Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6902

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-11-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
82-087782-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van overtreding van artikel 173a Wetboek van Strafrecht en medeplegen van opzettelijk overtreden van artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit. Verdachte heeft met klusjesmannen asbesthoudende platen verwijderd door deze kapot te maken en te breken, waardoor asbest(vezels) in de lucht werd(en) gebracht en gevaar voor de openbare gezondheid is ontstaan.

De rechtbank legt een geldboete van € 12.000,-- subsidiair 95 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2020/29 met annotatie van M. Velthuis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 82.087782.19

Datum uitspraak: 25 november 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1929] ,

wonende te [postcode] , [adres 1] .

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 oktober 2019.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 november 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1 primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest, asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft/hebben gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, door een of meerdere (niet-gecertificeerde) persoon/personen op ondeskundige wijze het asbesthoudende dakbeschot/de asbesthoudende platen te laten/doen afbreken, waardoor de platen braken en/of (vervolgens) asbestvezels in de lucht in en rond de woning gelegen aan [adres 2] en/of stukjes asbest en/of deeltjes van de platen in de woning, op het trottoir, op de rijbaan en/of in de tuin van de buren terechtkwamen, terwijl in het geheel geen maatregelen waren genomen om te voorkomen dat bewoners en/of publiek in aanraking zouden kunnen komen met dat asbest;

T.a.v. feit 1 subsidiair:

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest, asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft/hebben gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor (een) ander(en) te duchten was, door deze (niet-gecertificeerde) persoon/personen op ondeskundige wijze het asbesthoudende dakbeschot/de asbesthoudende platen te laten/doen afbreken, waardoor de platen braken en/of (vervolgens) asbestvezels in de lucht in en rond de woning gelegen aan [adres 2] en/of stukjes asbest en/of deeltjes van de platen in de woning, op het trottoir, op de rijbaan en/of in de tuin van de buren terechtkwamen, terwijl in het geheel geen maatregelen waren genomen om te voorkomen dat bewoners en/of publiek in aanraking zouden kunnen komen met dat asbest, tot/aan welk strafbaar feit hij, verdachte, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven;

T.a.v. feit 2 primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft/hebben verricht, te weten het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van (het dakbeschot van) een bouwwerk of object terwijl in dat bouwwerk of object asbest of een asbesthoudend product was verwerkt, terwijl de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl deze(n) niet in het bezit was/waren van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven persoon/personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging, al dan niet opzettelijk, handelingen heeft/hebben verricht, te weten het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van (het dakbeschot van) een bouwwerk of object terwijl in dat bouwwerk of object asbest of een asbesthoudend product was verwerkt, terwijl de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 of 2A als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl deze(n) niet in het bezit was/waren van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, tot/aan welk strafbaar feit hij, verdachte opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1 primair:

in de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een stof, te weten asbest, asbestdeeltjes en/of asbesthoudend (plaat-)materiaal in de lucht heeft gebracht, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten was, door (niet-gecertificeerde) personen op ondeskundige wijze het asbesthoudende dakbeschot/de asbesthoudende platen te laten afbreken, waardoor de platen braken en vervolgens vezels en stukjes asbest en deeltjes van de platen in de woning, op het trottoir, op de rijbaan en in de tuin van de buren terechtkwamen, terwijl in het geheel geen maatregelen waren genomen om te voorkomen dat bewoners en/of publiek in aanraking zouden kunnen komen met dat asbest;

T.a.v. feit 2 primair:

in de periode van 16 augustus 2017 tot en met 21 augustus 2017 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, handelingen heeft verricht, te weten het gedeeltelijk afbreken van (het dakbeschot van) een bouwwerk terwijl in dat bouwwerk asbest of een asbesthoudend product was verwerkt, terwijl de concentratie van asbestvezels is ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl deze personen niet in het bezit waren van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Bewijsoverweging t.a.v. feit 1 primair.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de asbestvezels zowel in de buitenlucht rondom de woning terecht zijn gekomen als in de binnenlucht van de woning. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat asbestvezels in de lucht zijn gebracht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt de onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De officier van justitie eist een geldboete van € 20.000,-- subsidiair vervangende hechtenis en een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur met een proeftijd van 2 jaar.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn draagkracht, een en ander voorzover deze blijken uit de processtukken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van overtreding van artikel 173a Wetboek van Strafrecht en het medeplegen van opzettelijk overtreden van artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit. Verdachte heeft met twee klusjesmannen gedurende ongeveer een week asbesthoudende platen verwijderd door deze kapot te maken en te breken, waardoor asbest(vezels) in de lucht werd(en) gebracht en gevaar voor de openbare gezondheid is ontstaan. Achteraf kon niet exact worden vastgesteld hoe hoog de concentratie asbestvezels is geweest gedurende de bewezenverklaarde periode. Voor de mate van verwijtbaarheid en daarmee voor de op te leggen straf, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank echter geen wezenlijk verschil. De verwijtbaarheid zit hem met name in de volledige onderschatting door verdachte van de risico’s van werken met asbesthoudend materiaal. Verdachte moest weten dat sprake was van niet-hechtgebonden asbest in de dakplaten. Verdachte heeft niet de nodige voorzorgsmaatregelen genomen voor het werken met niet-hechtgebonden asbest. Door de breekwerkzaamheden is een groot deel van de woning en de omgeving van de woning besmet met asbest. Hij heeft de werkzaamheden niet laten uitvoeren door een daartoe gecertificeerd bedrijf. De klusjesmannen droegen geen beschermende kleding of afdoende adembescherming. Verdachte heeft de huurders van de woning, onder wie een jong kind, de klusjesmannen, de buren en eventuele andere personen en passanten in de omgeving op een volstrekt onaanvaardbare manier blootgesteld aan besmetting met niet-hechtgebonden asbestvezels. Verdachte heeft geen van de huurders gewaarschuwd voor de werkzaamheden en de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest, noch enige maatregel getroffen om blootstellingsrisico’s te beperken. Tijdens de werkzaamheden liepen mensen in en uit de woning. Verdachte heeft hierdoor niet alleen mensen onnodig blootgesteld aan ernstige gezondheidsrisico’s maar hen mogelijk ook levenslang de angst bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Een delict als het onderhavige kan maatschappelijke onrust veroorzaken en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

De rechtbank houdt rekening met de hoge leeftijd van verdachte, te weten 90 jaar.

De rechtbank zal een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen in plaats van de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke taakstraf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal daarentegen een lichtere geldboete opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast zal de rechtbank een geldboete van € 12.000,-- opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57, 173a van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2, 6 van de Wet op de economische delicten;

9.2.2.1 van de Wet milieubeheer;

6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is

T.a.v. feit 2 primair:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

(artikel 6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005)

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Een geldboete ter hoogte van 12.000,00 euro subsidiair 95 dagen hechtenis.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Brouwer, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. A.C. Palmboom, leden,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,

en is uitgesproken op 25 november 2019.