beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rekestnummer: C/10/508214 / HA RK 16-686
Beschikking van 14 december 2016
[VERZOEKER]
,
wonende te Stramproy, gemeente Weert,
verzoeker,
advocaat mr. C.A.M. Dilven te Etten-Leur,
1. de naamloze vennootschap
ALLIANZ NEDERLAND VERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJF [X] STRAMPROY B.V.,
gevestigd te Stramproy, gemeente Weert,
verweerders,
advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [verzoeker] , Allianz en [Bouwbedrijf X] genoemd worden.
4 De beoordeling
4.1.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of de uitkeringen die [verzoeker] ontvangt uit hoofde van de door hem bij De Amersfoortse afgesloten AOV op de voet van het bepaalde in artikel 6:100 BW mogen worden verrekend met de schade (verlies aan verdienvermogen) die Allianz aan [verzoeker] zal moeten vergoeden in verband met het [verzoeker] op 21 maart 2013 overkomen ongeval.
4.2.
In artikel 6:100 BW is bepaald dat indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht.
4.3.
Het antwoord op de vraag in welke gevallen en in welke mate het redelijk is om dergelijk voordeel te verrekenen, is door de wetgever overgelaten aan de rechter. Bij zijn beslissing of het redelijk is een voordeel op de schadevergoeding in mindering te brengen, heeft de rechter een ruime beoordelingsvrijheid.
4.4.
In het arrest Verhaeg/Jenniskens uit 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7808) heeft de Hoge Raad een aantal gezichtspunten gegeven aan de hand waarvan de rechter kan beoordelen of verrekening redelijk is in een geval van letselschade waarbij het opkomend voordeel bestaat in een verzekeringsuitkering. Die gezichtspunten, beschreven in rechtsoverweging 3.5.3 van het arrest, luiden samengevat en voor zover hier van belang als volgt.
4.4.1.
Van verrekening op grond van artikel 6:100 BW zal in het algemeen alleen dan sprake kunnen zijn indien de uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept, aansprakelijk is. Terughoudendheid dient te worden betracht in gevallen waarin schade is verzekerd, die rechtens of in de praktijk niet voor volledige vergoeding in aanmerking komt (sub a).
4.4.2.
Geschiedt de uitkering ingevolge een schadeverzekering dan zal – indien voldaan is aan het vereiste sub a – verrekening in beginsel op zijn plaats zijn (sub b).
4.4.3.
Is de uitkering daarentegen ontvangen uit een sommenverzekering die door de benadeelde zelf is gesloten en betaald, dan komt deze in beginsel niet voor verrekening in aanmerking, nu het bestaan van een zodanige verzekering een aangelegenheid is die de schadeplichtige niet aangaat, waar het afsluiten van een dergelijke verzekering een zuiver individuele en persoonlijke beslissing is, zowel wat betreft de vraag of men een zodanige verzekering zal afsluiten, als wat betreft de vraag voor welke bedragen men zich wenst te verzekeren en welke premie men in verband daarmee bereid is te betalen. Indien de rechter van oordeel is dat verrekening niettemin redelijk is, dan dient hij onder ogen te zien of de redelijkheid dan niet ook meebrengt dat die verrekening wordt beperkt met het oog op de premies die in de loop der tijd voor de verzekering zijn betaald (sub c).
4.4.4.
Is de premie voor de sommenverzekering door de aansprakelijke persoon betaald, dan kan daarin aanleiding worden gevonden wel tot verrekening over te gaan (sub d).
4.4.5.
Verrekening van een uitkering uit een sommenverzekering zal in het algemeen niet in overeenstemming zijn met de redelijkheid als de aansprakelijkheid gedekt is door een verzekering (sub e).
4.4.6.
Voor verrekening bestaat in het algemeen eerder aanleiding indien sprake is van een risicoaansprakelijkheid dan wanneer de aansprakelijkheid is gebaseerd op schuld. Voorts kan de rechter betekenis toekennen aan de mate van verwijtbaarheid, in die zin dat voor verrekening eerder grond bestaat naarmate de aansprakelijke persoon minder verwijt van het schadetoebrengende feit kan worden gemaakt (sub f).
4.5.
De zaak Verhaeg/Jenniskens betrof een werknemer die bij een bedrijfsongeval invalide raakte en vanwege volledig blijvend functieverlies van zijn arm een eenmalige uitkering ontving van ruim € 45.000,- uit een door zijn werkgever onverplicht gesloten ongevallenverzekering voor het personeel. Het is in deze context geweest dat de Hoge Raad bovenstaande algemene gezichtspunten heeft gegeven, waarbij de Hoge Raad een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen uitkeringen uit schadeverzekering en uitkeringen uit sommenverzekering. De Hoge Raad is in het arrest Verhaeg/Jenniskens, naast de algemene overweging onder a, onder b met name ingegaan op het regime bij de schadeverzekering en onder c tot en met f specifiek op de sommenverzekering. Zoals gezegd zijn deze overwegingen in algemene zin gesteld. Niet aannemelijk is dat deze overwegingen beperkt zijn tot een sommenverzekering ter zake van een collectieve ongevallenverzekering als aan de orde in de hiervoor vermelde uitspraak van de Hoge Raad.
4.6.
Tussen partijen is in geschil of de AOV, die [verzoeker] bij De Amersfoortse heeft afgesloten, moet worden aangemerkt als een schadeverzekering, althans een verzekering die aanleiding geeft tot periodieke uitkeringen die in feite strekken tot vergoeding van inkomensschade, zoals Allianz aanvoert, dan wel als een (zuivere) sommenverzekering, zoals [verzoeker] stelt. Vanwege het verzoek onder I en omdat dit onderscheid gevolgen heeft voor de mogelijkheden van verrekening alsmede voor de omvang van de verrekening, zal de rechtbank eerst beoordelen of de AOV, die [verzoeker] bij De Amersfoortse heeft afgesloten, een schade- of een sommenverzekering is.
4.7.
Terwijl voor een schadeverzekering kenmerkend is dat zij ertoe strekt schade die de verzekerde zou kunnen lijden te vergoeden, is bij een sommenverzekering onverschillig of er schade is en in hoeverre met de verzekerde uitkering schade wordt vergoed. Ten aanzien van particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd of dit schadeverzekeringen of sommenverzekeringen zijn. Deze verzekeringen kennen verschillende verschijningsvormen en kennen soms een gemengd karakter.
Het antwoord op de vraag of een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering een schade- of sommenverzekering is, althans of voor de verzekerde in voldoende mate duidelijk kon zijn dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering ertoe strekte slechts daadwerkelijk geleden schade als gevolg van arbeidsongeschiktheid te vergoeden, moet van geval tot geval door uitleg van de overeenkomst naar haar gehele inhoud, context en geschiedenis aan de hand van het bekende Haviltexcriterium (‘de zin die partijen in gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’) worden gevonden.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen (zijnde [verzoeker] en De Amersfoortse) bij het aangaan van de AOV met elkaar hebben gesproken. Omdat de voorwaarden (eenzijdig) door De Amersfoortse zijn bepaald, komt het bij de uitleg daarvan dan ook in het bijzonder aan op hetgeen door [verzoeker] als verzekeringnemer (tevens verzekerde) daaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval relevant, onder meer de tekst en het onderling verband tussen de verschillende bepalingen, maar ook het in de bepalingen omschreven doel. Het gedrag van partijen bij de uitvoering van de overeenkomst kan ook aanwijzingen bieden omtrent de wijze waarop zij hun afspraak hebben opgevat c.q. omtrent hetgeen zij met hun afspraak hebben beoogd.
4.8.
Uit artikel 2 van de polisvoorwaarden (weergegeven onder 2.3) valt af te leiden dat de AOV is bedoeld om tot uitkering te komen bij derving van inkomen door de verzekerde ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat de verzekering dient ter vergoeding van door de verzekerde geleden (inkomens)schade. Het standpunt van [verzoeker] dat dit niet uit de betreffende bepaling kan worden afgeleid vanwege de zinsnede ‘bij derving van inkomen’ in plaats van ‘tegen derving van inkomen’ en dat derving van inkomen slechts een voorwaarde is om aanspraak op uitkering te kunnen maken, snijdt geen hout. Als aan de bewoordingen van de bepalingen de in normaal spraakgebruik toekomende betekenis wordt gehecht, is duidelijk dat hier niet een – neutrale – voorwaarde is bedoeld, maar een causaal verband. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat ook [verzoeker] zelf ter zitting heeft aangegeven dat hij de betreffende AOV had afgesloten met het oog op het risico dat hij vanwege arbeidsongeschiktheid niet meer zou kunnen beschikken over voldoende gelden voor een normaal levensonderhoud. Echter, de aldus uit te leggen doelomschrijving in de polisvoorwaarden is op zichzelf niet doorslaggevend voor de vaststelling van het karakter van de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat voor het onderscheid tussen een schade- en een sommenverzekering bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering doorslaggevend is of het inkomen zowel bij de totstandkoming van de verzekering als bij het bepalen van de hoogte van de uitkering een rol heeft gespeeld, in welk geval er een koppeling bestaat tussen de daadwerkelijk geleden schade en de hoogte van de uitkering. Is dit het geval, dan is sprake van een schadeverzekering. Indien het inkomen echter in het geheel geen of uitsluitend bij de totstandkoming van de verzekering een rol heeft gespeeld, en nadien niet meer, noch bij de eventuele aanpassing van de verzekerde jaarschades, noch bij de vaststelling van de hoogte van de daadwerkelijk te verlenen uitkering, is sprake van een sommenverzekering.
4.10.
Dat bij het aangaan van de verzekering het inkomen een rol speelde, is duidelijk (zie 2.2). De rechtbank zal dan ook beoordelen of na het sluiten van de AOV het daadwerkelijk door [verzoeker] genoten inkomen nog een rol van betekenis heeft gespeeld bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval.
In de polisvoorwaarden ontbreken bepalingen die de hoogte van de bij arbeidsongeschiktheid te ontvangen uitkering afhankelijk maken van het inkomen dat [verzoeker] op dat moment geniet. [verzoeker] was na het sluiten van de AOV niet gehouden om De Amersfoortse (periodiek) te voorzien van inkomensgegevens. De polisvoorwaarden bepalen evenmin dat op de hoogte van de uitkering een correctie kan worden toegepast wanneer de uitkering hoger is dan het daadwerkelijk genoten inkomen. Als niet weersproken staat vast dat er gedurende de looptijd van de AOV door De Amersfoortse nimmer om inkomensgegevens van [verzoeker] is gevraagd, ook niet toen [verzoeker] zich (eerder, ten gevolge van een ongerelateerd evenement) arbeidsongeschikt meldde. Evenmin is gesteld of gebleken dat De Amersfoortse heeft geïnformeerd naar de hoogte van de schade.
4.11.
Hoewel in geval van arbeidsongeschiktheid in het algemeen sprake zal zijn van verlies van inkomen, is dit niet als voorwaarde in de onderhavige verzekering opgenomen. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld in relatie tot de mate waarin [verzoeker] ongeschikt is zijn eigen werkzaamheden te verrichten, ongeacht of en in welke mate er sprake is van verlies aan verdienvermogen. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van een tevoren vastgestelde verzekerde som (jaarrente) en niet van het laatstelijk verdiende inkomen (artikel 15 van de polisvoorwaarden; zie onder 2.3). Deze vaste verzekerde som wordt evenals de jaarpremie alleen jaarlijks met een vast cijfer geïndexeerd. Een koppeling met het daadwerkelijke inkomen van [verzoeker] ontbreekt.
4.12.
Het door Allianz aangehaalde artikel 22 van de polisvoorwaarden (zie onder 2.3), dat [verzoeker] (onder meer) verplicht om De Amersfoortse terstond in kennis te stellen wanneer hij onder een andere (verplichte) voorziening die recht geeft op uitkering bij arbeidsongeschiktheid komt te vallen, wijst evenmin op een dergelijke koppeling. Dit zou anders zijn wanneer [verzoeker] wordt verplicht om wijzigingen in zijn inkomen dan direct aan De Amersfoortse te melden, maar een dergelijke bepaling ontbreekt.
4.13.
De omstandigheid dat [verzoeker] op grond van artikel 27 van de polisvoorwaarden (zie onder 2.3) de optie had (die hij ook heeft benut) om de verzekerde jaarrente – overigens tegen een extra premie – aan te passen en dat dan inkomensgegevens moe(s)ten worden overgelegd, brengt niet mee dat tijdens de looptijd van de verzekering een koppeling wordt gemaakt met het daadwerkelijk genoten inkomen. Het staat de verzekeringnemer immers vrij om die aanpassing te doen, zonder dat daartoe enig verband met een stijging van het feitelijk inkomen wordt vereist. Dat de verzekeringnemer zich bij het gebruik maken van die optie zal laten leiden door het inkomen dat hij op enig moment geniet, doet daar niet aan af, nu de verzekeraar hierop geen enkele invloed kan uitoefenen en het op grond van de AOV daarmee onverschillig blijft “of en in hoeverre” (zie artikel 7:964 BW) met de uitkering de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed.
4.14.
Ook de door Allianz aangevoerde omstandigheid dat de verzekerde jaarrente in combinatie met enige andere voorziening ter zake van inkomensderving ten gevolge van arbeidsongeschiktheid niet meer mag bedragen dan 80% van het jaarinkomen (nog eens, in het kader van de verhogingsmogelijkheid, bij brief van oktober 2008 van De Amersfoortse aangehaald), laat onverlet dat sprake is van een sommenverzekering. Deze bepaling wordt door arbeidsongeschiktheidsverzekeraars standaard opgenomen, omdat daarmee een prikkel blijft bestaan voor de verzekeringnemer om, nadat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, het genezingsproces te bevorderen en impliceert niet een koppeling tussen het daadwerkelijk genoten inkomen en de hoogte van de uitkering.
4.15.
Uit het voorgaande blijkt, dat de onderhavige verzekering een gemengd karakter heeft. Er is een schadeverzekeringsaspect (inkomen bij aanvraag, artikel 2 en 22.1.4 van de polisvoorwaarden), doch dat is ondergeschikt aan een veel belangrijker sommenverzekeringsaspect (geen opgave inkomensgegevens, geen verband tussen uitkering en actueel inkomen, gefixeerde, vrij te verhogen jaarrente). Weliswaar is van belang dat er enige schade is, maar niet hoe groot die is, terwijl de hoogte van de uitkering ook niet van die schade afhankelijk is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de AOV gezien het voorgaande in overwegende mate een sommenverzekering is.
4.16.
Nu in overwegende mate sprake is van een sommenverzekering, ligt het verzoek onder I. voor toewijzing gereed als na te melden. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de uitkering uit hoofde van de AOV wel of niet in mindering mag komen op de aan [verzoeker] toekomende schadevergoeding.
4.17.
De rechtbank is van oordeel dat de AOV, hoezeer ook hoofdzakelijk een sommenverzekering, voorziet in een periodieke uitkering die feitelijk strekt tot vermindering van inkomensschade van [verzoeker] , welke inkomensschade in het onderhavige geval ook daadwerkelijk door [verzoeker] is geleden ten gevolg van het ongeval waarvoor Allianz aansprakelijk is. In zoverre komt het (onderschikte) schadeverzekeringsaspect tot uiting. Gederfd inkomen is schade die rechtens voor volledige vergoeding in aanmerking komt en derhalve geen componenten bevat die pleiten voor terughoudendheid in het kader van de verrekening. Allianz is gehouden tot vergoeding van de inkomensschade van [verzoeker] . De uitkering uit hoofde van de AOV strekt dus in feite tot vergoeding van dezelfde schade als die waarvoor de verzekerde van Allianz aansprakelijk is en tot vergoeding waarvan Allianz op grond van artikel 7:942 BW gehouden is. Het standpunt van [verzoeker] dat verrekening niet plaats zou kunnen vinden omdat de AOV-uitkering er niet toe strekt dezelfde schade te vergoeden als waarvoor Allianz aansprakelijk is, volgt de rechtbank dan ook niet.
4.18.
Nu aan de in gezichtspunt a genoemde randvoorwaarden voor verrekening is voldaan (zie onder 4.3.1), dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de onderhavige uitkering voor verrekening met de door (de verzekerde van) Allianz te vergoeden schade in aanmerking komt, waarbij de rechtbank eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt.
4.19.
De rechtbank hecht belang aan het feit dat de wetgever bij de beantwoording van de vraag of verrekening op zijn plaats is als een factor van bijzonder gewicht heeft aangemerkt de mate waarin de betrokken sommenverzekering voorziet in een periodieke uitkering ter compensatie van inkomstenderving. Dit pleit in het onderhavige geval vóór verrekening. In dit verband is voorts van belang dat de AOV zoals eerder overwogen ook een schadevergoedingskarakter heeft. Ook die omstandigheid pleit vóór verrekening.
4.20.
[verzoeker] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij zelf de AOV heeft gesloten en betaald (gezichtspunt c; zie onder 4.3.3) en dat de in het geding zijnde aansprakelijkheid is gedekt door een verzekering van de aansprakelijke partij (gezichtspunt e; zie onder 4.3.5), zodat verrekening niet op zijn plaats is. De rechtbank is van oordeel dat gezichtspunt c in het geval van deze arbeidsongeschiktheidsverzekering niet aan verrekening in de weg staat. Gezien de omvang van de uitkering leidt een verbod tot verrekening ertoe dat dezelfde schade tweemaal wordt vergoed, hetgeen leidt tot overcompensatie en zich niet goed verhoudt tot het beginsel dat een benadeelde recht heeft op volledige schadevergoeding, maar niet meer dan dat. [verzoeker] kan in redelijkheid geen aanspraak maken op deze overcompensatie. De omstandigheid dat [verzoeker] de AOV zelf heeft afgesloten en de premies heeft betaald, is wel van belang voor de mogelijkheid tot premieverrekening (waarover hierna meer).
De door [verzoeker] aangevoerde omstandigheid dat de aansprakelijkheid door een verzekering is gedekt (gezichtspunt e), staat om dezelfde reden als hiervoor bij gezichtspunt c overwogen, niet aan verrekening in de weg.
Gezichtspunt f leidt niet tot andere afwegingen; de aansprakelijkheid kent een duidelijk risico-element en is volgens mededeling ter zitting met name gestoeld op art. 7:658 BW.
4.21.
[verzoeker] heeft nog aangevoerd dat Allianz door de voordeelstoerekening wordt bevoordeeld. Allianz hoeft daardoor het inkomensverlies tot het bedrag dat De Amersfoortse heeft uitgekeerd noch aan [verzoeker] noch aan De Amersfoortse te vergoeden, hetgeen onterecht is nu Allianz als aansprakelijke verzekeraar voor de volledige schade heeft op te komen, aldus [verzoeker] . De rechtbank volgt [verzoeker] daarin niet. Dat de vergoedingsplicht van een aansprakelijke persoon door, vanuit de aansprakelijke partij gezien toevallige, persoonlijke omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer hoger of lager kan uitvallen, vloeit voort uit de omstandigheid dat letselschade concreet wordt berekend en dus uit het systeem van de wet.
4.22.
Nu de rechtbank van oordeel is dat de uitkeringen die [verzoeker] ontvangt uit hoofde van de AOV op de voet van het bepaalde in artikel 6:100 BW verrekend dienen te worden met de schadevergoeding die Allianz aan [verzoeker] dient te betalen, zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] onder II (primair) afwijzen.
4.23.
In verband met de hoogte van het te verrekenen bedrag dient in het licht van meermaals genoemd arrest van de Hoge Raad nog beoordeeld te worden of de redelijkheid meebrengt dat de te verrekenen uitkeringen moeten worden verminderd met de door [verzoeker] betaalde premies ten behoeve van de AOV. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.
4.24.
Achteraf bezien kan worden geconstateerd dat het feit dat [verzoeker] een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten ( [Bouwbedrijf X] en) Allianz in een voordeliger positie heeft gebracht dan die waarin zij zou(den) hebben verkeerd indien [verzoeker] geen arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten. De door De Amersfoortse aan [verzoeker] gedane uitkeringen kunnen immers op de door Allianz te betalen schadevergoeding in mindering worden gebracht, terwijl De Amersfoortse geen regres op ( [Bouwbedrijf X] en) Allianz kan nemen aangezien zij niet in de rechten van [verzoeker] jegens Allianz is gesubrogeerd.
4.25.
Nu Allianz aldus profijt trekt van de AOV die [verzoeker] heeft afgesloten, acht de rechtbank het redelijk van het toe te rekenen voordeel in elk geval het premiebedrag af te trekken dat [verzoeker] heeft betaald over het jaar waarin het risico zich heeft verwezenlijkt. Dat die premie is betaald ter afdekking van het algemene arbeidsongeschiktheidsrisico van [verzoeker] doet daar niet aan af: de thans relevante arbeidsongeschiktheid is immers louter ontstaan door een feit waarvoor (de verzekerde van) Allianz aansprakelijk is. Nu Allianz in feite het voordeel van de uitkering uit de AOV ontvangt, is het redelijk dat zij ook het aan die verzekering verbonden nadeel draagt in de vorm van de premies voor het jaar waarin het risico zich heeft verwezenlijkt (2013).
4.26.
De rechtbank volgt [verzoeker] niet in zijn betoog dat alle in de loop der (tot het ongeval 15) jaren betaalde premiebedragen van het voordeel moeten worden afgetrokken. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft immers als kenmerk dat de verzekeraar van jaar tot jaar het risico draagt dat de verzekerde arbeidsongeschikt zal worden, waartegenover de verzekerde/verzekeringnemer hem jaarlijks een premie betaalt. De hoogte van de uitkering is niet gebaseerd op het aantal voorafgaande jaren dat premie is betaald. Over de jaren waarin [verzoeker] wel verzekerd is geweest, maar niet arbeidsongeschikt was ten gevolge van dit ongeval, is de premie niet voor niets geweest: de verzekeraar heeft immers wel het verzekerde risico gedragen. In die zin heeft [verzoeker] van die premies dan ook voordeel gehad. Dit blijkt ook uit het feit dat [verzoeker] los van het ongeval van 21 maart 2013 dat tot aansprakelijkheid van Allianz heeft geleid, meermaals een beroep heeft gedaan op de AOV. Hij heeft daarvan dus zelf, in de vorm van uitkeringen, geprofiteerd. In het jaar 2013 heeft echter voornamelijk Allianz, zij het indirect, van de verzekering geprofiteerd, zodat het daarom redelijk is dat ook Allianz de kosten daarvan draagt, zoals hiervoor reeds overwogen.
Daarnaast acht de rechtbank het karakter van de AOV (overwegend sommenverzekering) in combinatie met de omstandigheid dat deze onverplicht was afgesloten in redelijkheid aanleiding om nog 2 jaarpremies, dus in totaal drie jaarpremies, af te trekken van het te verrekenen voordeel.
Aldus wordt enerzijds voorkomen dat [verzoeker] zijn schade dubbel vergoed krijgt, terwijl anderzijds de kosten die [verzoeker] heeft betaald voor de AOV voor een redelijke termijn ten laste van Allianz worden gebracht. Het aldus bereikte evenwicht acht de rechtbank redelijk. Bij dit alles dient overigens de fiscale component niet uit het oog te worden verloren. Vast staat immers dat [verzoeker] belasting heeft teruggekregen over de door hem betaalde premiebedragen.
Ten slotte is, gelet op de omstandigheid dat het hier in het verleden betaalde premies betreft, redelijk dat die premies worden gekapitaliseerd (in die zin, dat de marktrente daarover wordt meegenomen). Daartegen is ook geen verweer gevoerd.
4.27.
Het voorgaande leidt er toe dat de rechtbank de onder III (subsidiair) verzochte verklaring voor recht in zoverre zal toewijzen dat zij voor recht zal verklaren dat op het te verrekenen genoten voordeel in mindering moeten worden gebracht de gekapitaliseerde netto premiebedragen die [verzoeker] over de jaren 2011, 2012 en 2013 uit hoofde van de AOV aan De Amersfoortse heeft betaald.
4.28.
Rest tenslotte de kwestie van de kosten van deze deelgeschilprocedure. Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten. Deze kosten dienen te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.29.
[verzoeker] vordert een bedrag van € 7.817,45 voor de kosten die hij heeft moeten maken voor dit deelgeschil. Rekenend met het door zijn advocaat gehanteerde uurtarief van € 230,00 (exclusief 6,5% kantoorkosten en 21% btw), gaat hij uit van in totaal 26,5 uren gedeclareerde uren. Voorafgaand aan de zitting heeft mr. Dilven een urenspecificatie overgelegd, behorend bij deze kostenbegroting.
4.30.
Allianz voert verweer en stelt dat voor een deelgeschil als het onderhavige, dat van relatief eenvoudige aard is, het aantal uren aan de hoge kant is, en dat bij begroting van de kosten moet worden uitgegaan van een bedrag van maximaal € 3.500,00.
4.31.
De rechtbank acht het totale aantal van 26,5 uren dat mr. Dilven aan dit deelgeschil heeft besteed verdedigbaar en niet onredelijk, in die zin dat het aantal opgegeven uren naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming is met de omvang en complexiteit van het onderhavige deelgeschil. Ook het gehanteerde uurtarief acht de rechtbank niet bovenmatig. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil dan ook conform het verzoek van [verzoeker] op een bedrag van € 7.817,45, exclusief griffierecht ad € 288,00 (in totaal derhalve een bedrag van € 8.105,45).