B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET GLOBAL SUPPLY CHAIN CENTER B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER BIOMET NEDERLAND B.V.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIOMET HOLDINGS B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER EUROPE HOLDINGS B.V.,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZIMMER BIOMET ASIA HOLDING B.V.,
allen gevestigd te Dordrecht,
verweersters,
advocaten mrs. R.P. Santifort en H.A.J. Pors te Rotterdam en mrs. J. de Bie Leuveling Tjeenk en O.V. Lamme te Amsterdam.
1. Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij fax van 9 februari 2017 heeft mr. R.C.K. van Oerle namens Heraeus Medical GmbH (verzoekster) verzocht om, zo nodig met toepassing van artikel 31 Rv dan wel artikel 32 Rv, de beschikking van de voorzieningenrechter van 8 februari 2017 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de advocaten van Biomet in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Mr. O.V. Lamme heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
1.3.
Bij faxbrief van 9 februari 2017 heeft mr. Lamme betoogd dat Heraeus, nu zij dat niet vooraf gedaan heeft en in aanmerking nemende dat overwogen is dat de eerder gewezen verlofbeschikking als eindbeschikking moet worden aangemerkt, niet via de door haar gekozen weg alsnog kan verzoeken de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Voor zover Heraeus zou kunnen worden ontvangen in haar verzoek, zou het moeten afgewezen. Biomet meent dat zij dan geen effectieve toegang heeft tot een appelinstantie en dat de beslaglegging dan voorgaat zonder dat een antwoord is verkregen op de vragen die voorliggen met alle mogelijk onomkeerbare gevolgen van dien.
2.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De (opheffing van) de bevriezingsmaatregel waar het hier om gaat was bedoeld als tijdelijke ordemaatregel. In overweging 5.8. van de beschikking van 8 februari 2017 is overwogen dat het bevriezingsbevel niet meer aan de orde kan zijn zodat vastgelegd moet worden dat het niet langer geldt. Daar is aan toegevoegd dat dit ook het geval is omdat de deurwaarders hun werkzaamheden moeten kunnen afronden. De opheffing van een bevriezingsmaatregel is naar zijn aard ook bedoeld om de tenuitvoerlegging van hetgeen bevroren is, het beslag in dit geval, direct te laten hervatten. Het dictum van de beschikking sluit hier (voor zover nodig) ten onrechte niet op aan, terwijl het gelet op overweging 5.8. op het eerste gezicht duidelijk was dat het de bedoeling was om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het beslag (voor zover nodig) weer te laten herleven om de deurwaarders hun werkzaamheden te laten afronden.
2.2.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, zodat het verzoek wordt toegestaan. De uitvoerbaarheid bij voorraad zal binnen dezelfde tijdspanne als in de beschikking van 6 december 2016 worden bepaald.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1.
verbetert het dictum van de op 8 februari 2017 tussen Heraeus en Biomet gegeven beschikking, met zaaknummer 515413 en rekestnummer KG RK 16-2176, in die zin dat het dictum daarvan wordt aangevuld met:
“Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad op maandag tot en met zaterdag van 07.00 tot 23.00 uur.”
3.2.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 9 februari 2017 wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 8 februari 2017
3.3.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van de beschikking van 8 februari 2017 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Deze beschikking is gewezen door mr. P. de Bruin, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.
2009