De raadkamer stelt voorop dat de inhoud van de door haar gewezen tussenbeschikking van 10 december 2021 onderdeel uitmaakt van deze eindbeschikking en hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Zoals hierin overwogen zal de raadkamer klagers niet-ontvankelijk verklaren in het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 en in het klaagschrift van 17 augustus 2021 voor zover dit het aanvullende klaagschrift van 16 maart 2020 betreft.
Dit betekent dat nu nog ter inhoudelijke beoordeling voorligt:
- het klaagschrift van 10 december 2019 (artikel 552a Sv) ;
- het klaagschrift van 17 augustus 2021, voor zover dit niet voormeld aanvullend klaagschrift betreft (artikel 98 lid 4 Sv).
Nu een beschikking van de rechter-commissaris (waarop het klaagschrift van 17 augustus 2021 ziet) in dit geval voorafgaat aan een beslissing van de raadkamer (verzocht in het klaagschrift van 10 december 2019), zal de raadkamer het klaagschrift van 17 augustus 2021 eerst behandelen. Voordat de raadkamer hiertoe overgaat, zal zij erbij stilstaan dat als gevolg van het door het gewijzigde standpunt van het OM, zoals hierna is weergegeven, tussen het OM en klagers de kwestie van het (afgeleide) verschoningsrecht in deze zaak niet langer in geschil is.
Klagers hebben in het eerste klaagschrift gesteld dat bij inbeslagname van stukken ten onrechte voorbij is gegaan aan een (afgeleid) verschoningsrecht dat hen toekomt. Het OM heeft zich sindsdien telkens op het standpunt gesteld dat klagers geen beroep op enig verschoningsrecht toekomt. Na de beschikking van de rechter-commissaris van 13 juli 2022 heeft het OM op de zitting van 7 september 2022 haar standpunt gewijzigd in die zin dat het OM zich in dit specifieke geval en onder deze specifieke omstandigheden conformeert aan de beschikking van de rechter-commissaris. De betreffende in beslag genomen stukken zijn eerder al geretourneerd en het OM heeft toegezegd dat zij zal zorgdragen voor vernietiging van gemaakte kopieën voor 1 november 2022.
Nu de kwestie over het (afgeleide) verschoningsrecht niet langer in geschil is, komt de raadkamer aan een inhoudelijke beoordeling van het (afgeleide) verschoningsrecht niet toe. De raadkamer verklaart het klaagschrift van 17 augustus 2021 deels gegrond, omdat de raadkamer van oordeel is dat het onderzoek van de rechter-commissaris dat heeft geleid tot zijn beschikking van 15 juli 2021 ontoereikend is geweest.
Klagers hebben naast hun klacht over de in beslag genomen stukken/gegevens, in het klaagschrift verzocht om te oordelen dat de doorzoekingen en vorderingen tot afgifte niet voldoen aan de daaraan te stellen formele eisen. Tevens stellen zij zich op het standpunt dat de machtigingen tot doorzoeking, de doorzoekingen en de manier waarop de doorzoekingsbevelen en de inbeslagnames zijn uitgevoerd op zichzelf een schending zijn van artikel 8, 9 en 10 in samenhang met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Klagers verzoeken de raadkamer dit in haar overwegingen tot uitdrukking te brengen.
De raadkamer overweegt dat dit onderwerpen betreft die buiten de reikwijdte van artikel 552a lid 1 Sv vallen. Dit betekent dat zij klagers ten aanzien van deze onderdelen van het klaagschrift reeds hierom niet-ontvankelijk zal verklaren.
Nu de kwestie over het (afgeleide) verschoningsrecht niet langer in geschil is, komt de raadkamer een inhoudelijke beoordeling van het (afgeleide) verschoningsrecht niet toe. In aanvulling op de beschikking van de rechter-commissaris van 13 juli 2022 overweegt de raadkamer dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan het verschoningsrecht van klagers dient te worden doorbroken. De raadkamer verklaart het klaagschrift van 10 december 2019 deels gegrond, namelijk voor zover het klaagschrift erop ziet dat klagers in dit specifieke geval ten aanzien van de door de rechter-commissaris genoemde stukken een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt. Voor het overige is dat klaagschrift ongegrond. Daarbij overweegt de raadkamer dat naar haar oordeel met de beschikking van de rechter-commissaris van 13 juli 2022, mede gezien het standpunt dat door klagers en – na heroverweging – de officier van justitie ten aanzien daarvan is ingenomen, zodanig aan de klacht(en) tegemoet is gekomen dat klagers geen (voldoende) rechtens te respecteren belang meer hebben bij een (verdere) beoordeling van hun klachten.
Het OM heeft te kennen gegeven dat de betreffende in beslag genomen stukken eerder al zijn geretourneerd. Het OM heeft toegezegd dat zij zal zorgdragen voor vernietiging van gemaakte kopieën voor 1 november 2022. De raadkamer zal een overeenkomende last geven. Gelet op de toezegging van het OM, ziet de raadkamer thans geen aanleiding tot het bepalen van een dwangsom bij niet-nakoming van de last tot vernietiging, zoals door klagers is verzocht.
Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2021:4905