Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:6855

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
SHE 19/5
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/5

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2019 in de zaak tussen

[naam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,

[naam] , wonende te [woonplaats] ,

[naam] , wonende te [woonplaats] ,

[naam] en [naam] , wonende te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. R. Evens),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.W.G.M. Christophe).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om [naam] B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een tijdelijk bouwwerk (voor een termijn van tien jaar) en voor het gedurende die termijn gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan, ten behoeve van het plaatsen van containers als berging op de locatie [adres] te 's‑Hertogenbosch (Stadsstrand de Witte Sieb).

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2019. Verschenen zijn [naam] , voor [naam] B.V., en [naam] , bijgestaan door eisers' gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 13 oktober 2015 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor een periode van 10 jaar voor de ontwikkeling van een stadsstrand aan de Dieze, Stadsstrand

De Witte Sieb. Deze vergunning had betrekking op het plaatsen van drie containers ten behoeve van opslag en een paviljoen.

In september 2017 is het terrein van het stadsstrand, in het kader van de Bossche Waterweken, een evenemententerrein geweest. Ten behoeve daarvan zijn er op het terrein meer containers geplaatst.

[naam] B.V. heeft, ter legalisering van deze situatie, onder de projectomschrijving "Legaliseren containers als berging op Stadsstrand de Witte Sieb" een omgevingsvergunning aangevraagd. Bedoeld is om, vooruitlopende op een definitief paviljoen, een gelegaliseerde situatie te laten ontstaan.

Verweerder heeft deze vergunning geweigerd.

2.1

Eisers hebben allereerst aangevoerd dat het bestemmingsplan het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van opslag en distributie van goederen en materialen toestaat. Op grond van de van toepassing zijnde planregel behoeft het niet te gaan om een zelfstandige bedrijfsactiviteit en wordt ook niet verlangd dat het gaat om een gebruik van ondergeschikte omvang ten opzichte van de hoofdfunctie. Als de planwetgever zou hebben beoogd om de opslag en distributie van goederen en materialen slechts als zelfstandige bedrijfsactiviteit toe te staan, had hij dit expliciet in de planregels moeten opnemen.

De uitleg van verweerder is ook niet logisch, omdat in de Staat van Bedrijfsactiviteiten de bedrijfsactiviteit "Opslaggebouw (verhuur van opslagruimte)" is opgenomen. Het zou dan niet nodig zijn geweest om de opslag van goederen en materialen separaat op te nemen in onderdeel f van de planregel.

2.2

Volgens verweerder voldoet het project niet aan het bestemmingsplan "Orthenpoort". Blijkens de aanvraag zijn de containers geplaatst ten behoeve van opslag bij het stadsstrand. Van een zelfstandige bedrijfsactiviteit, die al dan niet rechtstreeks past binnen het geldende bestemmingsplan, is geen sprake. Weliswaar staat het bestemmingsplan de opslag en distributie van goederen en materialen als bedrijfsactiviteit toe, maar enkel als zelfstandige bedrijfsactiviteit en derhalve niet als ondergeschikt onderdeel van een recreatieve- en/of horecabestemming.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2⁰, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Met name uit stedenbouwkundige overwegingen wil verweerder niet meewerken aan realisering van het project. Verweerder baseert zich hierbij op het negatieve advies van de stedenbouwkundige van 23 april 2018.

Verweerder heeft overwogen dat het belang van omwonenden en het belang van de gemeente bij bewaking van de stedenbouwkundige opzet van de omgeving dienen te prevaleren boven het belang van eisers. Verder wil verweerder precedentwerking voorkomen.

2.3

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het oprichten en plaatsen van een aantal containers een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist. Eisers hebben ook geen beroepsgronden aangevoerd tegen het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de weigering van verweerder om mee te werken aan verlening van een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik.

2.4

Aan het perceel waarop het project betrekking heeft, is in het bestemmingsplan "Orthenpoort" de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de planregels zijn de hiervoor aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'milieucategorie tot en met 2' bedrijven in de categorieën 1

en 2 van de bij deze regels als bijlage 1 behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding 'milieucategorie tot en met 3.1' bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.1 van de bij deze regels als bijlage 1 behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. ter plaatse van de aanduiding 'milieucategorie tot en met 3.2' bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de bij deze regels als bijlage 1 behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

(…)

f. opslag en distributie van goederen en materialen;

(...).

2.5

De rechtbank volgt eisers niet in hun opvatting dat de planregels betrekking hebben op de opslag en distributie van goederen en materialen als onzelfstandige bedrijfsactiviteit. In artikel 3, derde lid, van de planregels wordt een opsomming gegeven van zelfstandige bedrijfsactiviteiten die op gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn toegestaan. Waar meer functies zijn toegelaten, staat in de tekst "tevens" en waar sprake is van ondergeschiktheid, staat dit in de tekst aangegeven met het woord "ondergeschikte". Dat in de Staat van Bedrijfsactiviteiten de bedrijfsactiviteit "Opslaggebouw (verhuur van opslagruimte)" is opgenomen, maakt dit niet anders, omdat het gaat om een andersoortige activiteit, waarvan distributie geen onderdeel uitmaakt.

Omdat het project dus niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, faalt dit betoog van eisers.

3.1

Subsidiair stellen eisers dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat met de tijdens de bezwaarfase gewijzigde aanvraag de grondslag van de oorspronkelijke aanvraag is verlaten. De wijziging van de aanvraag ziet op het realiseren van een opgang naar de tweede laag containers. Op de tekening wordt verduidelijkt dat er op de tweede bouwlaag ook een ingang zal zijn. Daarmee zijn de containers niet langer alleen van binnenuit bereikbaar.

Het wijzigen van een aanvraag is ingevolge vaste jurisprudentie toegestaan, als de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn. Het aantal containers en de opstelling van de containers wijzigt niet. Ool de draagconstructie wordt niet gewijzigd. Door de wijzigingen van ondergeschikte aard is het project in overeenstemming met het bestemmingsplan.

3.2

Volgens verweerder is er geen sprake van een ondergeschikte wijziging van de eerder ingediende aanvraag, alleen al omdat met die wijziging de grondslag van de oorspronkelijke aanvraag - het plaatsen van containers ten behoeve van het stadsstrand - wordt verlaten. Indien eisers het project wensen aan te passen, moeten zij daarvoor een nieuwe aanvraag indienen.

3.3

Het bevoegd gezag is volgens vaste jurisprudentie (onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7253) gerechtigd en soms zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen de gelegenheid te bieden zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen dat geconstateerde beletselen voor vergunningverlening worden weggenomen. Het moet dan gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard waarvoor volgens de jurisprudentie van de Afdeling geen nieuwe bouwaanvraag is vereist.

3.4

De rechtbank is van oordeel dat van een wijziging van ondergeschikte aard geen sprake is. Weliswaar zou in bouwkundig opzicht misschien kunnen worden gesproken van een wijziging van niet-ingrijpende aard, maar als die wijziging met zich brengt dat daarmee de opslag en distributie van goederen en materialen als zelfstandige activiteit wordt aangevraagd, waar dit eerde niet het geval was, kan die wijziging toch als ingrijpend worden beschouwd. Verweerder heeft bij zijn beoordeling of sprake is van een wijziging van niet-ingrijpende aard, mogen betrekken dat in de oorspronkelijke aanvraag sprake was van het legaliseren van containers als berging op Stadsstrand de Witte Sieb. Voor het wijzigen van het project ten behoeve van de zelfstandige opslag, al dan niet in combinatie met de distributie van goederen en materialen, is daarom een nieuwe aanvraag nodig.

Ook het subsidiaire betoog van eisers faalt.

4.1

Meer subsidiair hebben eisers aangevoerd dat, omdat op 22 november 2018 is beslist dat sprake is van een nieuwe aanvraag, de beslistermijn van acht weken inmiddels is verstreken en van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

4.2

Eisers hebben deze beroepsgrond ter zitting ingetrokken.

5. Het beroep is, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 5 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.