Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4281

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
18/3228
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/3228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2019 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. drs. R.T.M. Lagerweij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder,

(gemachtigden: mr. P. Fermont en mr. W.M.W. Bankers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [vestigingsplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast afkomstig van het perceel van derde-partij, [adres] (het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden. [naam] is vertegenwoordigd door [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Op het perceel rust, op grond van het ten tijde van het bestreden besluit geldende bestemmingsplan ‘“Gemert-Bakel Buitengebied herziening april 2012”, de bestemming “Agrarisch - agrarisch bedrijf”. Op de als zodanig bestemde gronden is één bedrijfswoning toegestaan, die ook is gerealiseerd. Hierin wonen [naam] en [naam] en hun kinderen. Op het perceel is, op basis van een op 3 juni 2009 verleende bouwvergunning, een loods opgericht.

In het nieuwe bestemmingsplan “Gemert-Bakel Buitengebied herziening april 2017” blijft de agrarische bestemming (met toekenning van een functieaanduiding ‘glastuinbouw’), gehandhaafd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet nog uitspraak doen op een hoger beroep tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is dus nog niet onherroepelijk.

Eiser is woonachtig op het naastgelegen perceel, op het adres [adres] .

1.2

Bij brief van 3 maart 2018 heeft eiser verweerder gevraagd om handhavend op te treden tegen het zijns inziens illegale gebruik van een gedeelte van de loods op het perceel van [naam] . Daarin stelt eiser, voor zover hier van belang: "Wij worden geconfronteerd met repeterende ernstige geluidshinder (harde muziek, zware bastonen en geschreeuw van mensen) die vanuit de betreffende loods voortkomen. De loods is naar wij begrepen hebben ingericht als party/horeca-locatie. De hinder vindt gemiddeld om het andere weekend plaats in de late avond- en nachtelijke uren en sporadisch op een doordeweekse avond/nacht. (…) De overlast is een direct gevolg van overtreding van het bestemmingsplan. Naast het feit dat de APV overtreden wordt is het onacceptabel dat vanuit een bedrijfspand op een locatie met een agrarische bestemming voor mij bekend geen ontheffingen zijn verleend danwel waarvoor specifieke vergunningen zijn verleend, het bestemmingsplan wordt overtreden en horeca-gerelateerde overlast genegeerd wordt. Of deze overlast zich vanuit de privé- of zakelijke sfeer voordoet is terzake de overtreding van het bestemmingsplan niet relevant".

1.3

Een toezichthouder heeft namens verweerder op 6 maart 2018 een controlebezoek op het perceel uitgevoerd. Hij heeft daarbij vastgesteld dat in het voorste gedeelte van de loods een bar/jeugdverblijf voor niet-commerciële doeleinden is gerealiseerd. [naam] heeft tijdens de controle verklaard dat de ruimte één à twee keer per maand wordt gebruikt door haar kinderen die daar met een aantal vrienden verblijven, onder het genot van een drankje, waarbij ook muziek wordt afgespeeld.

Bij e-mailbericht van 11 maart 2018 heeft eiser verweerder medegedeeld dat hij de zaterdag ervoor opnieuw ernstige geluidshinder heeft ondervonden vanuit de loods. Op 24 april 2018, 23.02 uur en twee uur later, om 01.00 uur en op 11 mei 2018, om 19.30 uur en 21.30 uur, heeft een toezichthouder namens verweerder controles op het perceel verricht. Hij heeft op deze momenten geen overlast kunnen constateren. Op 30 mei 2018 om 20.30 uur en 4 juni 2018 om 20.45 uur heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar voor verweerder controles uitgevoerd. Hij heeft daarbij geen (overlastgevende) activiteiten op het perceel waargenomen.

1.4

Verweerder heeft het handhavingsverzoek bij het primaire besluit afgewezen. Volgens verweerder is het gebruik van een ruimte van de schuur als ‘indrinkruimte’ door een gezinslid, wat ruimtelijke uitstraling betreft, in overeenstemming met de agrarische bedrijfsbestemming en daarbij behorende bedrijfswoning. Omdat tijdens de controles ook geen geluidshinder is vastgesteld, is volgens verweerder ook geen sprake van strijdigheid met artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Gemert (APV).

1.5

Nadat verweerder het primaire besluit had genomen, hebben toezichthouders van de gemeente nog controles verricht op 17 augustus 2018 om 21.15 uur, 18 augustus 2018 om 21.15 uur, 4 september 2018 om 20.30 uur, 28 september 2018 om 23.15 uur en 29 september 2018 om 22.50 uur. Bij geen van deze controles hebben de toezichthouders (overlastgevende) activiteiten op het perceel waargenomen. Over al deze controles is gerapporteerd of is proces-verbaal opgemaakt.

1.6

Het voor deze zaak relevante wettelijke kader is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.

Beroepsgronden

2.1

Eiser is van mening dat verweerder bevoegd en gehouden was om handhavend op te treden tegen de in de loods gerealiseerde voorzieningen en het gebruik daarvan.

De loods is ingericht voor het houden van feesten. Hierin is onder meer een bar met een professionele geluidsinstallatie opgenomen en er wordt vaak luide muziek gedraaid en alcohol geschonken.

Volgens eiser is het houden van feesten zoals dat in de loods plaatsvindt strijdig met het bestemmingsplan. Op het perceel en ook op de locatie van de loods rust de bestemming ‘Agrarisch - agrarisch bedrijf’. Binnen deze bestemming is het toegelaten om een agrarisch bedrijf uit te oefenen. Hoewel op het perceel ook een bedrijfswoning is toegestaan, waarbinnen feestjes georganiseerd kunnen worden, heeft de loods zelf een agrarische bestemming en heeft deze geen binding met de bedrijfswoning. Het gebruiken van de loods als verlengstuk van de bedrijfswoning is volgens eiser dan ook niet toegestaan. Het houden van feesten en partijen in de loods is volgens hem ook zodanig ver verwijderd van de agrarische bestemming, dat verweerder zich redelijkerwijs niet op het standpunt kan stellen dat geen sprake is van een overtreding.

De jurisprudentie waarnaar verweerder verwijst, onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 december 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:2379), heeft betrekking op woonbestemmingen. Gesteld noch gebleken is dat deze jurisprudentie ook van toepassing is op agrarische bestemmingen.

Er is sprake van het organiseren van feesten die ernstige overlast voor eiser veroorzaken. Eiser blijft de gehele nacht wakker liggen, als er een feest wordt gehouden. Volgens eiser is de omvang van dien aard, dat van hobbymatige gebruik niet meer kan worden gesproken. Er is dus duidelijk sprake van strijd met het bestemmingsplan.

2.2

Volgens verweerder moet eisers handhavingsverzoek worden afgewezen. Van een overtreding van het bestemmingsplan is geen sprake, omdat het gebruik van de betrokken ruimte aan de voorzijde van de loods door een gezinslid als indrinkruimte - wat ruimtelijke uitstraling betreft - te scharen valt onder normaal gebruik, passend binnen de bestemming waar ook een bedrijfswoning is toegestaan.

Voor handhavend optreden vanwege de overtreding van de Algemene plaatselijke verordening (APV) bestaat geen aanleiding, omdat bij geen van de controles is vastgesteld dat er een overtreding plaatsvond van het verbod om buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten, dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

3.1

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat hij niet kan optreden tegen door eiser ondervonden geluidsoverlast, zolang die overlast niet is geconstateerd. Dat wellicht op andere momenten wel geluidsoverlast werd ondervonden, maakt niet dat verweerder niet mocht uitgaan van de van de controles opgestelde rapportages of processen-verbaal.

De overtreding van de APV is dan ook niet komen vast te staan.

In zoverre faalt eisers betoog.

3.2

Eiser heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de door hem genoemde uitspraak, waarnaar verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, ziet op een situatie waarin aan het betrokken perceel - althans in hoofdzaak - een woonbestemming was gegeven en in dit geval van een woonbestemming geen sprake is.

Dit laat onverlet dat de in de uitspraak genoemde stelregel, dat de vraag of het gebruik dat van gronden of gebouwen wordt gemaakt in strijd is met het bestemmingsplan, moet worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, intensiteit en omvang heeft, niet alleen geldt als een perceel een woonbestemming heeft.

De Afdeling heeft in gelijke bewoordingen geoordeeld in haar uitspraak van 25 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1408), in een zaak waarin sprake was van het hobbymatig houden van paarden op een perceel met een agrarische bestemming, met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension", waarbij een bedrijfswoning was toegestaan. De Afdeling overwoog dat de vraag "of het houden van paarden bij het planologisch toegestane gebruik van de woning bij een dierenpension op het perceel in strijd is met het bestemmingsplan (moet) worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die het houden van paarden gezien zijn aard, intensiteit en omvang heeft."

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval, waarin het gebruik van een gedeelte van een bedrijfsloods samenhangt met de bewoning van de aanwezige bedrijfswoning, een gelijke toets moet worden aangelegd, wat verweerder ook heeft gedaan.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van een gedeelte van de loods als indrinkruimte, wat daarvan overigens zij, wat aard, omvang en intensiteit betreft in overeenstemming is met het planologisch toegestane gebruik van de op het perceel aanwezige bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. Niet kan worden gezegd dat de ruimtelijke uitstraling van dit gebruik van dien aard is, dat dit gebruik niet meer valt te rijmen met de bestemming van het betrokken perceel.

Ook dit gedeelte van eisers betoog faalt.

Conclusie

4. Het beroep is, gelet op het voorafgaande, ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 18 juli 2019.

De griffier is buiten staat om rechter

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage wettelijk kader

Relevante planregels bestemmingsplan “Gemert-Bakel Buitengebied herziening april 2012”

Artikel 1 van de planregels omschrijft het begrip “Agrarisch bedrijf” als een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en /of het houden van dieren en dat een omvang heeft van tenminste 8 Nederlandse grootte eenheden (Nge).

5.1.

Bestemmingsomschrijving

1. De voor “Agrarisch- Agrarisch bedrijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;

b. één bedrijfswoning voor zover bestaand en/of vergund ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerpplan, tenzij op de verbeelding de aanduiding “maximum aantal wooneenheden” is aangegeven, daar geldt het daarin aangegeven aantal als het maximum aantal woningen;

c. bijbehorende voorzieningen zoals mestopslagsilo’s, permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

d. voorzieningen ten behoeve van waterberging en infiltratie;

e. voer- en mestplaten, mest- of waterbassins van folie;

f. verharding;

g. groene erfinrichting;

h. voorzieningen ten behoeve van een duurzame ontwikkeling en exploitatie van het desbetreffende bedrijf zoals mestverwerking, energieopwekking en biovergisting.

2. Per bestemmingsvlak mag slechts één bedrijf worden uitgeoefend.

3. Voor zo ver de aard van de bedrijven is aangeduid op de verbeelding geldt de volgende onderverdeling:

a. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch grondgebonden zijn alleen grondgebonden activiteiten toegestaan;

b. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding intensieve veehouderij is intensieve veehouderij toegestaan naast grondgebonden activiteiten;

c. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch-niet- grondgebonden” zijn niet-grondgebonden activiteiten toegestaan, niet zijnde intensieve veehouderij, naast grondgebonden activiteiten;

d. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding “intensieve veehouderij” n specifieke vorm van agrarisch- grondgebonden is intensieve veehouderij slechts toegestaan voor zover deze op het moment van ter visie leggen van het ontwerp-bestemmingsplan mocht worden uitgeoefend op grond van een verleende milieuvergunning naast grondgebonden activiteiten;

e. Op bestemmingsvlakken met de aanduiding “glastuinbouw” is glastuinbouw toegestaan;

5.4.

Specifieke gebruiksregels

Onder met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

1. Het gebruik van gebouwen anders dan de bedrijfswoning voor bewoning;

2. Het binnen gebouwen meer dan één bouwlaag gebruiken voor het houden van dieren.

Algemene plaatselijke verordening

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.