De vraag is of in dit geval sprake is van meer dan twintig jaar ondubbelzinnig bezit van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Dit licht zij toe. Gelet op de door [gedaagden] overgelegde verklaringen moet ervan uitgegaan worden dat er vanaf circa 1975 een houten hekwerk stond rondom het perceel van [gedaagden] , inclusief de litigieuze strook grond. Zo wordt door mevrouw [B] , oud eigenaresse van het perceel van [gedaagden] , onder meer het volgende verklaard (productie 1 conclusie van antwoord): “(…) Zoals jullie weten zijn wij degenen die in 1974 de grond hebben aangekocht en in 1975 de woning hebben laten bouwen op het adres [adres] te [plaats] . Er is toen ook meteen een houten hekwerk omheen gezet. (…) Met andere woorden; sinds 1976 is het perceel zoals wij dat van de gemeente hebben gekocht, altijd omheind geweest (…)”. De familie [D] , wonend op [adres] , heeft voorts onder meer het volgende verklaard (productie 2 conclusie van antwoord): “ (…) Wij kunnen zeggen dat er een hekwerk vanaf het begin (1975) heeft gestaan dat later vervangen is door het huidige draadhekwerk (…)”. Verder heeft de familie [E] , wonend op [adres] , onder meer het volgende verklaard (productie 11): “(…) Wij hebben gezien dat jullie huis gebouwd is door de familie [B+C] , dat was in 1974—1975. Rondom jullie perceel is vrijwel direct een houten hek geplaatst(…)”.Daarnaast heeft mevrouw [F] , wonend op de hoek [straatnaam] , onder meer het volgende verklaard (productie 12): “(…) Ik herinner me dat het huis gebouwd werd. Er is toen een hek omheen geplaatst. Dit was in 1975 (…).”. Het verweer van Gemeente Deurne dat van 1983, het jaartal van de overgelegde foto’s waarop het houten hekwerk zichtbaar is (productie 2 conclusie van antwoord), uitgegaan moet worden omdat er in de verklaringen verschillende data genoemd worden en de verklaringen inconsistenties bevatten, wordt niet gevolgd. Gelet op het tijdsverloop is het niet onlogisch dat er in de verklaringen verschillende jaartallen genoemd worden waarop het houten hekwerk door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] geplaatst zou zijn. Bovendien lopen de in de geciteerde verklaringen genoemde jaartallen niet dusdanig uiteen (1974 tot en met 1976), dat de rechtbank reden ziet om van de onjuistheid van de meerdere verklaringen uit te gaan.
Vast staat dat het houten hekwerk later, op dezelfde locatie, is vervangen door een ijzeren hekwerk met prikkeldraad. Dit hekwerk staat er tot op heden.
Volgens [gedaagden] zorgde het houten hekwerk en zorgt het ijzeren hekwerk, ervoor dat de strook grond niet toegankelijk was/is voor derden, zoals Gemeente Deurne . Volgens [gedaagden] zitten/zaten twee poorten in het (houten en ijzeren) hekwerk die op slot kunnen/konden, en is hun tuin, inclusief de strook grond -waar vooral planten met een hoge levensduur op staan-, geheel omheind door het hekwerk. Gemeente Deurne heeft slechts bloot betwist dat de strook grond voor haar toegankelijk is en dat er geen onafgebroken omheining was/is. Dit is op geen enkele manier door haar onderbouwd. Daarentegen heeft [gedaagden] foto’s overlegd waarop het ijzeren hekwerk en de twee poorten te zien zijn (productie 7 conclusie van antwoord). Dat er een houten hekwerk was dat de tuin omheinde, is deels te zien op foto’s (productie 2 conclusie van antwoord) en uit de overgelegde verklaringen is af te leiden dat er altijd sprake is geweest van een onafgebroken omheining. Zo valt hierover onder meer het volgende in de verschillende ingebrachte verklaringen te lezen “(…) Met andere woorden; sinds 1976 is het perceel zoals wij dat van de gemeente hebben gekocht, altijd omheind geweest (…)”, “(…) Het huis is altijd omheind geweest.(…)” en “(…) dat in augustus 1998, toen wij zijn gaan wonen op [adres] , er een aaneengesloten hekwerk aanwezig was rond perceel [adres] (…)”. Daarmee is voldoende aangetoond dat een hekwerk sinds circa 1975 deel heeft uitgemaakt van de omheining van de tuin van [gedaagden] en dat haar rechtsvoorgangers met het plaatsen ervan (en het vervangen ervan) voor derden tot uitdrukking brachten dat zij pretendeerden rechthebbenden te zijn van het omheinde terrein. De litigieuze strook grond maakt deel uit van dat terrein, zodat de hiervoor bedoelde eigendomspretentie van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] zich ook daarover uitstrekt. Hiermee is sprake van ondubbelzinnig bezit. Dat er, zoals Gemeente Deurne aangevoerd heeft, eventueel over het houten hekwerk geklommen kon worden of daaronder door gegaan kon worden, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] Dit geldt eveneens voor het feit dat de mogelijkheid bestaat dat een derde via de poorten, waarvan [gedaagden] heeft betoogd dat deze op slot kunnen/konden, de tuin kan betreden. Een (al dan niet laag) afgescheiden hekwerk met poorten is immers in beginsel aan te merken als een eigendomspretentie naar de buitenwereld toe.
Gemeente Deurne heeft nog verwezen naar een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:347) maar dit kan haar niet baten. In die casus was geen sprake was van een volledige omheining zoals bij [gedaagden] wel het geval is. Het hof oordeelt namelijk in rechtsoverweging 3.6.3. dat het perceel voor een ieder toegankelijk is omdat het niet is omheind. Ook de verwijzing van Gemeente Deurne naar HR 27 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH1634, waarin volgens haar wordt geoordeeld dat er geen sprake is van bezit omdat er een deur in een muur zit, treft geen doel. Het ging in die zaak om een nooddeur waar anderen gebruik van konden maken. Een vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor en er is ook niet gesteld door Gemeente Deurne dat anderen zonder toestemming gebruik maakten van de poorten van [gedaagden]