2.5
De uitgangspunten van klagers
Rol van ouderlingen
Klagers stellen (zowel in het initiële klaagschrift van 10 december 2019 als in de toelichting op de inbeslaggenomen stukken van 19 mei 2022) dat binnen de Jehovah’s Getuigen de ouderlingen degenen zijn die zorg dragen voor de geestelijke behoeften van de leden van de gemeente. Ouderlingen dragen zorg voor diverse religieuze verantwoordelijkheden, zoals het leiden van religieuze diensten en het toezien op de geestelijke behoeften van de gemeente. Als religieuze herders voorzien ouderlingen in troost en steun aan individuele personen in de gemeente die om pastorale hulp vragen. Volgens artikel 48 van de statuten van de rechtspersoon Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland bekleden ouderlingen een geestelijk ambt.
Ouderlingen zullen zich er volgens klagers van verzekeren dat zij de privacy waarborgen van degenen aan wie zij pastorale zorg en geestelijke raad geven. Als personen in de gemeente de ouderlingen iets toevertrouwen, gaan zij er van uit dat de ouderlingen zulke gesprekken strikt vertrouwelijk houden. Dit is het geval ongeacht of degene die de ouderlingen in vertrouwen neemt een overtreder is die zijn zonde belijdt, een slachtoffer is, of iemand die een beschuldiging inbrengt.
Onderwerpen die op ouderlingvergaderingen en bij pastorale bezoeken worden besproken moeten ook strikt vertrouwelijk worden gehouden. Het is zelfs zo dat wanneer ouderlingen in een religieus rechterlijk comité dienen om een grove zonde te behandelen, zij niet onnodig details delen met de rest van het lichaam van ouderlingen. Communicatie tussen de gemeenteouderlingen en ervaren ouderlingen op het [complex] over kwesties van seksueel misbruik is ook strikt vertrouwelijk, aangezien dit religieuze leiding betreft.
Als geestelijken zijn ouderlingen gebonden aan de religieuze plicht om geen vertrouwelijke communicatie te onthullen.
Eerlijke, open, vertrouwelijke communicatie tussen ouderlingen en de individuele personen in de gemeente is essentieel om hen in staat te stellen effectieve pastorale zorg te geven, en om de moraal en geestelijke reinheid van de gemeente als geheel te beschermen. Als ouderlingen deze vertrouwelijkheid zouden doorbreken, dan zou dit een chilling effect hebben. Op zijn minst zal het de personen in de gemeente afschrikken om geestelijke steun te zoeken als ze dit het meest nodig zouden hebben, aldus klagers.
Religieus rechterlijk comité
Klagers stellen dat ouderlingen, in het kader van de pastorale zorg die zij verlenen, samenkomen met personen in de gemeenten die ernstige zonden hebben begaan om hun bekentenis te ontvangen en om te proberen hen te helpen hun relatie met God te herstellen. Jehovah’s Getuigen zijn ervan overtuigd dat iemand in de gemeente die een ernstige zonde heeft begaan, zijn zonden moet belijden aan de ouderlingen. De ouderlingen zullen dan een ontmoeting met de zondaar regelen in de vorm van een religieus rechterlijk comité dat bestaat uit drie ouderlingen. Het primaire doel van dat religieuze rechterlijk comité is de kwaaddoener te helpen geestelijk gezond te worden. Daarnaast zullen de ouderlingen een eventueel slachtoffer en de ouders daarvan pastorale steun en bijstand verlenen.
Dit religieuze proces is volgens klagers gemandateerd in de Bijbelse geboden in Jakobus 5:14-16, waarin staat dat wanneer iemand in de gemeente een ernstige zonde begaat, hij die zonde moet belijden aan de ouderlingen van de gemeente om zijn relatie met God te herstellen.
Een religieus rechterlijk comité maakt volgens klagers dus onderdeel uit van het religieuze proces van het belijden van zonden. Jehovah’s Getuigen die ernstig gezondigd hebben moeten hun zonden bekennen aan ouderlingen en berouw tonen. Het bekennen van zonden aan ouderlingen en het tonen van berouw daarover is binnen het geloof van de Jehovah’s Getuigen noodzakelijk om door God te kunnen worden vergeven. Met dit proces helpen de ouderlingen de zondaar zijn band met God te herstellen.
2.6
Klagers stellen zich op het standpunt dat op de digitaal in beslaggenomen stukken en gegevens (het digitale beslag) die door het Openbaar Ministerie niet zijn aangeleverd (zoals hierboven beschreven onder 1.7 tot en met 1.10) het verschoningsrecht van toepassing is, althans dat niet valt uit te sluiten dat dit het geval is.
2.7
De rechter-commissaris deelt dit standpunt. Zowel door het Openbaar Ministerie als door de politie is duidelijk gemaakt dat het digitale beslag, althans het overgrote deel daarvan, gelet op de omvang en de beperkte toegankelijkheid ervan, niet op een inzichtelijke wijze kan worden aangeleverd. Dat betekent dat klagers hun beroep op het verschoningsrecht met betrekking tot deze stukken en gegevens niet kunnen toelichten en dat de rechter-commissaris niet in staat is om ter zake deze stukken te beslissen op de voet van artikel 98 Sv. Aldus is de rechter-commissaris van oordeel dat niet kan worden uitgesloten en dat het er daarom voor moet worden gehouden dat ten aanzien van deze niet aangeleverde stukken en gegevens een verschoningsrecht geldt.
2.8
De op 19 november 2018 inbeslaggenomen en door het Openbaar Ministerie op 22 maart 2022 aangeleverde stukken en gegevens kunnen naar de mening van klagers worden
ingedeeld in twee categorieën:
1. Stukken en gegevens die betrekking hebben op vertrouwelijke pastorale zorg, met name alle informatie die betrekking heeft op religieuze rechterlijke comités;
2. Andere stukken en gegevens, zoals algemene instructies, waarin geen vertrouwelijke informatie van leden of oud-leden van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen is opgenomen.
De stukken die onder de eerste categorie vallen, maken volgens klagers onderdeel uit van of bevatten informatie uit de dossiers van ouderlingen over (oud-)leden. Het zijn dossiers over leden ten aanzien waarvan een religieus rechterlijk comité is gevormd.
Klagers stellen dat een religieus rechterlijk comité wordt gevormd wanneer een lid mogelijk een ernstige zonde heeft begaan. In het religieuze rechterlijk comité hebben ouderlingen plaats die het lid door de jaren heen geestelijke zorg hebben verleend en waarmee dus al een vertrouwensband bestaat.
Klagers stellen dat bijna alle inbeslaggenomen stukken vallen onder categorie 1, en hebben dit standpunt in hun schriftelijke toelichting van 19 mei 2022 onderbouwd aan de hand van drie voorbeelden.
Klagers hebben voorts in hun toelichting een limitatieve opsomming gegeven van de inbeslaggenomen stukken ten aanzien waarvan volgens klagers geen verschoningsrecht geldt.
2.9
De rechter-commissaris kan zich geheel verenigen met de door klagers gehanteerde indeling in (twee) categorieën en zal zich bij zijn beoordeling in het kader van artikel 98 Sv baseren op diezelfde categorieën.
2.10
Stukken die volgens klagers onder het verschoningsrecht vallen
Als eerste voorbeeld van inbeslaggenomen stukken die volgens klagers onder het verschoningsrecht vallen, benoemen klagers stukken met betrekking tot [naam 1] (pagina’s 410, 411, 417 en 418 Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV).
Uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 406 en 407 volgt dat de inbeslaggenomen gegevensdragers van ouderling [klager 5] (klager 5) zijn doorzocht met behulp van zoektermen, waaronder de zoekterm ‘rechterlijk comité’. Daarmee is kennelijk een aantal verslagen naar boven gekomen van religieuze rechterlijke comités waar ouderling [klager 5] bij betrokken is geweest, waaronder het religieuze rechterlijk comité dat is gevormd ten aanzien van [naam 1]
Klager [klager 5] is één van de ouderlingen in de gemeente waar [naam 1] deel van uitmaakte. Hij verleende in die hoedanigheid pastorale zorg aan haar. [naam 1] zou zich hebben schuldig gemaakt aan de zonde van ‘doelbewuste manipulatie van de geslachtsorganen met wellustige intenties’.
De vraag was of zij lid kon blijven van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen. Daartoe moest onderzocht worden of zij zodanig berouw had getoond dat de ouderlingen konden vaststellen dat haar band met Jehovah als hersteld beschouwd kon worden.
Daartoe werd een religieus rechterlijk comité gevormd. Klager [klager 5] was één van de ouderlingen die daarin plaats had.
Klagers benadrukken dat de kwestie van [naam 1] geen enkele relatie heeft met het strafrechtelijk onderzoek waarin de doorzoekingen en inbeslagnemingen hebben plaatsgevonden. [naam 1] heeft met haar veronderstelde religieuze zonde geen strafbaar feit gepleegd, zij is geen verdachte en er wordt geen strafrechtelijk onderzoek gedaan naar haar zonde. De omstandigheid dat bepaalde seksuele handelingen binnen het geloof van Jehovah’s Getuigen als zonde worden gezien, maakt die gedraging niet strafbaar.
Het document dat van de gegevensdrager van ouderling [klager 5] in beslag is genomen is een verslag van hetgeen besproken is in het beroepscomité. Het verslag beschrijft dat de beslissing van het religieuze rechterlijk comité (uitsluiting van [naam 1] ) gehandhaafd moet blijven, omdat zij te weinig berouw heeft getoond om door Jehovah te kunnen worden vergeven.
De ouderlingen die deel uitmaken van het beroepscomité beschrijven dat zij de relevante passages uit de Bijbel en psalmen met [naam 1] hebben doorgenomen die betrekking hebben op berouw, en aan haar hebben voorgehouden wat berouw volgens de Bijbel inhoudt. Vervolgens hebben zij beoordeeld of [naam 1] inderdaad berouw heeft getoond, in de Bijbelse zin van het woord.
Klagers benadrukken dat het stuk ook informatie bevat die [naam 1] heeft toevertrouwd aan de ouderlingen die aan haar geestelijke hulp en zorg verleenden en tot wie zij zich zonder vrees voor verdere openbaarmaking heeft gewend. Zij deed dit in het kader van het religieuze proces van het tonen van berouw en vergeving, in de veronderstelling dat dit vertrouwelijk was en ook zou blijven.
Op al deze informatie is volgens klagers een verschoningsrecht van toepassing.
Het gaat om zeer privacygevoelige informatie. Door de inbeslagname zonder enige toetsing van het verschoningsrecht ligt nu ‘op straat’ welke zonden [naam 1] gepleegd zou hebben en hoe haar berouw door de ouderlingen werd beoordeeld, aldus klagers.
Als tweede voorbeeld benoemen klagers stukken met betrekking tot de heer [naam 2] (pagina’s 410, 411, 417 en 418 Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV).
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar seksueel misbruik richt zich onder meer op verdachte [naam 2] (onderzoek Zwarte Bes). Klagers [klager 5] , [klager 4] , [klager 3] en [klager 2] waren de ouderlingen die betrokken waren bij het religieuze rechterlijk comité dat met betrekking tot [naam 2] is gevormd. De stukken zijn inbeslaggenomen in de woning van klager [klager 4] (klager 4).
[klager 4] is ouderling in de gemeente waar [naam 2] gemeentelid was.
Klagers stellen dat [klager 4] als ouderling jarenlang betrokken is geweest bij het verlenen van pastorale hulp en zorg aan [naam 2] . Deze hulp en zorg werd al jaren door – onder meer – ouderling [klager 4] aan [naam 2] verleend voordat er een religieus rechterlijk comité werd gevormd naar aanleiding van zijn zonden. [klager 4] was daarom één van de ouderlingen die betrokken waren bij het religieuze rechterlijk comité ten aanzien van [naam 2] .
Uiteindelijk is [naam 2] uitgesloten van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen, volgens klagers omdat hij onvoldoende berouw heeft getoond om door Jehovah te kunnen worden vergeven. Het dossier van [klager 4] bevat onder meer aantekeningen van de vertrouwelijke gesprekken die de ouderlingen, waaronder [klager 4] , in het kader van het religieuze rechterlijk comité hebben gevoerd met [naam 2] .
Ook bevat het dossier ‘herstelverzoeken’ van [naam 2] , waarin hij betoogt voldoende berouw te hebben getoond om te kunnen worden vergeven. Uit deze stukken blijkt volgens klagers dat in de gesprekken tussen de ouderlingen en [naam 2] het al dan niet tonen van berouw centraal stond. Met andere woorden: pastorale hulp bij het religieuze proces van zonde, berouw en vergiffenis, waarbij [naam 2] privacygevoelige informatie heeft gedeeld in de verwachting dat deze informatie vertrouwelijk zou blijven, aldus klagers.
Pagina 498 en 499 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ bevatten de aantekeningen van ouderling [klager 4] ter voorbereiding op een gesprek dat hij met [naam 2] zal hebben. Hij beschrijft wat [naam 2] eerder heeft verklaard en of daarmee berouw is getoond en of [naam 2] lid kan blijven van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen.
Deze aantekeningen bevatten volgens klagers informatie die in het kader van het religieuze rechterlijk comité is verkregen. [naam 2] heeft met de ouderlingen in vertrouwen gepraat over de beschuldigingen die tegen hem gedaan zijn in het kader van het religieuze proces van berouw en vergeving. Dit is gedaan in de veronderstelling dat deze informatie vertrouwelijk is en ook vertrouwelijk zal blijven. De betrokken ouderlingen hebben vervolgens geoordeeld dat [naam 2] onvoldoende berouw heeft getoond. Hij is daarom uitgesloten als lid van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen.
Het inbeslaggenomen dossier bevat daarnaast brieven die [naam 2] heeft gestuurd naar de betrokken ouderlingen, waarin hij vraagt om hersteld te worden als lid van de Jehovah’s Getuigen (Pagina 504 tot en met 506 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’).
Volgens klagers schrijft [naam 2] in deze ‘herstelbrieven’ over het rechtzetten van zijn fouten, het zetten van de juiste stappen om weer in het reine te komen met Jehovah en het tonen van berouw zodat hij Jehovah weer rein kan benaderen. Hij beschrijft dat hij heeft getracht alles op Jehovah’s manier te doen: zonden erkennen, berouw tonen en vergeving vragen. Het is volgens klagers evident dat deze brieven aan de ouderlingen zijn gestuurd in het kader van het verkrijgen van vergeving door God.
Pagina 481 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ betreft een digitaal inbeslaggenomen document, een brief van [naam 2] aan de ouderlingen van het religieuze rechterlijk comité, waaronder ouderling [klager 4] . [naam 2] komt in deze brief terug op een gesprek dat hij op 30 december 2017 met de ouderlingen heeft gehad.
[naam 2] wendt zich volgens klagers ook in deze brief weer tot de ouderlingen in het kader van het religieuze proces van het tonen van berouw en het verkrijgen van vergeving door God. Dit is informatie die aan verschoningsgerechtigden, te weten de ouderlingen die intensief betrokken waren bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg, als zodanig is toevertrouwd, en waarop dus een verschoningsrecht van toepassing is, aldus klagers.
Pagina 620 t/m 623 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ betreft twee digitaal inbeslaggenomen documenten, afkomstig van een gegevensdrager die op het hoofdkantoor van de Jehovah’s Getuigen in Nederland ( [adres] ) in beslag is genomen.
Het betreft een overzicht van het religieuze rechterlijk comité dat heeft plaatsgevonden ten aanzien van de heer [naam 2] .
Ook uit dit overzicht volgt naar de mening van klagers dat in het religieuze rechterlijk comité het al dan niet tonen van berouw centraal staat. De pastorale zorg die in dat kader wordt verleend draait om hulpverlening bij het tonen van berouw en het schenken van vergiffenis. Dat deze beoordeling plaatsvindt binnen een religieuze context blijkt volgens klagers bijvoorbeeld uit hetgeen in dit document wordt beschreven over de vraag of de doop van [naam 2] wel geldig was. Ook blijkt volgens klagers uit de aantekeningen dat het religieuze proces van het rechterlijke comité los staat van een strafrechtelijk proces, aangezien de ouderlingen de betrokkenen expliciet wijzen op de mogelijkheid om aangifte te doen bij de politie.
Klagers stellen dat de inbeslaggenomen documenten informatie over [naam 2] bevatten die [naam 2] aan de ouderlingen als leden van de geestelijke stand heeft toevertrouwd waar hij zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot wendde, omdat zij als zodanig intensief betrokken waren bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg. Op al die informatie is volgens klagers daarom een verschoningsrecht van toepassing.
Klagers lichten toe dat, hoewel de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen de zonde van [naam 2] als zeer ernstig beschouwt, en zijn berouw als onvoldoende om zijn band met Jehovah te herstellen, het gezien de aan [naam 2] beloofde vertrouwelijkheid niet de bedoeling was dat deze informatie buiten de beperkte kring van verschoningsgerechtigden gedeeld zou worden. [naam 2] heeft een privacybelang, en dat geldt volgens klagers eens te meer voor de in de stukken bij naam genoemde slachtoffers van de door [naam 2] gepleegde zonden.
Als derde voorbeeld benoemen klagers stukken met betrekking tot de [naam 3] (pagina’s 152 t/m 155 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’; zie ook pagina 619 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’).
Het betreft een digitaal inbeslaggenomen document, afkomstig van een gegevensdrager die op het hoofdkantoor van de Jehovah’s Getuigen in Nederland ( [adres] ) in beslag is genomen.
Dit stuk bevat een verslag van een bijeenkomst van het religieuze rechterlijke comité waarin de ouderlingen hebben beschreven of de [naam 3] berouw heeft getoond voor zijn zonden, wat noodzakelijk is voor vergeving door God. Hem werd onder meer verweten dat hij zijn minderjarige dochter zou hebben misbruikt, en ook dat hij een minderjarig vriendinnetje dat op bezoek was zou hebben aangerand. De namen van de slachtoffers staan in het verslag van de comitézitting. In dit stuk schrijven de ouderlingen onder meer dat zij de omstandigheid dat de [naam 3] bij een eerdere behandeling niets heeft gezegd over het misbruik van de genoemde slachtoffers, hebben meegewogen bij de beoordeling. De ouderlingen stellen vast dat er geen sprake is van berouw.
Voorts is inbeslaggenomen een handgeschreven brief van [naam 3] aan de ouderlingen.
[naam 3] toont berouw en vraagt om vergeving aan Jehovah. Klagers stellen dat hij dit doet via de ouderlingen, zoals de religieuze procedure van de Jehovah’s Getuigen voorschrijft. De verklaring aan de ouderlingen, waarin hij berouw toont voor zijn zonden, kan volgens klagers niet los worden gezien van zijn wens om Jehovah te dienen en heropgenomen te worden binnen de gemeenschap van de Jehovah’s Getuigen. [naam 3] heeft deze verklaringen gericht aan de ouderlingen in de veronderstelling dat deze verklaringen vertrouwelijk zouden worden behandeld, zoals het Bijbelse proces voorschrijft. Deze ouderlingen waren intensief betrokken bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan [naam 3] Tot deze ouderlingen mocht [naam 3] zich ook zonder vrees voor verdere openbaarmaking wenden, aldus klagers.
Klagers stellen verder dat de omstandigheid dat [naam 3] wegens ernstige zonden is uitgesloten als lid van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen, niets afdoet aan de vertrouwelijkheid van het religieuze proces waarbij de ouderlingen vaststelden aan welke zonden [naam 3] zich schuldig had gemaakt, en de beoordeling van het door hem getoonde berouw.
2.11
Stukken die volgens klagers niet onder het verschoningsrecht vallen
Volgens klagers geldt ten aanzien van de navolgende inbeslaggenomen en door het Openbaar Ministerie aangeleverde stukken geen verschoningsrecht:
1. Pagina 495 t/m 496 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Brief van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland aan het dienstcomité van de gemeente van Jehovah’s Getuigen in Assen-Noord met betrekking tot een toestemmingverklaring voor het gebruik van persoonsgegevens van minderjarigen.
2. Pagina 501 t/m 503 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Document ‘Het Bijbelse Standpunt van Jehovah’s Getuigen over de bescherming van kinderen’.
3. Pagina 527 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Document ‘Wat ouderlingen tegen slachtoffers van seksueel misbruik kunnen zeggen’.
4. Pagina 528 t/m 533 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Brief van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland aan alle lichamen van ouderlingen over kindermisbruik.
5. Pagina 534 t/m 535 – Passages uit artikelen uit het tijdschrift Watchtower met Bijbelse passages.
6. Pagina 542 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Aantekeningen van [klager 4] die geen betrekking hebben op pastorale zorg aan individuele (oud-) gemeenteleden.
7. Pagina 611 t/m 614 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Brief van de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen in Nederland aan alle lichamen van ouderlingen over kindermisbruik.
8. Pagina 615 t/m 617 van ‘Zwarte Bes doorzoekingen & beslag hele PV’ – Document ‘Het Bijbelse Standpunt van Jehovah’s Getuigen over de bescherming van kinderen’.
9. Pagina 1 t/m 4 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’ – Document ‘Afhandelen van telefoontjes’ met instructies aan ouderlingen.
10. Pagina 5 t/m 14 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’ – Document ‘Child protection guidelines for branch office service desks’.
11. Pagina 15 t/m 24 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’ – Document ‘Child protection guidelines for branch office service desks’.
12. Pagina 25 t/m 27 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’ – Document ‘Het Bijbelse standpunt van Jehovah’s Getuigen over de bescherming van kinderen’.
13. Pagina 32 t/m 79 van ‘Gecombineerd nagekomen stukken andere parketten’ – Diverse stukken aan de lichamen van ouderlingen met instructies over de bescherming van kinderen, het standpunt van Jehovah’s Getuigen over de bescherming van kinderen en procedures met betrekking tot juridische kwesties.
Klagers merken hierbij op dat deze stukken geen informatie bevatten die is verkregen in het kader van religieuze hulpverlening, pastorale zorg of een religieus rechterlijk comité.
2.12
De rechter-commissaris stelt met betrekking tot de onder 2.10 besproken stukken in de eerste plaats vast dat deze niet door klagers zijn bedoeld als een limitatieve opsomming, maar ter indicatie en illustratie van het soort stukken dat in beslag is genomen en waarop volgens klagers een verschoningsrecht van toepassing is.
Klagers willen met de drie hierboven onder 2.10 beschreven voorbeelden aantonen dat op de informatie die in het kader van een religieus rechterlijk comité aan ouderlingen wordt toevertrouwd een verschoningsrecht van toepassing is, net zoals op andere informatie die aan ouderlingen wordt toevertrouwd in het kader van door hen verleende pastorale zorg.
De rechter-commissaris stelt vast dat in elk geval uit de eerste twee van de aangehaalde voorbeelden blijkt dat er, voorafgaand aan de vorming van een religieus rechterlijk comité, reeds sprake was van het – over een langere periode – verlenen van pastorale zorg aan het betreffende (oud-)gemeentelid door ten minste één van de ouderlingen die nadien in het religieus rechterlijk comité hebben plaatsgenomen. Of dat in het derde voorbeeld ook aan de orde was, blijkt niet uit de stukken.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris wordt uit de stukken die betrekking hebben op de genoemde voorbeelden – in onderlinge samenhang bezien – duidelijk dat een religieus rechterlijk comité binnen de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen weliswaar heeft te oordelen over de consequenties die het begaan van een kennelijke ernstige zonde dient te hebben, maar dat binnen de procedure van dat rechterlijk comité het religieuze proces van het tonen van berouw en het verkrijgen van vergeving door God steeds centraal staat.
Dat blijkt naar het oordeel van de rechter-commissaris te meer omdat in het geval van [naam 1] (voorbeeld 1) – in welk geval er volgens het comité wel sprake zou zijn van een religieuze zonde, maar niet van enig strafbaar feit – het verloop van de procedure noch de uitkomst ervan (te weten: uitsluiting als lid van de gemeente) wezenlijk verschilt van het verloop en de uitkomst bij de heer [naam 2] (voorbeeld 2), in welk geval er wel degelijk sprake is van een verdenking van strafbare feiten.
Aldus moeten naar het oordeel van de rechter-commissaris de onder 2.10 besproken stukken worden beschouwd als informatie die is toevertrouwd aan ouderlingen in de hoedanigheid van lid van een religieus rechterlijk comité, die zodanig intensief betrokken zijn bij het verlenen van geestelijke hulp en zorg aan een gemeentelid dat zij in die hoedanigheid kunnen worden aangemerkt als behorende tot de geestelijke stand, tot wie een lid van de gemeente zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde moet kunnen wenden.
Gelet hierop deelt de rechter-commissaris de opvatting van klagers dat het verschoningsrecht van toepassing is op alle inbeslaggenomen stukken die betrekking hebben op met ouderlingen in vertrouwen gedeelde informatie in het kader van pastorale zorg, inclusief de informatie met betrekking tot de religieuze rechterlijke comités, en dus ook inclusief de stukken die in het kader van onderzoek Zwarte Bes met betrekking tot verdachte [naam 2] in beslag zijn genomen.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris moet worden geconcludeerd dat deze stukken dienen te worden aangemerkt als stukken in de zin van artikel 98, eerste lid, Sv, die om die reden niet zonder toestemming van klagers in beslag genomen hadden mogen worden.
2.13
De rechter-commissaris deelt ten slotte de opvatting van klagers dat de onder 2.11 limitatief opgesomde stukken geen informatie bevatten die is verkregen in het kader van religieuze hulpverlening, pastorale zorg of een religieus rechterlijk comité, en dat om die reden het verschoningsrecht niet op deze stukken van toepassing is.