Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:4385

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-11-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
ak_19 _ 1920
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanschrijving aan te tonen dat doorvoeringen minimaal 30 minuten brandwerend zijn uitgevoerd; last onder dwangsom geeft onvoldoende concreet aan wat verweerder thans nog van verzoeker verlangt; toewijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1920

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker aangeschreven om binnen uiterlijk 8 weken na dagtekening van dit besluit, of zoveel eerder indien het pand aan de [adres] te Nijverdal eerder in gebruik genomen wordt, maatregelen te nemen, en aan te tonen, dat de doorvoeringen conform NEN 6068 minimaal 30 minuten brandwerend zijn uitgevoerd, op straffe van het verbeuren van een dwangsom.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2019. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

R. Kuiper. Verder was P. Grundke van de Brandweer Twente aanwezig.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker is sinds 24 september 2018 eigenaar van het pand [adres] . Bij brief van 7 februari 2019 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen bekend gemaakt hem een last onder dwangsom op te leggen in verband met geconstateerde strijdigheden met het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot enkele brandveiligheidsvoorschriften in zijn pand. Verzoeker is onder meer gemeld dat de doorvoeringen conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving brandwerend uitgevoerd dienen te worden en dat dit aangetoond dient te worden. Daarnaast is verzoeker ten stelligste geadviseerd om brandwerend plaatmateriaal onder de gehele vloer aan te leggen

Van de verzoeker geboden gelegenheid een zienswijze te geven op dit voornemen heeft verzoeker geen gebruik gemaakt.

Vervolgens hebben er diverse mailwisselingen en gesprekken plaatsgevonden waarbij verweerder meerdere keren heeft meegedeeld dat met betrekking tot de doorvoeringen niet is aangetoond dat de getroffen maatregelen de geconstateerde tekortkomingen hebben opgeheven. De aangeleverde informatie betrof volgens verweerder met name algemene productinformaties die op het internet zijn te vinden en niet gespecificeerd op de betreffende situatie.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals beschreven onder de rubriek Procesverloop.

3. Verzoeker heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij niet op de door verweerder geëiste wijze kan aantonen dat de door hem getroffen maatregelen voldoen, aangezien testrapporten niet technisch gemaakt kunnen worden. Verder is het voor hem onmogelijk om in een termijn van acht weken het complete plafond te voorzien van brandwerende beplating.

Verweerder heeft aangevoerd dat verzoeker voldoende tijd is geboden om maatregelen te nemen om aan te tonen dat er aan de gestelde eisen met betrekking tot brandwerendheid voldaan wordt. Verder voorziet de last niet in het geheel brandwerend maken van het plafond. Verweerder heeft verzoeker geadviseerd om de gehele vloer van het brandwerende beplating te voorzien. Tenslotte heeft verweerder in haar bestuurlijke rol de gemeente aangeschreven brandwerende maatregelen te nemen in het naastgelegen pand van verzoeker.

Het juridisch kader

Op grond van artikel 2.1, eerste lid onder c en d, van de Wabo – voor zover relevant – is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (onder c), of het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen (onder d).

Op grond van artikel 1a van de Woningwet moet de eigenaar van een gebouw of een ieder die het gebouw gebruikt of laat gebruiken, ervoor zorgen dat er geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Op grond van artikel 1b van de Woningwet is het verboden een bouwwerk in gebruik te nemen, te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op die ingebruikneming of dat gebruik van toepassing zijnde (technische) voorschriften, zoals de (brandveiligheids)voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.

In het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften opgenomen voor brandveilig gebruik van een bouwwerk.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het primaire besluit niet is opgenomen aan welk voorschrift/artikel uit het Bouwbesluit 2012 verzoeker geen gevolg heeft gegeven. Verweerder kan dit formele gebrek in de bezwaarfase herstellen maar heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de doorvoeringen conform NEN 6068 minimaal 30 minuten brandwerend dienen te worden uitgevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat het pand van verzoeker bestaande bebouwing betreft en er geen sprake is van nieuwbouw. In dat geval kan de vraag worden gesteld of verzoeker niet dient te voldoen aan het voorschrift van artikel 2.90 van het Bouwbesluit 2012, waarin is bepaald dat brandweren-de scheidingen op adequate wijze dienen te worden voorzien van een brandwerendheid van 20 minuten WBDBO.

5. Verder is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoeker op 17 maart 2019 per mail verweerder heeft geïnformeerd dat zowel de staalconstructie als de doorvoeringen brandwerend zijn uitgevoerd. Verzoeker heeft daarbij foto’s, productspecificaties en de rapportage die hij van de uitvoerende partij “ [naam] ” heeft ontvangen. Verzoeker heeft daarbij aangegeven nog een aantal lege verpakkingen te hebben bewaard. Verder blijkt uit de stukken dat verzoeker op 13 juni 2019 nog aanvullende gegevens heeft aangeleverd (productspecificaties van de voor de doorvoeringen gebruikte producten).De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder niet heeft onderzocht waarom de aangebrachte aanpassingen niet zouden voldoen.

Verder is niet in geschil dat zowel de brandweer als verweerder erkennen dat er geen testrapporten van producten op een Perfora-vloer beschikbaar zijn. Als de vloer van een brandwerende beplating wort voorzien kunnen deze producten wel worden gebruikt en zijn ook testrapporten daarvan aanwezig, doch de voorzieningenrechter stelt vast dat deze optie geen deel uit maakt van de aan verzoeker opgelegde last.

6. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter concluderend van oordeel dat de last onder dwangsom onvoleinde concreet aangeeft wat verweerder thans nog van verzoeker verlangt en dat handhaving op dit moment dan ook onevenredig is.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, laat de voorzieningenrechter de belangen van

verzoeker bij het niet verbeuren van een dwangsom van € 2.500,- per week voordat op zijn bezwaar is beslist, zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij onmiddellijke handhaving. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.

8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het primaire besluit tot de bekendmaking van het de beslissing op het bezwaar.

- gelast dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ad € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.