Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4609

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-12-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
ak_18 _ 2127 en ak_18_2184 en ak_18_2200
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark in Overdinkel; eisers geen belanghebbenden aangezien zij vanaf de woonpercelen geen dan wel geen nagenoeg geen uitzicht hebben op het zonnepark; beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/2127, AWB 18/2184 en AWB 18/2200

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [eiser 1] [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4], te Overdinkel, eisers A,

gemachtigde: [naam 1] ,

2. [Naam maatschap], te [plaats] , eiseres B,

gemachtigde: mr. H. Gerritsen,

3. [Naam familie e.a.], wonende te Overdinkel, eisers C,

gemachtigde: mr. J.T. Fuller,

en

het college van burgemeester en wethouders van Losser, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Kronos Solar Projects, te München.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Kronos Solar Projects (hierna: Kronos) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark op percelen aan de Drielandweg in Overdinkel, kadastraal bekend als LSR00, sectie Q, nummers 1291, 1344 en 1374 (hierna: de percelen). De omgevingsvergunning is verleend voor een bepaalde periode, te weten 25 jaren.

Tegen dat besluit is beroep ingesteld door:

- eisers A, geregistreerd onder zaaknummer AWB 18/2127;

- eiseres B, geregistreerd onder zaaknummer AWB 18/2184 en

- eisers C, geregistreerd onder zaaknummer AWB 18/2200.

Verweerder heeft in alle zaken een afzonderlijk verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Eisers A zijn verschenen in de persoon van [eiser 3] en [eiser 2] , bijgestaan door hun gemachtigde. Eiseres B heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Eisers C zijn verschenen in de persoon van [naam 3] ,

[naam 4] en [naam 4] , bijgestaan door mr. K.M. Weinans, kantoorgenoot van hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.J.G. Nijland, L. Bronkhorst en T. van Leussen. Kronos heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 5] .

Overwegingen

Ambtshalve overwegingen

1. Bij brief van 20 november 2019 heeft de gemachtigde van eisers C aan de rechtbank meegedeeld dat hij de navolgende personen/families niet langer vertegenwoordigd: [naam 6] ( [adres 1] de heer [naam 7] en mevrouw [naam 8] ( [adres 1] ), familie [naam 9] ( [adres 2] ) en familie [naam 10] ( [adres 3] ).

De rechtbank heeft deze personen bij brieven van 21 november 2019 gevraagd of zij zelfstandig de beroepsprocedure willen voortzetten en zo ja, dat hiervoor een afzonderlijk beroepsdossier zal worden aangelegd en dat griffierecht is verschuldigd. De rechtbank heeft verzocht om haar per omgaande hierover te informeren. De betrokken personen hebben niet gereageerd.

Ter zitting is [naam 8] verschenen. Hij heeft de rechtbank mondeling meegedeeld dat hij zijn beroep niet handhaaft en dat ook de heer [naam 7] en mevrouw [naam 8] , woonachtig op zijn perceel, hun beroep niet langer handhaven. De families [naam 9] en [naam 10] hebben, zoals hiervoor vermeld, niet gereageerd op de brief van de rechtbank waarin hen is gevraagd of zij hun beroep wensen te handhaven. Zij zijn evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze eisers hun beroepen niet handhaven.

Gelet hierop overweegt de rechtbank dat, waar in deze uitspraak sprake is van ‘eisers C’, hiermee de familie [naam 3] ( [adres 4] ), de familie [naam 11] ( [adres 5] , de familie [naam 12] ( [adres 6] ) en de heer [naam 13] mevrouw [naam 14] ( [adres 7] ) worden bedoeld.

Besluitvorming

2. Bij aanvraag van 29 maart 2018, nadien nader aangevuld, heeft Kronos verweerder verzocht hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een zonnepark op de percelen. Het aangevraagde project bestaat uit 82.158 modules en 6 inverterstations.

De hoogte bedraagt 2 meter. Het project beslaat een oppervlakte van ongeveer 20 hectare.

Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning (voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘aanleggen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en de ontwerp verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) van de raad van de gemeente Losser hebben voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen.

Eisers A en eisers C hebben hiertegen een zienswijze ingediend. Eiseres B heeft geen zienswijze ingediend; haar maten hebben daarentegen wel in persoon een zienswijze ingediend.

In het bestreden besluit van 3 oktober 2018 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘aanleggen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ verleend. Bij het vergunnen van de activiteit ‘afwijken van het

bestemmingsplan’ is toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo en is gebruik gemaakt van de door de raad op 2 oktober 2018 afgegeven (definitieve) vvgb.

Ontvankelijkheid

3. Gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo is het bestreden besluit voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In afwijking van het bepaalde in deze afdeling staat het recht om zienswijzen kenbaar te maken open voor een ieder (artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo). Het recht om een aldus voorbereid besluit voor te leggen aan de bestuursrechter is daarentegen slechts opengesteld voor belanghebbenden (artikel 8:1 van de Awb). Onder ‘belanghebbende’ wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb).

Alvorens de rechtbank het geschil inhoudelijk kan behandelen, dient te worden beoordeeld of eisers A, eiseres B en eisers C belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

4. Verweerder heeft zich, wat betreft de belanghebbendheid, in de afzonderlijke verweerschriften op de navolgende standpunten gesteld.

4.1.

Eisers A zijn volgens verweerder geen belanghebbenden bij het bestreden besluit omdat dit besluit voor hen geen gevolgen van enige betekenis heeft.

Ter onderbouwing heeft verweerder aangevoerd dat de afstand tussen de bouwvlakken van de woningen van eisers ( [adres 8] tot de rand van het zonnepark ongeveer 545 meter bedraagt. Het zonnepark wordt aan het zicht (vanaf de woonpercelen) onttrokken door ten eerste het bosperceel ten zuiden van de Drielandweg, ten tweede de erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] ten derde door reeds aanwezige houtsingels aan beide zijden van de Drielandweg en ten vierde door een (nog aan te leggen) 5 meter brede (en groenblijvende) houtsingel over de volle lengte tussen het zonnepark en de Drielandweg, achter de aldaar reeds aanwezige houtsingel. Deze verplichte aanleg is opgenomen in de omgevingsvergunning. Verder is het zonnepark gesitueerd ten noorden van de Drielandweg en wordt ontsloten vanaf die weg. De woningen worden niet ontsloten via de Drielandweg maar via de Ruhenbergerweg.

4.2.

Ook ten aanzien van eiseres B is verweerder van mening dat zij geen belanghebbende bij het bestreden besluit is omdat dit besluit voor haar geen gevolgen van enige betekenis heeft. Verweerder heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht.

De agrarische activiteiten van eiseres B op het perceel [adres 10] zijn beëindigd en de raad heeft op 21 augustus 2018 het bestemmingsplan “Buitengebied wijzigingsplan [adres 10] te Overdinkel” vastgesteld. Hierbij zijn aan de woning en de tuin op het perceel [adres 10] een woonbestemming toegekend en is het bouwen van een zogenaamde compensatiewoning planologisch mogelijk gemaakt. Verweerder heeft er op gewezen dat de afstand tussen de ‘oude’ woning en de rand van het zonnepark ongeveer 470 meter bedraagt. De afstand tussen de woonbestemming en het zonnepark bedraagt ongeveer 440 meter. De afstand tussen de compensatiewoning en het zonnepark bedraagt ongeveer 390 meter. Het zonnepark wordt aan het zicht (vanaf beide woonpercelen) onttrokken door ten eerste het bosperceel ten zuiden van de Drielandweg, ten tweede de erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] ten derde door reeds aanwezige houtsingels aan beide zijden van de Drielandweg en ten vierde door een (nog aan te leggen) haag over de volle lengte tussen het zonnepark en de Drielandweg, achter de aldaar reeds aanwezige houtsingel. Deze verplichte aanleg is opgenomen in de omgevingsvergunning. Eiseres B heeft verder agrarische gronden in eigendom, aansluitend aan het woonperceel. De afstand tussen de meest noordelijke punt van deze gronden en de rand van het zonnepark bedraagt 60 meter. De woningen en de (agrarische) gronden van eiseres B worden niet ontsloten via de Drielandweg maar via de Ruhenbergerweg. Deze percelen zijn ook niet bereikbaar via de Drielandweg.

Verweerder heeft er voorts nog op gewezen dat de maatschap als juridische entiteit geen zienswijze heeft ingediend en dat het ook om die reden twijfelachtig is of het beroep van eiseres B ontvankelijk is, gelet op artikel 6:13 van de Awb.

4.3.

Wat betreft eisers C stelt verweerder zich op het standpunt dat zij geen van allen gevolgen van enige betekenis ondervinden van het bestreden besluit en daarom geen belanghebbenden zijn bij dit besluit.

Ter onderbouwing heeft verweerder, voor zover van belang, aangevoerd dat de afstand tussen de woningen van eisers C ( [adressen] tot de rand van het zonneveld ongeveer 485, 550, 540 en 425 meter bedraagt. Het zonnepark wordt aan het zicht (vanaf eisers woonpercelen) onttrokken door ten eerste het bosperceel ten zuiden van de Drielandweg, ten tweede de erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] ten derde door reeds aanwezige houtsingels aan beide zijden van de Drielandweg en ten vierde door een (nog aan te leggen) haag over de volle lengte tussen het zonnepark en de Drielandweg, achter de aldaar reeds aanwezige houtsingel. Deze verplichte aanleg is opgenomen in de omgevingsvergunning. Verder is het zonnepark gesitueerd ten noorden van de Drielandweg en wordt ontsloten vanaf die weg. De woningen van eisers C worden daarentegen ontsloten via de Ruhenbergerweg.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

In de uitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1981, heeft de Afdeling een oordeel gegeven over de belanghebbendheid van een omwonende bij een omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonneakker. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat bij een afstand van 450 meter tussen het woonperceel van appellant en de beoogde zonneakker het in beginsel niet aannemelijk is dat gevolgen van enige betekenis zullen worden ondervonden.

In dat geval heeft de Afdeling nog overwogen dat het landschap ter plaatse van het projectgebied echter open van karakter is met weidse vergezichten waarop nauwelijks bebouwing staat. Daarom vond de Afdeling het in dat geval aannemelijk dat appellant vanuit zijn woning direct zicht zal hebben op het vergunde project. Gelet op de omvang van het project (in die zaak 35 hectare), bezien in relatie tot het open karakter van het landschap ter plaatse, zijn de gevolgen voor het uitzicht van appellant naar het oordeel van de Afdeling zodanig dat zijn woon- en leefklimaat daardoor wordt beïnvloed. Verder heeft de Afdeling mee laten wegen dat appellant ook eigenaar is van een landbouwperceel dat grenst aan het projectgebied.

Verder blijkt uit deze uitspraak dat bij de vraag naar de belanghebbendheid geen doorslaggevende betekenis toegekend mag worden aan de landschappelijke inpassing van de zonneakker indien deze inpassing deel uit maakt van het vergunde project en appellant zich (juist) verzet tegen deze inpassing.

6. Wat betreft de vraag of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit, overweegt de rechtbank allereerst het navolgende.

Ter zitting hebben eisers gereageerd op de stelling van verweerder dat het zonnepark aan het zicht (vanaf de woonbestemmingen) wordt onttrokken door de houtsingels aan beide zijden van de Drielandweg. Eisers hebben aangegeven dat de eigenaar, [naam 15] een groot deel van deze bomen heeft gekapt en dat er, in hun woorden, een kaalslag heeft plaatsgevonden. Verder zijn gronden afgegraven, waardoor het zicht op het zonnepark zal toenemen.

Verweerder heeft ter zitting hierover meegedeeld dat het afgraven van gronden (tot 30 centimeter) en het kappen en herplanten van bomen voortvloeit uit een landinrichtingsproject. Deze activiteiten zijn vergunningplichtig. [naam 15] is begonnen met de uitvoering zonder over een dergelijke vergunning te beschikken. Verweerder is een handhavingstraject gestart. De vergunning voor het kappen van bomen, met daaraan verbonden een herplantplicht, is inmiddels aan [naam 15] verleend. Nadat gevolg is gegeven aan de in deze vergunning opgenomen herplantplicht, zullen de houtsingels aan beide zijden van de Drielandweg zijn hersteld en verbeterd. Ook worden deze houtsingels ‘verlengd’ en wordt een houtsingel tussen de Drielandweg en de Ruhenbergerweg gerealiseerd.

Bij de beantwoording van de vraag of eisers belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, gaat de rechtbank uit van de landschappelijke situatie zoals deze zal zijn nadat [naam 15] heeft voldaan aan voornoemde herplantplicht.

7. Wat betreft de belanghebbendheid van eisers A en daarmee de ontvankelijkheid van hun beroep overweegt de rechtbank het volgende.

7.1.

De rechtbank stelt vast dat vanaf de woonpercelen geen dan wel nagenoeg geen zicht is op het zonnepark. De reden hiervoor is ten eerste de afstand tussen de woonpercelen en de rand van het zonnepark (ongeveer 545 meter) in combinatie met de geringe hoogte van de zonnepanelen (te weten 2 meter). Verder wordt het zonnepark aan het zicht (vanaf de woonpercelen) onttrokken door de al aanwezige tussenliggende houtsingels, een reeds aanwezig bosperceel, erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] en de aan te leggen houtsingel die zal lopen vanaf de Drielandweg tot aan de Ruhenbergerweg. Ten slotte worden de woningen van eisers A via de Ruhenbergerweg ontsloten en niet, zoals het zonnepark, via de Drielandweg, zodat verkeer van en naar het zonnepark niet langs de woningen van eisers A komt.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eisers A, wat betreft hun woon- of leefsituatie, geen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het zonnepark.

7.2.

Ter zitting hebben eisers A hieraan toegevoegd dat zij vanaf hun woonpercelen zicht hebben op de aan te leggen haag en dat dit aanleggen deel uitmaakt van het bestreden besluit. Vanwege het zicht op de haag zijn zij aan te merken als belanghebbenden bij het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt hierover dat dit (eventuele) zicht op de haag niet betekent dat eisers A, wat betreft hun woon- of leefsituatie, gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van deze haag. De rechtbank laat hierbij meewegen dat het zicht niet verandert ten opzichte van de huidige situatie. Er is immers sprake van een groene ‘plint’ en dat blijft zo.

7.3.

Eisers A zijn daarom geen belanghebbenden bij het bestreden besluit. De rechtbank zal het door hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

8. Wat betreft de belanghebbendheid van eiseres B en de ontvankelijkheid van haar beroep overweegt de rechtbank het volgende.

8.1.

De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingesteld door de maatschap. Die maatschap vormt het samenwerkingsverband van [naam 2] en zijn echtgenote [naam 16] Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zodanige verknochtheid en verstrengeling van belangen tussen de maten als privépersonen en de maten als deelnemers in de maatschap dat de rechtbank in dit geval geen reden ziet om onderscheid te maken tussen de maatschap en de maten als afzonderlijke procespartijen.

8.2.

Uit de stukken, nader toegelicht ter zitting, blijkt dat eiseres B een maatschap betreft die een akkerbouwbedrijf exploiteert op het perceel [adres 10] Een deel van de opstallen is gesloopt en ter compensatie mag eiseres B een nieuwe woning bouwen. Een en ander is geregeld in een door de raad op 21 augustus 2018 vastgesteld bestemmingsplan voor dit perceel. De maatschap heeft verder agrarische gronden in eigendom. De afstand tussen de meest noordelijke punt van het meest nabij gelegen agrarische perceel en het zonnepark bedraagt 60 meter. De afstand tussen de woonpercelen en het zonnepark bedraagt ongeveer 440 en 390 meter.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat vanaf beide woonpercelen geen dan wel nagenoeg geen zicht is op het zonnepark. De reden hiervoor is ten eerste de afstand tussen de woonpercelen en de rand van het zonnepark (ongeveer 440/390 meter) in combinatie met de geringe hoogte van de zonnepanelen (te weten 2 meter). Verder wordt het zonnepark (vanaf de woonpercelen) aan het zicht onttrokken door de tussenliggende houtsingels, een reeds aanwezig bosperceel en erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] Dat aan de aan te leggen haag, in het kader van de belanghebbendheid van eiseres B, geen doorslaggevende betekenis toegekend mag worden omdat eiseres B zich in haar beroepschrift verzet tegen deze aanleg sec, doet niet af aan het feit dat er vanaf de woonpercelen (nagenoeg) geen zicht is op het zonnepark. Ten slotte worden de woningen van eiseres B via de Ruhenbergerweg ontsloten en niet, zoals het zonnepark, via de Drielandweg, zodat verkeer van en naar het zonnepark niet langs de woningen van eiseres B komt.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eiseres B, wat betreft haar woon- of leefsituatie, geen gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het zonnepark.

8.4.

Wat betreft de agrarische percelen nabij het zonnepark overweegt de rechtbank het volgende. Uit de stukken blijkt dat de meest noordelijke punt van een bij eiseres B in eigendom zijnd perceel niet grenst aan het zonnepark. De afstand bedraagt 60 meter. De jurisprudentie met betrekking tot de belanghebbendheid van eigenaren van aangrenzende percelen is dan ook niet van toepassing. De Afdeling hanteert in gevallen als onderhavige de lijn dat een korte afstand tot een niet aangrenzend perceel een vermoeden van belanghebbendheid oplevert maar dat dit niet weg neemt dat in een specifieke situatie tot het oordeel kan worden gekomen dat belanghebbendheid ontbreekt.

Ter zitting heeft eiseres B desgevraagd meegedeeld dat de agrarische activiteiten op de percelen in de vorm van akkerbouw zijn voortgezet, maar dat het zonnepark geen gevolgen heeft voor de agrarische bedrijfsvoering op haar percelen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres B, wat betreft haar bedrijfssituatie, geen gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het zonnepark.

8.5.

Eiseres B is gelet op dat wat hiervoor is overwogen geen belanghebbende bij het bestreden besluit. De rechtbank zal het door haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

8.6.

De door verweerder opgeworpen vraag over de toepasselijkheid van artikel 6:13 van de Awb behoeft daarom niet meer te worden besproken.

9. Wat betreft de belanghebbendheid van eisers C en de ontvankelijkheid van hun beroep overweegt de rechtbank het volgende.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat er vanaf de woonpercelen van eisers C geen dan wel nagenoeg geen zicht is op het zonnepark. De reden hiervoor is ten eerste de afstand tussen de woonpercelen en de rand van het zonnepark (ongeveer 485, 550, 540 en 425 meter) in combinatie met de geringe hoogte van de zonnepanelen (te weten 2 meter). Verder wordt het zonnepark aan het zicht (vanaf de woonpercelen) onttrokken door de tussenliggende houtsingels, een reeds aanwezig bosperceel en erfbeplanting bij het woonerf [adres 9] .

Dat aan de aan te leggen haag, in het kader van de belanghebbendheid van eisers C, geen doorslaggevende betekenis toegekend mag worden omdat eisers C zich in hun beroepschrift verzetten tegen deze aanleg sec, doet niet af aan het feit dat er vanaf de woonpercelen (nagenoeg) geen zicht is op het zonnepark. Ten slotte worden de woningen van eisers C via de Ruhenbergerweg ontsloten en niet, zoals het zonnepark, via de Drielandweg, zodat verkeer van en naar het zonnepark niet langs de woningen van eisers C komt.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eisers C, wat betreft hun woon- of leefsituatie, geen gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van het zonnepark.

9.2.

Ter zitting hebben eisers C toegevoegd dat zij vanaf hun woonpercelen zicht zullen hebben op de aan te leggen afschermende haag en dat dit aanleggen deel uitmaakt van het bestreden besluit. Vanwege het zicht op de haag zijn zij aan te merken als belanghebbenden bij het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt hierover dat dit (eventuele) zicht op de haag niet betekent dat eisers C, wat betreft hun woon- of leefsituatie, gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van deze haag. De rechtbank laat hierbij meewegen dat het zicht niet verandert ten opzichte van de huidige situatie. Er is immers al sprake van een groene ‘plint’ en dat blijft zo.

9.3.

Eisers C zijn daarom geen belanghebbenden bij het bestreden besluit. De rechtbank zal het door hen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

10. De beroepen van eisers A, eiseres B en eisers C zijn niet-ontvankelijk.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. A. de Boer, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.