Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2019:3019

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
08-997027-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 51-jarige man uit Harderwijk tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor fraude, valsheid in geschrifte en witwassen. Twee medeverdachten (de 47-jarige vrouw van de hoofdverdachte en een 52-jarige man uit Wijhe) kregen voorwaardelijke gevangenisstraffen en een taakstraf opgelegd. Een vierde verdachte, een 54-jarige man uit Kampen, werd vrijgesproken. Het biodieselbedrijf waar de vier verdachten aan zijn verbonden, moet een boete betalen van 400.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer 08-997027-15 (P)

Datum vonnis: 22 augustus 2019.

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring van de PI Alphen a/d Rijn.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 november 2017 en van 4, 8 en 9 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, C.F. van Drumpt, en van hetgeen naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadslieden

mr. S. ten Doesschate en mr. Dudok van Heel, beiden verbonden aan Sjöcrona-Van Stigt Advocaten te Rotterdam.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 1 december 2013 tot 30 maart 2014 feitelijk leiding heeft gegeven aan het door zijn onderneming, [bedrijf 1 verdachte ] ., valselijk opmaken van een drietal zogenoemde biotickets.

feit 2:

zich in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.

feit 3:

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door facturen en leenovereenkomsten vals op te (laten) maken en deze stukken te (doen) gebruiken onder meer door opname in bedrijfsadministraties.

Voluit luidt de – gewijzigde – tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

[bedrijf 1 verdachte ] in de periode van 1 december 2013 tot 30 maart 2014 te Kampen,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

drie biotickets, althans een of meer bioticket(s) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd

was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft

vervalst,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een of meer andere(n) te doen gebruiken,

immers heeft [bedrijf 1 verdachte ] al dan niet tezamen en in vereniging met haar

mededader(s), in strijd met de waarheid op

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 1] d.d. 02 december 2013 (DOC-088, p. 6140) verklaard en/of laten verklaren dat zij 1.090.900 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2013 op de Nederlandse markt had gebracht, en/of

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 2] d.d. 11 februari 2014

(DOC-092, p. 6144) verklaard en/of laten verklaren dat zij 4.500.000 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2014 op de Nederlandse markt had gebracht, en/of

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 3] d.d. 15 maart 2014 (DOC-095, p. 6149) verklaard en/of laten verklaren dat zij 3.000.000 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2014 op de Nederlandse markt had gebracht,

zulks, terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer

ander(en), tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft/hebben gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2012 tot en met 31 december 2016, te Kampen, althans in Nederland, en/of in Bonaire en/of elders buiten Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) van een of meer voorwerp(en), te weten

(onder meer)

(sub a)

 een of meer geldbedragen, (tot een totaalbedrag van ongeveer 3 miljoen euro: [bedrijf 5] , ORCO bankrekeningen en contanten) althans van enig voorwerp

de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of de verplaatsing, verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op bovenomschreven voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad; en/of

(sub b) heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s)

 een of meer geldbedragen, (tot een totaalbedrag van ongeveer 3 miljoen euro: [bedrijf 5] , ORCO bankrekeningen) en/of

 de woning en/of bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2]

), en/of

 de woning gelegen aan [adres 3] , en/of

 het appartement ( [naam 1] ) gelegen aan [adres 4] , en/of

 het appartement ( [naam 2] ) gelegen aan [adres 5]

, en/of

 het appartement ( [naam 3] ) gelegen aan [adres 6] , en/of

 de woning gelegen aan [adres 7] , en/of althans enig voorwerp,

verworven en/of voorhanden heeft (gehad) en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), dat/die gelden en/of voorwerp(en) en/of woningen - onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3

hij in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2012 tot en met 31 december 2016, te Kampen en/of Ermelo althans in Nederland en/of Bonaire en/of elders buiten Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal,

 een of meer TTC factu(u)ren en/of facturen van [bedrijf 4] , en/of

 een of meer leenovereenkomst(en), en/of

 de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] ,

zijnde (een) geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen -,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een of meer andere(n) te doen gebruiken,

immers heeft hij al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), in strijd met de

waarheid,

op een (grote) hoeveelheid facturen vermeld en/of doen vermelden dat er diensten geleverd zijn, terwijl er niet of slechts deels diensten werden geleverd, en/of dat er kosten zijn gemaakt,

althans op (onder meer) op de factuur

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 7] d.d. 31 mei 2012 (Doc-328, p. 7213), vermeld en/of doen vermelden dat er in mei 2012 dertig containers zijn gereinigd, en/of

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 8] d.d. 14 juni 2012 (Doc-351, p. 9211), vermeld en/of doen vermelden dat er in juni 2012 zevenentwintig containers zijn gereinigd, en/of

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 9] d.d. 2 februari 2015 (Doc-386, p. 7269), vermeld en/of doen vermelden dat er 2,040.381 MT isotanks zijn gereinigd en/of geïnspecteerd, en/of

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 10] d.d. 7 januari 2016 (Doc 751, p. 9211), vermeld en/of doen vermelden dat er EUR 244.000 courage-kosten zijn gemaakt, en/of

 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] d.d. 11 maart 2015 (Doc-032, p. 6092), vermeld en/of doen vermelden dat er voorbereidingskosten 2014 inzake [bedrijf 11] ter hoogte van EUR 25.000 zijn gemaakt, en/of

 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 12] d.d. 27 oktober 2015 (Doc-294, p. 7094), vermeld en/of doen vermelden dat er provisiekosten voor 126.380 kilogram in week 2015-43 zijn gemaakt,

en/of op twee, althans één of meer leenovereenkomst(en):

 d.d. 16 april 2012 (DOC-305, p. 7162) vermeld en/of doen vermelden dat [bedrijf 8] op 16 april 2012 357.000 EUR aan [verdachte] uitleent en/of dat [verdachte] daartoe de overeenkomst op 16 april 2012 heeft getekend, en/of

 d.d. 8 juli 2012 (DOC-248, p. 6519) vermeld en/of doen vermelden dat [bedrijf 8] op 8 juli 2012 820.000 EUR aan [verdachte] uitleent en/of dat [verdachte] daartoe de overeenkomst op 8 juli 2012 heeft getekend,

en/of immers heeft hij voornoemde facturen en/of leenovereenkomsten (deels) (laten)

opnemen en/of opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]

en/of

heeft hij toen en aldaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk gebruik gemaakt van die valse en/of vervalste factu(u)r(en) en/of die valse en/of vervalste leenovereenkomst(en), zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande dat gebruikmaken hierin (onder meer) dat

 voornoemd(e) valse en/of vervalste factu(u)r(en) en/of leenovereenkomst(en) aan één of meer accountant(s) en/of werknemers van accountantskantoor [naam 4] en/of [naam 5] , althans aan een of meer accountants, en/ of één of meer inspecteur(s) van de belastingdienst zijn getoond en/of overgelegd en/of verstuurd en/of

zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]

en/of

 voornoemde valse of vervalste factu(u)r(en) is/zijn verzonden naar die [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 5] .

Opmerking rechtbank:

In de gewijzigde tenlastelegging staat bij feit 2 als pleegperiode vermeld: ‘vanaf 01 januari 2012 tot en met ‘heden’. Gelet op de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting dat het uitdrukkelijk de bedoeling is dat (in het onderzoek Kleisteen 2) feiten worden ten laste gelegd die zien op het onderzoek over periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 - zoals ook vermeld bij feit 3 - heeft de rechtbank ten aanzien van feit 2 de pleegperiode aldus gecorrigeerd.

Daarnaast staat in de gewijzigde tenlastelegging bij de onroerende goederen [onroerend goed 1] , terwijl dit blijkens het dossier moet zijn: [onroerend goed 2] en bij de leenovereenkomst met de aanduiding DOC-248 als datum ‘18 juli 2012’ terwijl dit blijkens het dossier moet zijn

‘8 juli 2012’.

De rechtbank merkt de hierboven genoemde onjuiste aanduidingen aan als kennelijke verschrijvingen en leest ze als verbeterd in de eveneens hiervoor aangegeven zin.

De verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding, met betrekking tot feit 2 (Kleisteen 2)

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van feit 2 onduidelijk is en innerlijk tegenstrijdig, en dat de dagvaarding om die reden (partieel) nietig moet worden verklaard. Niet duidelijk is uit welke onderdelen het geldbedrag van drie miljoen euro, zoals genoemd in de gewijzigde tenlastelegging, is opgebouwd, waardoor het voor verdachte onduidelijk is waartegen hij zich moet verweren. Het lijkt er bovendien op dat aan verdachte twee keer hetzelfde wordt verweten. De aanschafwaarde van onroerende goederen maakt, zo lijkt het, deel uit van het ten laste gelegde witgewassen geldbedrag. Het witwassen van onroerende goederen is echter ook afzonderlijk ten laste gelegd.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het in de (gewijzigde) tenlastelegging opgenomen bedrag van drie miljoen euro voldoende aansluiting vindt bij de (som van de) bedragen van de geldstromen die uit het dossier naar voren komen. De officier van justitie heeft er voorts op gewezen dat de strafbare gedragingen alternatief ten laste zijn gelegd. Daarbij komt nog dat [verdachte] het bedrag van drie miljoen euro zelf heeft genoemd in zijn bekennende verklaring. Van enige onduidelijkheid bij verdachte kan daarom geen sprake zijn.

Naar oordeel van de rechtbank is er sprake van een geldige dagvaarding.

De aan verdachte verweten, alternatief ten laste gelegde, handelingen zijn in de (gewijzigde) tenlastelegging voldoende geconcretiseerd. Behalve de gedragingen en een nadere omschrijving daarvan bevat de tenlastelegging de pleegperiode waarin en de locatie waar de feiten zouden zijn begaan. Het ten laste gelegde hangt bovendien voldoende samen met de inhoud van het dossier.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding daarmee voldoet aan de vereisten die in artikel 261 Sv zijn gesteld.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

ten aanzien van feit 1 (Kleisteen 1):

De verdediging heeft voorts betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging van verdachte omdat voor een - eventuele - sanctionering van het feit niet de strafrechtelijke, maar de bestuursrechtelijke weg had moeten worden bewandeld. De verdediging heeft gewezen op het juridisch kader inzake de handhaving van regelgeving ten aanzien van de handel in biotickets, te weten de bepalingen in de Wet Milieubeheer (hierna: Wm), de artikelen 3 en 4 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer (hierna Bhev; vervallen m.i.v. 1 januari 2015) en het ‘Handhavingskader hernieuwbare energie in de vervoersector’, hierna ook “het Handhavingskader”.

Ten aanzien van de handel in biotickets was gedurende de ten laste gelegde periode het ‘Handhavingskader hernieuwbare energie in de vervoersector’ van toepassing.

Op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde was en is het Openbaar Ministerie gehouden om overeenkomstig dat handhavingskader te handelen. In die regels staat dat het uitgeven van teveel biotickets wordt beschouwd als een (kern-)overtreding, die met een bestuurlijke sanctie wordt afgedaan.

In het proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2015 (AMB-009) waarin de (vijf) redenen worden genoemd die hebben geleid tot het doen van aangifte wordt, volgens de verdediging, een onjuiste weergave van de werkelijkheid geschetst. Bij verdachte was op geen enkel moment sprake van opzet op overtreding van de regelgeving.

Nu geen sprake is van ernstige omissies en/of fraude, en bovendien in strijd met de Wm, Bhev en het Handhavingskader geen overleg heeft plaatsgevonden tussen de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) en het Openbaar Ministerie over de aangifte, is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

De officier van justitie heeft betoogd dat in het Handhavingskader als uitgangspunt voor handhaving uitdrukkelijk is gekozen voor zówel bestuursrechtelijke handhaving als, in het geval van fraude, strafrechtelijke handhaving.

Uit het proces-verbaal van 7 december 2015 (AMB-009) blijkt dat (wel degelijk) overleg heeft plaatsgevonden tussen de NEa en de inlichtingen- en opsporingsdienst van de ILT, op 8 oktober 2015. Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat ten aanzien van [bedrijf 1 verdachte ] . sprake was van een uitzonderlijke situatie. Er is geen reden om te twijfelen aan de door de NEa opgegeven (vijf) redenen voor het doen van aangifte.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Op 24 juni 2011 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu een brief aan de Tweede Kamer gezonden, met als bijlage het ‘Handhavingskader hernieuwbare energie in de vervoerssector’1, om de Kamer te informeren over de wijze waarop aan het toezicht en de handhaving van de wet- en regelgeving ter implementatie van de Europese richtlijnen op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en schone en energiezuinige voertuigen zou worden vormgegeven. Hieruit blijkt het volgende.

In april en mei 2011 zijn het Besluit en de Regeling hernieuwbare energie vervoer en het Besluit en de Regeling brandstoffen luchtkwaliteit gepubliceerd.

Als toezichthouder op biobrandstoffen en voor bestuursrechtelijke handhaving van de wet- en regelgeving is de Nederlandse Emissieautoriteit aangewezen. Om de doelstellingen te realiseren zijn verplichtingen opgelegd aan bedrijven ten aanzien van de inzet van hernieuwbare energie in de vervoersector en de reductie van broeikasemissies. Naast de levering van voldoende biobrandstoffen kan een bedrijf aan haar verplichtingen voldoen door prestaties van andere bedrijven over te nemen via het aankopen van ‘biotickets’. Bedrijven dienen in een biobrandstoffenbalans en een rapportage hun gegevens te registreren zoals voorraden en leveringen van biobrandstoffen, en de aan- en verkoop van biotickets.

In het Handhavingskader wordt een aantal ‘kernovertredingen’ opgesomd (pagina 7) onder meer: omissies in biobrandstoffenbalans, rapportage en/of handel in biotickets waar het bedrijf voordeel uit geniet.

Tegen dergelijke kernovertredingen zal de NEa altijd optreden door middel van (de rechtbank begrijpt: bestuursrechtelijke) sancties. Het toezicht is ‘retrospectief van aard’ en zal gebaseerd zijn op steekproeven. Bij geconstateerde afwijkingen vindt compensatie achteraf plaats. De strafrechtelijke handhaving is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, zo staat vermeld. In het geval er ernstige omissies, zoals fraude, worden geconstateerd, kan de NEa aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Hierover gaat de NEa in overleg met het Openbaar Ministerie.

Hoewel blijkens de tekst van het Handhavingskader de bedoeling van de wetgever is dat het toezicht en de handhaving in beginsel door de Nederlandse Emissieautoriteit wordt uitgeoefend, is derhalve uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat in het geval van een verdenking van fraude aangifte wordt gedaan en de zaak wordt overgedragen aan het Openbaar Ministerie.

In een proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2015 (AMB-009) doet de ILT verslag van overleg tussen de NEa en inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport, naar aanleiding van de reeds ingediende aangifte. Uit dat proces-verbaal blijkt dat [bedrijf 1 verdachte ] . (hierna ook: [bedrijf 1 verdachte ] ) in 2014 veel meer biotickets heeft verkocht dan was toegestaan, en voorts dat anticiperen op toekomstige rechten weliswaar buiten het zichtveld van de NEa bleef – aangezien de gegevens van registratieplichtigen pas bekend worden na afloop van een kalenderjaar – maar dat een dergelijk anticiperen in de wet- en regelgeving uitdrukkelijk niet is toegestaan. De NEa besloot in 2015 aangifte te doen omdat - verkort weergegeven - :

  1. in dit geval het opleggen van een compensatiemaatregel geen doel zou treffen omdat [bedrijf 1 verdachte ] aan zo’n maatregel niet zou kunnen voldoen, gelet op de omvang van de overschrijding;

  2. verdachte tijdens een verhoor in november 2014 niet kenbaar heeft gemaakt dat hij - na het geconstateerde en besproken tekort over 2013 - over 2014 (opnieuw) meer biotickets had verkocht dan toegestaan;

  3. de NEa geen bevoegdheid heeft om bij een vermoeden van valsheid in geschrift strafrechtelijk of bestuursrechtelijk op te treden;

  4. e NEa een overschrijding van de hier aan de orde zijnde omvang nog nooit had waargenomen;

  5. de NEa actief voorlichting had gegeven over de van toepassing zijnde regelgeving en de wijze waarop geadministreerd moet worden.

De rechtbank is van oordeel dat de NEa, gelet op de hiervoor weergegeven redenen en bezien in het licht van het dossier, in redelijkheid kon komen tot het oordeel dat er voldoende aanleiding was om aangifte te doen van frauduleus handelen, in de vorm van valsheid in geschrift en dat op basis daarvan het Openbaar Ministerie (hierna ook: OM) vrij stond om over te gaan tot strafvervolging na overleg tussen de NEa en het OM.

Van schending van enig beginsel van een behoorlijke procesorde is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken, zodat de stellingen van de verdediging op dit punt niet in de weg staan aan het instellen van strafrechtelijke vervolging. Het openbaar ministerie is daarom in zoverre ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 (Kleisteen 2):

De verdediging heeft ook ten aanzien van dit feit aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte (onderzoek Kleisteen 2), omdat uit de artikelen 243 lid 2 en 255 van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv) volgt dat indien aan een verdachte ter zake van strafbare gedragingen een bestuurlijke boete wordt opgelegd een dergelijke beslissing als een kennisgeving van niet verdere vervolging moet/kan worden beschouwd.

Het desondanks vervolgen van de verdachte leidt tot schending van de rechtsbeginselen ‘ne bis in idem’, ‘una via’, en ‘nemo debet bis vexari’.

Aan de [bedrijf 2 verdachte ] (hierna [bedrijf 2 verdachte ] ) werd op 4 oktober 2018 een ‘Kennisgeving van een voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete VPb 2014 uitgereikt en op 1 november 2018 een ‘mededeling opleggen vergrijpboete’ over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015. Daarnaast zijn aan zowel verdachte [verdachte] als aan zijn holding recent, in april 2019, bestuurlijke boetes opgelegd op grond van de artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna ook: AWR), ter zake het opzettelijk indienen van onjuiste belastingaangiften. Het gaat hier om sancties in verband met dezelfde soort feiten als het feitencomplex in onderhavige strafzaak. Dit blijkt onder meer uit de vier ‘correctieposten’ in verband waarmee de fiscale boetes zijn opgelegd.

Ter nadere onderbouwing van het verweer hebben de raadslieden nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (HR:2011:BM9102), handelend over artikel 4 lid 1 van het zevende protocol van het EVRM en een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 6 juni 2019, in de zaak [zaak] .

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit dat tegen een verdachte sprake is van bestuursrechtelijke beboeting ter zake van fiscale feiten niet per sé met zich brengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging tegen een verdachte. Van een schending van het ne bis in idem beginsel, dan wel een ander door de verdediging in dit verband genoemd rechtsbeginsel, is hier geen sprake nu het in onderhavige procedure gaat om andere feiten dan die, waarvoor fiscale boetes zijn opgelegd.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Voor de beoordeling van de vraag of vervolging in strijd is met de artikelen 243 lid 2 Sv en 255 Sv zijn van belang de criteria van de Hoge Raad ten aanzien van de vraag of er al dan niet sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Die criteria zijn gebaseerd op jurisprudentie van het Europese Hof en uiteengezet in - onder meer - het arrest van de HR d.d. 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102). Uit deze jurisprudentie volgt dat de rechter, in een situatie waarop artikel 68 Sr ziet, de in de beide tenlasteleggingen omschreven verwijten (..) dient te vergelijken en bij die toetsing als ‘relevante vergelijkingsfactoren’ dient te betrekken: de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte. Vuistregel bij de beoordeling is dat een aanzienlijk verschil in juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.

De rechtbank volgt de verdediging in haar betoog voor zover het zou gaan om vervolging ter zake van (fiscale) delicten die zich in dezelfde periode hebben voorgedaan als de periode waarop de opgelegde vergrijpboetes betrekking zouden hebben. Aan verdachte worden evenwel geen fiscale delicten ten laste gelegd, maar valsheid in geschrift en (gewoonte-) witwassen.

Dat betreft strafbare feiten van een andere aard en strekking dan fiscale delicten. Het (beschermd) belang waarop de anti-witwasbepalingen zien is de integriteit van het financiële en economische verkeer, door tegen te gaan dat aan de opbrengst van misdrijven een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Ten aanzien van valsheid in geschrift is dat belang het maatschappelijk vertrouwen dat in de echtheid van officiële documenten moet kunnen worden gesteld. Het beschermd belang en de strekking van strafrechtelijke bepalingen in de AWR zijn gelegen in het door de overheid over voldoende middelen kunnen beschikken voor de vervulling van zijn taken. De artikelen 68 en 69 AWR strekken primair ertoe schending van gemeenschapsbelangen door de niet-naleving van de belastingwetgeving tegen te gaan. Deze bepalingen strekken zich dan ook slechts uit tot die gedragingen, waaruit nadeel voor de fiscus kan ontstaan.2

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een schending van de door de verdediging opgeworpen (rechts-)beginselen ‘ne bis in idem’, ‘una via’, en ‘nemo debet bis vexari’ of een ander beginsel van behoorlijke procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van een redelijke belangenafweging.

De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer.

De rechtbank heeft - ook voor het overige - vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Feit 1 (Kleisteen 1):

In augustus 2015 start de ILT-lOD met een opsporingsonderzoek onder de naam ‘Kleisteen’ in verband met een aangifte van de Nederlandse Emissieautoriteit.

Het onderzoek richt zich op de gang van zaken rond door [bedrijf 1 verdachte ] . gedreven handel in biotickets, waarbij, mogelijk, niet werd voldaan aan de regelgeving gesteld in het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

Feit 2 en 3 (Kleisteen 2):

Op 3 november 2015 vinden doorzoekingen plaats in de woning van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] en in bedrijfspanden van de [bedrijf 2 verdachte ] waaronder de panden van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 13] In de woning worden op diverse plaatsen grote bedragen aan contant geld aangetroffen.

Tijdens de doorzoekingen zijn administratieve bescheiden, waaronder vele facturen en enkele leenovereenkomsten, inbeslaggenomen.3 Tevens zijn bankafschriften en bankpassen van bankrekeningen, op naam van verdachte [verdachte] en een aan hem gelieerde vennootschap, op Bonaire aangetroffen en inbeslaggenomen.

Gedurende het onderzoek (hierna: onderzoek Kleisteen 2) rijst het vermoeden dat sprake is van drie vormen van ‘verdienmodellen’ om - met gebruikmaking van rechtspersonen, en (mogelijk) in samenwerking met personeel van de [bedrijf 2 verdachte ] - geld te onttrekken aan bedrijven van de holding en dat geld vervolgens aan te wenden voor privédoeleinden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 (Kleisteen 1):

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feitelijk leidinggeven aan het door het [bedrijf 1 verdachte ] medeplegen van valsheid in geschrift, door het uitgeven van een drietal biotickets in de periode van 1 december 2013 – 30 maart 2014.

Ten aanzien van feit 2 en 3 (Kleisteen 2):

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van (gewoonte-) witwassen en het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift, door het valselijk opmaken van leenovereenkomsten alsook facturen op naam van verschillende rechtspersonen, en door van die leenovereenkomsten en facturen ook gebruik te maken.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 (Kleisteen 1):

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit.

Bij verdachte was geen sprake van opzet op de valsheid – minst genomen in de zin van voorwaardelijk opzet – en evenmin van een oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Ten aanzien van het opzet op valselijk opmaken:

Uit het dossier en de verklaringen van verdachte, blijkt dat verdachte meende dat de verplichte, letterlijke (standaard-)tekst op de door hem verkochte biotickets ‘op de markt gebracht’ voor op hem rustende verplichtingen niet méér betekende dan dat de op die biotickets vermelde hoeveelheid biobrandstof in dat bewuste jaar op de markt ‘zou worden gezet’. Verdachte heeft deze overtuiging ook mogen betrekken uit de informatie die hij kreeg van zijn compliance medewerker, [naam 6]4 en zijn broker, [bedrijf 14] . Uit informatie van de Nederlandse Emissieautoriteit ten aanzien van de handhaving van de regelgeving blijkt bovendien dat het in 2012 - 2014 gangbaar was om tekorten op de biobrandstoffenbalans later recht te trekken door compensatieverplichtingen op te leggen aan een bedrijf.

Ten aanzien van het oogmerk tot misleiding:

Bij verdachte was geen sprake van een oogmerk in de zin van doelbewustheid - ook niet in de vorm van een zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn - met betrekking tot het gebruiken of doen gebruiken van enig (vals of vervalst) geschrift als onvervalst.

Ten tijde van het ten laste gelegde handelen was verdachte in de veronderstelling dat hij op gangbare wijze handelde. De broker, [bedrijf 14] , wekte bovendien de indruk dat de potentiële kopers op de hoogte waren van, en akkoord waren met, ‘up front verkoop’ van biotickets. Van een oogmerk bij verdachte om derden te misleiden was geen sprake.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige (feit 1, Kleisteen 1):

De verdediging heeft ter terechtzitting een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de getuige [getuige 1] . Genoemde getuige, eigenaar van het bedrijf [bedrijf 15] te [plaats 1] , zou in 2014 met zijn wagenparkmanager bij verdachte op bezoek zijn geweest, om te praten over de mogelijkheid zijn gehele wagenpark (500 tot 600 vrachtwagens) op biodiesel/ B100 te laten rijden. De verdediging wenst de getuige te horen om het verweer, dat bij verdachte - toen hij de biotickets verkocht - geen sprake was van opzet op misleiding van derden, nader te kunnen onderbouwen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt als volgt.

Daargelaten het feit dat het verzoek tot horen van de getuige eerst in een erg laat stadium is gedaan - geruime tijd nádat een regiezitting heeft plaatsgevonden - en niet valt in te zien waarom dat niet eerder had gekund, is de rechtbank van oordeel dat van een noodzaak tot het horen van de getuige niet is gebleken. De enkele stelling dat de getuige mogelijk kan verklaren over een gesprek dat hij in 2014 met verdachte zou hebben gevoerd in het kader van de handel in biotickets, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Aan een dergelijk oriënterend gesprek kan immers niet met een redelijke mate van zekerheid de verwachting worden ontleend dat [bedrijf 1 verdachte ] in dat jaar meer biodiesel op de Nederlandse (vervoers-)markt zou kunnen brengen dan zij deed voor het eigen gebruik. De rechtbank acht het verzoek tegen die achtergrond dan ook onvoldoende onderbouwd en wijst het daarom verzoek af.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (Kleisteen 2):

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bepleit. Daartoe zijn de volgende, hieronder verkort weergegeven, verweren gevoerd:

A) geen sprake van een gronddelict voor witwassen.

Verdachte dient van (gewoonte)witwassen te worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt dat sprake is van geldbedragen verkregen uit een ‘gronddelict’, dat wil zeggen een delict, begaan voorafgaand aan het plegen van de ten laste gelegde witwashandelingen. Dergelijke handelingen zijn immers slechts strafbaar met betrekking tot geld dat afkomstig is uit enig misdrijf. Daartoe is - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.

Voor de transacties van geld afkomstig van het bedrijf [bedrijf 5] in de richting verdachte - aangewend voor de aankoop van onroerend goed, het bedrag van in totaal meer dan een miljoen - geldt dat het gaat om geld met legale herkomst. De levering van een partij vetten aan het Duitse bedrijf [bedrijf 16] heeft daadwerkelijk plaatsgevonden (een transactie à

€ 789.049,80) zodat de daarvoor opgemaakte factuur deugt; en ook voor het overige betrof het geld uit eigen middelen van [bedrijf 5] . Het opmaken van facturen uit naam van [bedrijf 4] , gericht aan [bedrijf 5] en [bedrijf 12] , geschiedde nadien om ‘zaken glad te strijken’; daarmee is slechts met omzet uit eigen bedrijven geschoven.

Ten aanzien van de [bedrijf 6] : ook hier betreft het legale omzet, en wel van [bedrijf 13] Voor zover wordt geoordeeld dat sprake was van ‘valsheid in geschrift’ heeft dit handelen eerst ná aankoop van de onroerend goederen plaatsgevonden.

De raadsman heeft gewezen op uitspraken van de Rechtbank Limburg van 3 juli 2018, (RBLIM:2018:6267) en de rechtbank Oost-Brabant (RBOBR:2016:3916), waarbij de rechter niet tot de kwalificatie ‘witwassen’ kwam omdat het enkele ‘valselijk factureren’ niets zegt over de herkomst van het geld.

Nu het gaat om legaal geld, afkomstig van eigen ondernemingen van [verdachte] is ook geen sprake van ‘verhullen’ dan wel het ‘zicht bemoeilijken op wie de rechthebbende van die geldbedragen was’. Gelet hierop kan niet worden bewezenverklaard dat het aangetroffen geld en de onroerende goederen ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’.

Ook ten aanzien van het contante geld, aangetroffen tijdens doorzoekingen (€ 114.350,00, aangetroffen op 3 november 2015, en € 8.850,00 en € 3.534,00 op 25 oktober 2016) geldt eveneens dat witwassen niet kan worden bewezenverklaard, nu niet duidelijk is wat het gronddelict zou moeten zijn. Bovendien heeft verdachte een niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van die grote contante bedragen: dat betreft ‘oud geld’ uit vroegere verkoop van voertuigen aan kopers uit het Oostblok, waarbij een deel van de koopsom contant is voldaan.

B) geen wetenschap van een gronddelict.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de aangetroffen geldbedragen en onroerende goederen wel ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’ dan geldt dat verdachte daarvan geen wetenschap heeft gehad. De aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet bij verdachte op de criminele herkomst van de onroerende goederen en geld kan dan ook niet worden bewezen verklaard.

C) partiële vrijspraak, ten aanzien van het ten laste gelegde geldbedrag.

De verdediging heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van witwassen, niet het volledige bedrag van drie miljoen euro kan worden bewezen verklaard, aangezien volstrekt onduidelijk is hoe dat bedrag is opgebouwd. Er is sprake van ‘dubbeltellen’; zówel het witwassen van drie miljoen euro als het witwassen van onroerend goed (zes woningen) is ten laste gelegd. Verdachte heeft bovendien reeds voldaan aan de verplichting tot het betalen van naheffingen aan de fiscus. Het bedrag van drie miljoen euro betreft voor het overige legale bedrijfsomzet.

D) geen sprake van gewoontewitwassen.

Gelet op de bepleite vrijspraak van witwassen kan van veroordeling ter zake van gewoontewitwassen al helemaal geen sprake zijn, aldus de verdediging. Opzet op ‘een gewoonte maken van witwassen’ kan niet worden bewezenverklaard.

E) geen bewijs voor medeplegen.

Ook handelen van verdachte ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ kan niet worden bewezen verklaard. Er is geen, in elk geval onvoldoende, bewijs om te komen tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 (Kleisteen 1):

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank baseert haar oordeel op relevante feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de inhoud van de hierna genoemde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting.5

Op 1 januari 2011 is de Regeling hernieuwbare energie vervoer (RHEV) in werking getreden.6 De Regeling hernieuwbare energie vervoer van 1 januari 2011 en het Besluit hernieuwbare energie vervoer van 18 april 2011 strekken tot implementatie van de EG-richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

Leveranciers van benzine en diesel zijn op grond van de biobrandstoffenverplichting verplicht om jaarlijks een minimum aandeel hiervan als biobrandstof op de Nederlandse markt te brengen. Leveranciers die naast hun eigen verplichte marktaandeel extra biobrandstof op de Nederlandse markt hebben gebracht kunnen het teveel aan biobrandstoffen administratief verhandelen aan leveranciers die geen of een tekort aan biobrandstof op de Nederlandse markt hebben gebracht. (..) Dit gebeurt door het opmaken van een zogenoemd ‘bioticket’.

De verkoper is op grond van het voorgeschreven format verplicht om bij het opmaken van een bioticket expliciet te verklaren dat de genoemde hoeveelheid biobrandstof met de vermelde kenmerken ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines op de Nederlandse markt is gebracht. Op grond van de regelgeving is het niet toegestaan om biotickets op te maken en te verhandelen voor pure biobrandstoffen (hoge blend) die nog niet op de Nederlandse markt zijn gebracht.7

Volgens de in artikel 19 van de regeling genoemde bijlage (Bijlage V) dient de tekst van een bioticket te luiden: ‘Geregistreerde 1 verklaart: een hoeveelheid biobrandstoffen met de hieronder vermelde kenmerken ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines op de Nederlandse markt te hebben gebracht.’

In de toelichting op de regeling staat: ‘De regeling bevat een model voor een dergelijk contract’ en: ‘De administratieve handel wordt toegestaan vanaf het punt van ‘op de markt brengen’ van de biobrandstoffen.’ 8

Op 20 mei 2015 doet de NEa aangifte tegen [bedrijf 1 verdachte ] ., gevestigd te [adres 8]9 ter zake het in 2013 en 2014 valselijk opmaken en verhandelen van biotickets.

[bedrijf 1 verdachte ] gevestigd te [adres 8] , is ingeschreven in de Kamer van Koophandel op 5 januari 2006.

De activiteiten van de [bedrijf 1 verdachte ] bestaan uit groothandel in vaste brandstoffen. Enig aandeelhouder en enig bestuurder is: [bedrijf 13] , gevestigd op hetzelfde adres.

Enig aandeelhouder van [bedrijf 13] is: [bedrijf 2 verdachte ] . (sinds 3 oktober 2011) en enig bestuurder is: [verdachte] sinds 3 oktober 2011.10

De NEa stelt vast dat [bedrijf 1 verdachte ] in 2013 en 2014 meerdere biotickets heeft opgemaakt en verhandeld zonder dat sprake in geweest van het uitslaan tot verbruik van biobrandstoffen voor het wegvervoer.

In de jaren 2013 en 2014 heeft [bedrijf 1 verdachte ] met biotickets rechten voor ongeveer 8,1 miljoen liter biodiesel meer verkocht dan toegestaan. [bedrijf 1 verdachte ] heeft daardoor 2,2 miljoen euro - onterecht - aan inkomsten genoten.11

De vertegenwoordigers van de kopende bedrijven [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben verklaard dat zij eind 2013 ( [bedrijf 1] ) respectievelijk in februari 2014 ( [bedrijf 2] ) en in maart 2014 ( [bedrijf 3] ) biotickets hebben gekocht van [bedrijf 1 verdachte ] . 12

In die biotickets stond dat door [bedrijf 1 verdachte ] . grote hoeveelheden biobrandstof op de Nederlandse markt was gebracht, te weten 1.090.900 liter (bioticket 10 december 2013, [bedrijf 1] ), 4.500.000 liter (bioticket 11 februari 2014, [bedrijf 2] ) en 3.000.000 liter (bioticket [bedrijf 3] :).13 De in die biotickets genoemde hoeveelheden biobrandstof waren in werkelijkheid echter niet op de markt gezet. Met de verkoop van genoemde biotickets aan de bedrijven [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] heeft [bedrijf 1 verdachte ] een bedrag van meer dan € 2.000.000,00 ontvangen.14

Uit een berekening van de NEa naar aanleiding van de brandstoffenbalans van [bedrijf 1 verdachte ] over 2013 blijkt dat zij in 2013 op een negatieve voorraad van -646.744 liter uitkomt, mede als gevolg van de verkoop van een bioticket op 2 december 2013 aan [bedrijf 1] Met dat ticket verkocht [bedrijf 1 verdachte ] rechten voor de hoeveelheid van 1.090.900 liter biobrandstof aan [bedrijf 1] , terwijl - blijkens de berekening van de NEa - voor verkoop slechts 444.156 liter beschikbaar was.15 In die berekening is voorts te zien dat de verkoop van biotickets door [bedrijf 1 verdachte ] in 2014 leidt tot een verder oplopend tekort van -7.712.119 liter.

[verdachte] , vertegenwoordiger en leidinggevende van [bedrijf 1 verdachte ] , heeft over de verhandelde biotickets in 2013 en 2014 verklaard dat hij in 2013 op een ‘relatief kleine short’ uitkwam en dat hij daarna, begin 2014, een inschatting heeft gemaakt ten aanzien van de vraag naar biodiesel over het jaar 2014. Achteraf is gebleken dat hij in de eerste maanden van 2014 teveel biotickets had verkocht. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat je voorafgaand aan het afzetten op de markt wél biotickets mag verkopen, maar dat je die pas mag leveren op het moment dat de biobrandstof op de markt was gezet.16 Hij was in de veronderstelling dat een ‘up-front’ verkoop (inclusief levering) was toegestaan.

De rechtbank volgt verdachte niet in dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

[verdachte] heeft verklaard dat hij degene was die beslissingen nam tot de verkoop van biotickets. Hij liet zich daarbij voorlichten door zijn medewerker [naam 6] en de broker, [bedrijf 14] .17

De heer [getuige 2] van de NEa, die als getuige is gehoord bij de rechter-commissaris, heeft verklaard dat een ‘up-front’ handel in biotickets - in principe - niet is toegestaan, echter de controle vindt pas na afloop van het jaar plaats, aan de hand van de dan ingeleverde gegevens en de biobrandstoffenbalans.

Het volume aan biotickets dat [bedrijf 1 verdachte ] in 2014 op de markt had gebracht stond echter in geen enkele verhouding tot hun historische productie. De NEa had in het verleden actief voorlichting gegeven aan [bedrijf 1 verdachte ] over de regelgeving rond de handel in biotickets. [getuige 2] had een ‘vrij uitgebreide instructie’ verstrekt aan de [naam 6] , medewerker van [bedrijf 1 verdachte ] .18 Bij het registreren van gegevens voor de biobrandstoffenbalans krijgt een bedrijf een waarschuwing te zien in het spreadsheet zodra er een tekort ontstaat, aldus [getuige 2] .19

Bij de rechter-commissaris is [getuige 3] , makelaar in biobrandstoffen en werkzaam bij [bedrijf 14] , als getuige gehoord.

[getuige 3] heeft verklaard dat het klopt dat hij in 2013 en 2014 als broker zaken deed met het bedrijf [bedrijf 1 verdachte ] en [verdachte] en dat hij [verdachte] ook wel actief benaderde met de vraag of hij biotickets wilde verkopen.20 De regelgeving stond het toe om biotickets te verkopen nog voordat de biobrandstof op de markt was gezet, maar levering van de tickets was pas toegestaan op het moment dat die biobrandstof daadwerkelijk was verbruikt.21 Een broker als [bedrijf 14] houdt zich bezig met ’het spel van prijs en markt’ aldus [getuige 3] . Partijen blijven wel zelf verantwoordelijk voor de afwikkeling van een deal. [bedrijf 14] heeft [bedrijf 1 verdachte ] nooit geadviseerd om biotickets ‘up front’ te verkopen én te leveren, aldus [getuige 3] .

In aanvulling hierop betrekt de rechtbank ten aanzien van het opzet bij haar oordeel de inhoud van zich in het aanvullend dossier bevindende getapte en uitgewerkte telefoongesprekken van [verdachte] met medewerkers van de broker [bedrijf 14] , [getuige 3] en [getuige 4] , gevoerd in het najaar van 2013 en de eerste maanden van 2014.22

In een telefoongesprek van 31 juli 2013 tussen [getuige 3] van [bedrijf 14] en [verdachte] , reageert [verdachte] op een bericht dat een koper van biotickets genaamd [naam 7] toch niet voor de volle pond met hem in zee is gegaan:

C = [verdachte] .

Chr. = [getuige 3] , [bedrijf 14] .

Chr.: ..

C: “Ja, maar ik heb op mijn donder gehad want ik mag ze niet van te voren verkopen dus ik vind het eigenlijk harstikke mooi zoals het nu gelopen is.”

Chr: “Ja, oké ja, ik snap ‘m.”

Ook in een gesprek dat plaatsvindt op 23 augustus 2013 tussen [getuige 4] van [bedrijf 14] , en [verdachte] , geeft [verdachte] aan kennis te hebben van het feit dat hij biotickets niet op voorhand mag verkopen:

Br. = [getuige 4] .

C. = [verdachte] .

Br: “Ik wil tickets van je kopen jongen.”

C: “(..) Ik heb geen tickets sorry.” “Ik mag ze niet op voorhand verkopen, he ?”.

Br: “Nou, dat is niet slim nee, want dan kan je hard in je eigen voet schieten. Dat zou ik niet doen als ik jou was.”

In gesprekken tussen [bedrijf 1 verdachte ] en [bedrijf 14] - gevoerd vanaf 7 oktober 2013 tot het moment van de totstandkoming van een deal in november 2013 - wordt door [bedrijf 14] aangedrongen op het betalen van inmiddels al maanden openstaande facturen. Op 18 november 2013 krijgt [getuige 3] om 12:50 uur [verdachte] te pakken (..) en geeft aan dat betaling van de facturen al maanden over tijd is. Aan het einde van het gesprek doet [verdachte] het aanbod om voor 1000 kuub (dubbeltellende) diesel te kunnen verkopen. [getuige 3] zegt toe op zoek te gaan naar een koper.23

Op 2 december 2013 tekent [bedrijf 1 verdachte ] het bioticket voor Van [bedrijf 1] waarin wordt verklaard dat [bedrijf 1 verdachte ] . in 2013 een hoeveelheid van 1.090.900 liter biodiesel als surplus op de markt heeft gebracht.

Op 11 februari 2014 voert [verdachte] een gesprek met [getuige 4] van [bedrijf 14] :

Br. = [getuige 4] .

C. = [verdachte] .

Br: 250.000 tickets maal 8, laten we zeggen, dan zit je op 2 miljoen.

C: Ja.

Br: En dat is dan toch best fijn, als je weet dat je dit in een laadje kan zetten, en dan aan de andere kant ook makkelijker wat dingetjes doen. (....)

C: Ja, maar je mag op voorhand verkopen, he?

Br: Ja, zolang je maar eind van het jaar sluitend bent. En.. ik wil hierbij wel aantekenen je bent “proper-fucked” als het niet sluitend wordt. (..)’.

‘Dat je aan de veilige kant gaat zitten, qua volume. Dat wil ik je aanraden. Dat is wat slimmer.’

Op 11 februari 2014 tekent [naam 6] van [bedrijf 1 verdachte ] het bioticket voor [bedrijf 2] Daarin wordt verklaard dat door [bedrijf 1 verdachte ] in 2014 op dat moment vier- en een half miljoen liter biobrandstof extra op de markt is gebracht.

En in de aanloop naar de deal met [bedrijf 3] ten slotte wordt het volgende gesprek gevoerd - op 13 februari 2014 – tussen [verdachte] en [getuige 3] van [bedrijf 14] .

C = [verdachte] .

Chr. = [getuige 3] , [bedrijf 14] .

C: Ja, maar luister goed. Die tickets gaan pas in als de factuur betaald is.

Chr: Ja, dus wat we dan gaan doen, voor half maart, 15 maart het contract tekenen ?

C: 15 maart contract tekenen?

Chr: Ja, of niet ?

C: Vandaag !!

Chr: Hij wilde het 15 maart. Hij wil er een klein beetje ruimte op. Dan betaalt hij dus 1 april en vanaf dan gaan dus ook jouw tickets in. (..) Hij is een beetje bang. Heb jij ze al op de weg gezet, of niet ?

C: Nee.

Chr: Hij wil alleen maar tickets kopen die ook op de weg zijn gezet.

C: Laat hem dan lekker bij iemand anders gaan zoeken, want dat heb ik niet.

Op 15 maart 2014 verkoopt [bedrijf 1 verdachte ] een bioticket aan [bedrijf 3] , waarin wordt verklaard dat in 2014 nog eens drie miljoen liter biodiesel extra op de markt is gebracht.

Functioneel daderschap

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de rechtspersoon [bedrijf 1 verdachte ] . gedurende de ten laste gelegde periode zich bij de handel in en verkoop van biotickets schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, waarbij derden werden misleid, door aan hen biotickets te verkopen waarop - in strijd met de waarheid - stond dat grote hoeveelheden biodiesel op de markt waren gezet.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De vraag of en in hoeverre deze gedragingen in redelijkheid zijn toe te rekenen aan [bedrijf 1 verdachte ] dient te worden (en is) beantwoord aan de hand van de criteria zoals uiteengezet door de Hoge Raad in HR 21 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7938). Het antwoord hierop is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren.

Een belangrijk oriëntatiepunt bij de vraag naar de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

 het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

 de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

 de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

 de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

In dit verband stelt de rechtbank het volgende vast.

Het opmaken en uitgeven/verhandelen van biotickets, kan als één van de (kern-)taken van het registratie-plichtige bedrijf [bedrijf 1 verdachte ] worden beschouwd, een bedrijf dat zich bezighoudt met de productie en levering van, en de handel in, biodiesel.

De verkoop daarvan paste aldus in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1 verdachte ] . De uitgifte van biotickets was tevens dienstig aan het bedrijf, dat het blijkens het dossier in de ten laste gelegde periode financieel moeilijk had. De gedragingen werden uitgevoerd door [verdachte] , die -zoals onder meer blijkt uit de inhoud van [bedrijf 14] gesprekken- zich bezighield met de onderhandelingen en beslissingen met betrekking tot de verkoop van biotickets, in samenspraak met zijn toenmalige werknemer [naam 6] .

De strafbare gedragingen zijn aldus verricht in de sfeer van de onderneming/ rechtspersoon [bedrijf 1 verdachte ] .

Opzet op valselijk opmaken en op misleiding

Naast het daderschap van de rechtspersoon dient ook het in de tenlastelegging vereiste opzet te kunnen worden vastgesteld bij de rechtspersoon.

Indien een onderneming is ingericht op het plegen van strafbare feiten of indien het bestuur van de onderneming besluit tot strafbare feiten, kan opzet worden aangenomen. Tevens kan het opzet van een individueel persoon worden toegerekend aan de rechtspersoon, afhankelijk van de interne organisatie van de rechtspersoon en van de taak en verantwoordelijkheden van de betrokken natuurlijke personen. Daarbij geldt dat in het algemeen het opzet van een leidinggevende functionaris steeds aan de rechtspersoon zal kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verwijst voor haar overwegingen op dit punt naar de hiernavolgende bespreking van de rol van [verdachte] als feitelijk leidinggevende, in welk verband de aanwezigheid van opzet bij verdachte wordt onderzocht; deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd.

Feitelijk leiderschap

Als minimale voorwaarden voor de strafbaarheid van feitelijk leidinggeven gelden dat de verdachte maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging(en) achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en hij daarbij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd (HR 16 december 1986, NJ 1987/321 en HR 21 januari 1992, NJ 1992/414).

Uit het dossier en de verklaringen van [verdachte] blijkt dat hij ten tijde van het ten laste gelegde handelen enig bestuurder, enig aandeelhouder en eindverantwoordelijk directeur van [bedrijf 1 verdachte ] . was.

Verdachte heeft over zijn - overleden - oud medewerker [naam 6] van [bedrijf 1 verdachte ] B.V. verklaard dat [naam 6] naar enkele bijeenkomsten van de NEa is geweest over de handel in biotickets en dat hij degene was die de tickets opmaakte en ook tekende; [verdachte] deed echter zelf de onderhandelingen en nam de beslissingen tot de totstandkoming van een deal.24

De rechtbank acht bewezen, gelet op het handelen van [verdachte] , dat bij [bedrijf 1 verdachte ] . het opzet op de valsheid en het oogmerk op misleiding aanwezig was.

In het bijzonder uit de inhoud van de reeds besproken ‘ [bedrijf 14] - telefoongesprekken’ volgt ten aanzien van de wetenschap van [verdachte] dat hij zich bij het maken van afwegingen en het nemen van beslissingen bewust was van de aanmerkelijke kans dat hij teveel rechten middels biotickets zou verkopen en de bio-brandstoffenbalans van [bedrijf 1 verdachte ] aan het einde van het jaar grote tekorten zou laten zien.

Bij haar oordeel houdt de rechtbank rekening met de - in zekere zin twijfelachtige - rol die medewerkers van de broker [bedrijf 14] hebben gespeeld, door bij [verdachte] herhaaldelijk sterk aan te dringen op de (‘up front’) verkoop van biotickets alsook met de beperkte of gebrekkige handhavingsmogelijkheden van de NEa (controle achteraf).

Deze omstandigheden doen echter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van [bedrijf 1 verdachte ] . om de regelgeving na te leven. Uit de verklaring van [getuige 2] van de NEa volgt dat de NEa [bedrijf 1 verdachte ] . deugdelijk heeft voorgelicht omtrent de regelgeving en dat ten aanzien van de balans waarschuwingen zijn ingebouwd in het registratiesysteem. Bovendien blijkt uit de [bedrijf 14] -telefoongesprekken dat deze broker [verdachte] niet alleen benaderde met de vraag naar biotickets, maar hem ook waarschuwde om de balans in de gaten te houden. Desondanks heeft [verdachte] , zonder de NEa vooraf te raadplegen, namens [bedrijf 1 verdachte ] biotickets verkocht waarmee andere bedrijven/ kopers werd voorgewend dat sprake is van (een reeds voltooide) productie van grote hoeveelheden biobrandstof door [bedrijf 1 verdachte ] , terwijl hij wist dat dit feitelijk niet het geval was. Dat er een redelijke verwachting was dat een dergelijke afzet later in het desbetreffende jaar zou worden gerealiseerd, is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank rekent dit (voorwaardelijk) opzet van [verdachte] toe aan de rechtspersoon [bedrijf 1 verdachte ] .

[verdachte] heeft bij de verkoop van de biotickets een essentiële en doorslaggevende rol gespeeld. Hij had als bestuurder, aandeelhouder en feitelijk leidinggevende een belangrijke positie bij [bedrijf 1 verdachte ] . Hij voerde de onderhandelingen, maakte inschattingen en hakte knopen door.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat [bedrijf 1 verdachte ] zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

De feiten 2 en 3 (Kleisteen 2):

In december 2015 is het strafrechtelijk onderzoek Kleisteen I uitgebreid wegens een verdenking van witwassen door [verdachte] en [medeverdachte 1] (Kleisteen II).

Ten aanzien van het ten laste gelegde (gewoonte)witwassen stelt de rechtbank voorop dat noch de tekst van de witwasbepalingen noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat (ook) in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.25

Op grond van de zich in het dossier bevindende, hierna te noemen, bewijsmiddelen26 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich samen met een of meer anderen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen en valsheid in geschrift.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Tijdens de doorzoekingen op 3 november 2015 en op 25 oktober 2016 in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] en de bedrijfspanden van [bedrijf 1 verdachte ] ., [bedrijf 13] . en [bedrijf 6] . zijn papieren administratie en digitale gegevens/administratie in beslag genomen.27

Op basis van onderzoek is vastgesteld dat op verschillende manieren geld uit ondernemingen is getrokken welk geld op latere momenten is omgezet en geïnvesteerd (‘witwassen’) als ware het geld van verdachte (en zijn medeverdachte) in privé, waarbij ter verhulling gebruik is gemaakt van valse facturen en valse leenovereenkomsten.28

In de loop van het onderzoek blijkt dat sprake is geweest van de volgende drie te onderscheiden vormen (‘verdienmodellen’) van onttrekking van geld aan ondernemingen en witwassen: 29

  1. geldstroom ‘ [bedrijf 5] ’ (zaaksdossier 4.1);

  2. geldstroom ‘ [bedrijf 9] / [bedrijf 10] ’ (zaaksdossier 4.2);

  3. geldstroom ‘ [naam 8] ’ (zaaksdossier 4.3).

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat verdachte op 3 november 2015 in zijn woning een aanzienlijke hoeveelheid contant geld voorhanden heeft waarvan is gebleken dat daar geen contante opnamen bij banken of andere financiële instellingen tegenover stonden, dan wel dat geld kon worden herleid naar door hen verrichte zakelijke opnames uit ondernemingen, hetgeen leidde tot:

4. zaak ‘Contante middelen’ (zaaksdossier 4.4).

In het onderzoek worden aangemerkt als verdachten - onder meer - :30

[verdachte]

is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2 verdachte ]31, holdingmaatschappij van de bedrijven [bedrijf 13] , [bedrijf 6] en [bedrijf 1 verdachte ] . [verdachte] is CEO bij [bedrijf 1 verdachte ] ..32 [bedrijf 13] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1 verdachte ] .

[bedrijf 13] maakt gebruikte vetten schoon, zodat [bedrijf 1 verdachte ] die als grondstof kan gebruiken. [verdachte] is getrouwd met [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] : echtgenote van [verdachte] . Eigenaar van [bedrijf 4] , een eenmanszaak die - volgens de inschrijving in de Kamer van Koophandel - bemiddelt in brandstoffen.33

[medeverdachte 2] sinds 1 juli 2013 financieel directeur (CFO), in dienst van de [bedrijf 2 verdachte ] ., en [bedrijf 1 verdachte ] ..34

[medeverdachte 3] : leidinggevende van de administratie bij [bedrijf 13] en [bedrijf 1 verdachte ] ., ondernemingen van de [bedrijf 2 verdachte ] ten tijde van de ten laste gelegde feiten.35

Uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt ten aanzien van de genoemde ‘verdienmodellen’ als volgt.

Geldstromen rond [bedrijf 5] , valse leenovereenkomsten, [bedrijf 4] , [bedrijf 12] , en valse facturen [bedrijf 4] (zaaksdossier 4.1.).

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] op 3 november 2015 wordt in een werkkamer op de eerste verdieping een ordner aangetroffen met opschrift: ‘2015, [bedrijf 4] ’36 met daarin facturen, voorzien van het briefhoofd ‘ [bedrijf 4] ’, [adres 9] en gericht aan het bedrijf [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ), [plaats 2] .37

In de ordner zitten behalve facturen ook bankafschriften van een ING-rekening t.n.v. [bedrijf 4] , rekeningnummer [rekeningnummer 1] , waarop is te zien dat [bedrijf 5] telkens geldbedragen overmaakt naar [bedrijf 4] . Vanaf die eigen rekening maakt [bedrijf 4] in de loop van 2015 telkens weer forse bedragen (tienduizenden euro’s) over naar [bedrijf 5] , onder vermelding van ‘Aflossing’.38

Op basis van onderzoek werd vastgesteld dat de facturen van ‘ [bedrijf 4] ’ verband hielden met de aankoop door [verdachte] en [medeverdachte 1] van twee onroerende goederen in Ermelo, in 2012, te weten een pand aan de [adres 3] en een woning aan de [adres 2] , voor een bedrag van (samen) in totaal € 1.037.500. [verdachte] en [medeverdachte 1] werden in 2012 elk voor de helft eigenaar van deze panden.39

In de boekhouding van [bedrijf 5] over 2012 was een bedrag te zien van

€ 1.037.487,63 met de omschrijving ‘lening aan [medeverdachte 1] ’.40

Verdachte was in die periode vertegenwoordigingsbevoegd voor [bedrijf 5] .41

Aankoop [adres 2] .

Op 27 juni 2012 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een woning aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 220.000,00.42

In dezelfde tijd wordt vanaf de rekening van [bedrijf 5] ( [rekeningnummer 2] ) tweemaal een bedrag van € 100.000,00 naar de gezamenlijke privérekening van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] [rekeningnummer 3] overgeboekt met als omschrijving ‘ [bedrijf 5] Diversen’.43

Op 26 juni 2012 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] een bedrag van € 232.221,46 overgemaakt naar OMVR Notarissen.44 Het pand aan de [adres 2] is - na verbouwing en splitsing van het pand - op 29 augustus 2013 verkocht voor een bedrag van ongeveer € 570.000,00.45

Aankoop [adres 3] .

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben daarnaast op 5 juli 2012 een woning aan de [adres 3] gekocht voor € 800.000,00.46 De woning kwam op naam van beiden te staan.47

Uit van de notaris ontvangen gegevens blijkt dat op 12 juli 2012 op de derdengeldrekening van OMVR Notarissen € 817.203,63 is bijgeschreven met als omschrijving: Van: [bedrijf 5] . [bedrijf 5] , [plaats 2]48

Om te kunnen beschikken over voldoende geld voor deze privéuitgaven heeft [verdachte] opdrachten gegeven en laten geven aan de bedrijfsleider van [bedrijf 5] , [bedrijfsleider] .49

[bedrijfsleider] is op 29 november 2016 als verdachte verhoord. [bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij degene was die in 2012 voor [bedrijf 5] betalingen verrichtte en de boekhouding deed. In 2012 maakte hij, in opdracht van [verdachte] , tweemaal € 100.000,00 over naar de privérekening van [verdachte] . [bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij - eveneens in 2012 - vanuit Nederland de opdracht kreeg om een factuur naar het bedrijf [bedrijf 16] in Duitsland (van € 789.049,80) te sturen met als omschrijving ‘Used cooking oil.’50 In werkelijkheid was helemaal geen sprake van diensten van [bedrijf 5] in verband met deze factuur.51 [bedrijfsleider] kende het bedrijf [bedrijf 16] ook niet, maar hij verstuurde de factuur omdat ‘ [verdachte] dat vroeg’.52[bedrijfsleider] verrichtte bovendien een betaling aan de notaris van een bedrag van

€ 817.273,63, op verzoek van [verdachte] , na een mailwisseling hierover met [medeverdachte 3] .53[bedrijfsleider] had vooral contact met de Nederlandse bedrijfsleiding in de persoon van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] . Met [verdachte] had hij weinig rechtstreeks contact, zo verklaarde [bedrijfsleider] . Ten aanzien van enkele interne overboekingen, te zien op de grootboekrekening van [bedrijf 17] (voorganger [bedrijf 13] ), van bedragen van € 100.000 (tweemaal) en € 817.000,00 met de omschrijving ‘lening [medeverdachte 1] ’54, heeft [bedrijfsleider] verklaard dat hij deze verrichtte in opdracht van de Nederlandse bedrijfsleiding (meestal [medeverdachte 2] ), en dat [medeverdachte 1] de vrouw van [verdachte] is. In werkelijkheid was geen sprake van een lening, aldus [bedrijfsleider] ; hij zag nimmer een leenovereenkomst.55

[bedrijfsleider] kreeg van [medeverdachte 3] per mail opdracht om in de boeken ‘de lening’ op naam van [medeverdachte 1] te zetten.56

In de administratie van [bedrijf 5] is ten aanzien van de post ‘lening [medeverdachte 1] ’, geen leenovereenkomst of dividenduitkering aangetroffen.57

In opdracht van [verdachte] werd het in de boekhouding ontstane gat, in 2013, afgedekt met de factuur van [bedrijf 5] gericht aan het Duitse bedrijf [bedrijf 16] en een factuur van [bedrijf 17] (voorganger van [bedrijf 13] aan [bedrijf 5] d.d. 30 september 2012.58

In de administratie van [bedrijf 13] over 2013 is sprake van de verwerking van een factuur ter hoogte van € 784.039,96 (nr. [nummer] ).59 Door de boekhoudkundige ingrepen bij [bedrijf 5] in 2013 werd dat bedrag ten laste van [bedrijf 13] gebracht.60

Het grootste deel van de vordering van [bedrijf 5] op [verdachte] en [medeverdachte 1] is op deze wijze ‘weg-geboekt’.

Eind 2012 stond behalve genoemd bedrag tevens een privéschuld open voor een bedrag van € 233.233,67.61

[verdachte] heeft erkend dat het ten aanzien van de geldstroom vanuit [bedrijf 5] ging om een bedrag van ongeveer € 800.000,00 waarmee hij het pand van de buren, aan de [adres 3] , heeft gekocht. [verdachte] mocht van de bank nog geen dividend aan zichzelf uitkeren omdat hij niet aan zijn ‘dept ratio’ voldeed; daarom onttrok hij het geld aan [bedrijf 5] .62

Om het gat te dichten zorgde hij ervoor dat voor de verkoop van vetten door [bedrijf 13] aan het Duitse bedrijf [bedrijf 16] een factuur werd verzonden vanaf [bedrijf 5] . Hoewel het dus ging om een deal tussen [bedrijf 13] en [bedrijf 16] , liet verdachte de betaling via [bedrijf 5] lopen. 63

Verbergen/ verhullen door middel van valse leenovereenkomsten (DOC-248 en DOC-305)

Begin juli 2013 stelt een medewerker van [naam 4] vragen aan [bedrijf 5] over ‘die lening van

€ 1.017.000,00.’64 In maart 2014 volgen vragen daarover van een andere accountant - [naam 9] van [naam 5] - in verband met de aangiften inkomstenbelasting van [verdachte] en [medeverdachte 1] over 2012, over de wijze waarop de panden te [plaats 1] zijn gefinancierd.65

Op 26 maart 2014 stelt de adviseur van [naam 5] per mail vragen aan [medeverdachte 1] over de financiering van de woningen aan de [adres 2] en de [adres 3] via [mailadres 1], bij [medeverdachte 1] in gebruik.66 [medeverdachte 1] stuurt eind maart 2014 een herinnering hierover door naar [verdachte] , met een vraagteken. [verdachte] op zijn beurt stuurt de vragen over de financiering door naar [medeverdachte 2] met slechts de boodschap: “Los jij dit ff op”.67 [medeverdachte 2] was de financiële directeur van de [verdachte] groep, met wie [verdachte] alles overlegde, zo heeft [verdachte] verklaard.

Belangrijke beslissingen nam [verdachte] echter zelf.68

Uit onderzoek naar de nadien opgemaakte en overgelegde leenovereenkomsten (DOC-248 en DOC-305) is gebleken dat sprake is van vals opgemaakte geschriften.69

In een inbeslaggenomen map met opschrift ‘ [adres 3] ’ zit een document getiteld ‘leenovereenkomst’ tussen [verdachte] en [bedrijf 8] ., gedateerd op 8 juli 2012, betreffende een bedrag van € 820.000,00. Datum voor (eerste) aflossing is 25 november 2014. Het document is ondertekend door de zakenpartner van [verdachte] in [naam 8] , [naam 10] , ‘Chief Operating Officer’ van [bedrijf 8] . en [verdachte] .70 In map met opschrift ‘2012, [adres 2] ”, werd nog een leenovereenkomst aangetroffen, van 16 april 2012, eveneens gesloten tussen [bedrijf 8] en [verdachte] . Dit zou gaan om een lening van € 357.000,00. Datum voor eerste betaling is: 17 november 2014. In het document wordt geen rekeningnummer genoemd. Het document is ondertekend met de namen [naam 10] , Chief Operating Officer van [bedrijf 8] . en [verdachte] .71

Op 17 oktober 2012 vindt een e-mailwisseling plaats tussen [verdachte] en [naam 10] , waarbij als bijlagen verschillende versies van een leenovereenkomst d.d. 15 oktober 2012 (‘leenovereenkomst 1’) worden gevoegd. [verdachte] mailt zijn handtekening aan [naam 10] ; dezelfde dag mailt [naam 10] een door beide partijen ondertekende versie van genoemde leenovereenkomst aan [verdachte] .72

Op 3 april 2014 ontvangt [verdachte] een mail van [naam 10] met als bijlagen twee versies van de (eerder opgemaakte) overeenkomst uit 2012 met de opmerking: ‘Dear Bunny, as requested, please find the loan agreement for October 2012, attached both versions, word and pdf, in case you need any modification’.73 [verdachte] stuurt deze mail met bijlagen door naar [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 2] stuurt even later een bestand met een – nieuw opgemaakte – overeenkomst terug aan [verdachte] .74 Het te lenen geldbedrag is dan gewijzigd in € 820.000,00. De bestandsnaam is hetzelfde gebleven.

Op 16 juli 2014 mailt [verdachte] naar [bedrijf 2 verdachte ] . een derde versie van de overeenkomst.75 Het te lenen geldbedrag is dan gewijzigd naar € 357.000,00 en aan de bestandsnaam is een ‘(2)’ toegevoegd. Over de tweede en derde ‘leenovereenkomst’ heeft [verdachte] mailcontact met [medeverdachte 2] , alsook met het mailadres [mailadres 1] dat vooral door [medeverdachte 1] wordt gebruikt.76

[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de leenovereenkomst op verzoek van [verdachte] heeft aangepast. [verdachte] vroeg hem: “Wil je die effe aanpassen? Nader gaat ermee akkoord”. [medeverdachte 2] deed dat, zonder er lang bij stil te staan.77

[medeverdachte 1] heeft op 16 juli 2014 een e-mail aan [verdachte] gestuurd met als bijlage de bewerkte leenovereenkomst tussen [bedrijf 8] en [verdachte] ; zij schrijft: “(..) Hierbij de overeenkomst.” De daarbij gevoegde bijlage heeft dezelfde bestandsnaam als de bijlage bij de e-mail van [medeverdachte 2] van 3 april 2014.78

[verdachte] mailt [medeverdachte 1] dat hij ‘de overeenkomst zal klaarmaken’ en stuurt haar even later een e-mail met als bijlage: een overeenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 8] betreffende een lening van € 357.000,00, met de opmerking “Graag printen, ik neem er ook één in kleur mee”.79

Van afschrijvingen in verband met aflossing van leningen is niet gebleken.

In de aangiften inkomstenbelasting 2013 van [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn de door hen aangekochte panden te [plaats 2] – na overleg met [naam 5] – namens hen opgegeven bij box 3, onder ‘schuld’. In de bij de aangifte behorende stukken is te zien dat leningen zijn ontvangen van [bedrijf 8] . te [naam 8] . De [adres 3] en de ‘ [adres 2] ’ zijn hier opgegeven.80

[verdachte] heeft erkend dat het gaat om valse leenovereenkomsten. Hij heeft verklaard deze documenten zelf te hebben opgemaakt, zodat deze door het accountantskantoor [naam 5] konden worden gebruikt bij het doen van de aangiften inkomstenbelasting, omdat hij niet kon vertellen dat hij geld van [bedrijf 5] had gebruikt voor de aankoop van de panden. Het kan best zo zijn dat die valse leenovereenkomsten ook bij de belastingaangifte van zijn vrouw zijn opgevoerd, zo verklaarde [verdachte] . Hij zou dan wel tegen [medeverdachte 1] hebben gezegd dat het zo is gegaan.81

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de leenovereenkomsten van 16 april 2012 en 8 juli 2012 (DOC-305 en DOC-248) valselijk zijn opgemaakt. [verdachte] heeft daartoe het initiatief genomen en de valse documenten opgemaakt, echter ook [medeverdachte 1] heeft zich hier actief mee bezig gehouden. De vals opgemaakte documenten waren bestemd ter misleiding van derden. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben tegenover accountants van [naam 5] en de belastingdienst voorgewend dat sprake was van persoonlijke leningen van [bedrijf 8] aan [verdachte] ten behoeve van de aankoop van woningen.

De valse documenten zijn gebruikt, aangezien deze aan [naam 5] zijn overgelegd waarna de accountant deze heeft gebruikt voor de belastingaangiften van [verdachte] en [medeverdachte 1] en de documenten ook in de administratie van [bedrijf 5] zijn gevoegd.

Verbergen/ verhullen door middel van de oprichting van [bedrijf 4] en valse facturen

Het in de boekhouding van [bedrijf 5] in 2015 nog altijd openstaande bedrag van € 233.233,67 is in 2015 weggeboekt met behulp van vals opgemaakte facturen op naam van een, speciaal daarvoor opgerichte eenmanszaak: ‘ [bedrijf 4] ’ (‘kasrondje’).

Dat ten aanzien van die facturen sprake is van valselijk opmaken, waar [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij betrokken waren, volgt uit het navolgende.

[bedrijf 4] is op 1 februari 2015 opgericht. Het vestigingsadres is het toenmalige woonadres van [medeverdachte 1] en [verdachte] : de [adres 9] . Enig eigenaar is: [medeverdachte 1] . Volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel bestaan de activiteiten uit: handelsbemiddeling in brandstoffen, metalen en chemische producten.82

In de inbeslaggenomen ordner ‘2015 [bedrijf 4] ’ (zie hiervoor) zijn 26 facturen op naam van [bedrijf 4] , [adres 9] aangetroffen, gericht aan het bedrijf [bedrijf 5] te [plaats 2] .83

In de ordner zitten tevens bankafschriften van een zakelijke betaalrekening ten name van [medeverdachte 1] , p/o [bedrijf 4] , te [plaats 1] , [rekeningnummer 1] .84

Bij deze rekening hoort een betaalpas op naam van [medeverdachte 1] .85

Vanuit [bedrijf 4] wordt op 11 maart 2015 een eerste factuur verzonden naar [bedrijf 5]86, een factuur ter grootte van € 25.000,00.87

Op de in de ordner aangetroffen [bedrijf 5] -facturen staat telkens de tekst: ‘Hierbij belasten wij u voor de voorbereidingskosten 2014 inzake [bedrijf 11] ’, of ‘Hierbij belasten wij u voor provisie inzake [bedrijf 11] , week (..)’. 88 In inbeslaggenomen digitale gegevens werden in totaal 37 facturen aangetroffen van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 5] .89

Het op basis van de facturen betaalde bedrag wordt door [bedrijf 4] telkens onmiddellijk teruggestort naar [bedrijf 5] , met als omschrijving ‘aflossing lening’.90

[medeverdachte 1] verrichtte in werkelijkheid geen werkzaamheden voor [bedrijf 4] .91

[verdachte] heeft ten aanzien van [bedrijf 4] (en later [bedrijf 12] ) verklaard dat dit bedrijf alleen werd opgericht om de ‘lening’ te verrekenen.

[bedrijf 5] was ten tijde van de ten laste gelegde periode van hem.

Hij had intern overleg met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] over de persoonlijke lening uit [bedrijf 5] , de boekhouding van [bedrijf 13] en de [bedrijf 5] -factuur.

Omdat het ‘nu eenmaal al zo geregeld was’ besprak hij dit ook met [medeverdachte 2] , zo van: ‘Wat kunnen we hier van maken ?’

[verdachte] had vanuit [bedrijf 5] ook tweemaal een bedrag van € 100.000,00 naar zichzelf laten overmaken voor privédoeleinden, voor de aankoop van het pand aan de [adres 2] . Het wegboeken van dat geld was uiteindelijk pas in 2015 afgerond; daarvoor werd een ‘lening’ opgemaakt van [bedrijf 5] aan ‘ [bedrijf 4] ’. Ze gingen ‘aan het boeken’, om de lening weg te werken, aldus [verdachte] . [bedrijf 4] heeft voor [bedrijf 5] feitelijk geen werkzaamheden verricht; [bedrijf 4] was slechts op papier een soort broker tussen [bedrijf 5] en een bedrijf als [bedrijf 11] [verdachte] heeft verklaard dat hij behalve de holding [bedrijf 2 verdachte ] nóg een holding heeft opgericht, namelijk [bedrijf 3 verdachte] , met daaronder het bedrijf ‘ [bedrijf 12] ’. [bedrijf 12] is opgericht voor de verkoop van ‘reststromen’ die vrijkomen bij [bedrijf 13] en [bedrijf 1 verdachte ] .

De provisiefacturen van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 12] werden louter verstuurd om geld van de ene B.V. naar de andere te sluizen, aldus [verdachte] .92

Uit onderzoek naar de mutaties van de bankrekening van [bedrijf 4] is gebleken dat [bedrijf 4] over de periode vanaf maart 2015 tot en met september 2015 in totaal € 235.978,60 aan provisie heeft ontvangen en in totaal € 233.233,67 aan [bedrijf 5] heeft betaald onder de noemer ‘aflossing lening’.93 In de grootboekrekening van [bedrijf 5] over 2015 is de reeks ‘aflossingen lening’ opgenomen.94

Ná 10 september 2015, als de laatste ‘aflossing’ aan [bedrijf 5] is betaald, zijn nog tien facturen aan [bedrijf 5] verzonden en betaald.95

De gegevens op de facturen van [bedrijf 4] waren van echte facturen, afkomstig van het bedrijf [bedrijf 18] overgenomen. [bedrijf 18] brengt provisiekosten in rekening bij [bedrijf 13] en [bedrijf 1 verdachte ] . in verband met de levering van glycerine aan [bedrijf 11] .96

[bedrijf 4] factureerde voor diezelfde leveringen provisiekosten aan [bedrijf 5] .97

Behalve deze ‘provisie-facturen’ van [bedrijf 4] gericht aan [bedrijf 5] zijn in de inbeslaggenomen digitale gegevens ook provisie-facturen aangetroffen gericht aan ‘ [bedrijf 12] ’98[bedrijf 12] is in juni 2015 is opgericht. [verdachte] is de bestuurder van [bedrijf 12]99

De provisiefacturen gericht aan [bedrijf 12] hebben dezelfde lay-out en adresgegevens als de facturen voor [bedrijf 5] . Op een factuur van 27 oktober 2015 gericht aan [bedrijf 12] (DOC-294) staat vermeld ‘Hierbij belasten wij u voor provisiekosten voor 126.380 kilogram, week 2015-43’. 100 [bedrijf 4] ontving in september en oktober 2015 in totaal

€ 38.689,26 van [bedrijf 12]101Uit onderzoek naar de bankrekening van [bedrijf 12] , blijkt dat een Duitse afnemer sinds juli 2015 een bedrag van € 1,7 miljoen aan [bedrijf 12] heeft betaald en [bedrijf 10] van [naam 11] in 2016 – in een periode van drie maanden – een bedrag van € 692.000,00.

Van geld van de bankrekening van [bedrijf 12] is € 700.000,00 geïnvesteerd in het strandpaviljoen [naam 12] , een horecagelegenheid die medeverdachte [medeverdachte 1] in oktober 2015 heeft gekocht.102

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat aankoop van de twee panden te [plaats 1] in 2012 door [verdachte] en [medeverdachte 1] op illegale wijze is gefinancierd, te weten met door [verdachte] en [medeverdachte 1] verduisterd geld (een bedrag van in totaal € 1.017.273,63); geld dat toebehoorde aan de onderneming [bedrijf 5]

Geld waarover [verdachte] , gelet op zijn positie bij [bedrijf 5] , kon beschikken, maar dat hij zich zonder geldige titel heeft toegeëigend voor privédoeleinden: de aankoop van twee panden te [plaats 1] , op naam van [medeverdachte 1] en hemzelf. [verdachte] heeft erkend dat het niet mocht wat hij deed en dat hij zich dit geld op onrechtmatige wijze heeft toegeëigend.103Van ‘legaal’ geld was dan ook geen sprake.

Zowel uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen als de verklaringen van [verdachte] blijkt dat [verdachte] hierbij welbewust en opzettelijk heeft gehandeld.

Ten aanzien van het aandeel van de (mede-)verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] bij [bedrijf 4] en het opmaken en verzenden van de valse provisie-facturen – voor zover relevant in relatie tot de aan verdachte ten laste gelegde deelnemingsvorm ‘medeplegen’ – blijkt uit bewijsmiddelen als volgt.

[medeverdachte 1] gebruikt voor haar eenmanszaak het e-mailadres [mailadres 2]; dit e-mailadres staat op de facturen.104

Uit inbeslaggenomen e-mailverkeer en telefoongesprekken blijkt dat het vooral [medeverdachte 3] is, die facturen van [bedrijf 4] opmaakt en betalingen verricht. [medeverdachte 3] heeft daarover regelmatig contact met [medeverdachte 1] .

Een week na oprichting van [bedrijf 4] , op 18 maart 2015, mailt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en geeft hem het rekeningnummer van dit bedrijf door.

[medeverdachte 3] verricht enkele werkzaamheden in opdracht van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] heeft daarnaast rechtstreeks contact met [bedrijfsleider] van [bedrijf 5] , over facturen en betalingen.105

Uit het e-mailverkeer blijkt dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] vraagt om inlogcodes voor [bedrijf 4] ; [medeverdachte 3] zal ervoor zorgen dat [medeverdachte 1] nieuwe wachtwoorden krijgt gemaild.106 Voor het bankieren ontvangt [medeverdachte 1] tan-codes op haar telefoon en zij geeft deze door aan [medeverdachte 3] , zo blijkt uit getapte telefoongesprekken tussen [verdachte] met [medeverdachte 3] en tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .107

Na verloop van tijd worden de e-mailberichten over de betalingen vooral verzonden door [bedrijfsleider] van [bedrijf 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .

In een e-mailbericht van 1 april 2015, gericht aan [verdachte] en [medeverdachte 2] - met ”cc” aan [medeverdachte 1] , via [mailadres 2] – schrijft [bedrijfsleider] van [bedrijf 5] dat hij zojuist een bedrag van € 25.000,00 heeft overgemaakt. [medeverdachte 2] stuurt binnen tien minuten deze mail door aan [medeverdachte 3] met de opdracht: “(..) Wil jij het bedrag terugstorten via de bank, van [bedrijf 4] ? Als aflossing van de lening”.108

Op 3 april 2015 vraagt [bedrijfsleider] aan [medeverdachte 3] of ‘het bedrag van [medeverdachte 1] ’ van

€ 25.000,00 nog terugkomt, volgende week. [medeverdachte 3] antwoordt dat het bedrag inmiddels terug is.109

In een e-mailbericht van 30 juni 2015 vraagt [bedrijfsleider] dringend aan [medeverdachte 2] om [medeverdachte 3] te vragen ‘het gestorte bedrag’ zo snel mogelijk terug te storten. [medeverdachte 2] stuurt de opdracht meteen door aan [medeverdachte 3] : “Zie onderstaand oproep van [bedrijfsleider] . Graag even vanmorgen betaling terugstorten!” 110

Op 13 juli 2015 worden vanaf [mailadres 2] twee facturen verzonden naar [bedrijf 5] / [bedrijfsleider] , met de tekst: “Goedemorgen [bedrijfsleider] , bijgevoegd facturen over de weken 27 + 28, vriendelijke groet, [medeverdachte 1] , [bedrijf 4] .” 111

Uit (getapte) telefoongesprekken over de periode oktober 2015 – november 2015 blijkt voorts dat het dan vooral [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn die met elkaar afspraken maken over de bankrekening van [bedrijf 4] .112

Tijdens een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van 27 oktober 2015 zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] over de rekening van [bedrijf 4] : “Voor de rest op die bankrekening: daar komt nu alleen maar op binnen; daar hoeft niet meer op (de rechtbank begrijpt: van) teruggestort te worden” en “Dat is nu helemaal afgerond”.113

[medeverdachte 3] biedt aan dat hij ook de BTW-aangifte van [bedrijf 4] gaat oppakken en de reiskostenvergoeding voor [medeverdachte 1] , in relatie tot de ‘provisie-facturen’. [medeverdachte 1] zegt toe hem de inlogcodes te geven; [medeverdachte 3] voorstel van ‘19 cent per kilometer’ vindt [medeverdachte 1] de moeite waard.114

Op 29 oktober 2015 wordt [medeverdachte 1] gebeld door iemand van de [bedrijf 2 verdachte ] . De beller (de rechtbank begrijpt: [verdachte] .) zegt tegen haar “Ik zit effe met [medeverdachte 3] . (..) Jij geeft je facturen” en “Ik zeg, doe die betalingen maar van commodities”. [medeverdachte 1] antwoordt:: “Ja”. Beller zegt verder tegen [medeverdachte 1] : “En dan zet [medeverdachte 3] ze klaar en geeft jou een berichtje, en dan moet jij het effe fiatteren (..).”. [medeverdachte 1] zegt: “Maar daarom heb ik ook een pas voor hem aangevraagd, die krijg ik nog binnen”.115

Een paar uur later voeren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een telefoongesprek over betalingen die [medeverdachte 3] heeft ‘klaargezet’ (“eentje van de belastingdienst van de BTW, op een euro na

€ 3.000,00” en “eentje van € 10.000,00 van [medeverdachte 1] naar [naam 12] ”) en over het autoriseren van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] zal de tan-code op haar telefoon krijgen en die aan [medeverdachte 3] doorgeven.116

En tijdens een gesprek op 5 november 2015 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] of hij het wachtwoord van haar e-mailaccount van [bedrijf 4] nog weet. [medeverdachte 3] geeft [medeverdachte 1] het wachtwoord: “ [wachtwoord] (..)”.117

[medeverdachte 3] maakt ook facturen van [bedrijf 4] , gericht aan [bedrijf 12] In een gesprek van 27 oktober 2015 praat [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] over een provisiefactuur voor [bedrijf 12]

[medeverdachte 3] informeert [medeverdachte 1] : “(..) Er gaan nu ook facturen van [medeverdachte 1] aan [bedrijf 12] en daar zit BTW op. Alleen, ik realiseer me laat, dat ik die niet via jou heb laten lopen. Dus, die heb je niet in jouw zicht”.118

[verdachte] heeft ten aanzien van [bedrijf 4] en [bedrijf 12] en de bijdragen van de medeverdachten als volgt verklaard.

[verdachte] heeft zijn vrouw, [medeverdachte 1] , uitgelegd waarom [bedrijf 4] moest worden opgericht. Hij zei tegen haar: “We moeten effe een bv’tje oprichten, want we hebben de [adres 3] gekocht, en die is vanuit [bedrijf 5] betaald. Dat moet recht getrokken worden, via bijvoorbeeld [bedrijf 4] .” [medeverdachte 1] vond dat goed. [medeverdachte 1] verrichtte feitelijk geen werkzaamheden voor [bedrijf 4] .119 Zij richtte [bedrijf 4] op, op aanraden van [verdachte] .120 De facturen werden op ‘de zaak’ gemaakt door [medeverdachte 1] , de administratie in Kampen, [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] , of door iemand anders, aldus [verdachte] .

Over het verzenden van provisiefacturen en het terugstorten van het geld naar [bedrijf 5] , als ‘aflossing lening’, had [verdachte] intern overleg met [medeverdachte 2] .121

[verdachte] zei tegen [medeverdachte 2] : “Die brokers worden vet zat; als daar een deel van terugkomt via [bedrijf 12] , dan lijkt me dat niet meer dan reëel.”122

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze geldstroom en de provisiefacturen als volgt.

Facturen, waarvan is vastgesteld dat daarvoor in werkelijkheid geen sprake is geweest van werkzaamheden of diensten, zijn valse facturen, aldus de Hoge Raad.123

De rechtbank is gelet op deze rechtspraak en de hiervoor weergegeven gang van zaken ten aanzien van [bedrijf 4] van oordeel dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken en de verklaringen van [verdachte] volgt immers dat het enige doel van [bedrijf 4] en de verzending van de facturen was: de zogenaamde ‘aflossing’ van geld dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in 2012 voor privédoeleinden aan [bedrijf 5] hadden onttrokken. De facturen werden louter en alleen opgemaakt om aan [bedrijf 5] en [bedrijf 12] een titel te verstrekken om betalingen te doen aan [bedrijf 4] , waarna de betaalde bedragen als ‘aflossing lening’ weer terug gestort werden.

[medeverdachte 1] heeft [bedrijf 4] opgericht na een uitleg over de reden daarvan door [verdachte] . Het bedrijf verrichtte geen werkzaamheden of diensten en [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren hiervan op de hoogte. Hieruit volgt dat de facturen van [bedrijf 4] vals zijn opgemaakt met de bedoeling derden te misleiden.

De facturen waren bestemd voor gebruik jegens derden, zoals accountants en/of medewerkers van de belastingdienst. De rechtbank acht bewezen dat de vals opgemaakte facturen ook daadwerkelijk zijn gebruikt, nu deze in de boekhouding van [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [bedrijf 12] zijn aangetroffen.

Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken rond [bedrijf 4] en het verzenden van de valse provisiefacturen blijkt dat hierbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [bedrijf 4] werd opgericht, om ‘recht te trekken’ dat [verdachte] en [medeverdachte 1] geld aan [bedrijf 5] hadden onttrokken voor privédoeleinden. Reeds kort na oprichting van het bedrijf verrichtte [medeverdachte 3] betalingen en verzond facturen. [medeverdachte 1] leverde hieraan een wezenlijke bijdrage. Zij zorgde ervoor dat [medeverdachte 3] kon beschikken over tan-codes voor het doen van betalingen; [medeverdachte 3] op zijn beurt zorgde er steeds voor dat (ook) [medeverdachte 1] kon inloggen op het account van [bedrijf 4] .

[verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] wisten dat door [bedrijf 4] in werkelijkheid geen (provisie-)werkzaamheden waren verricht. [medeverdachte 1] begreep de hele constructie mogelijk niet geheel. Echter, zij ging ermee akkoord dat [bedrijf 4] werd opgericht om recht te trekken dat geld aan [bedrijf 5] was onttrokken voor privédoeleinden en zij liet het verder gebeuren. [medeverdachte 1] heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat strafbaar zou worden gehandeld in het kader van voormelde constructie.

Dat ook [medeverdachte 3] van de valsheid van de facturen op de hoogte was blijkt voorts uit - onder meer - het telefoongesprek dat [medeverdachte 3] op 27 oktober 2015 met [medeverdachte 1] voerde over het declareren van gefingeerde reiskosten.124

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat bij zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het opzet aanwezig was op het valselijk opmaken van facturen en de gebruikmaking daarvan.

Volledigheidshalve, doch op deze plaats summierlijk, merkt de rechtbank op dat voor een bewezenverklaring van medeplegen door [verdachte] met [medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is van enig opzet ter zake bij [medeverdachte 2] .

Andere geldstromen.

Uit onderzoek is voorts gebleken dat sprake is van nog andere geldstromen, ten gunste van privébestedingen van [verdachte] en [medeverdachte 1] , die plaatsvonden middels het opmaken van valse stukken/ facturen en betaling op bankrekeningen van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] op Bonaire.

Geldstroom ‘ [bedrijf 9] / [bedrijf 10] ’, [bedrijf 6] en [naam 11] (zaaksdossier 4.2).

Uit onderzoek naar de administratie van [bedrijf 1 verdachte ] . blijkt dat het bedrijf sinds 2014 van een zakenpartner, genaamd [naam 11] , vanuit diens bedrijven [bedrijf 9] , gevestigd te [land 1] en, later, het bedrijf [bedrijf 10] , gevestigd op [land 2] , facturen ontving in verband met ‘provisiekosten’. De provisiefacturen van het bedrijf [bedrijf 10] werden vanaf eind 2015 ontvangen. 125

Op de grootboekrekening van [bedrijf 1 verdachte ] over 2014 is te zien dat [bedrijf 1 verdachte ] over het laatste kwartaal bij ‘provisie’ drie facturen van [bedrijf 9]126 boekt met een totaalbedrag van

€ 127.805,73.127 In 2015 stuurt [bedrijf 9] twaalf provisiefacturen naar [bedrijf 1 verdachte ] .

De door [bedrijf 9] in rekening gebrachte provisiekosten zijn opvallend hoger dan de kosten van andere provisiefacturen.128De omschrijving is telkens: ‘Isotanks cleaning & inspection’, of ‘Hereby we charge you for cleaning of iso-containers, with ordernummer ..’, of ‘Hereby we charge you for brokerage commission (maand) 2015’.

Op 13 juli 2015 laat [naam 11] per mail aan [verdachte] weten dat de provisierekeningen voortaan zullen worden geregeld via zijn nieuw opgerichte bedrijf (‘new structure’) [bedrijf 10] .129

Uit het grootboek van [bedrijf 1 verdachte ] over 2015 blijkt dat van [bedrijf 10] in de periode van 21 september 2015 - 25 oktober 2015 drie facturen zijn geboekt, voor een totaalbedrag van

€ 1.058.662,27. De overige zes facturen op deze grootboekrekening zijn facturen van [bedrijf 9] voor een totaalbedrag van € 184.108,23.130 [bedrijf 1 verdachte ] . betaalt de (opvallend hoge) provisiefacturen.131

Uit inbeslaggenomen mailverkeer is gebleken dat [verdachte] over deze (opgehoogde) facturen vooraf afspraken maakt met [naam 11] en dat tevens afspraken worden gemaakt over het terug-factureren met TTC-facturen en de daarbij gehanteerde berekeningsformule.

Onderzoek naar de TTC-facturen die naar de bedrijven van [naam 11] zijn verzonden wees uit dat het bij deze TTC-facturen gaat om valse facturen: facturen waar geen diensten of werkzaamheden tegenover staan.

Allereerst heeft [verdachte] erkend dat voor de [bedrijf 6] geen werkzaamheden zijn verricht.132

Daarnaast is gebleken dat in e-mailberichten tussen [verdachte] en [naam 11] , verzonden eind 2014 – begin 2015, wordt gesproken - en gegrapt - over re-invoicing, terug-factureren.133

In de e-mailbox van [mailadres 3] zijn berichten aangetroffen van 3 december 2014134, voorafgegaan door een bericht van [naam 11] / [bedrijf 9] waarin om een betalingsbevestiging wordt gevraagd. [verdachte] beantwoordt de vraag met: “Only if you pay ma a little back, ha ha. In a hour you get confirmation.”135

In de mailbox is een factuur aangetroffen van [bedrijf 6] van 2 februari 2015 gericht aan [bedrijf 9] , met als omschrijving ‘Isotanks, cleaning & Inspection’, quantity 2,040.381 MT, factuurbedrag € 4,080.76 (DOC-386).136

Uit een e-mail van [naam 11] aan [verdachte] , van 19 januari 2015137 blijkt dat in verband met een levering (referentienummer K 20140812-01) kan worden teruggefactureerd, en dat daarbij de formule € 2,00 per ton mag worden gebruikt. De in de mail van [naam 11] genoemde hoeveelheid en het genoemde referentienummer staan op genoemde factuur van [bedrijf 6] vermeld.138

Op basis van die vooraf gemaakte afspraken stuurden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] valse [bedrijf 6] naar [bedrijf 9] - later [bedrijf 10] - met daarop het logo van [bedrijf 6] .139

In de mailbox [mailadres 3] werden in totaal zes valse facturen van [bedrijf 6] gericht aan [bedrijf 9] aangetroffen. Deze hebben een afwijkende lay-out ten opzichte van de gebruikelijke facturen van [bedrijf 6] .140 De facturen vermelden een aantal gegevens van [bedrijf 6] , zoals adres, telefoonnummer en BTW-nummer maar als e-mailadres staat op de facturen: [mailadres 1], een e-mailadres (voornamelijk) in gebruik bij [medeverdachte 1] . Op de facturen staat telkens een bankrekeningnummer op naam van [bedrijf 6] bij de Orcobank op [land 3] : [rekeningnummer 4] (USD-rekening) of [rekeningnummer 5] (euro-rekening).

Aan [bedrijf 9] werd in totaal € 77.968,54 en USD 41.960,49 gefactureerd.141

[verdachte] en [naam 11] maakten per e-mail ook afspraken over wijze waarop [bedrijf 6] voor het terugfactureren door [bedrijf 10] opgemaakt konden worden.

Zo mailt [verdachte] op 22 september 2015 via [mailadres 3] naar [naam 11] “Pls, informe me, what I should make for an invoice from tankcleaning to Biogra”.142

De omschrijving op de facturen voor [bedrijf 10] luidt: ‘Brokerage Invoice’ en ‘Hereby we charge you for brokerage fee’.

Ook uit (getapte) telefoongesprekken, gevoerd door [verdachte] en [naam 11] op 26 oktober 2015, blijkt het terugfactureren middels [bedrijf 6] en de verdeling van de te behalen resultaten vooraf wordt besproken: 143

C = [verdachte]

G = [naam 11] .

(17:39:22 uur)

C: Dus, als je een hele mooie prijs kunt maken..

G: Ik moet werken aan.. Er is nog meer, wat gefactureerd en herfactureerd moet worden. Dat moet ik nog nakijken.

C. Graag. En dan doen we de hele volume, wat wij hebben 10 euro per stuk. Jij stuurt mij een factuur voor 20 en ik stuur je een factuur voor 10 terug. Dat werkt uitstekend.

G: Oké. Perfect.

En, een paar uur later dezelfde avond144:

(21:16:16 uur)

C. Mijn vriend, wij moeten in de toekomst meer van zulke dingen doen ! Omdat het te langzaam gaat.

G. Geen probleem, Laat ons dit overleggen. (..) Als het jou helpt om te optimaliseren.

C. Ja, maar laat ons dit maar nu doen. Laat ons 20 pakken en het 10-10 verdelen, dat is oké. Verdienen wij allebei wat geld.

G. Klinkt goed. Wij doen het.

In de inbeslaggenomen administratie wordt – onder meer – een [bedrijf 6] aangetroffen voor [bedrijf 10] van 7 januari 2016, waarmee € 244.000 aan brokerage fee/ courage-kosten in rekening wordt gebracht.145

[naam 11] betaalt de [bedrijf 6] op een – op naam van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] staande – bankrekening of de zakelijke [bedrijf 6] -rekening bij de Orcobank op [land 3] .146

De [bedrijf 6] -facturen die naar [bedrijf 9] en [bedrijf 10] zijn verstuurd waren in de administratie van [bedrijf 6] . niet opgenomen147 en de bankrekening op [land 3] was bij de Nederlandse belastingdienst niet bekend.148

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben op de hiervoor beschreven wijze – in overleg met [naam 11] – geld onttrokken aan [bedrijf 1 verdachte ] . en middels de [bedrijf 6] -facturen spaarpotjes opgebouwd voor privédoeleinden, op bankrekeningen op [land 3] die buiten het zich van de belastingdienst zijn gehouden.

[verdachte] heeft over deze geldstroom als volgt verklaard.

[verdachte] maakte de valse facturen op naam van [bedrijf 6] . – die buiten de administratie van zijn bedrijf [bedrijf 6] werden gehouden – vaak zelf op, meestal met een Excelbestandje.149 De op die facturen vermelde werkzaamheden werden – afgezien van een beginfase – in werkelijkheid niet verricht. De [bedrijf 6] -facturen werden alleen op basis van ‘zoveel vet gekocht’ opgemaakt en betaald, zo verklaarde [verdachte] . Het geld kwam op een aparte bankrekening binnen, zodat hij daarover geen belasting hoefde te betalen; een [bedrijf 6] -bankrekening op [land 3] en/of privé-bankrekeningen op [land 3] en [land 4] .150 [verdachte] maakte over de facturen en de betaling vooraf afspraken met [naam 11] . Op basis van die afspraken ontving [verdachte] eerst zelf een factuur van [naam 11] , en werd vervolgens een [bedrijf 6] -factuur teruggestuurd.151

Op de [bedrijf 6] -facturen bracht [verdachte] kosten in rekening voor ‘co-brokering’. Deze geldstroom/omzet gaf hij niet op aan de belastingdienst; zo kon hij geld aan zijn bedrijf [bedrijf 1 verdachte ] onttrekken voor privédoeleinden. [verdachte] vroeg [naam 11] uitdrukkelijk om ten aanzien van deze geldstroom met valse [bedrijf 6] - facturen niets naar de administratie van [bedrijf 6] te sturen (“pls, pls keep it seperate. Thanks.”).152

Het geld dat [verdachte] op deze manier ontving, bedroeg zo’n 1,8 miljoen, schatte [verdachte] : “Want het is 1,8 miljoen, beetje [bedrijf 5] erbij en dan zit je op 3 miljoen.”153

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben dit geld voornamelijk geïnvesteerd in onroerend goed.154

Geldstroom ‘ [naam 8] ’; [naam 10] en [bedrijf 6] -facturen, gericht aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] (zaaksdossier 4.3).

Uit het onderzoeksdossier blijkt dat in de ten laste gelegde periode ook sprake is van een geldstroom met behulp van [bedrijf 6] -facturen via bedrijven van een andere zakenpartner, genaamd [naam 10] . [naam 10] is directeur van (onder meer) de bedrijven [bedrijf 8] . (hierna [bedrijf 8] ) en [bedrijf 7] . (hierna [bedrijf 7] ), gevestigd te [naam 8] .155

[verdachte] maakte afspraken met [naam 10] over – de ophoging van – facturen van [bedrijf 7] voor [bedrijf 13] en het vervolgens terugfactureren.

De opgehoogde facturen van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] werden door [bedrijf 13] betaald maar het geld werd vervolgens teruggefactureerd middels [bedrijf 6] -facturen - waar geen diensten of werkzaamheden voor werden verricht - en bijgeschreven op bankrekeningen op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de Orco-bank op [land 3] .156

Zo kon aan [bedrijf 13] geld worden onttrokken voor privédoeleinden van [verdachte] en [medeverdachte 1] .

Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] is een ordner in beslag genomen met opschrift ‘Orcobank’157 waarin twaalf [bedrijf 6] -facturen werden aangetroffen, gericht aan de bedrijven van [naam 10] , waarvan zes aan [bedrijf 7] en zes aan [bedrijf 8] .158

De facturen waren op briefpapier van [bedrijf 6] . gedrukt maar de rekeninggegevens waren weggelakt. Op tien van deze facturen waren nog meer gegevens weggelakt. De data van deze facturen lagen in 2012 en 2013. De omschrijving op de facturen luidde: ‘Cleaning containers, month (..)’.159

Op de facturen van [bedrijf 7] stond telkens een formule: hetzij ‘Bon’, hetzij ‘Clean’, met daarna een getal. Het saldo van dat getal en de hoeveelheid werd – zo bleek uit onderzoek – met een [bedrijf 6] -factuur teruggefactureerd.160

Uit onderzoek naar de mutaties van de privérekeningen [rekeningnummer 6] en [rekeningnummer 7] ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] bij de Orcobank op [land 3] is gebleken dat [bedrijf 7] in verband met genoemde facturen twaalf betalingen in dollars op die rekeningen heeft gedaan.

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben deze rekeningen niet opgegeven bij belastingdienst.161

Uit onderzoek naar digitale gegevens van het e-mailaccount [mailadres 3] is gebleken dat in de ten laste gelegde periode sprake is van e-mailverkeer tussen [naam 10] , [medeverdachte 1] en [verdachte] , over het opmaken van facturen van [bedrijf 7] voor [bedrijf 13] , de [bedrijf 6] -facturen en de betaling ervan op rekeningen op [land 3] .162

Zo mailt [naam 10] op 26 augustus 2014 naar [medeverdachte 1] en [verdachte] (via [mailadres 1] ; cc naar [verdachte] via [mailadres 3]) een overzicht, met facturen, van [bedrijf 7] voor [bedrijf 13] , in verband met de levering van vetten.163[naam 10] mailt : ‘Hello ms [medeverdachte 1] ’, en ‘Please, find the details for the next invoice.’ Op zijn overzicht staat per factuur een code: ‘Bon- (cijfer)’, waarna een tarief, een omschrijving van hoeveelheid/ gewicht en een bedrag in dollars volgt. Die gegevens zijn terug te vinden op de facturen.164

[medeverdachte 1] mailt vervolgens [naam 10] op 27 augustus 2014 via [mailadres 1] (cc naar [verdachte] ), met als onderwerp : factuur (‘Invoice’). Als bijlage is een - op een aantal kenmerken van originele [bedrijf 6] -facturen afwijkende165- [bedrijf 6] -factuur gevoegd van 26 augustus 2014, betreffende een rekening van

€ 25.864,83166 voor [bedrijf 7] . De bijlage oogt als een originele [bedrijf 6] -factuur en noemt dezelfde codering, gewichten en bedragen als op het overzicht van [naam 10] . Op de factuur staat echter géén bankrekeningnummer en evenmin een omschrijving van werkzaamheden. Met deze factuur wordt volgens een afgesproken verdeelsleutel teruggefactureerd.167

Een dag later maakt [naam 10] het op de factuur van [medeverdachte 1] vermelde bedrag over op de privérekening [rekeningnummer 6] van [verdachte] . en/of [medeverdachte 1] , bij de Orcobank op [land 3] .168

Op 19 en 20 februari 2015 vindt soortgelijk mailverkeer plaats tussen [naam 10] (vanaf [mailadres 4] en [medeverdachte 1]169 waarbij wederom sprake is van verzending van een lijst/ overzicht van facturen van [bedrijf 7] gericht aan [bedrijf 13] Na de verzending van [bedrijf 6] -facturen door [medeverdachte 1] op 20 februari 2015 maakt [naam 10] nog dezelfde dag een bedrag van USD 5.400 over op een – inmiddels geopende – [bedrijf 6] -bankrekening bij de Orcobank te [land 3] .

Ook deze bankrekening was niet bekend bij de belastingdienst.170

Bij de inbeslaggenomen administratie zit een [bedrijf 6] -factuur van 31 mei 2012 gericht aan [bedrijf 7] waarin staat dat [bedrijf 6] in mei 2012 dertig containers heeft gereinigd 171 en een factuur gericht aan [bedrijf 8] van 14 juni 2012, waarop staat dat in juni 2012 zevenentwintig containers zijn gereinigd.172

[verdachte] heeft tijdens verhoren over deze geldstroom als volgt verklaard.

De bedrijven [bedrijf 8] en [bedrijf 7] zijn van [naam 10] , zijn zakenpartner voor [naam 8] . [naam 10] is een tussenhandelaar. [verdachte] doet al een jaar of tien zaken met hem.173 [verdachte] maakte vooraf afspraken met [naam 10] over de wijze van factureren en het weer ‘terugfactureren’. Op basis van die afspraken stuurden [bedrijf 7] en [bedrijf 8] opgehoogde facturen naar [bedrijf 13] met een extra post, bijvoorbeeld ‘100 dollar per container’. [bedrijf 13] betaalde die facturen en [naam 10] maakte daarna namens [bedrijf 8] of [bedrijf 7] op basis van [bedrijf 6] -facturen geld over naar een rekening op [land 3] .174 Reeds vóór de opening van de zakelijke [bedrijf 6] -bankrekening op [land 3] werden dergelijke [bedrijf 6] -facturen al verstuurd, aldus [verdachte] . In die tijd ging het geld naar zijn privérekening op [land 3] . [verdachte] lakte toen zelf de voettekst op de facturen weg. Hij bedacht ook zelf een omschrijving als ‘Cleaning containers month (may) 2012’ en een factuurnummer.175De op de [bedrijf 6] -facturen vermelde werkzaamheden werden in werkelijkheid niet verricht.176

[verdachte] betaalde geen belasting over het geld dat op bankrekeningen op [land 3] werd gestort; het betrof privérekeningen en een zakelijke [bedrijf 6] -rekening. Van dat geld kocht hij panden, die zoveel mogelijk op zowel zijn eigen naam als op naam van zijn vrouw, [medeverdachte 1] , werden gezet.177

Gelet op de hiervoor weergegeven gang van zaken met betrekking tot deze geldstromen en gelet op de eerdergenoemde jurisprudentie van de Hoge Raad 178is ook ten aanzien van deze facturen sprake van het plegen van valsheid in geschrift.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en de verklaringen van [verdachte] blijkt dat het doel was: het opbouwen van spaarpotten in het buitenland, met aan de eigen onderneming onttrokken geld, en met behulp van valselijk opgemaakte facturen, om zo (zonder daarover inkomstenbelasting te hoeven afdragen) over geld voor privédoeleinden te kunnen beschikken.

Uit deze gang van zaken volgt tevens dat de vals opgemaakte facturen waren bestemd om derden te misleiden.

Aandeel van de medeverdachten

Ten aanzien van de bijdragen van de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aan het voorgaande blijkt uit het dossier het volgende.

Uit de bevindingen ten aanzien van de rol van (mede-)verdachte [medeverdachte 1] blijkt dat zij een actieve rol heeft gespeeld bij, en een essentiële bijdrage heeft geleverd aan, het opmaken van de valse [bedrijf 6] -facturen voor de bedrijven van [naam 11] en [naam 10] , en de verzending ervan, en daarmee aan de instandhouding van de geldstromen.

[medeverdachte 1] was bekend met de opmaak van [bedrijf 6] -facturen.179

In het e-mailaccount van [verdachte] stond de naam [medeverdachte 1] ’ in de contactenlijst van [bedrijf 6] ’. [verdachte] heeft daarover verklaard dat in de beginjaren van [bedrijf 6] was afgesproken dat [medeverdachte 1] ‘de tankreiniging’ en de facturatie zou doen.180 Deze verklaring vindt bevestiging in het dossier in – tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [bedrijf 6] – inbeslaggenomen digitale gegevens. Daarbij is e-mailverkeer uit 2011 aangetroffen, verzonden door [medeverdachte 1] namens [bedrijf 6] , met daarbij gevoegd [bedrijf 6] -facturen. De ten laste gelegde valse [bedrijf 6] -facturen komen qua opmaak overeen met die originele [bedrijf 6] -facturen die [medeverdachte 1] in 2011 heeft verstuurd via het e-mailaccount [mailadres 5]

Dat [medeverdachte 1] een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verzending van de valse [bedrijf 6] -facturen blijkt voorts uit e-mailcorrespondentie.

In het postvak ‘In’ van het e-mailaccount [mailadres 3] zijn e-mailberichten aangetroffen van [medeverdachte 1] , steeds verzonden met het e-mailadres [mailadres 1] .181 In de mailbox zat onder meer een e-mailbericht (met als onderwerp: ‘Commission invoices [bedrijf 1 verdachte ] -april’) verzonden naar het (door [medeverdachte 1] gebruikte) e-mailadres182[mailadres 1].

[verdachte] vraagt [medeverdachte 1] een factuur klaar te maken:

“Goedemorgen lieve schat,

Kun jij onderliggende maken voor [bedrijf 9] ? Ales mag op 1 factuur.

Luve You Xx Vriendelijke groet! Kind regards ? Mit freundlichen Grussen, [verdachte] CEO”.

Daarnaast is een e-mailbericht van 28 mei 2015 aangetroffen, verzonden vanaf [mailadres 6], en gericht aan [verdachte] met als onderwerp ‘brokerage commission’: “Hey Pikkie, Que tal.. Muy bien.. Wil je ff je akkoord geven, dan kan ik de factuur doormailen. (vorige staat op Euro) Hostra Otra. [medeverdachte 1] ” met daarbij gevoegd een bestand met de naam ‘Factuur [bedrijf 9] 2.xls’.183

Ook is een e-mailbericht van 1 juni 2015 van [medeverdachte 1] aangetroffen, verzonden vanaf [mailadres 6] naar zowel [naam 11] als naar [verdachte] , met als onderwerp ‘Brokerage commission’, dat luidt: ‘Good Morning. Hereby the invoice for brokerage commission. Best regards, [medeverdachte 1] ’.

Als bijlage bij laatstgenoemd bericht was een factuur van [bedrijf 6] . gericht [bedrijf 9] . gevoegd.184

Uit de bevindingen op basis van het e-mailaccount [mailadres 3], blijkt dat [medeverdachte 1] ook een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het opmaken van en de verzending van de vals opgemaakte [bedrijf 6] -facturen voor [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . 185

In diverse e-mails van mei 2015 aan [naam 11] refereert [verdachte] aan zijn vrouw, [medeverdachte 1] . In antwoord op een verzoek van [naam 11] : “Please invoice following under one invoice”, zegt [verdachte] : “Ok, thanks for instructions, my wife will do so.”186

In een andere e-mail schrijft [verdachte] : “Pls, inform me the description and the amount the invoices from tankcleaning should be, my wife will make the invoices”.187

In augustus 2015 stuurt [verdachte] de volgende e-mail naar [mailadres 1] :

“Hoi liefie, hier weer een aanzetje voor het factureren, wil je dit weet even doen? Dank.”188

En als vervolg op een e-mail van [naam 10] - die vraagt om facturen te sturen - : “Liefie, kun je nog een tankcleaning maken ? Dank u.”189

[verdachte] heeft tijdens zijn verhoren ten aanzien van zijn vrouw, [medeverdachte 1] , verklaard dat hij haar weleens vroeg om een [bedrijf 6] -factuur op te maken, vooral als hij onderweg was. Hij stuurde haar dan gewoon een oude factuur, of hij zei: “Zo en zo”.

Of hij zette een factuur al klaar en vroeg aan Janine: ‘Joh, wil jij hem effe versturen ?’ En als hij aan [medeverdachte 1] zoiets vroeg, dan deed ze dat.190

[verdachte] vroeg [medeverdachte 1] ook weleens om zo’n factuur – al dan niet na aanpassing – te verzenden en zij maakte ook wel zelf zo’n factuur op. [medeverdachte 1] verzocht [verdachte] meestal later om akkoord te geven.191 [medeverdachte 1] stuurde ook wel zo’n zelfgemaakte [bedrijf 6] -factuur naar [naam 10] . [medeverdachte 1] maakte gebruik van het mailadres [mailadres 1].192

[medeverdachte 1] wist van het bestaan van de [bedrijf 6] -bankrekening op [land 3] . Als [verdachte] privé investeerde, dan probeerde hij dat zoveel mogelijk samen met [medeverdachte 1] te doen. 193

Diverse aangekochte panden stonden tevens op haar naam.

Onderzoek naar de rol van [medeverdachte 3] bij het opmaken en verzenden van vals opgemaakte [bedrijf 6] -facturen, aan de hand van in beslag genomen digitale gegevens en berichten in het e-mailaccount [mailadres 3] leverde het volgende op.194

Er zijn e-mailberichten en facturen aangetroffen die betrekking hebben op het opmaken van [bedrijf 6] -facturen voor ‘cleaning’ of brokerage fee’ voor (onder meer) de bedrijven [bedrijf 7] , [bedrijf 7] , [bedrijf 19] , en [bedrijf 10] ., en de betaling daarvan op een rekening op [land 3] . Op 19 november 2014 mailt [medeverdachte 3] de statuten van [bedrijf 6] . naar de Orcobank op [land 3] voor de opening van een [bedrijf 6] -bankrekening.195

In de computer van [medeverdachte 3] is een excel-bestand aangetroffen genaamd ‘factuur.xlsx’ met verschillende tabbladen met [bedrijf 6] -facturen gericht aan onder meer de bedrijven [bedrijf 10] , (..), en [bedrijf 7] .

Op 29 september 2015 mailt [verdachte] [medeverdachte 3] met de vraag om even een rekening te maken voor [bedrijf 7] voor het spoelen van containers 491 stuks, met als gegevens: Reff. leveringen van invoice, 4501 tot 4618 à USD 100. [verdachte] mailt: “Stuur de rekening maar even naar mij, dan zal ik hem verder sturen, dank alvast.”

[medeverdachte 3] antwoordt dezelfde dag en stuurt dan als bijlage een [bedrijf 6] -factuur van 29 september 2015, met invoicenummer [rekeningnummer 8] , gericht aan [bedrijf 7] te [land 5] voor ‘Cleaning’ van isotanks, met als omschrijving ‘your ref 4501 up to 4718’. Het factuurbedrag is USD 49.100196 wat betaald moet worden op rekeningnummer [rekeningnummer 4] van de Orcobank. In de computer van [medeverdachte 3] is in het excel-bestand, onder tabblad ‘ [bedrijf 7] ’ dezelfde factuur aangetroffen.197

De betaling werd op 1 oktober 2015 op de [bedrijf 6] -bankrekening bij de Orcobank ontvangen.198

In een mail van 6 oktober 2015 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] om voor meerdere bedrijven facturen op te stellen ‘à 100 dollar’, onder meer voor [bedrijf 7] .

Op 26 oktober 2015 stuurt [naam 11] een e-mail naar [verdachte] , met als onderwerp: ‘brokerage invoice [bedrijf 10] - our ref BGF0042015’: “Hi Cees, Please find attached our brokerage invoice for November TK to invoice 130.000 euros accordingly.

Regards, [naam 11] , CEO [bedrijf 10] .”

Een dag later stuurt [verdachte] dit bericht door naar [medeverdachte 3] met het verzoek om: ‘even te kijken’. Bij deze mail zit een bijlage gevoegd met de bestandsnaam: ‘invoice BGT0042015.pdf’, zijnde een factuur van [bedrijf 10] aan [bedrijf 1 verdachte ] van 26 oktober 2015, met factuurnummer BGF0042015, ter hoogte van € 312.000,00.199 De hiermee samenhangende [bedrijf 6] -factuur voor brokerage/ fee is in het excelbestand ‘factuur.xlsx’ van [medeverdachte 3] aangetroffen.200

Op 27 november 2015 wordt een bedrag van (na aftrek kosten) € 129.940,00 ter betaling van die [bedrijf 6] -factuur bijgeschreven op de [bedrijf 6] -rekening van de Orcobank. 201

In de digitale gegevens van [medeverdachte 3] werden meerdere vals opgemaakte [bedrijf 6] -facturen als pdf-bestand aangetroffen. Deze bleken in de officiële boekhouding van [bedrijf 6] niet te zijn opgenomen.202

[verdachte] heeft tijdens zijn verhoor ten aanzien van [medeverdachte 3] verklaard dat hij de leiding had over de afdeling administratie van [bedrijf 6]

[verdachte] verzocht [medeverdachte 3] eind 2014 om de statuten van [bedrijf 6] naar de Orcobank op [land 3] op te sturen, voor het openen van een [bedrijf 6] -bankrekening. Omdat het daardoor mogelijk was om online te bankieren dacht [verdachte] : ‘Dan kan [medeverdachte 3] die facturen ook wel gelijk doen’203 en sindsdien maakte [medeverdachte 3] -facturen op die buiten de boekhouding van [bedrijf 6] werden gehouden.

[medeverdachte 3] stuurde de facturen eerst naar [verdachte] en [verdachte] stuurde ze vervolgens naar de klant. [verdachte] zei ook wel tegen [medeverdachte 3] : ‘Joh, maak even een [bedrijf 6] -factuurtje, als je wil. Dan bekijken we later wel of we hem boeken, ja of nee’, en zo ging dat. [medeverdachte 3] werkte hier aan mee. [verdachte] zei dan vaak eerst ‘Psst’, dan stelde hij geen vragen. ‘Psst’ was het teken: ‘Niks zeggen’. [medeverdachte 3] werkte hieraan mee, omdat zijn baas hem dat vroeg.204

[medeverdachte 3] wist van het bestaan van de rekeningen bij de Orcobank op [land 3] , aldus [verdachte] .205

Op basis van het hierboven omschrevene concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat bij het opmaken van de valse [bedrijf 6] -facturen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .

Over de rol van [medeverdachte 2] verklaarde [verdachte] tijdens zijn verhoren dat hij geen weet had van de verzending van valse [bedrijf 6] -facturen. [medeverdachte 2] was teleurgesteld in [verdachte] toen hij daarover vernam, aldus [verdachte] .

Volledigheidshalve, doch op deze plaats summierlijk, merkt de rechtbank op dat haar ook overigens niet is gebleken van enige betrokkenheid van [medeverdachte 2] ter zake de hiervoor omschreven constructies (geldstromen ‘ [bedrijf 9] /Biogra’ en ‘ [land 5] ’).

Inkomsten op bankrekeningen op [land 3] , verhullen, omzetten en gebruikmaken van gelden/ voorwerpen afkomstig uit enig misdrijf.

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] op 3 november 2015 werd in de keuken, in een handtas van [medeverdachte 1] , een portemonnee aangetroffen, met daarin vijf bankpassen van rekeningen van de Orcobank op [land 3] .206

Uit onderzoek naar gegevens van de Orcobank is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in de ten laste gelegde periode vier privérekeningen en (sinds eind 2014) twee zakelijke [bedrijf 6] bankrekeningen hadden bij de Orcobank op [land 3] .

Uit het onderzoek naar de privérekeningen over de periode 5 augustus 2011 - 30 november 2012 blijkt dat in die periode op die privérekeningen sprake is van inkomsten voor in totaal

€ 342.653,98 207 waarvan een deel afkomstig van betalingen van [bedrijf 6] -facturen:

 Op rekening [rekeningnummer 6] kwam € 24.579,27 binnen, door betaling van [bedrijf 7] -facturen;

 Op rekening [rekeningnummer 7] kwam € 22.224,66 binnen, door betalingen van (..) en [bedrijf 7] (en € 5.000,00 ‘terugbetaling lening’ van [naam 13] ).

Over de periode vanaf december 2012 tot en met december 2016 werd in totaal € 420.774,- ontvangen op privérekeningen op [land 3] , geld dat - in elk geval deels - kan worden gekoppeld aan de bedrijven van [naam 10] (€ 78,120,00 op rekeningnummer [rekeningnummer 6] op basis van ‘ [bedrijf 7] -facturen’). Het overige deel, € 342.654,00 was het resultaat van, onder meer, inkomsten aan verhuur.208

Onderzoek naar de mutaties op de zakelijke [bedrijf 6] -rekening op [land 3] - bij de belastingdienst onbekend209- over de periode 3 december 2014 tot en met 30 november 2016 leidde tot de volgende bevindingen.210

Er is sprake van twee [bedrijf 6] -bankrekeningnummers, een dollarrekening en een euro-rekening.

Dollarrekening ( [numm er] )

Op afschriften211 is te zien dat betalingen worden verricht door onder andere [bedrijf 10] (totaal USD 286.351,30) en [bedrijf 7] (voor totaal USD 103.040,00). Van deze rekening wordt in totaal USD 361.216,24 afgeschreven – afgezien van pinbetalingen en opnamen contant geld, en exclusief bancaire kosten – wegens betalingen/overboekingen aan o.a. privérekeningen, aankopen grond en (kosten van) appartementen. Er wordt geld afgeschreven voor (onder meer): Stichting Derdengelden i.v.m. [naam 1] (tweemaal USD 30.000,00 0- 9 november 2015), St Derdengelden, i.v.m. lev. [naam 1] 7, USD 167.037,04, op 30 november 2015), en in verband met aankoop grond, [verdachte] : USD 28.766,50 (op 28 december 2015).

Op 30 maart 2016 en 6 mei 2016 worden bedragen van USD 2.290,85 en USD 3.168,02 overgemaakt in verband met [naam 1] (o.a. naar de VVE) en op 1 juli 2016 een bedrag van USD 4.703,30 met daarbij als omschrijving: ‘VVE [naam 1] 7 , 9, 15.212

Eurorekening ( [rekeningnummer 5] )

Op afschriften213 is te zien dat vier bedrijven betalingen doen, voor in totaal € 662.467,17. De betalingen zijn afkomstig van (onder meer) [bedrijf 9] (totaal € 81.005,67) en [bedrijf 10] (totaal: € 559.800,00).

Van de rekening wordt in totaal € 615.918,15 afgeschreven. Deze afschrijvingen hielden verband met (onder meer) afschrijvingen naar privérekeningen van [verdachte] en [verdachte] en/of [medeverdachte 1] (bedragen van telkens € 10.000,00 en € 20.000,00, € 30.000,00 en € 25.000,00 op 29 april 2014, 18 juni 2015, 24 september 2015, 14 oktober 2015, 22 oktober 2015), en op 1 december 2015 / 29 december 2015 bedragen van € 92.053,43 en € 93.304,62 onder vermelding van [bedrijf 6] (..) levering [naam 1] , resp. [naam 13] , grond ( [naam 14] ).

Op de zakelijke [bedrijf 6] -rekeningen op [land 3] werd in de periode vanaf november 2014 (openen [bedrijf 6] -rekening [land 3] ) tot eind 2016 ontvangen :

 Op de dollarrekening [rekeningnummer 4] : USD 747.706

 Op de eurorekening [rekeningnummer 5] : € 662.467,-

Samen (omgerekend naar euro’s): € 1.273.380,00.

Aankopen vastgoed [land 3] :

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben een groot deel van het geld dat op de rekeningen bij de Orcobank werd ontvangen op [land 3] geïnvesteerd in onroerend goed.

[verdachte] heeft erkend dat hij het geld dat door betaling van de valse [bedrijf 6] -facturen binnenkwam op de bankrekeningen op [land 3] omzette in onroerend goed (‘Daar koop ik een pandje voor ja.’ ).214Die panden kwamen dan (zoveel mogelijk) op naam van hemzelf en [medeverdachte 1] te staan.215

Het hierna genoemde onroerend goed is (soms deels) gefinancierd met geld van genoemde bankrekeningen bij de Orcobank.

[naam 1] en [naam 2]

Op 23 oktober 2015 kochten [medeverdachte 1] en [verdachte] voor USD 400.000 dollar de appartementsrechten inzake [naam 1] en [naam 2] , gelegen aan [adres 4] resp. aan [adres 5] .216

Het daarvoor benodigde geld dat op de rekening van de notaris [naam 7] op [land 3] werd gestort, was (grotendeels) afkomstig van [bedrijf 10] .217

[naam 3]

Op 3 februari 2016 kochten [verdachte] en [medeverdachte 1] het appartement [naam 3] , gelegen aan [adres 6] van geld op de bankrekeningen op [land 3] . Uit de leveringsakte blijkt dat [naam 3] USD 250.000,00 kostte, en USD 15.000,00 voor roerende zaken.

Het bedrijf [bedrijf 10] stortte op 13 januari 2016 € 263.940,00 op de zakelijke [bedrijf 6] -rekening bij de Orcobank; het saldo was op dat moment € 61.034, 44. Op 29 februari 2016 werd € 263.496, 56 afgeschreven, ten behoeve van de aankoop van [naam 3] . Tussendoor zijn geen andere stortingen gedaan.218

De [naam 1] op [land 3] worden verhuurd.219

[adres 7] 220

Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn stukken aangetroffen over de aankoop van een woning aan [adres 7] - een stuk grond met een te bouwen woonhuis met zwembad. 221

Deze aankoop werd (deels) betaald met geld van een rekening bij de Orcobank op [land 3] , afkomstig uit betalingen op basis van vals opgemaakte facturen.

Op basis van onderzoek naar bankrekeningen van [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de Rabobank en de Orcobank222 is vastgesteld dat de kosten voor de bouw van de woning (à USD 325.000,00) voor ongeveer USD 206.053,00 moet zijn betaald met contante middelen - waarover e-mails zijn aangetroffen - en voor USD 118.000,00 vanaf bankrekeningen, waarvan een fors deel blijkens de omschrijving bij overschrijvingen223, afkomstig vanaf de Orcobankrekening [rekeningnummer 9] op [land 3] .

[adres 7] is later in verhuur gegaan.224

De rechtbank concludeert dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich, naast met het structureel verwerven van gelden afkomstig uit misdrijf (met behulp van valsheid in geschrift – d.i. de facturen – gecreëerde geldstromen), bezighielden met het – telkens – omzetten van dat geld in onroerende goed op [land 3] alsook met het gebruik van die onroerende goederen, door deze te verhuren of te verkopen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede-)plegen van gewoontewitwassen.

Ten aanzien van [medeverdachte 3] is de rechtbank van oordeel dat ook hij hierbij betrokken is geweest. Gelet op de bijdragen van [medeverdachte 3] , te weten het gedurende een langdurige periode, valselijk opmaken en verzenden van [bedrijf 6] -facturen naar de bedrijven van [naam 11] en [naam 10] kan wettig en overtuigend worden bewezen dat hij opzettelijk behulpzaam was bij het door [verdachte] en [medeverdachte 1] (mede)plegen van

(gewoonte-)witwassen.

Contant geld, € 114.350,00, aangetroffen in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] (zaaksdossier 4.4):

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] is een bedrag van in totaal ongeveer € 114.350,00 aan contant geld aangetroffen.

Een groot deel daarvan, ruim € 100.000,00, werd op zolder aangetroffen, deels verborgen in een plastic zak onderin een vaas, en deels (€ 40.000,00) verborgen in een hoge hoed in een hoedendoos.225

[verdachte] heeft aanvankelijk verklaard dat dit contante geld onderdeel uitmaakt van zakelijk geld uit zijn bedrijf; het geld zou afkomstig zijn uit, en volledig te herleiden tot, de boekhouding.226 De aanwezigheid van de grote hoeveelheid aan contanten bleek echter niet te kunnen worden verklaard uit de kasadministratie van [bedrijf 13] , de enige werkmaatschappij van de holding waar sprake is van kasgeld en een kasboek.227

[verdachte] verklaarde tijdens een later verhoor dat het geld het restant is van een hoeveelheid zwart geld, in totaal ongeveer € 175.000,00, dat hij zou hebben overgehouden aan een verkoop van een wagenpark. [verdachte] zou die verkoop zo hebben geregeld om te voorkomen dat kopers, uit Oost-Europa, veel invoerheffingen moesten betalen. [verdachte] zou een deel van de biljetten van € 500,00 nadien hebben omgewisseld in andere coupures.228 [medeverdachte 1] heeft ten aanzien van dit geld geen verklaringen afgelegd.

De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] over de herkomst van het geld in de woning niet aannemelijk.

De door [verdachte] gegeven verklaringen zijn wisselend en tegenstrijdig. De tweede verklaring is onvoldoende geconcretiseerd en niet verifieerbaar. Uit nader onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van het contante geld ook niet verklaard kon worden uit geldopnames van Nederlandse privérekeningen van [verdachte] en [medeverdachte 1] in de periode 2012 - 2016.229

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat genoemde contante bedragen het resultaat zijn van de eerder beschreven geldstromen en de op basis daarvan verkregen inkomsten, aldus afkomstig uit misdrijf.

Ten aanzien van het volledige bedrag, € 114.350,00, acht de rechtbank bewezen dat dit het resultaat is geweest van het eerder beschreven (gewoonte-)witwassen. Het geld was goed verstopt en verborgen, in verschillende hoeveelheden en op diverse opmerkelijke plekken in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] .

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich ook ten aanzien van die geldbedragen schuldig hebben gemaakt aan (gewoonte-)witwassen waarbij de verhullingshandelingen hebben bestaan uit het verstoppen van de gelden op hoogst ongebruikelijke plekken zoals hiervoor beschreven, naar de uiterlijke verschijningsvorm kennelijk om de gelden buiten het zicht van bijvoorbeeld de belastingdienst te houden.

Conclusie, feit 2 en feit 3

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat sprake is geweest van verduistering van gelden van [bedrijf 5] Bvba voor een bedrag van meer dan één miljoen, en van valsheid in geschrift door het opmaken van valse facturen uit naam van [bedrijf 4] en van [bedrijf 6] en valse leenovereenkomsten en het gebruikmaken daarvan.

Voorts is vastgesteld dat ook gebruik is gemaakt van valselijk opgemaakte [bedrijf 6] -facturen met de bedoeling om, buiten het zicht van de belastingdienst, privérekeningen en zakelijke rekeningen op [land 3] - middels de hiervoor beschreven geldstromen - te spekken met geld dat aan [bedrijf 13] is onttrokken, immers zonder geldige titel aangewend voor privédoeleinden en daarmee wederrechtelijk toegeëigend, gelijk de werkwijze ten aanzien van [bedrijf 5] .

De rechtbank is, gelet op de hiervoor weergegeven gedragingen in samenhang bezien, die de rechtbank in dit verband redengevend acht, van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde geldbedrag van drie miljoen en de daarmee aangekochte onroerende goederen afkomstig zijn uit misdrijf en acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] dat geld en die voorwerpen hebben witgewassen, door die gelden te verwerven en voorhanden te hebben en (grotendeels) om te zetten en/of te gebruiken.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede-)plegen van (gewoonte-)witwassen.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank in dit vonnis summierlijk op dat ook [medeverdachte 3] aan de strafbare gedragingen opzettelijk heeft bijgedragen in de vorm van medeplichtigheid.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1

[bedrijf 1 verdachte ] in de periode van 1 december 2013 tot 30 maart 2014 in Nederland,

drie biotickets - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

immers heeft [bedrijf 1 verdachte ] in strijd met de waarheid op

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 1] d.d. 02 december 2013 (DOC-088, p. 6140) verklaard dat zij 1.090.900 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2013 op de Nederlandse markt had gebracht, en

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 2] d.d. 11 februari 2014

(DOC-092, p. 6144) verklaard dat zij 4.500.000 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2014 op de Nederlandse markt had gebracht, en

 het bioticket van [bedrijf 1 verdachte ] . en [bedrijf 3] d.d. 15 maart 2014 (DOC-095, p. 6150) verklaard dat zij 3.000.000 liter biobrandstof ten behoeve van wegvoertuigen en mobiele machines in 2014 op de Nederlandse markt had gebracht,

zulks, terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

2.

hij in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 in Nederland en in Bonaire, tezamen en in vereniging met anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

hebben hij en zijn mededaders

 geldbedragen, (tot een totaalbedrag van ongeveer 3 miljoen euro: [bedrijf 5] , ORCO bankrekeningen) en/of

 de woning en bedrijfsruimte gelegen aan [adres 2] , en

 de woning gelegen aan [adres 3] , en

 het appartement ( [naam 1] ) gelegen aan [adres 4] , en

 het appartement ( [naam 2] ) gelegen aan [adres 5] en

 het appartement ( [naam 3] ) gelegen aan [adres 6] , en

 de woning gelegen aan [adres 7] ,

verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerpen gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, dat die gelden en woningen - onmiddellijk of middellijk - (deels) afkomstig waren uit enig misdrijf.

3

hij in de periode vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016, in Nederland en/of Bonaire en/of elders buiten Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

 [bedrijf 6] factu(u)ren en facturen van [bedrijf 4] , en

 leenovereenkomsten, en

 de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ,

zijnde geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen -,

valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

immers heeft hij, al dan niet tezamen en in vereniging met zijn mededaders, in strijd met de

waarheid

op facturen vermeld en/of doen vermelden dat er diensten geleverd zijn, terwijl er niet of slechts deels werd geleverd, en/of dat er kosten zijn gemaakt, onder meer op de factuur

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 7] d.d. 31 mei 2012 (Doc-328, p. 7213), vermeld en/of doen vermelden dat er in mei 2012 dertig containers zijn gereinigd, en

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 8] d.d. 14 juni 2012 (Doc-351, p. 9211), vermeld en/of doen vermelden dat er in juni 2012 zevenentwintig containers zijn gereinigd, en

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 9] d.d. 2 februari 2015 (Doc-386, p. 7269), vermeld en/of doen vermelden dat er 2,040.381 MT isotanks zijn gereinigd en/of geïnspecteerd, en

 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 10] d.d. 7 januari 2016 (Doc 751, p. 9211), vermeld en/of doen vermelden dat er EUR 244.000 courage-kosten zijn gemaakt, en

 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] d.d. 11 maart 2015 (Doc-032, p. 6092), vermeld en/of doen vermelden dat er voorbereidingskosten 2014 inzake [bedrijf 11] ter hoogte van EUR 25.000 zijn gemaakt, en

 van [bedrijf 4] aan [bedrijf 12] d.d. 27 oktober 2015 (Doc-294, p. 7094), vermeld en/of doen vermelden dat er provisiekosten voor 126.380 kilogram in week 2015-43 zijn gemaakt,

en op twee leenovereenkomsten:

 d.d. 16 april 2012 (DOC-305, p. 7162) vermeld en/of doen vermelden dat [bedrijf 8] op 16 april 2012 357.000 EUR aan [verdachte] uitleent en/of dat [verdachte] daartoe de overeenkomst op 16 april 2012 heeft getekend, en

 d.d. 8 juli 2012 (DOC-248, p. 6519) vermeld en/of doen vermelden dat [bedrijf 8] op 8 juli 2012 820.000 EUR aan [verdachte] uitleent en/of dat [verdachte] daartoe de overeenkomst op 8 juli 2012 heeft getekend,

immers heeft hij voornoemde facturen en leenovereenkomsten (laten)

opnemen of opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en [bedrijf 5]

en

heeft hij toen en aldaar, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk gebruik gemaakt van die valse facturen en die valse leenovereenkomsten,

zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat

 voornoemde valse facturen en leenovereenkomsten aan accountants en werknemers van accountantskantoor [naam 5] en inspecteurs van de belastingdienst zijn getoond en/of overgelegd en/of verstuurd

en opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5]

en

 voornoemde valse facturen zijn verzonden naar die [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 10] en/of [bedrijf 5] Bvba.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225 lid 1 en 2 en artikel 420ter

van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf:

medeplegen van gewoontewitwassen.

feit 3:

het misdrijf:

de voortgezette handeling van het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat enerzijds sprake is geweest van een beredeneerde en geraffineerde werkwijze, puur ten behoeve van zelfverrijking. Anderzijds heeft [verdachte] tijdens het opsporingsonderzoek een meewerkende houding getoond.

De officier van justitie heeft gewezen op de straftoemetingsrichtlijnen van het openbaar ministerie ter zake van witwassen. Die richtlijn gaat voor het geval dat sprake is van witwassen van gelden afkomstig uit eigen misdrijf, bij een bedrag van één miljoen, uit van een gevangenisstraf van 40 maanden.

De officier van justitie heeft daarnaast de verbeurdverklaring van de woning aan de [adres 3] , en de appartementen [naam 1] , [adres 5] en [adres 6] en [adres 7] op [land 3] gevorderd, nu deze het resultaat zijn van begane misdrijven. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om ten aanzien van de waarde van die woningen een schatting te maken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien het komt tot een veroordeling van verdachte, bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de relatief beperkte ernst van de feiten en de ouderdom ervan.

De gevolgen van onderhavig strafproces zijn desastreus voor verdachte en zijn bedrijven. Het openbaar ministerie heeft inmiddels op het hele vermogen van verdachte en [bedrijf 1 verdachte ] . beslag gelegd. Het gaat nu zodanig slecht met het bedrijf dat de echtgenote van verdachte een deel van het personeel naar huis heeft moeten sturen.

De raadslieden hebben verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van verdachte - die tijdens het opsporingsonderzoek heeft meegewerkt (Kleisteen 2) en openheid van zaken heeft gegeven - en de negatieve media-aandacht die de zaak heeft gekregen. Verdachte heeft het vertrouwen van vrienden, kennissen, personeelsleden en familie- en gezinsleden verloren. Hij is een gebroken man.

De financiële benadeling treft vooral de belastingdienst. Dat fiscale nadeel is echter al ruimschoots terugbetaald. Er zijn hoge vergrijpboetes opgelegd en reeds voldaan.

Het is maar de vraag of, mocht de rechtbank denken aan een gevangenisstraf, een detentie nog enig strafdoel dient, mede gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop.

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte in elk geval geen zwaardere straf op te leggen dan een voorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een werkstraf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en aan (gewoonte-)witwassen. Hierbij is over een periode van vier jaar een substantieel geldbedrag van circa drie miljoen euro ten behoeve van privédoeleinden onttrokken aan rechtspersonen waarover verdachte zeggenschap had. Het aldus verkregen geld werd grotendeels omgezet in onroerende zaken in Nederland en op Bonaire.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door één van zijn B.V.’s, tijdens de handel in biotickets.

Bij dit strafbare handelen ging het om een bedrag van in totaal circa twee miljoen euro.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de bepalende en leidinggevende rol die verdachte in het hiervoor genoemde strafbare handelen heeft gespeeld, de omvang van de periode waarin het strafbare handelen zich heeft voorgedaan en de omvang van het witgewassen geldbedrag.

Het was verdachte die telkens het initiatief nam tot het hiervoor weergegeven strafbare handelen en die anderen - personeel van zijn ondernemingen en zijn echtgenote - daarin heeft meegezogen.

Zijn belangrijkste drijfveer daarbij was het eigen financieel gewin.

Het handelen van de verdachte getuigt van een grote mate van brutaliteit en tegelijkertijd van een ernstige mate aan onverschilligheid ten aanzien van de regelgeving en het belang van een gezonde bedrijfsvoering voor zijn ondernemingen.

De rechtbank acht de feiten zeer ernstig en rekent deze de verdachte zwaar aan.

De oriëntatiepunten van de LOVS gaan voor een geval van fraude/witwassen ten aanzien van een geldbedrag van € 1.000.000,- of meer uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een duur gelegen tussen 24 maanden en de maximale strafbedreiging van 6 jaren.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er nadrukkelijk rekening mee dat verdachte, nadat hij werd betrapt en met de onderzoeksbevindingen geconfronteerd, goed heeft meegewerkt in het opsporingsonderzoek.

In verdachtes voordeel weegt de rechtbank ook mee dat uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 29 januari 2019 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Wel past de rechtbank formeel het bepaalde in artikel 63 Sr toe in verband met een strafbeschikking die op 17 april 2017 aan verdachte is opgelegd wegens overtreding van het Asbestverwijderingsbesluit.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in verdachtes voordeel nog rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.

Op 3 november 2015 is de woning van verdachte en een bedrijfspand doorzocht - in het onderzoek Kleisteen 1 - zodat toen duidelijk was dat sprake was van een strafrechtelijke verdenking. Dit vonnis wordt uitgesproken op 22 augustus 2019.

De redelijke termijn is met een periode van één jaar en tien maanden geschonden.

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad dient in een geval als het onderhavige (schending van de redelijke termijn met een periode langer dan twaalf maanden) te worden geoordeeld ‘naar bevind van zaken’.230

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van een duur als hierna vermeld, waarvan een deel voorwaardelijk wordt opgelegd, als waarschuwing aan het adres van verdachte zich in de toekomst niet opnieuw schuldig te maken aan frauduleus handelen.

7.4

De (conservatoir) inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank gaat niet mee in de eis van de officier van justitie strekkende tot een verbeurdverklaring van de conservatoir inbeslaggenomen onroerende zaken, gelegen te [plaats 1] en op [land 3] .

De rechtbank is van oordeel dat het daarvoor over onvoldoende gegevens beschikt ten aanzien van de waarde van deze onroerende zaken.

Omdat verbeurdverklaring een bijkomende straf is, kan zonder een goede waardebepaling de zwaarte van de totale straf niet worden beoordeeld. In dit licht wreekt zich dat het aangekondigde strafrechtelijk financieel onderzoek (kennelijk) nog niet is afgerond.

De rechtbank acht het daarnaast vanuit het oogpunt van wetssystematiek juister om in het kader van de aangekondigde ontnemingsprocedure te bezien of en in hoeverre ontneming van de (waarde van de) inbeslaggenomen onroerende zaken gerechtvaardigd is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 47, 51, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

- wijst af het (voorwaardelijk) verzoek tot horen van de getuige [getuige 1] ;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

feit 2

medeplegen van gewoontewitwassen.

feit 3:

de voortgezette handeling van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. G.H. Meijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op: 22 augustus 2019.

1 Kamerstukken II, 2010/11, 31209, 150.

2 Zie tekst en commentaar bij de artikelen 420bis Sr, 225 Sr en de AWR.

3 IBN-002, pag. 5293 e.v. en IBN-010, pag. 5337 e.v.: processen-verbaal van doorzoeking woning en bedrijfspanden.

4 Opmerking rechtbank: [naam 6] overleed op 3 juni 2016, zie pag. 1013, algemeen dossier, verloop onderzoek.

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 0113330 201505051ZK. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

6 Regeling Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 2 mei 2011, nr. BJZ 2011044006, Staatscourant 2011, nr. 823511, mei 2011.

7 Proces-verbaal inzake het juridisch kader met betrekking tot de handel in biotickets in relatie tot artikel 225 Wetboek van Strafrecht, pag. 3058 – 3059.

8 Proces-verbaal inzake het juridisch kader met betrekking tot de handel in biotickets in relatie tot artikel 225 Wetboek van Strafrecht, pag. 3060.

9 Aangifte NEa 20 mei 2015, DOC-001, map 6, pag. 00076.

10 Proces-verbaal van bevindingen bedrijvenstructuur [bedrijf 2 verdachte ] , AMB-001, map 3, pag. 3007.

11 Aangifte NEa, DOC-001, pag. 6027 - 6030.

12 Processen-verbaal van verhoor van de getuigen [getuigen] , G01-001, pag. 4117, G02-001 pag. 4121, G04-001, pag. 4127.

13 [bedrijf 20] , DOC-020, pag. 6077 – 6078; bioticket [bedrijf 2] DOC-021, pag. 6081 - 6082; bioticket [bedrijf 3] , DOC-022 : pag. 6085 - 6085.

14 Processen-verbaal van bevindingen betreffende de door [bedrijf 1 verdachte ] . ontvangen gelden i.v.m. verkoop biotickets aan Van [bedrijf 1] map 3, AMB-011, pag. 3018-3019, [bedrijf 2] AMB-012, map 3, pag. 3020-3021 en [bedrijf 3] , map 3, en proces-verbaal betreffende door [bedrijf 1 verdachte ] . ontvangen gelden uit hoofde van verkochte biotickets, AMB-013, pag. 3022-3023.

15 DOC-348, berekening NEa tekort 2014, [bedrijf 1 verdachte ] ., map 7, pag. 7237.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-001, map 2, pag. 2057.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, V01-001, map 2, pag. 2056 – 2057.

18 Verhoor van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, pag. 4, 5, 6.

19 Verhoor van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, pag. 8.

20 Verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, pag. 3.

21 Verhoor van verhoor van getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris, pag. 5.

22 Map 10: aanvullend dossier, met weergave telefoongesprekken STX (tevens digitaal verstrekt aan de rechtbank en beschikbaar op cd.) AMB-203, map 10, pag. 10 024.

23 Print STX telefoongesprekken, map 10, DOC-843, pag. 10074, gesprek 176.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01-001, pag. 4008-4009.

25 HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4449; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001.

26 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer Ol3330 201505051ZK. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

27 Proces-verbaal IBN-002, pag. 5293 e.v. en IBN-010, pag. 5337 e.v.

28 Algemeen dossier, verloop onderzoek, pag. 1012.

29 Idem, pag. 1012.

30 Proces-verbaal zaaksdossier 4.1 [bedrijf 5] , pag. 2261 – 2265.

31 AMB-001, proces-verbaal bevindingen bedrijvenstructuur van de [verdachte] holding, pag. 3007.

32 Idem, AMB-001, pag. 3007 e.v..

33 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] , AMB-100, pag. 3274.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte, V01-002, pag. 4013.

35 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] , AMB-100, pag. 3275.

36 Proces-verbaal van verdenking van witwassen en valsheid in geschrift, AMB-019, pag. 3030 e.v., i.h.b. pag. 3032, en beslaglijst rc, C08.08.001, pag. 5317.

37 Idem, AMB-019, pag. 3032.

38 Idem, AMB-019, pag. 3034, 3035, 3037.

39 Map 3, proces-verbaal van bevindingen Aankoop en verkoop [adres 2] met geld [bedrijf 5] , AMB-048 en proces-verbaal van bevindingen financiering [adres 3] , AMB-058.

40 Proces-verbaal van bevindingen Lening aan [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] pag. 3156 e.v. en DOC-260: overzicht mutaties grootboekrekeningen [bedrijf 5] over 2012, pag. 7032.

41 Idem, pag. 3104, zie ook proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerkingen van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’ binnen [bedrijf 5] , AMB-180, pag. 3466 e.v. en DOC-318, pag. 7208, brief notariskantoor de Jonge.

42 Proces-verbaal van bevindingen geldstromen [adres 2] in [plaats 1] , AMB-048, pag. 3072 – 3077; en DOC-203, pag. 6318 e.v.

43 Proces-verbaal van bevindingen geldstromen [adres 2] in [plaats 1] , AMB-048, map 3, pag. 3073 en proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerkingen van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’ binnen [bedrijf 5] BVBA, map 3, AMB-180, pag. 3467.

44 Proces-verbaal van bevindingen geldstromen [adres 2] in [plaats 1] , AMB-048, map 3, pag. 3073.

45 Proces-verbaal van bevindingen Geldstromen [adres 2] te [plaats 1] , map 3, pag. 3073.

46 Stukken kadaster m.b.t. [adres 3] [plaats 1] , DOC-251, DOC-252, pag. 7003, en Proces-verbaal van bevindingen financiering [adres 3] , AMB-058, map 3, pag. 3101 e.v.

47 Kadastraal bericht [adres 3] , [plaats 1] , DOC-242, map 6, pag. 6496 e.v..

48 Akte levering kadaster DOC-244, map 6, pag. 6500, bevestiging derdengeldrekening notaris, DOC-319, pag. 7209, mutatie grootboekrekening [bedrijf 5] , DOC-260, pag. 7032.

49 Verslag verhoor [bedrijfsleider] , RHV-003-D, pag. 5439 e.v., tot 7 juli 2016 bedrijfsleider van [bedrijf 5] .

50 DOC-772, [bedrijf 5] -factuur d.d. 2 juli 2012 gericht aan [bedrijf 16] , pag. 9242.

51 Verhoor [bedrijfsleider] , map 5, RHV-003-D, pag. 5441 – 5444, proces-verbaal van bevindingen m.b.t. boekhoudkundige verwerking van [bedrijf 5] betaalde gelden t.b.v. aankoop onroerend goederen, AMB-133, pag. 3391 e.v., en AMB-058 pag. 3104, en DOC-772 factuur gericht aan [bedrijf 16] 2 juli 2012, pag. 9242.

52 Proces-verbaal van eerste verhoor van [bedrijfsleider] , RHV-003-D, pag. 5439 e.v.

53 Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de boekhoudkundige verwerking van door [bedrijf 5] BvbA betaalde gelden ten behoeve va aankoop onroerende goederen [verdachte] en [medeverdachte 1] in privé, map 3, AMB-133, pag. 3391, i.h.b. pag. 3395.

54 Grootboekrekening, DOC-260, pag. 7032.

55 Verhoor [bedrijfsleider] , map 5, RHV-003-D, pag. 5444, en AMB-180, map 3, proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerking van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’ binnen [bedrijf 5] BVBA, AMB-180, pag. 3468.

56 DOC-435, mail 24 april 2013, pag. 7314.

57 [bedrijf 5] BVBA was dochter van [bedrijf 13] BV. [bedrijf 13] is onderdeel van de [verdachte] Holding. [verdachte] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2 verdachte ] en bestuurder van [bedrijf 13] en AMB-180, map 3, proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerking van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’ binnen [bedrijf 5] BVBA, AMB-180, pag. 3468.

58 AMB-133 (zie hiervoor), map 3, pag. 3391 e.v., AMB-180 (zie hiervoor), pag. 3468, DOC-772 (factuur [bedrijf 5] aan [bedrijf 16] , 2 juli 2012,) pag. 9242 en DOC-775 (factuur [bedrijf 17] B.V. aan [bedrijf 5] d.d. 30 september 2012), pag. 9245.

59 AMB-133 (zie hiervoor), map 3, pag. 3391 e.v.

60 AMB-180, proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerking van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’, i.h.b. pag. 3468.

61 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de administratieve verwerking van de ‘leningen [medeverdachte 1] ’ binnen [bedrijf 5] BVBA, AMB-180, pag. 3468; en proces-verbaal van bevindingen Lening aan [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] BVBA, AMB-073, pag. 3158.

62 Pv van verhoor [verdachte] , V01-003, pag. 2074-2075.

63 Pv van verhoor [verdachte] , V01-003, pag. 2074.

64 Proces-verbaal bevindingen lening [medeverdachte 1] aan [bedrijf 5] , AMB-073, pag. 3158, en DOC-437, emailwisseling [naam 4] – [bedrijfsleider] , map 7, pag. 7320.

65 Proces-verbaal van bevindingen lening aan [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] , AMB-073, map 3, pag. 3159-3160 en mailwisseling [naam 9] van [naam 5] naar [medeverdachte 1] , DOC-442, map 7, pag. 7337.

66 AMB-073 (zie hiervoor), pag. 3159.

67 AMB-073, map 3, pag. 3159-3160, en mailwisseling [naam 9] aan [verdachte] en [verdachte] aan [medeverdachte 2] , DOC-442, map 7, pag. 7337.

68 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] , V-01-001, pag. 2055.

69 AMB-065, proces-verbaal van bevindingen ‘Leenovereenkomsten [bedrijf 8] ’, map 3 pag. 3134 e.v.)

70 DOC-248, leenovereenkomst [bedrijf 8] , 8 juli 2012, pag. 6519.

71 DOC-305, leenovereenkomst [bedrijf 8] , 16 april 2012, pag. 7162.

72 DOC-534, leenovereenkomst [bedrijf 8] - [verdachte] , 15 oktober 2012, pag. 7463.

73 Doc-535, pag. 7464, leenovk 15-10-2012, DOC-536 en leenovk 15-10-2012, DOC-537, en proces-verbaal van bevindingen Leenovereenkomsten [bedrijf 8] , AMB-065, map 3, pag 3134 e.v. en AMB-085, proces-verbaal van bevindingen totstandkoming van drie leenovereenkomsten, map 3, pag. 3197 e.v.

74 DOC-542, leenovk 8 juli 2012, pag. 7471.

75 DOC-308, leenovk, 16 april 2012, pag. 7187.

76 Proces-verbaal van onderzoek gebruik Gmailaccounts, AMB-079, pag. 3172.

77 Verklaring verdachte [medeverdachte 2] , ter terechtzitting 4 juli 2019.

78 DOC-543, mail [medeverdachte 1] , pag. 7472.

79 DOC-544, mail [verdachte] , pag. 7473, DOC-308 leenovk 16 april 2012, pag. 7187, en mail [verdachte] DOC-545, 16-7-2014, pag. 7474.

80 Proces-verbaal van bevindingen belastinggegevens AMB-028, map 3, pag. 3047, belastingaangifte [verdachte] 2013, DOC-103 pag. 6185 en belastingaangifte [medeverdachte 1] over 2013, DOC-107, pag. 6216 en 6217.

81 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-003, map 2, pag. 2073 e.v.

82 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] , AMB-100, pag. 3274 en uittreksel KvK [bedrijf 4] , DOC-523, pag. 7445.

83 DOC-032 tot en met DOC-057, pag. 6092 e.v., facturen [bedrijf 4] .

84 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] , AMB 100, map 3, pag. 3275.

85 Gegevens zakelijke rekening [bedrijf 4] , DOC-524, pag. 7446.

86 AMB-100 (zie hiervoor), pag. 3274 en 3277 en factuur, DOC-032, pag. 6092.

87 Proces-verbaal van verdenking van witwassen en valsheid in geschrift, AMB-019, pag. 3032.

88 Proces-verbaal ‘kasrondje’ [bedrijf 4] , AMB-62, pag. 3127 e.v.

89 Facturen [bedrijf 4] , DOC-277 tot en met DOC 287, pag. 7077 – 7087.

90 Proces-verbaal ‘kasrondje’ [bedrijf 4] , AMB-062, pag. 3127 e.v., proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] AMB-100, pag. 3274 en proces-verbaal van bevindingen valse facturen [medeverdachte 1] , AMB-121, pag. 3330 e.v..

91 Proces-verbaal van bevindingen valse facturen [bedrijf 4] , AMB-121, pag. 3333.

92 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , V-01-003, pag. 2070 en 2076.

93 Proces-verbaal ‘Kasrondje [medeverdachte 1] ’, AMB-062, pag. 3128 en 3129, AMB-100 (zie hiervoor), AMB-121 (zie hiervoor).

94 Grootboekrekening, DOC-773, pag. 9243

95 AMB-062 (zie hiervoor), pag. 3129.

96 Proces-verbaal van bevindingen valse facturen [bedrijf 4] , AMB -121, pag. 3331-3332.

97 Proces-verbaal van bevindingen vergelijking facturen [bedrijf 4] en [bedrijf 18] AMB-107, pag. 3312 e.v. , AMB-121, pag. 3332, en mail [bedrijfsleider] aan [medeverdachte 2] , DOC-589, pag. 8284.

98 Facturen van [bedrijf 4] aan [bedrijf 12] , DOC-288 tot en met 294, pag. 7088 e.v.

99 KvK uittreksel [bedrijf 12] DOC-685, pag. 9032.

100 DOC-294, pag. 7094.

101 Pv van bevindingen ‘kasrondje’ [bedrijf 4] , AMB-062, pag. 3129-3130 en proces-verbaal van bevindingen vergelijking facturen [bedrijf 4] en [bedrijf 18] AMB-107, pag. 3312-3313.

102 Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming IBN-010, pag. 5337, i.h.b. pag. 5341.

103 Pv van verhoor [verdachte] , V01-003, pag. 2074-2075.

104 Proces-verbaal van bevindingen [bedrijf 4] , AMB-100, map 3, pag. 3277 en TAP-02-004, pag. 5282.

105 AMB-100 (zie hiervoor), pag. 3275, AMB-062 (zie hiervoor), pag. 3127 en AMB-122 (zie hiervoor), pag. 3337.

106 DOC-525, Mailberichten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , pag. 7447.

107 TAP-01-005, pag. 5256 en TAP-02-002, pag. 5279.

108 AMB-062, pag. 3130- 3131, en DOC-304, pag. 7161, DOC-295, pag. 7095, pag. DOC-032, factuur 11-3-2015, pag. 6092.

109 DOC-296, mail [bedrijfsleider] aan [medeverdachte 3] , pag. 7097.

110 DOC-298, mail [bedrijfsleider] aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] , pag 7101.

111 DOC-741, mailbericht [medeverdachte 1] , pag. 9185.

112 AMB-100 (zie hiervoor), pag. 3275-3276 en zie TAP-02-001 pag. 5278, TAP-02-005 pag. 5283, TAP-02-004 pag. 5285, TAP-02-002 pag. 5279, TAP-01-005, pag. 5256.

113 Pv van bevindingen lening aan [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] , AMB-073, pag. 3161, en TAP-02-003, pag. 5280 – 5281.

114 Idem, pag. 5280 – 5281.

115 TAP-02-001, pag. 5278.

116 TAP-02-005, pag. 5283.

117 TAP-0l -005, pag. 5257.

118 AMB-155, pag. 3428 en TAP-02-003, pag. 5280.

119 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-003, pag. 2075, 2076 en V-01-006, pag. 2091.

120 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , pag. 2100 – 2104.

121 Proces-verbaal van verhoor V01-003, pag. 2074.

122 Proces-verbaal van verhoor V 01-002, pag. 2070.

123 O.a. ECLI:NL:HR:2017:222, Hoge Raad 14 februari 2017.

124 Pv van bevindingen lening aan [medeverdachte 1] van [bedrijf 5] , AMB-073, pag. 3161, en TAP-02-003, pag. 5280 – 5281.

125 Proces-verbaal van bevindingen boekhouding [bedrijf 1 verdachte ] m.b.t. facturen [bedrijf 9] en [bedrijf 10] , AMB -086, map 3, pag. 3210.

126 DOC-359: Factuur [bedrijf 9] aan [bedrijf 1 verdachte ] , 24 okt. 2014, DOC-361: Idem, factuur 23 dec. 2014, DOC-363: Idem, factuur 10 dec. 2014.

127 AMB-086 (zie hiervoor), map 3, pag. 3208.

128 AMB-086 (zie hiervoor), map 3, pag. 3207-3211 en proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de facturen van [bedrijf 9] en het verband met facturen op naam van TTC, AMB-152, pag. 3418-3419.

129 Proces-verbaal ontvangst FIU melding, AMB-091, map 3, pag. 3227 en proces-verbaal van bevindingen i.v.m. de oprichting van [bedrijf 10] , AMB -105, map 3, pag. 3297, en DOC-574, pag. 8189.

130 AMB-086 (zie hiervoor), map 3, pag. 3208.

131 AMB-86 (zie hiervoor), map 3, pag. 3207-3211 en AMB-152 (zie hiervoor), pag. 3418-3419..

132 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V.01-002, pag. 2069, 2072.

133 Proces-verbaal van bevindingen betalen & doorbetalen provisie m.b.v. valse facturen [bedrijf 6] ., AMB-131, map 3, pag. 3385 e.v. en mailwisseling [naam 11] met [verdachte] , dec 2014 – feb. 2015, DOC-382, pag. 7264, DOC-383, pag. 7266; DOC-384, pag. 7267

134 DOC-382, emailbericht [verdachte] aan [naam 11] , pag. 7264.

135 DOC-382, emailbericht, pag. 7264.

136 DOC-386, factuur TTC 2 februari 2015, pag. 7269.

137 DOC-383, mailbericht van [naam 11] aan [verdachte] , 19 jan. 2015, pag. 7266.

138 DOC-386, TTC factuur, pag. 7269.

139 Proces-verbaal van bevindingen betalingen valse [bedrijf 6] door [bedrijf 9] , AMB-067, map 3, pag. 3143 e.v.

140 Proces-verbaal vergelijking facturen TTC, AMB-095, map 3, pag. 3256.

141 Proces-verbaal van bevindingen betalen & doorbetalen ‘provisie’ m.b.v. valse facturen [bedrijf 6] , AMB-131, pag. 3385 e.v. en proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de facturen [bedrijf 9] en het verband met facturen op naam van TTC, AMB-152, pag. 3419.

142 Proces-verbaal betreffende [bedrijf 10] en [bedrijf 6] met betrekking tot factuur BGF001/2015, AMB-080, map 3, pag. 3174 e.v.

143 Proces-verbaal tapgesprekken 26 oktober 2015, AMB-132, pag. 3389, AMB-170, map 3, pag. 3445 e.v. en TAP-01-001, pag. 5249.

144 AMB-132 (zie hiervoor) pag. 3389 en TAP-01-002, pag. 5252.

145 Doc 751, factuur [bedrijf 6] aan [bedrijf 10] , pag. 9211.

146 O.a. AMB-080 (zie hiervoor), m.b.t. betaling van TTC-facturen vanaf een bankrekening t.n.v. [bedrijf 10] , pag. 3174 e.v.

147 Proces-verbaal van bevindingen betalingen valse [bedrijf 6] door [bedrijf 9] , AMB-067, pag. 3143 e.v. en AMB-144, pag. 3410, AMB-152 (zie hiervoor), pag. 3419.

148 AMB-067 (zie hiervoor), pag. 3143 e.v.

149 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2069.

150 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2068.

151 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-005, pag. 2085.

152 DOC-633, email [verdachte] naar [naam 11] van 26 mei 2015, pag. 8381.

153 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2071 en 2075.

154 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2070, en V01-008, pag. 2103.

155 Akte van openbaarmaking, t.a.v. [bedrijf 7] en [bedrijf 8] DOC-306A, pag. 7184 – 7185.

156 Idem, pag. 3270.

157 Proces-verbaal van bevindingen facturen TTC in map Orcobank AMB-066, pag 3139 e.v. en beslaglijst rc, C08.05.002, pag. 5316.

158 Proces-verbaal van bevindingen facturen TTC in map Orcobank AMB-066, pag. 3139, en (o.a.) DOC-328, TTC-factuur 31 mei 2012, pag. 7213 en DOC-351, TTC-factuur 16 juni 2012, pag. 7240.

159 Procesverbaal van bevindingen facturen TTC in map Orcobank AMB-066, pag. 3141.

160 Proces-verbaal van bevindingen ophogen facturen [bedrijf 7] , AMB-098, pag. 3266 e.v. en proces-verbaal van bevindingen ophogen facturen [bedrijf 7] met factor Clean AMB-120, pag. 3326 e.v.

161 Proces-verbaal van bevindingen betalingen twaalf [bedrijf 6] AMB-090, pag. 3225 – 3226.

162 Proces-verbaal van bevindingen ophogen facturen [bedrijf 7] AMB-098, pag. 3266 e.v.

163 Mail [naam 10] – [medeverdachte 1] , DOC-502, pag. 7416.

164 AMB-098 (zie hiervoor), pag. 3267.

165 AMB-098 (zie hiervoor), pag. 3269.

166 DOC-511 lijst TTC-facturen aan [bedrijf 7] d.d. 26-08-2014, pag. 7425.

167 AMB-098, pag. 3270.

168 AMB-098, pag. 3269 en 3270.

169 Proces-verbaal van bevindingen ophogen facturen [bedrijf 7] met factor ‘Clean’, AMB-120, pag. 3326 e.v. en DOC-599, mail [naam 10] aan [medeverdachte 1] , 19 feb. 2015, pag. 8285.

170 AMB-120 (zie hiervoor), pag. 3329.

171 DOC-328, pag. 7213.

172 DOC-351, pag. 7240.

173 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , V01-005, pag. 2083.

174 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , V01-005, pag. 2083.

175 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , V01-005, pag. 2082 en 2084.

176 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2069.

177 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2060 en V01-008, pag. 2103.

178 O.a. ECLI:NL:HR:2017:222, Hoge Raad 14 februari 2017.

179 Proces-verbaal onderzoek opmaken TTC-facturen door [medeverdachte 1] , AMB-150, pag. 3417.

180 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , V01-006, pag. 2.

181 DOC-631, pag. 8379.

182 Proces-verbaal van bevindingen email [verdachte] , AMB-128, pag. 3369 e.v.

183 Mail Janine [medeverdachte 1] naar [verdachte] , DOC-396, pag. 7280.

184 DOC-397, emailbericht pag. 7282, en DOC-398 (bijlage: TTC-factuur 25 mei 2015, aan [bedrijf 9] ), pag. 7283.

185 Proces-verbaal van bevindingen email [verdachte] , AMB-128, pag. 3369 en 3370.

186 DOC-633, e-mailbericht 26 mei 2015, pag. 8381.

187 DOC-634, e-mailberichten 20 mei 2015, pag. 8383.

188 DOC-635, e-mailbericht 5 maart 2015, pag. 8387.

189 DOC-636, e-mailberichten 20 en 21 augustus 2015, pag. 8390.

190 Pv van verhoor [verdachte] , V-01-002, pag. 2069 - 2071.

191 Pv van verhoor [verdachte] , V-01-005 pag. 2084, DOC-395, pag. 7243 en DOC 396, pag. 7280.

192 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-006 pag. 2090 en proces-verbaal van onderzoek gebruik Gmail accounts, AMB-079, pag. 3172 e.v.

193 Pv van verhoor [verdachte] , V-01-002, pag. 2071.

194 Proces-verbaal van bevindingen opmaken [bedrijf 6] -facturen door [medeverdachte 3] , AMB-153, pag. 3420 e.v.

195 AMB-096, proces-verbaal Openen van Orcobankrekening op naam van [bedrijf 6] pag. 3260 e.v.

196 DOC-668, [bedrijf 6] -factuur 29 sept. 2015, pag. 9015.

197 Zie ook proces-verbaal van bevindingen aantreffen vermoedelijk valse [bedrijf 6] -facturen in digitale gegevens E. [medeverdachte 3] , AMB-168, pag. 3441 e.v.

198 Bankafschriften, DOC-707, pag. 9054 e.v.

199 Mail [verdachte] aan [medeverdachte 3] , DOC-705 pag. 9051, en factuur 26-10-2015, DOC-706, pag. 9052.

200 AMB-168 (zie hiervoor), pag. 3441 e.v.

201 DOC-722, pag. 9133 e.v.

202 AMB-153 (zie hiervoor), pag. 3424.

203 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V01-005, pag. 2084.

204 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V01-002, pag. 2071-2072.

205 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V01-002, pag. 2071.

206 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen aantreffen bankpasjes Orcobank, 3 juli 2019.

207 Proces-verbaal van onderzoek betalingsverkeer Orcobank, AMB-052, pag. 3083.

208 Proces-verbaal van onderzoek Orcobank rekening 7601110195 AMB-130, pag. 3375, Proces-verbaal onderzoek Orcobank rekening 7601110295, AMB-137, pag. 3397, Proces-verbaal onderzoek Orcobank rekening [rekeningnummer 6] , AMB-138, pag. pag. 3400, en Proces-verbaal onderzoek Orcobank rekening [rekeningnummer 7] , AMB 139, pag. 3405.

209 Proces-verbaal bankrekening Orcobank niet bekend bij de fiscus, AMB-097, pag. 3263.

210 Proces-verbaal van bevindingen, AMB-10-A, map 3, pag. 3303 e.v.

211 DOC-577 pag. 8194, DOC-628 pag. 8314, DOC-707 pag. 9054 e.v., en DOC-787 pag. 9319.

212 Proces-verbaal van onderzoek naar TTC-rekening Orcobank, AMB-106, pag. 3304 – 3306, 3307.

213 DOC-629 pag. 8350, DOC-630 pag. 8354 en DOC-787 pag. 9319.

214 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2070.

215 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , V01-002, pag. 2071.

216 Proces-verbaal aantreffen koopovereenkomst [naam 1] , AMB-059, pag. 3105 e.v. en DOC-268 (koopovk [naam 1] en 9), pag. 7050 e.v.

217 AMB-129, Proces-verbaal saldo TTC rekeningen, voldoende voor betalingen St. Derdengelden, AMB-129, pag. 3371 e.v.

218 Proces-verbaal betreffende aankoop B.B.A. 15 te [land 3] , van AMB-174, pag. 3452 e.v. en Akte Kadaster, DOC-750, pag. 9202, en factuur VVE servicekosten, DOC-804, pag. 9389.

219 Proces-verbaal saldo TTC rekeningen, voldoende voor betalingen St. Derdengelden, AMB-129, pag. 3371 e.v. en proces-verbaal betreffende aankoop B.B.A. 15 te [land 3] en betaling vanaf de TTC rekening Orcobank Bonaire, AMB-174, pag. 3452 e.v.

220 Proces-verbaal Onderzoek naar de betalingen van de koopsom voor (..) [adres 7] , AMB-093, pag. 3235 e.v.

221 Proces-verbaal Onderzoek naar de betalingen van de koopsom voor (..) [adres 7] , AMB-93, pag. 3235 e.v. en DOC-459, koopovereenkomst [adres 7] , pag. 7354.

222 AMB-93, pag. 3241.

223 AMB-093, pag. 3241.

224 Huurovereenkomst 17 april 2015, [adres 7] .

225 Proces-verbaal van verdenking van witwassen en valsheid in geschrift, AMB-019, pag. 3030 e.v., en proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, IBN-010, pag. 5337 e.v., Kennisgeving van inbeslagneming, IBN-004, pag. 5328 en IBN-003-B, lijst van inbeslagname OvJ, pag. 5318 en 5319.

226 Proces-verbaal van bevindingen inzake aantreffen contant geld, AMB-178, pag. 3464.

227 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, IBN-010, pag. 5337.

228 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] , V01-004, pag. 2079.

229 Proces-verbaal geldopnames en contante stortingen van/op Nederlandse privérekeningen, AMB-050, pag. 3080 e.v.

230 O.a. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578.