Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOBR:2021:3379

Rechtbank Oost-Brabant
19-05-2021
15-03-2022
C/01/360158 / HA ZA 20-438
Civiel recht
Bodemzaak,Eerste aanleg - enkelvoudig

Centraal in deze zaak staat de eigendom van een strook grond. Eisende partij vordert primair een verklaring voor recht dat zij eigenaresse is van het stuk grond. Subsidiair wordt betaling van schadevergoeding gevorderd. Door gedaagde partij wordt een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring gedaan. Er is sprake van meer dan twintig jaar ondubbelzinnig bezig van de strook grond. Eisende partij kan daarom de grond niet meer revindiceren. De subsidiair gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen wegens verjaring. Inmiddels zijn er meer dan twintig jaren verstreken nadat de rechtsvoorgangers van gedaagde partij eigenaar van de grond zijn geworden door bevrijdende verjaring.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

zaaknummer / rolnummer: C/01/360158 / HA ZA 20-438

Vonnis van 19 mei 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEURNE,

zetelend te Deurne ,

eiseres,

advocaat mr. A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde sub 1]

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. B. van Wanrooij te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Gemeente Deurne en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 september 2020

  • -

    de aanvullende producties van de zijde van [gedaagden] (productie 11 en 12)

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 april 2021 en de reacties van de raadslieden van beide partijen daarop.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] zijn eigenaren van het perceel, kadastraal bekend [het perceel 1] .

2.2.

[gedaagden] hebben het perceel op 7 januari 2000 geleverd gekregen van de heer [A] (hierna: [A] ). [A] heeft het perceel op 29 oktober 1993 geleverd gekregen van de heer [B] en mevrouw [C] (hierna: [B+C] ). [B+C] hebben op hun beurt het perceel op 6 juni 1974 verkregen van Gemeente Deurne .

2.3.

Gemeente Deurne is eigenaresse van de weg met berm grenzend aan het perceel van [gedaagden] , kadastraal bekend [het perceel 2] en [het perceel 3] .

2.4.

Gemeente Deurne heeft bij de voorbereiding van verschillende aanleg-, vervangings- en onderhoudswerkzaamheden geconstateerd dat [gedaagden] een deel van haar perceel, gelegen aan de openbare weg, in gebruik heeft. Zij heeft [gedaagden] per brief van 24 juni 2019 hierover aangeschreven en aangeboden om de grond die [gedaagden] in gebruik hebben – voor zover de Gemeente Deurne die grond niet nodig heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden – te huren of te kopen, dan wel die grond te ontruimen. [gedaagden] zijn niet ingegaan op dit aanbod.

3 Het geschil

3.1.

Gemeente Deurne vordert, samengevat, bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht te verklaren dat Gemeente Deurne eigenaresse is van de strook grond en [gedaagden] te veroordelen om de strook grond, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom;

II. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

Subsidiair:

III. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag ter hoogte van

€ 13.098,00 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Gemeente Deurne legt hier, samengevat, het volgende aan ten grondslag. [gedaagden] hebben zonder recht of titel een strook grond die eigendom is van Gemeente Deurne in gebruik. Op grond van art. 5:2 BW is Gemeente Deurne als eigenaresse bevoegd om haar eigendom terug te eisen van [gedaagden] moeten de strook grond weer ter vrije beschikking van de gemeente stellen. Voor zover geoordeeld zou worden dat [gedaagden] door verjaring eigenaren zijn geworden van de strook grond geldt dat [gedaagden] op grond van art. 6:162 BW de schade die Gemeente Deurne daardoor geleden heeft, moeten vergoeden. De schade van Gemeente Deurne bestaat uit de waarde van de strook grond. Deze waarde is € 13.098,00 (370 m2 x € 35,40).

3.3.

[gedaagden] voeren, samengevat, het volgende verweer. Zij zijn door bevrijdende verjaring eigenaren geworden van de strook grond. Uit de overgelegde getuigenverklaringen en foto’s blijkt dat reeds 45 jaar een hekwerk op de huidige locatie aanwezig is dat het perceel, inclusief de litigieuze strook, geheel omheint en afsluit van de buitenwereld. Het hekwerk vormt een duidelijke erfafscheiding en de strook grond is van meet af aan door [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers beschouwd als onderdeel van de tuin. Er is daarmee sinds 45 jaar sprake van onafgebroken bezit. Gemeente Deurne kan daarom op grond van art. 3:105 jo. 3:106 BW geen aanspraak meer maken op de strook grond.

Wat betreft de subsidiair gevorderde schadevergoeding geldt dat deze vordering op grond van art. 3:310 lid 1 BW is verjaard. Zowel de verjaringstermijn van twintig jaar als die van vijf jaar is inmiddels verstreken. Voor zover dit verjaringsverweer niet gevolgd wordt dan geldt dat de verkrijger de wetenschap moest hebben dat de strook grond die hij in bezit heeft genomen of hield, aan een ander toebehoorde. Gemeente Deurne heeft onvoldoende aangetoond dat [gedaagden] deze wetenschap hebben. Indien toegekomen wordt aan het toekennen van enige schadevergoeding dan moet het bedrag gematigd worden. De door Gemeente Deurne gehanteerde grondprijs staat in geen verhouding tot de werkelijke waarde van de grond.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevrijdende verjaring?

4.1.

Gemeente Deurne vordert primair een verklaring voor recht dat zij eigenaresse is van de strook grond en vordert op grond van art. 5:2 BW haar eigendom terug. [gedaagden] hebben verweer gevoerd en een beroep op bevrijdende verjaring gedaan.

4.2.

Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring op grond van art. 3:105 BW moet er aan de zijde van [gedaagden] en/of haar rechtsvoorgangers sprake zijn van onafgebroken bezit gedurende twintig jaar. Hierbij is niet vereist dat Gemeente Deurne op de hoogte was van dit bezit binnen de verjaringstermijn en evenmin dat [gedaagden] (of haar rechtsvoorgangers) te goeder trouw zijn (waren). De vraag of sprake is van bezit moet aan de hand van art. 3:107 BW en volgende beantwoord worden. Van bezit is sprake als iemand een goed houdt voor zichzelf (art. 3:107 BW). Of sprake is van het houden van een goed voor zichzelf moet naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels van Titel 5 Boek 3 BW en op grond van uiterlijke feiten beoordeeld worden (art. 3:108 BW). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. In de term bezit ligt begrepen dat het bezit “ondubbelzinnig” en “openbaar” moet zijn. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het gaat hierbij niet om de interne wil maar om objectieve maatstaven.

4.3.

De vraag is of in dit geval sprake is van meer dan twintig jaar ondubbelzinnig bezit van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Dit licht zij toe. Gelet op de door [gedaagden] overgelegde verklaringen moet ervan uitgegaan worden dat er vanaf circa 1975 een houten hekwerk stond rondom het perceel van [gedaagden] , inclusief de litigieuze strook grond. Zo wordt door mevrouw [B] , oud eigenaresse van het perceel van [gedaagden] , onder meer het volgende verklaard (productie 1 conclusie van antwoord): “(…) Zoals jullie weten zijn wij degenen die in 1974 de grond hebben aangekocht en in 1975 de woning hebben laten bouwen op het adres [adres] te [plaats] . Er is toen ook meteen een houten hekwerk omheen gezet. (…) Met andere woorden; sinds 1976 is het perceel zoals wij dat van de gemeente hebben gekocht, altijd omheind geweest (…)”. De familie [D] , wonend op [adres] , heeft voorts onder meer het volgende verklaard (productie 2 conclusie van antwoord): “ (…) Wij kunnen zeggen dat er een hekwerk vanaf het begin (1975) heeft gestaan dat later vervangen is door het huidige draadhekwerk (…)”. Verder heeft de familie [E] , wonend op [adres] , onder meer het volgende verklaard (productie 11): “(…) Wij hebben gezien dat jullie huis gebouwd is door de familie [B+C] , dat was in 1974—1975. Rondom jullie perceel is vrijwel direct een houten hek geplaatst(…)”.Daarnaast heeft mevrouw [F] , wonend op de hoek [straatnaam] , onder meer het volgende verklaard (productie 12): “(…) Ik herinner me dat het huis gebouwd werd. Er is toen een hek omheen geplaatst. Dit was in 1975 (…).”. Het verweer van Gemeente Deurne dat van 1983, het jaartal van de overgelegde foto’s waarop het houten hekwerk zichtbaar is (productie 2 conclusie van antwoord), uitgegaan moet worden omdat er in de verklaringen verschillende data genoemd worden en de verklaringen inconsistenties bevatten, wordt niet gevolgd. Gelet op het tijdsverloop is het niet onlogisch dat er in de verklaringen verschillende jaartallen genoemd worden waarop het houten hekwerk door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] geplaatst zou zijn. Bovendien lopen de in de geciteerde verklaringen genoemde jaartallen niet dusdanig uiteen (1974 tot en met 1976), dat de rechtbank reden ziet om van de onjuistheid van de meerdere verklaringen uit te gaan.

Vast staat dat het houten hekwerk later, op dezelfde locatie, is vervangen door een ijzeren hekwerk met prikkeldraad. Dit hekwerk staat er tot op heden.

Volgens [gedaagden] zorgde het houten hekwerk en zorgt het ijzeren hekwerk, ervoor dat de strook grond niet toegankelijk was/is voor derden, zoals Gemeente Deurne . Volgens [gedaagden] zitten/zaten twee poorten in het (houten en ijzeren) hekwerk die op slot kunnen/konden, en is hun tuin, inclusief de strook grond -waar vooral planten met een hoge levensduur op staan-, geheel omheind door het hekwerk. Gemeente Deurne heeft slechts bloot betwist dat de strook grond voor haar toegankelijk is en dat er geen onafgebroken omheining was/is. Dit is op geen enkele manier door haar onderbouwd. Daarentegen heeft [gedaagden] foto’s overlegd waarop het ijzeren hekwerk en de twee poorten te zien zijn (productie 7 conclusie van antwoord). Dat er een houten hekwerk was dat de tuin omheinde, is deels te zien op foto’s (productie 2 conclusie van antwoord) en uit de overgelegde verklaringen is af te leiden dat er altijd sprake is geweest van een onafgebroken omheining. Zo valt hierover onder meer het volgende in de verschillende ingebrachte verklaringen te lezen “(…) Met andere woorden; sinds 1976 is het perceel zoals wij dat van de gemeente hebben gekocht, altijd omheind geweest (…)”, (…) Het huis is altijd omheind geweest.(…)” en “(…) dat in augustus 1998, toen wij zijn gaan wonen op [adres] , er een aaneengesloten hekwerk aanwezig was rond perceel [adres] (…)”. Daarmee is voldoende aangetoond dat een hekwerk sinds circa 1975 deel heeft uitgemaakt van de omheining van de tuin van [gedaagden] en dat haar rechtsvoorgangers met het plaatsen ervan (en het vervangen ervan) voor derden tot uitdrukking brachten dat zij pretendeerden rechthebbenden te zijn van het omheinde terrein. De litigieuze strook grond maakt deel uit van dat terrein, zodat de hiervoor bedoelde eigendomspretentie van (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] zich ook daarover uitstrekt. Hiermee is sprake van ondubbelzinnig bezit. Dat er, zoals Gemeente Deurne aangevoerd heeft, eventueel over het houten hekwerk geklommen kon worden of daaronder door gegaan kon worden, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat geen sprake is van ondubbelzinnig bezit van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] Dit geldt eveneens voor het feit dat de mogelijkheid bestaat dat een derde via de poorten, waarvan [gedaagden] heeft betoogd dat deze op slot kunnen/konden, de tuin kan betreden. Een (al dan niet laag) afgescheiden hekwerk met poorten is immers in beginsel aan te merken als een eigendomspretentie naar de buitenwereld toe.

Gemeente Deurne heeft nog verwezen naar een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:347) maar dit kan haar niet baten. In die casus was geen sprake was van een volledige omheining zoals bij [gedaagden] wel het geval is. Het hof oordeelt namelijk in rechtsoverweging 3.6.3. dat het perceel voor een ieder toegankelijk is omdat het niet is omheind. Ook de verwijzing van Gemeente Deurne naar HR 27 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH1634, waarin volgens haar wordt geoordeeld dat er geen sprake is van bezit omdat er een deur in een muur zit, treft geen doel. Het ging in die zaak om een nooddeur waar anderen gebruik van konden maken. Een vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor en er is ook niet gesteld door Gemeente Deurne dat anderen zonder toestemming gebruik maakten van de poorten van [gedaagden]

4.4.

Het voorgaande brengt met zich mee dat geconcludeerd moet worden dat er vanaf circa 1975 sprake is van meer dan twintig jaar ondubbelzinnig bezit van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] waardoor [A] , een van die rechtsvoorgangers door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, vanaf circa 1995. Gemeente Deurne is dus geen eigenaar meer en kan de grond niet meer revindiceren op grond van art. 5:2 BW. De primaire vordering van de gemeente wordt dan ook afgewezen.

4.5.

Ter zitting is door [gedaagden] nog aangevoerd dat er geen landmeter ter plaatste is geweest die vastgesteld heeft dat het hekwerk niet op de erfgrens staat waardoor niet vaststaat dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] überhaupt een strook grond in bezit hebben genomen. Gelet op het voorgaande kan dit verder onbesproken blijven. Daarbij is ook meegewogen dat dit standpunt pas ter zitting is ingenomen en dat Gemeente Deurne gemotiveerd heeft weersproken dat er geen meting door een landmeter heeft plaatsgevonden.

Betaling van schadevergoeding?

4.6.

Gemeente Deurne heeft aangevoerd dat als vast komt te staan dat [gedaagden] door bevrijdende verjaring eigenaren zijn geworden van de strook grond, zij op grond van art. 6:162 BW schadevergoeding aan Gemeente Deurne verschuldigd zijn. [gedaagden] hebben een beroep op verjaring gedaan en hebben verder betwist enige schadevergoeding verschuldigd te zijn.

4.7.

De Hoge Raad (Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR2017:309) heeft bepaald dat een bezitter die door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW. Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig. Dat brengt mee dat deze laatste, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt. Niet iedere verkrijging door bevrijdende verjaring levert zonder meer een onrechtmatige daad op. Of sprake is van een onrechtmatige daad is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Een dergelijke vordering van de (voormalige) rechthebbende is onderworpen aan de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. Dit betekent dat een vordering verjaart door verloop van een termijn van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde bekend geworden is met zijn eigendomsverlies en met de daarvoor aansprakelijke persoon. De verjaring is in elk geval voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Dit alles is onverminderd eventuele stuiting van de verjaring.

4.8.

[gedaagden] hebben een beroep gedaan op de verjaringstermijn van twintig jaar dan wel die van vijf jaar van art. 3:310 lid 1 BW. De rechtbank is van oordeel dat de verjaringstermijn van twintig jaar inmiddels is verstreken. De schadeveroorzakende gebeurtenis is niet het moment van de inbezitneming van de strook grond door (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] , maar het moment dat de bezitter de eigendom van de strook grond heeft verkregen door de (bevrijdende) verjaring. Hiervoor is geoordeeld dat vanaf circa 1995 een van de rechtsvoorgangers van [gedaagden] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond Dit brengt met zich mee dat de vordering van Gemeente Deurne is verjaard omdat in ieder geval meer dan twintig jaar is verstreken nadat die rechtsvoorganger van [gedaagden] eigenaar was geworden van de strook grond door bevrijdende verjaring. De vordering is dus in circa 2015 verjaard en niet gesteld of gebleken is dat de verjaring is gestuit. Dit brengt met zich mee dat ook de subsidiaire vordering van Gemeente Deurne wordt afgewezen.

4.9.

Verder wordt nog opgemerkt dat de vordering van Gemeente Deurne hoe dan ook voor afwijzing gereed ligt omdat [gedaagden] niet degenen zijn die de grond onrechtmatig in bezit hebben genomen. Dit is gebeurd door hun rechtsvoorgangers. In casu is dan ook geen sprake van een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, zoals in voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad wel het geval was. [gedaagden] hebben weliswaar een onrechtmatige toestand in stand gehouden, maar dit levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet een onrechtmatige daad jegens Gemeente Deurne op (vergelijk Rechtbank Oost-Brabant 18 juli 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3493).

Proceskosten

4.10.

Gemeente Deurne zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 937,00

- salaris advocaat 1.126,00(2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.063,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Gemeente Deurne in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 2.063,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.