Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4366

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
19/1189
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1189

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2019 in de zaak tussen

Melvert Agro B.V. en [naam] , te [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, verweerder,

(gemachtigden: mr. M. de Laat en F.A. van den Langenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder van Melvert Agro B.V. een dwangsom ingevorderd van € 15.000,00 wegens het niet nakomen van een bij besluit van 22 december 2016 aan haar opgelegde last onder dwangsom.

Bij besluit van 11 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Melvert Agro B.V. heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] ( [naam] ), bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen


Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Melvert Agro B.V. is eigenaar van de veehouderij die is gevestigd op het perceel [adres] te [woonplaats] . [naam] is middellijk bestuurder van Melvert Agro B.V.. Na een stalbrand bij de veehouderij op 27 juli 2016 zijn asbestrestanten achtergebleven.

2. Nadat gebleken was dat de asbestrestanten in strijd met diverse wettelijke bepalingen werden opgeruimd, is door verweerder meermalen handhavend opgetreden door het opleggen van verschillende lasten onder dwangsom. Dit is onder meer gebeurd bij besluit van 22 december 2016.

3. De voorliggende zaak gaat over de vraag of de bij het besluit van 22 december 2016 opgelegde last, beschreven onder 2, is overtreden (last 2).

4. De bij het besluit van 22 december 2016 opgelegde last 2 luidt: “De met asbest verontreinigde materialen besmette delen van het perceel zijn afgezet met linten. Om te voorkomen dat door u wederom werkzaamheden worden uitgevoerd op dit met asbest verontreinigde gebied, leggen wij aan u een last op, op grond van artikel 5.17 van de Wabo, en mag dit gebied niet worden betreden door onbevoegden, alvorens het met asbest verontreinigde gebied is gesaneerd door een gecertificeerd bedrijf.

Het afzetten van een deel van het perceel aan de [adres] bevat een uitdrukkelijk verbod om dit met asbest verontreinigd gebied te betreden of te laten betreden door onbevoegden, tot de asbestbesmetting door een SC 530 gecertificeerd bedrijf is gesaneerd. Evenmin mag u goederen, zoals de container, die zich binnen de afzetting bevindt, verplaatsen. U dient de afzetting voorts in stand te laten.”

De dwangsom bedraagt € 15.000,00 per constatering, met een maximum van € 75.000,00.

5. Op 4 april 2017 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN), de heren F.A. van den Langenberg en G.J. van der Meijden, tijdens een controle vastgesteld dat last 2 van het besluit van 22 december 2016 niet werd nageleefd. In het van de controle opgemaakte rapport van bevindingen is vermeld dat twee klokpompen uit het werkgebied waren gehaald en dat het werkgebied duidelijk was afgezet met zogenoemd asbestlint.

6. Verweerder heeft op basis van de op 4 april 2017 uitgevoerde controle geconcludeerd dat last 2 van het besluit van 22 december 2016 is overtreden en de daardoor verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd bij besluit van 29 maart 2018. Deze invordering is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

Overtreding
7. De rechtbank stelt vast dat door de klokpompen te verwijderen uit het afgezette gebied in strijd met last 2 van de last onder dwangsom van 22 december 2016 is gehandeld, zodat er van rechtswege een dwangsom van € 15.000,00 is verbeurd. Eisers hebben de overtreding ook niet betwist. Verweerder was derhalve bevoegd om tot invordering over te gaan.

Beroepsgronden

8. Eisers voeren aan dat dat verweerder heeft miskend dat vanwege bijzondere omstandigheden had moeten worden afgezien van invordering. Volgens eisers was sprake van overmacht in de zin van een noodtoestand. In dit verband brengen zij naar voren dat zich op 31 maart 2017 een calamiteit heeft voorgedaan. Op die dag werd in de avond geconstateerd dat er water met mest uit een regenafvoerpijp liep en werd geloosd op een op het perceel aanwezige sloot. Omdat het de dagen erna zou gaan regenen en er inmiddels mest in de sloot terecht was gekomen is ervoor gekozen de sloot leeg te pompen. Dit om verdere verspreiding van mogelijk met asbest verontreinigde mest vanuit de sloot naar ander oppervlaktewater te voorkomen. Omdat er snel gehandeld moest worden om verdere nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, was het de beste oplossing om voor het leegpompen van de sloot de twee klokpompen die zich in het met asbestlint afgezette gebied bevonden te gebruiken, aldus eisers. Volgens hen was de ODBN ten tijde van de noodsituatie telefonisch niet bereikbaar, zodat besloten is om zonder nader overleg te handelen. Ook brengen eisers in dit verband naar voren dat de op 31 maart 2017 geconstateerde calamiteit veroorzaakt is door de asbestsaneerder Ureco die op het perceel werkzaam was. Verder stellen eisers dat de invordering onredelijk is, omdat dit op het laatst mogelijke moment, vlak voor de verjaring, nog is gedaan. Eisers vinden dat een erg formalistische benadering en stellen dat de omstandigheden in alle redelijkheid geen betaling van een dwangsom ter hoogte van € 15.000,00 rechtvaardigen en dat verweerder geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.

Standpunt verweerder

9.
Verweerder stelt hierover dat het [naam] bekend was dat hij bij een calamiteit contact diende op te nemen met de ODBN. Dat heeft hij niet direct gedaan. Pas op zondag

2 april 2017 heeft [naam] een e-mail gestuurd aan de ODBN. Uit het logboek van Ureco blijkt verder dat op dinsdag 4 april 2017 is geconstateerd dat de klokpompen, die zich in het met asbestlint afgezette gebied bevonden, in de sloot geplaatst waren. [naam] had volgens verweerder een andere oplossing kunnen en moeten kiezen. De nadelige gevolgen van de calamiteit hadden beperkt kunnen worden door bijvoorbeeld de sloot af te dammen. Verweerder ziet geen aanleiding voor matiging van de invordering.

Wettelijk kader en jurisprudentie

10. In artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van een dwangsom, beslist bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.

11. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956) moet, bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien


Oordeel rechtbank

12. De rechtbank stelt op basis van het verhandelde ter zitting vast dat op vrijdag

31 maart 2017 is geconstateerd dat er water met mest uit een regenafvoerpijp liep waardoor mogelijk met asbest verontreinigde mest op de sloot van het perceel van eisers werd geloosd. De regenafvoerpijp is diezelfde dag afgedopt. Ter zitting heeft [naam] verklaard dat hij de klokpompen op dinsdag 4 april 2017 uit het met asbestlint afgezette gebied heeft gehaald en deze heeft gebruikt om water uit de sloot terug te pompen, omdat het op die dag regende en er bruin water in de sloot stond. De rechtbank volgt, gelet op dit tijdsverloop, het betoog van eisers, dat op 31 maart 2017 sprake was van een noodsituatie waardoor hij genoodzaakt was de klokpompen uit het met asbestlint afgezette gebied te halen zonder nader overleg met de ODBN, niet. Dit heeft hij immers pas op 4 april 2017 gedaan. De rechtbank volgt eisers evenmin in hun standpunt dat de ODBN ten tijde van het ontdekken van de calamiteit op 31 maart 2017 niet bereikbaar zou zijn. Namens de ODBN is ter zitting toegelicht dat in het weekend sprake is van een piketregeling voor telefonische bereikbaarheid. Weliswaar heeft [naam] op zondag 2 april 2017 een emailbericht aan de ODBN gestuurd om daarin melding te maken van de calamiteit, maar daarin heeft hij niets vermeld over het mogelijk verplaatsen van de klokpompen uit het afgezette gebied. Dat kon ook niet, omdat hij dat pas enkele dagen daarna heeft gedaan. Het lag op de weg van [naam] om op 4 april 2017 alsnog contact op te nemen met de ODBN toen hij constateerde dat er bruin water in de sloot stond om in overleg tot een oplossing te komen. [naam] heeft verder ter zitting verklaard dat hij voor het leegpompen van de sloot ook een andere pomp, die op een andere plek op het perceel lag, had kunnen gebruiken, maar dat de bewuste klokpompen dichterbij lagen en dat hij deze om die reden heeft gebruikt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de situatie op 4 april 2017 zo dringend was dat er geen tijd was om van de andere pomp gebruik te maken. Eisers hebben tevens geen afdoende reden gegeven waarom de sloot niet eenvoudigweg is afgedamd. Zij kunnen evenmin worden gevolgd in hun standpunt dat de mogelijke gevolgen voor het milieu ernstiger waren geweest als [naam] niet had gehandeld, zoals hij heeft gedaan. Het verpompen van de in de sloot gelekte mest, die als met asbest verontreinigd beschouwd moet worden, op het land levert immers ook een nadelig risico voor het milieu op. Naar het oordeel van de rechtbank wist [naam] ook dat de wijze waarop hij gehandeld heeft in dit geval niet de juiste was. Uit het logboek van Ureco blijkt immers dat [naam] aan een medewerker van Ureco heeft gevraagd het gebruik van de klokpompen niet te melden aan de ODBN. Gelet op al het voorgaande faalt de beroepsgrond van eisers dat verweerder vanwege bijzondere omstandigheden van invordering had moeten afzien. Dat de calamiteit die op 31 maart 2017 is ontstaan mogelijk veroorzaakt is door toedoen van Ureco biedt geen grond voor een ander oordeel.

13. De rechtbank ziet verder in de lange duur van de termijn waarop tot invordering is overgegaan, nadat de overtreding is geconstateerd, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet tot invordering van de verbeurde dwangsom mocht overgaan of deze niet geheel mocht invorderen. De rechtbank stelt voorop dat van verweerder mag worden verwacht dat hij voortvarend overgaat tot invordering van een verbeurde dwangsom. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het invorderen in dit geval langer heeft geduurd vanwege de samenloop met andere handhavingszaken met betrekking tot de asbestverontreiniging op dit perceel. Verweerder heeft in het tijdverloop geen reden gezien voor matiging. Bij deze afweging heeft verweerder kunnen betrekken dat sprake was van meerdere asbest gerelateerde overtredingen op het perceel en dat [naam] Ureco heeft gevraagd om verweerder niet op de hoogte stellen van het gebruik van de klokpompen.

14. Het voorgaande betekent dat verweerder tot invordering van de verbeurde dwangsom mocht overgaan. Van bijzondere omstandigheden om geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien is niet gebleken.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Heijninck, rechter, in aanwezigheid van
A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. .