RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 5112036 CV EXPL 16-22471
uitspraak: 11 november 2016
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw,
gevestigd te Woerden
eiseres,
gemachtigde: mr. D. Bruinse-Pot,
Fruit Industry Production B.V.,
wonende te Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D.B. Muller.
Partijen worden hierna aangeduid als “BPL” en “FIP”.
2 De vaststaande feiten
2.1.
BPL is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Verplichte deelneming in een bedrijfstakpensionfonds 2000 (hierna: Wet Bpf).
2.2.
Op grond van de Wet Bpf dient BPL pensioenpremies te innen bij werkgevers in de bedrijfstak en deze aan te wenden voor pensioenvoorziening bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid van werknemers in de bedrijfstak.
2.3.
Bij besluit van 23 december 1959 (Staatscourant 1959, nr. 252) is deelname in het bedrijfstakpensioenfonds voor de groenten- en fruitverwerkende industrie verplicht gesteld voor werknemers werkzaam bij een werkgever die in een onderneming uitsluitend of in hoofdzaak in de groenten- en fruitverwerkende industrie uitoefent. Dit besluit is laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 november 2010 (Staatscourant 2010, nr. 18711; hierna: verplichtstellingsbesluit I). De daarin opgenomen definitie van groenten- en fruitverwerkende industrie luidde als volgt:
a. groenten- en fruitverwerkende industrie:
het op fabrieksmatige wijze verwerken van:
A. (…)
B. fruit en daaruit vervaardigd halffabrikaat tot:
1. fruitpulp;
2. jams en geleien;
3. vruchten op water, sap en siroop, vruchtenpureeën en vruchtenmoes;
4. konfijtprodukten;
5. appel- en perensiropen;
6. vruchtensappen en vruchtensausen;
7. appelsap en zoete most;
8. Nederlandse druivenwijn en vruchtenwijnen;
9. gedroogd product;
10. vriesproduct (halffabrikaat en eindproduct).’
2.4.
Op 4 december 2014 heeft BPF een brief gestuurd aan FIP met daarin de volgende tekst:
“voor de beoordeling van de vraag of in hoofdzaak de groenten- en fruitverwerkende industrie wordt uitgeoefend, moet het loon als criterium worden gehanteerd, waarbij moet worden uitgegaan van de totale loonsom.”
2.5.
Op grond van het besluit van 18 december 2014 (Staatscourant 2014, nr. 37629; hierna samen met het besluit van 19 november 2010 de verplichtstellingsbesluiten) is het bedrijfstakpensioenfonds voor de groenten- en fruitverwerkende industrie per 1 januari 2015 opgegaan in het bedrijfstakpensioenfonds voor de landbouw. De definitie van groenten- en fruitverwerkende industrie is opgenomen in artikel I A lid 14 en inhoudelijk niet aangepast. In artikel I onder B is voorts opgenomen:
“Onder werkgever wordt verstaan:
-
(…),
-
degene die een onderneming drijft met een onderdeel waarin uitsluitend of in hoofdzaak een of meer van de onder A 1 tot 14 genoemde activiteiten worden uitgeoefend, indien in dit onderdeel meer dan de helft van het totale aantal werknemers werkzaam is, tenzij voor die gehele onderneming een andere verplichtstelling inzake een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van kracht is, dat eerder dan deze verplichtstelling geregistreerd is bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
-
(…)”
2.6.
Op 20 juli 2012 heeft FIP een vragenformulier ingevuld ten behoeve van een onderzoek naar de verplichtstelling van aansluiting bij de rechtsvoorganger van BPL (hierna: BPGF) . In dit formulier is onder meer opgenomen dat FIP met ingang van 1 juli 2011 personeel in dienst heeft en dat 90% van de totale loonsom wordt betaald aan werknemers die zich bezig houden met het verwerken van groenten en fruit.
2.7.
Op 1 augustus 2013 heeft BPGF FIP bericht dat zij met ingang van 1 juli 2011 is aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds voor de groenten- en fruitverwerkende industrie.
2.8.
Op 21 februari 2014 heeft FIP BPGF een brief gestuurd met daarin de volgende tekst:
“Inmiddels zijn 2,5 jaar verstreken en hebben wij facturen 2011 t/m 2014 ontvangen, en hiermede ook inzicht gekregen in premiestelling en voorwaarden. De premies en voorwaarden zijn ondertussen zodanig gewijzigd, zonder dat wij enige berichtgeving hebben ontvangen, dat aansluiting bij uw pensioenfonds geen optie meer is.”
2.9.
Op 4 maart 2014 heeft BPL aan FIP bericht dat zij onverkort onder de werkingssfeer van verplichtstellingsbesluit I valt.
2.10.
Op 18 maart 2014 heeft FIP een e-mail gestuurd aan BPGF met daarin de volgende tekst:
Fruit Industry Production BV is een producent en groothandel in (verse) sappen en drinks. Als grondstof wordt gebruikt NFC sappen, purees en sinaasappels. Met ongeveer 20 verschillende grondstofsoorten worden dagelijks ruim 13 varianten afgevuld. Een deel van de NFC sappen worden zonder bewerking rechtstreeks afgevuld in flessen en uitgeleverd. Daarnaast worden ook drinks geproduceerd welke op basis van suikerwater worden gemaakt, en daarom geen sap meer mogen worden genoemd. De afgevulde sappen zijn beperkt houdbaar. Van de totale grondstof kosten is ongeveer 25-30% sinaasappels.
Gezien het bovenstaande zijn wij van mening dat wij geen wettelijke verplichting hebben tot aansluiting bij het pensioenfonds Groenten en Fruit verwerkende Industrie. (…)”
2.11.
Naar aanleiding hiervan heeft BPGF een buitendienstonderzoek laten verrichten bij FIP, op grond waarvan zij concludeert dat de aansluitplicht gehandhaafd blijft.
2.12.
In reactie op het buitendienstonderzoek stuurt FIP op 9 april 2014 een e-mail met daarin de volgende tekst:
“Sappen van concentraten:
Bij Fruit Industry Production BV worden geen concentraten ingekocht en/of afgevuld. Dit kunnen wij namelijk niet! Wat besproken is met de heer J. Boone is dat er concentraatsappen worden geïmporteerd (ready product) uit Duitsland, en worden door geleverd aan de klanten van Fruity King. In die context hebben wij het proces besproken.”
2.13.
Op 3 juli 2014 stuurt BPGF FIP een e-mail waarin zij stelt dat FIP onder de verplichtstelling valt en de aansluiting daarom gehandhaafd moet blijven.
3. Het geschil
3.1.
BPL heeft gevorderd, na akte van eiswijziging, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
-
voor recht te verklaren dat FIP vanaf 1 juli 2011 als werkgever onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten valt;
-
FIP te veroordelen om aan BPL binnen 7 dagen na betekening van het vonnis de deelnemersgegevens te verstrekken van de premieplichtige werknemers die bij gedaagde in dienst zijn of zijn geweest over de periode 1 januari 2014 tot en met 1 augustus 2016, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor elke dag dat FIP in gebreke blijft de voornoemde gegevens dan wel delen daarvan te verstrekken;
-
FIP te veroordelen tot het binnen 7 dagen na betekening van het vonnis betalen van een bedrag van € 138.819,64 aan pensioenpremies aan BPL, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2016; en
-
FIP te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
Aan haar vordering heeft BPL - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. FIP oefent een onderneming uit in de groenten- en fruitverwerkende industrie, omdat zij fruit of daaruit vervaardigd halffabricaat op fabrieksmatige wijze tot vruchtensappen verwerkt. Dientengevolge valt zij onder de werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten en is zij gehouden BPL de deelnemersgegevens te verstrekken alsmede BPL het bedrag van € 138.819,64 aan pensioenpremies te betalen. Op grond van de wet is zij tevens de wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag.
3.3.
FIP heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van BPL in de kosten van het geding.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Werkingssfeer van de verplichtstellingsbesluiten
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het persen van fruitsappen te gelden heeft als fabrieksmatig verwerken van fruit. Tevens is tussen partijen niet langer in geschil dat het herverpakken van de zogenoemde not from concentrate-sappen (hierna: NFC’s) niet te gelden heeft als fabrieksmatig verwerken van uit fruit vervaardigd halffabricaat. Daaronder wordt begrepen het overgieten van NFC’s in kleinere, voor de verkoop bestemde flessen. De vraag die partijen verdeeld houdt, is echter of het mengen van NFC’s afkomstig van verschillende soorten fruit of van NFC’s en fruitpureeën te gelden heeft als het fabrieksmatig verwerken van uit fruit vervaardigd halffabricaat.
4.2.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt BPL dat bij het mengen van NFC’s of NFC’s en fruitpureeën een nieuw product ontstaat en dat de betreffende NFC’s of fruitpureeën in dat geval dus te gelden hebben als halffabricaat. FIP betwist dat en voert daartoe aan dat de NFC’s en fruitpureeën kant-en-klaar worden aangeleverd en dat zij niets meer doet met deze producten dan het mengen en vervolgens bottelen daarvan in flessen bestemd voor de verkoop. De gebruikte NFC’s en fruitpureeën zijn derhalve eindproducten en geen halffabricaten.
4.3.
Voor de uitleg van een bepaling in een verplichtstellingsbesluit geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de verplichtstellingsbesluiten, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de verplichtstellingsbesluiten en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de verplichtstellingsbesluiten gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie: HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1049 en HR 12 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3550).
4.4.
De tekst van de verplichtingsbesluiten, bezien in het geheel, geeft echter geen aanleiding tot een andere uitleg dan een taalkundige. Derhalve is de kantonrechter van oordeel dat onder halffabricaat moet worden begrepen een product van verwerking van grondstoffen, gebruikt voor de vervaardiging van een eindproduct. Onder eindproduct moet worden verstaan een product na de laatste (fabrieksmatige) bewerking.
4.5.
Aangezien FIP de NFC’s en fruitpureeën met elkaar mengt, verandert het daarmee de identiteit van de relevante NFC’s. FIP creëert dus op basis van de NFC’s en fruitpureeën een nieuw, ander product. Nu dit product in de gegeven omstandigheden niet verder wordt bewerkt, heeft dit te gelden als eindproduct. Daarmee verworden de NFC’s en fruitpureeën naar het oordeel van de kantonrechter dus tot halffabricaten. Het mengen van NFC’s en fruitpureeën heeft derhalve te gelden heeft als het fabrieksmatig verwerken van halffabricaten in de zin van de verplichtstellingsbesluiten. Vervolgens moet worden vastgesteld of FIP voldoet aan de hoofdzakelijkheidscriteria als vastgelegd in de verplichtstellingsbesluiten en zo ja, gedurende welke periode. BPL heeft zich op het standpunt gesteld dat met betrekking hiertoe een verzwaarde stelplicht rust op FIP.
4.6.
Gelet op de voorafgaand aan de zitting tussen BPL en FIP gevoerde discussie is de kantonrechter van oordeel dat FIP haar stellingen in cijfermatig opzicht voldoende heeft onderbouwd. Zij heeft immers inzicht gegeven in de verhoudingen tussen het persen van sappen en mengen en/of bottelen van NFC’s en fruitpureeën. Nu pas ter zitting bleek dat dat de discussie zich toespitste op de vraag of het mengen van NFC’s en fruitpureeën te gelden heeft als het fabrieksmatig verwerken van halffabricaten, lag het niet in de rede dat FIP bij voorbaat tevens inzage zou geven in de verhouding tussen het mengen van NFC’s en fruitpureeën en het enkelvoudig bottelen daarvan. De kantonrechter zal FIP daarom in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de vraag of zij in dit kader wel of niet voldoet aan de hoofdzakelijkheidscriteria als vastgelegd in de verplichtstellingsbesluiten en zo ja, gedurende welke periode. BPL zal vervolgens daarop mogen reageren.
Deelnemersgegevens en pensioenpremies
4.7.
Mocht komen vast te staan dat FIP op enig moment voldeed aan de hoofdzakelijkheidscriteria als vastgelegd in de verplichtstellingsbesluiten, dan is zij op grond van het betreffende verplichtstellingsbesluit gehouden de deelnemersgegevens van de werknemers die vanaf dat moment in dienst waren te verstrekken, alsmede de ingevolge het betreffende verplichtstellingsbesluit verschuldigde pensioenpremies te betalen.
4.8.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.