Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:4166

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
19/1582
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/1582

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] en [naam] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. W. Krijger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Heesbeen)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], vergunninghoudster, te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. R. van Helvoirt).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen van een bouwwerk” en “uitvoeren van een werk en werkzaamheden” voor het realiseren van hooilanden “Scheeken” c.q. het maken van een aantal vochtige situaties en aanplant op de percelen plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente sectie [nummer] , nummers [nummer] en [nummer] (de percelen).

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens zijn namens vergunninghoudster [naam] en [naam] verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten

3. Op 21 november 2018 heeft vergunninghoudster bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning. De aanvraag voor de activiteit “uitvoeren van een werk en werkzaamheden” betreft, zo staat in de aanvraag vermeld, het realiseren van een vochtiger en ecologisch rijker gebied door het maken van een aantal vochtige situaties en aanplant, en ziet meer concreet op onder het verleggen van een duiker, grondverzet en aanplant van bomen en struiken op de percelen. De aanvraag voor de activiteit “bouwen van een bouwwerk” heeft betrekking op de oprichting van een drietal bruggen en een drietal veldpoorten. Op de percelen rusten krachtens het bestemmingplan ‘Buitengebied 2011’ (het bestemmingsplan) de bestemming “Agrarisch met waarden - Natuur en landschap” en de dubbelbestemmingen "Waarde-Attentiegebied ehs" en "Waarde-Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap" en de bestemming “Natuur” en de dubbelbestemming "Waarde-Attentiegebied ehs”. De voor deze zaak relevante planregels zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Verzoeker [naam] is eigenaar van de naastgelegen percelen [adres] en [adres] te Liempde waarop verzoekster een kalverhouderij exploiteert.

De gronden van het verzoek

4.1

Volgens verzoekers zijn de percelen, anders dan verweerder in het bestreden besluit stelt, de percelen geheel bestemd tot “Agrarisch met waarden - Natuur en landschap”, en niet (gedeeltelijk) tot “Natuur”.

4.2

De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan de hand van een tekening die bij de aanvraag is gevoegd, vastgesteld dat die opvatting op zichzelf juist is, maar dat de bestemming "Natuur" van toepassing is op een strook grond ten zuiden van de percelen, waarop een wandelpad loopt naast een bestaand bos. Vergunninghoudster heeft verklaard dat dit stuk grond zal worden opgehoogd en de particuliere eigenaar hiervoor toestemming heeft verleend.

5.1

Verzoekers zijn van mening dat de vergunde activiteiten strijdig zijn met de op de percelen rustende bestemming “Agrarisch met waarden - Natuur en landschap”. Volgens verzoekers kunnen de percelen niet meer als agrarische gronden worden gebruikt en niet meer worden aangewezen voor natuurontwikkeling. Verweerder had de aanvraag dan ook moeten aanmerken als een aanvraag voor de activiteit “afwijking van het bestemmingsplan”, en de uitgebreide procedure moeten volgen. Het bestemmingsplan kent bovendien in artikel 7.6.8 van de planregels een wijzigingsbevoegdheid voor het herbestemmen van gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden - Natuur en landschap” naar de bestemming “Natuur”. Als verweerder het gebruik ten behoeve van agrarisch grondgebruik definitief had willen uitsluiten, dan had de bestemming gewijzigd moeten worden, met toepassing van artikel 7.6.8 van de planregels, aldus verzoekers

Verweerder had bij de toepassing van zijn afwijkingsbevoegdheid de belangen van verzoekers moeten afwegen. Verweerder heeft wel in zijn brief van 25 maart 2019 aangegeven dat de bedrijfsvoering van verzoekers niet belemmerd zou worden, omdat het gebied niet als “WAV”-gebied is aangewezen. Deze motivering achten verzoekers onvoldoende, nu bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteiten “milieu” en “afwijking van het bestemmingsplan” alle ruimtelijke aspecten aan bod dienen te komen.

5.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bij het bestreden besluit vergunde werkzaamheden rechtstreeks passen in het bestemmingsplan. Op grond van de stukken en de toelichting gegeven ter zitting door vergunninghoudster en verweerder, stelt de voorzieningenrechter vast dat het vergunde plan voorziet in het herstel en de terugverkaveling van hooilanden op de percelen in het gebied “Scheeken”. Daarmee wordt het oude kleinschalige agrarische en cultuurlandschap van Liempde hersteld. Ook wordt een deel van een oude route van de [straat] in het landschap weer teruggebracht. In het landschap worden wandelpaden en bruggetjes gerealiseerd. De beoogde herinrichting van het gebied en de daarmee samenhangende vergunde werkzaamheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter in overeenstemming met artikel 7.1, onderdeel k, van de planregels, dat bepaalt dat de voor “Agrarisch met waarden-Natuur en landschap” aangewezen gronden bestemd zijn voor k. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden.

5.3

Gelet hierop doet zich geen weigeringsgrond voor als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verweerder heeft dus de omgevingsvergunning terecht verleend. Verweerder heeft de juiste procedure gevolgd en verweerder had bij het nemen van zijn besluit geen ruimte voor een belangenafweging.

Dit betoog van verzoekers faalt daarom.

6.1

Volgens verzoekers had er, omdat er aanpassingen worden gedaan aan de waterhuishouding (er wordt een duiker verlegd, er worden afgravingen gedaan en mogelijk is sprake van een wijziging van de grondwaterstand), op grond van artikel 35.3.1 van de planregels advies van het waterschap ingewonnen moeten worden. Dat advies ontbreekt, zodat de vergunning in strijd met artikel 35.3.3 van de planregels is verleend.

6.2

Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij heeft nagelaten om het waterschap, voorafgaande aan de verlening van de omgevingsvergunning, te horen, zoals in artikel 35.3.1 van de planregels is voorgeschreven. Het waterschap heeft volgens verweerder alsnog te kennen gegeven dat het akkoord is met de verlening van de omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan deze omissie gevolgen te verbinden, omdat deze in de bezwaarprocedure kan worden hersteld. Overigens heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel ten behoeve van de werkzaamheden bij besluit van 22 januari 2019 een watervergunning verleend. In dat besluit heeft het dagelijks bestuur van het waterschap geconcludeerd dat de verschillende waterhuishoudkundige activiteiten passen binnen de functies en doelstellingen van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het waterbeheerplan van het waterschap.

Ook dit betoog faalt.

7.1

Verzoekers voeren ten slotte aan dat de in artikel 44.2.2, sub e, van de planregels neergelegde uitzondering op het verbod om zonder vergunning de in dit onderdeel genoemde werkzaamheden en activiteiten uit te voeren niet van toepassing is, omdat de percelen niet zijn aangewezen voor natuurontwikkeling of natuurbeheer. Ook in artikel 3.1 is een dergelijke bestemming niet aan de gronden toegekend. Volgens verzoekers betekent dit dat op grond van artikel 44.2.1 van de planregels een omgevingsvergunning noodzakelijk is.

7.2

In artikel 44.1 van de planregels is bepaald dat de voor "Waarde-Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het leefgebied van soorten van kleinschalig cultuurlandschap.

Op grond van artikel 44.2.1 van de planregels is het verboden om op of in de voor als zodanig aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in dat artikel genoemde werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken, uit te voeren.

Dit verbod geldt, op grond van artikel 44.2.2, aanhef en onder e, van de planregels niet van toepassing op werken en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de natuurontwikkeling of -beheer.

7.3

Artikel 44.2.2, aanhef en onder e, van de planregels laat de werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de natuurontwikkeling of -beheer, zonder omgevingsvergunning toe. Deze bepaling geldt voor de gronden die zijn bestemd voor “Agrarisch met waarden-Natuur en landschap” en de dubbelbestemming "Waarde-Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap". Niet valt, gelet op de plaats van dit artikelonderdeel, in te zien dat deze bepaling (alleen) geldt voor gronden die zijn aangewezen voor natuurontwikkeling of natuurbeheer. De verwijzing door verzoekers naar artikel 3.1 van de planregels ontgaat de voorzieningenrechter.

Ook dit betoog faalt.

Conclusie

8.1

Nu de bezwaren van verzoekers naar alle waarschijnlijkheid in de bezwaarfase niet zullen leiden tot herroeping van het primaire besluit, bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

8.2

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 12 juli 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE: Relevante planregels van het bestemmingsplan

Op grond van artikel 7.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden - Natuur en landschap” , voor zover hier van belang, bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik agrarisch grondgebruik;

b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

(…);

f. de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - ecologische verbindingen';

(…);

h. het ontwikkelen van nieuwe natuur ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - natuurontwikkelingsgebied'

(…);

k. k. het behoud, het herstel en de versterking van de landschappelijke en natuurwaarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden.

35.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

35.3.1

Verbod

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

a. a. verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld een en ander voorzover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;

b. b. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

c. c. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaand drainagestelsel door een gelijkwaardig stelsel, waaronder een peilgestuurd stelsel;

d. d. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2.

35.3.3

Onderzoek

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.3.1 wordt het waterschap gehoord.

44.2.1

Verbod

Het is verboden om op of in de voor ' Waarde - Leefgebied soorten van kleinschalig cultuurlandschap ' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken, uit te voeren:

a. a. grondwerkzaamheden zoals het afgraven, ophogen, vergraven en egaliseren van gronden;

b. b. waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanleggen van een drainagestelsel en het aanbrengen van onderbemaling, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaand drainagestelsel door een gelijkwaardig stelsel, waaronder een peilgestuurd stelsel;

c. c. het aanleggen, dempen of wijzigen van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;

d. d. het verwijderen of rooien van bos- , natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;

e. e. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen voor zover groter dan 200 m2 per ingreep;

f. f. het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur waarbij de breedte van de grondwerken meer dan 50 cm bedraagt;

g. g. het verwijderen of wijzigen van perceelsgrenzen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden, landschapselementen en het verwijderen van paden of onverharde wegen;

h. h. het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen met een tijdelijk karakter;

i. i. teelt van houtgewas met agrarische productiefunctie.

44.2.2

Uitzonderingen op verbod

Het in 44.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;

b. b. het normale agrarisch gebruik betreffen;

c. c. plaatsvinden binnen de bestemmingen ' Agrarisch - Agrarisch bedrijf ', ' Agrarisch - Glastuinbouw ', ' Bedrijf ', ' Bedrijf - Nutsvoorziening ', ' Bedrijf - Verkooppunt motorbrandstoffen ', ' Bedrijf - Waterzuiveringsinstallatie ', ' Horeca ', ' Maatschappelijk ', ' Recreatie - Dagrecreatie ', ' Recreatie - Verblijfsrecreatie ', ' Recreatie - Volkstuin ', ' Sport ', ' Sport - Manege ' en ' Wonen ';

d. d. plaatsvinden binnen de bestemmingen ' Bos ', ' Natuur ' en ' Water ';

e. e. plaatsvinden in het kader van de natuurontwikkeling of -beheer;

f. f. die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.