Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2019:3416

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
18/744
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitbreiding uitzondering op stalderingsregeling. Verbindendheid van de BZV

De zaak gaat over de uitbreiding van een varkenshouderij in Oostelbeers. Hiervoor is eerst een vergunning verleend. In bezwaar is deze vergunning geweigerd. In een eerdere uitspraak van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:2824) is het besluit op bezwaar vernietigd. Daarna heeft de gemeente Oirschot de vergunning nog een keer geweigerd, vanwege strijd met de regels over de Brabantse Zorgvuldigheidsscore en de stalderingseisen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente heeft getoetst aan de verkeerde BZV regels. Artikel 7l van het Besluit Crisis en Herstelwet (dat de BZV mogelijk maakt) is volgens de rechtbank niet onverbindend. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de stalderingseisen in de VrNB buiten toepassing had moeten laten omdat de veehouderij over een vergunning beschikte toen de VrNB werd vastgesteld. Eisers klagen terecht dat zij steeds worden geconfronteerd met nieuwe verplichtingen voor het realiseren van hun bouwplannen. De rechtbank verklaart de bezwaren van omwonenden zelf ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning van 17 december 2015 met de daarop volgende wijzigingen van 8 april 2016, 6 juli 2017 en 20 oktober 2017 kan worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/149 met annotatie van Bokelaar, P.B.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/744 en SHE 18/931

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2019 in de zaak tussen

[eiser] , [eiser] . en [eiser], te [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Benhadi).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:
1. [belanghebbende], , [belanghebbende] , [belanghebbende] en [belanghebbende], te [plaats]
(gemachtigde: mr. [naam] )

2. [belanghebbende] , [belanghebbende] , [belanghebbende] , [belanghebbende] en [belanghebbende], te [plaats]

(gemachtigde: mr. D. Heuker of Hoek)

3 het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS)
(gemachtigde: mr. E.F.M. Vos)

4 de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (minister)

(gemachtigde: mr. I.M. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [eiser] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een bestaande varkensstal op het adres [adres] .

Bij besluit van 21 juni 2016 heeft verweerder het bezwaar van derde-belanghebbenden 1 en 2 deels gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Het hiertegen door [naam] ingestelde beroep is bij uitspraak van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RBOBR:2017:2824) gegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank het besluit van 21 juni 2016 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 20 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van derde-belanghebbenden 1 en 2 ongegrond verklaard en vervolgens de aangevraagde omgevingsvergunning opnieuw geweigerd.

Eisers hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van [eiser] en [eiser] . is geregistreerd onder zaaknummer 18/744, dat van [eiser] onder zaaknummer SHE 18/931. De beroepsgronden zijn in beide zaken identiek.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 16 april 2019. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde alsmede door mr. [naam] en [naam] . Namens GS is de gemachtigde verschenen. Namens de minister is de gemachtigde verschenen. [belanghebbende] , [belanghebbende] en [belanghebbende] zijn verschenen alsmede de gemachtigden van de overige partijen.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze uitspraak worden eerst de relevante feiten op een rij gezet. Daarna worden de beroepsgronden van eisers behandeld. In de bijlage bij deze uitspraak staat de belangrijkste regelgeving waarnaar wordt verwezen in deze uitspraak.

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

 Eisers exploiteren een varkenshouderij aan de [adres] , in gemengd landelijk gebied, en willen de ter plaatse aanwezige stal (binnen het bestaande bouwvlak) vergroten.

 Op grond van de bestaande vergunning van 5 juli 2007 mogen er 250 scharrelvarkens en 3 paarden worden gehouden.

 Op 2 december 2014 heeft [naam] van [eiser] bij verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van de bestaande varkensstal binnen het bestaande bouwvlak van 350 m2 naar 925 m2. Na de uitbreiding zullen binnen de inrichting 669 opfokzeugen en 774 vleesvarkens worden gehouden. De aanvraag ziet op de volgende activiteiten:
- het bouwen van een bouwwerk met agrarische functie (bouwen)
- het verrichten van een activiteit waarvoor een beperkte milieutoets nodig is (OBM).
Op het moment van indienen van de aanvraag gold het bestemmingsplan “Buitengebied 2013 fase II”.

 Op 31 maart 2015 heeft de gemeenteraad van Oirschot (de gemeenteraad) een voorbereidingsbesluit genomen voor het perceel van eisers. Dat voorbereidingsbesluit is in werking getreden op 1 april 2015.

 Voor het voorgenomen project is op 11 juni 2015 een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend.

 Bij het primaire besluit van 17 november 2015 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

 Derde-partijen 1, alsmede [belanghebbende] en [belanghebbende] hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

 Op 31 maart 2016 heeft verweerder het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied herziening [adres] ” ter inzage gelegd.

 Op 7 april 2016 hebben eisers de aanvraag gewijzigd door een spuiwaterput niet meer op te nemen en de afstand van de gevel van een bedrijfsgebouw tot de as van de weg te verkleinen.

 Bij besluit van 21 juni 2016 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [adres] " gewijzigd vastgesteld. Hiertegen is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Het bestemmingsplan is wel in werking getreden. De Afdeling heeft op 5 juli 2017 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1816).

 Op 15 juli 2017 is de Verordening ruimte 2014 (VR 2014) van de provincie Noord-Brabant vervangen door de Verordening ruimte Noord-Brabant (VrNB).

 Bij besluit van 19 december 2017 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [adres] " opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is ter inzage gelegd op 8 februari 2018.

 Op 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3609) heeft de Afdeling een einduitspraak gedaan in de bestemmingsplanprocedure. Hierin is het besluit van de gemeenteraad van 21 juni 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [adres] " vernietigd en is het herstelbesluit van de gemeenteraad van 19 december 2017 in stand gebleven.

Samenvatting voornaamste standpunten

3.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit (kort samengevat) overwogen dat de bezwaren van derde-partijen 1 en 2 ongegrond zijn. Het bouwplan voldoet echter niet aan de VrNB, in het bijzonder het rechtstreeks werkende artikel 35 van de VrNB. In dat kader stelt verweerder zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij 2.0 (BZV 2.0) en evenmin aan de in artikel 35, derde lid, van de VrNB opgenomen stalderingsregeling. Daarom weigert verweerder de omgevingsvergunning opnieuw. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit aldus dat verweerder hiermee ook het oorspronkelijke primaire besluit wederom herroept.

3.2

Eisers stellen (kort samengevat) dat ten onrechte wordt getoetst aan de BZV 2.0. Er had aan een eerdere versie van de BZV moeten worden getoetst. Bovendien had de BZV buiten toepassing moet worden gelaten. Ook de stalderingsregeling had buiten toepassing moeten worden gelaten. Eisers merken op dat zij steeds worden geconfronteerd met nieuwe eisen terwijl volgens hen duidelijk is dat de aanvankelijke weigering van de vergunning en het schrappen van bouwmogelijkheden onrechtmatig is.

3.3

De derde-partijen 1 en 2 hebben geen beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en sluiten zich bij de standpunten van verweerder aan. GS ziet geen aanleiding de stalderingsregeling buiten toepassing te laten. De Minister is van mening dat het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) niet onverbindend is.

Het toepasselijke recht

4.1

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eisers vanaf het moment van indiening tot de aanpassing van 7 april 2016 in strijd was met het bestemmingsplan “Buitengebied 2013 fase II” omdat de aanvraag voorzag in de realisatie van een spuiwaterput die niet onder de bedrijfsgebouwen lag en omdat de gevel van een bedrijfsgebouw niet voldeed aan de in artikel 3.2.1 onder e, van de planregels genoemde afstand tot de weg. Deze strijdigheid met het bestemmingsplan is tussen partijen niet in geschil. In het midden kan blijven of de aanvraag ook op andere punten in strijd was met bestemmingsplan “Buitengebied 2013 fase II”. Op 7 april 2016 lag het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied, herziening [adres] " ter inzage, dat op 21 juni 2016 is vastgesteld. De aanvraag was hiermee in strijd. Het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ” is na een bestuurlijke lus vastgesteld op 19 december 2017 maar is ter inzage gelegd op 8 februari 2018. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, was dit bestemmingsplan nog niet in werking getreden, gelet op artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

4.2

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit moest toetsen of werd voldaan aan het op dat moment geldende recht. Er is geen aanleiding voor het maken van een uitzondering. Dat betekent dat verweerder ook moest toetsen of werd voldaan aan de op dat moment geldende VrNB, ook al was de aanvraag in overeenstemming met de provinciale ruimtelijke verordening die gold direct voor 15 juli 2017. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS: 2018:2010).

De BZV

5.1

Eisers stellen in de eerste plaats dat niet had mogen worden getoetst aan de BZV 2.0.

5.2

In het bestreden besluit is verweerder inhoudelijk ingegaan op de bezwaargronden van derde-partijen 1 en 2 tegen de overgelegde informatie in verband met de eisen vanwege de BZV 1.0. De hiertegen gerichte bezwaren zijn ongegrond verklaard. Verweerder werpt eisers wel tegen dat zij niet tijdig de uitkomst van de BZV 2.0 toets hebben overgelegd en legt het ontbreken van deze toets ten grondslag aan het bestreden besluit.

5.3

De derde-partij 1 heeft gesteld dat het op de weg van eisers had gelegen om de door verweerder gevraagde BZV 2.0 toets te overleggen en betwijfelt of er ooit een ontvankelijke aanvraag is geweest.

5.4

Op basis van artikel 6.3, tweede lid, van de VrNB kunnen nadere regels worden gesteld die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. De BZV is als nadere regel van de VR 2014 ontwikkeld als instrument om de invulling van het begrip zorgvuldige veehouderij uit de artikelen 6.3 en 7.3 van de VR 2014 te concretiseren en te objectiveren. Er zijn door de jaren heen meerdere versies van de BZV verschenen. Op 18 februari 2014 heeft GS de BZV 1.0 vastgesteld. Deze is deels gewijzigd bij de vaststelling van de BZV 1.2 op 29 maart 2016. De BZV 1.2 is deels gewijzigd bij de vaststelling van de BZV 2.0 die in werking is getreden op 9 februari 2018. Aanvankelijk was de minimale score die nodig is voor uitbreiding 7 (in de BZV versie 1.0, 1.1 en 1.2) maar bij de BZV 2.0 is deze minimale score verhoogd naar 7,25. De score van de BZV die op 26 februari 2015 is uitgevoerd, kwam uit op 7,37. Artikel 12 van de BZV 1.2 is in de BZV 2.0 ongewijzigd gehandhaafd en was van toepassing ten tijde van het bestreden besluit. Op basis van dit artikel is op een aanvraag voor een omgevingsvergunning de BZV van toepassing die van kracht is ten tijde van de volledige en ontvankelijke aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

5.5

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het primaire besluit al heeft geoordeeld dat de aanvraag ontvankelijk is. Dit wordt met zoveel woorden bevestigd in het bestreden besluit. Hierin worden in reactie op de bezwaargronden van de derde-partijen 1 en 2 geen vraagtekens gesteld bij de overgelegde BZV 1.0 toets. Gelet op artikel 12 van de BZV 1.2 en BZV 2.0 heeft verweerder ten onrechte van eisers een aanvullende BZV 2.0 toets verlangd. Verweerder mag het ontbreken van een BZV 2.0 toetsing niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt.

6.1

Eisers vinden verder dat de BZV 2.0 onverbindend is omdat er aspecten aangevoerd worden die niet dienen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en die juist hun neerslag vinden in de andere wet- en regelgeving van sectorale aard, onder meer waar het betreft de brandveiligheid, geur, gezondheid en ammoniakemissie. Er is naar de mening van eisers meer dan voldoende sectorale regelgeving (zoals de Wabo, de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Wet natuurbescherming (Wnb) als ook provinciale regelgeving (zoals de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) die de door de provincie beoogde doelen dient en een aanscherping van de BZV is dan ook in strijd met art. 4.1 van de Wro.

6.2

GS hebben zich verbaasd over deze beroepsgrond omdat de BZV reeds in de VR 2014 was opgenomen. GS onderkennen dat via certificaten in de BZV ook maatregelen gestimuleerd worden waarvan de ruimtelijke relevantie betwist kan worden. Met het oog daarop is een pilotstatus onder de Crisis- en herstelwet (Chw) aangevraagd. De voorwaarden in de BZV dragen wel bij aan een veilige en gezonde leefomgeving.

6.3

De vraag of de BZV daadwerkelijk in strijd is met artikel 4.1 van de Wro wordt volgens de rechtbank pas relevant op het moment dat het BuChw buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Ofschoon de rechtbank gelet op het standpunt van GS niet op voorhand uitsluit dat enkele gestimuleerde maatregelen in kader van de BZV niet ruimtelijk relevant zijn, kan op dit moment in het midden blijven welke specifieke maatregelen dat dan zijn. Dat zou slechts anders zijn als het bereiken van de vereiste BZV 2.0 score onmogelijk is zonder het treffen van niet ruimtelijk relevante maatregelen. Eisers hebben dit niet gesteld of aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal eerst onderzoeken of verweerder aanleiding had moeten zien het BuChw buiten toepassing te laten of dat het BuChw onverbindend is.

7.1

Eisers stellen dat met artikel 7l van het BuChw wordt afgeweken van de Wro, de Wgv en de Wav zonder dat artikel 2.4 van de Chw in deze afwijkingsmogelijkheid voorziet.

7.2

Volgens de Minister biedt artikel 2.4 van de Chw de grondslag voor afwijking van de Wro, de Wgv en de Wav bij wege van experiment door middel van een algemene maatregel van bestuur.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat artikel 2.4, eerste lid van de Chw juist uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de Wro, de Wgv en de Wav. De stelling van eisers berust op een onjuiste lezing van de Chw. Eisers hebben geen gronden aangevoerd tegen de rechtmatigheid van artikel 2.4 van de Chw of een regel in een internationaal verdrag waarmee artikel 2.4 van de Chw in strijd zou zijn. Het staat de rechtbank anderszins niet vrij om de rechtmatigheid van een wet in formele zin te toetsen, gelet op artikel 120 van de Grondwet.

8.1

Daarnaast voeren eisers aan dat artikel 2.4 van de Chw niet voorziet in delegatie van een regelgevende bevoegdheid aan provinciale staten (PS).

8.2

Volgens de minister is van verboden subdelegatie geen sprake want op grond van artikel 4.1 van de Wro hebben PS al de bevoegdheid om bij verordening regels te stellen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Deze bevoegdheid is alleen verbreed door artikel 7l van het BuChw. Dit artikel maakt het mogelijk dat de regels van de VrNB een verbrede reikwijdte hebben en niet alleen strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening maar ook ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid met betrekking tot het stellen van regels met een verbrede reikwijdte niet wordt gedelegeerd in artikel 7l van het BuChw. De bevoegdheid tot het stellen van regels ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is gegeven in artikel 4.1 van de Wro. Artikel 7l van het BuChw biedt slechts de mogelijkheid om in een provinciale verordening regels met een verbrede reikwijdte te stellen in aanvulling op de bevoegdheid tot het stellen van regels ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Artikel 7l geeft dus niet de mogelijkheid tot het stellen van autonome regels met een verbrede reikwijdte. Dit blijkt overigens al uit de formulering van artikel 7l, eerste lid, van het BuChw waarin staat dat slechts in aanvulling op artikel 4.1 van de Wro regels kunnen worden gesteld.

9.1

Volgens eisers is artikel 7l van het BuChw in strijd met de doelstellingen van de Chw, die er vooral voor is bedoeld om infrastructurele ontwikkelingen procedureel te bespoedigen met het oog op economisch herstel en dus ook in strijd met artikel 2.4, tweede lid van de Chw. Volgens eisers is de BZV 2.0 helemaal geen experiment of innovatieve ontwikkeling.

9.2

De minister wijst er op dat artikel 2.4 van de Chw van meet af aan was bedoeld om duurzame en innovatieve experimenten mogelijk te maken. De maatregelen uit de VrNB en de BZV zijn noodzakelijk om de transitie naar zorgvuldige en duurzame veehouderijen in Noord-Brabant mogelijk te maken. De minister benadrukt verder dat de mogelijkheid om regels te stellen met een verbrede reikwijdte reeds voldoet aan de vereiste doelen van economische structuurversterking en duurzaamheid.

9.3

Volgens GS draagt de BZV 2.0 bij aan innovatieve ontwikkeling, economische structuurversterking en duurzaamheid. Het instrument zelf is innovatief omdat het de ondernemer een keuzevrijheid biedt en geen eisen oplegt alsmede toepassing van nieuwe technieken stimuleert. De BZV 2.0 zou ook bijdragen aan economische structuurversterking omdat het de transitie naar een duurzame veehouderijsector bevordert.

9.4

In de parlementaire geschiedenis in verband met het wetsvoorstel tot het permanent maken van de Chw (Kamerstukken II 2011/12 33135, nr. 7 blz. 10) is het volgende aangegeven: ”De Chw biedt overigens geen alomvattend pakket dat is gericht op structuurversterking in brede zin maar bevat mogelijkheden om via projecten en concrete maatregelen (onder meer) economische effecten te bereiken. Daarbij worden ook mogelijkheden geboden voor innovatie en groene economie door de regeling voor innovatieve experimenten”.

9.5

Uit de hierboven geciteerde passage en andere passages blijkt volgens de rechtbank voldoende dat de Chw niet alleen is bedoeld om Nederland uit de economische crisis te halen maar ook om duurzame en innovatieve experimenten mogelijk te maken. Artikel 7l van het BuChw is niet in strijd met deze doelstelling. De rechtbank is verder van oordeel dat artikel 2.4, tweede lid, van de Chw niet uitsluitend de mogelijkheid biedt voor experimenten waarvan de uitvoering bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis. Volgens de rechtbank is het voldoende wanneer het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkeling en aan duurzaamheid. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling in rechtsoverweging 19 van de uitspraak van 25 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1398) waarin de ontwikkeling van een bedrijvenpark met toepassing van artikel 7c van het BuChw (dat ook is gebaseerd op artikel 2.4 van de Chw) toelaatbaar werd geacht vanwege de bijdrage aan innovatieve ontwikkelingen en de duurzaamheid. De minister heeft voorts terecht opgemerkt dat de mogelijkheid om regels met een verbrede reikwijdte te stellen op zichzelf bezien niet in strijd is met, maar juist bijdraagt aan de doelstellingen van de Chw. Eisers hebben in reactie op de stelling van GS niet onderbouwd waarom de BZV 2.0 niet zou bijdragen aan innovatieve ontwikkeling, economische structuurversterking en duurzaamheid. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de grondslag voor de BZV reeds in een eerdere provinciale ruimtelijke verordening is gelegd.

10.1

Volgens eisers is niet voldaan aan artikel 2.4, derde lid van de Chw.

10.2

Volgens de minister is wel voldaan aan de in dat artikel gestelde tijdsduur omdat vóór 18 maart 2018 de BZV is opgenomen in de provinciale verordening ruimte. Volgens GS is de geldigheidsduur van de BZV beperkt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

10.3

De BZV is inderdaad vóór 18 maart 2018 opgenomen in de provinciale verordening ruimte. De rechtbank is van oordeel dat daarmee wordt voldaan aan artikel 2.4, derde lid, van de Chw. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:2579) waarin de Afdeling oordeelde dat de soortgelijke beperking in tijd in artikel 7c, veertiende lid, van het BuChw niet in strijd is met artikel 2.4, derde lid van de Chw.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien artikel 7l van het BuChw buiten toepassing te laten of dit artikel onverbindend te verklaren. Daarmee kan ook in het midden blijven of de BZV 2.0 in strijd is met artikel 4.1 van de Wro. De rechtbank concludeert dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen weigeren vanwege het ontbreken van BZV 2.0 toets. Het bestreden besluit komt om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

Beroepsgronden in verband met staldering

12.1

Volgens eisers had verweerder in het bestreden besluit de gevraagde omgevingsvergunning niet mogen weigeren wegens strijd met de stalderingseis in artikel 35 van de VrNB. Zij beroepen zich op de uitspraak van deze rechtbank van 22 mei 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:2436). Zij stellen onevenredig zwaar te worden getroffen door de stalderingseis omdat het bouwplan als gevolg van die eis 10% meer zal gaan kosten. Volgens hen is de stalderingseis zonder overgangsrecht in strijd met de rechtszekerheid. Verder verzetten eisers zich tegen toepassing van deze geheel nieuwe weigeringsgrond, temeer omdat de vergunning eerder was verleend en de eerdere beslissing op bezwaar was vernietigd. Eisers stellen verder dat de stalderingseis in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder stellen eisers dat de stalderingseis als voorwaardelijke eis aan de omgevingsvergunning had kunnen worden verbonden.

12.2

De rechtbank stelt voorop dat het bestemmingsplan “Buitengebied 2013 fase II” en het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ” dat is vastgesteld op 21 juni 2016, afwijken van artikel 26 van de VrNB. Daarom moest in het bestreden besluit worden getoetst aan artikel 35 van de VrNB.

12.3

Voor een uitgebreide uitleg over het begrip staldering verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4 van de uitspraak van 22 mei 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:2436). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de stalderingsregeling in de VrNB niet in strijd is met de Wro (rechtsoverweging 6). In de voorafgaande tussenuitspraak van 16 januari 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:297) heeft de rechtbank geoordeeld dat het niet mogelijk is om de verplichting tot staldering als vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. De rechtbank ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel. In de uitspraak van 22 mei 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de stalderingsregeling in de VrNB in bepaalde gevallen buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het betreft de situaties waarin:

1. De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de VrNB én

2. Deze aanvraag voldoet aan de artikelen 4.10, 6.3 en 7.3 van de VrNB (o.a. BZV) én

3. Het gaat om een veehouderij met een bouwperceel (na uitbreiding) van maximaal 1,5 hectare (15.000 m2).

De aanvraag van eisers voldoet aan deze voorwaarden.

12.4

Tegen de uitspraken van 16 januari 2018 en 22 mei 2018 is een hoger beroep aanhangig bij de Afdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding de uitspraak van de Afdeling af te wachten omdat deze zaak afwijkt van de zaak die in hoger beroep aan de Afdeling is voorgelegd en wel om de volgende redenen. De rechtbank heeft op de zitting aan verweerder en GS voorgehouden dat de stalderingsregeling op een belangrijk onderdeel verschilt met andere rechtstreeks werkende bepalingen in de VrNB. In artikel 2, derde lid van de VrNB is bepaald dat in de verordening onder een bestaand bouwperceel, bestaande bebouwing, een bestaande planologische gebruiksactiviteit of een bestaande omvang, wordt verstaan datgene wat het geldende bestemmingsplan zonder toepassing van wijzigingsbevoegdheden toestaat, (…). In artikel 35, vijfde lid, van de VrNB is een afwijking opgenomen van artikel 2, derde lid, VrNB uitsluitend in verband met de toepassing van het eerste lid van artikel 35 van de VrNB. Hierin is (kort samengevat) bepaald dat bij de uitbreiding van een veehouderij maatregelen worden getroffen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij en dat wordt voldaan aan artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid van de VrNB. In artikel 35, vijfde lid van de VrNB is bepaald dat onder de bestaande oppervlakte van dierenverblijven niet alleen de feitelijk op 17 maart 2017 aanwezige oppervlakte wordt verstaan maar ook de oppervlakte die mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning. Dit overgangsrecht geldt echter alleen bij toepassing van het eerste lid van artikel 35 van de VrNB en geldt niet ten aanzien van de in het derde lid van dat artikel opgenomen stalderingseis. Het betreft een bewuste keuze (mede gelet op de toelichting op artikel 35, vijfde lid van de VrNB), maar in de toelichting op de VrNB is niet uitgelegd waarom deze keuze wordt gemaakt. De motivering van de VrNB schiet hier tekort.

12.5

In dit bijzondere geval pakt de keuze van Provinciale Staten voor het onderscheid in het overgangsrecht van het eerste lid en het derde lid in artikel 35 van de VrNB wel erg ongelukkig uit voor eisers. Zij beschikten immers op het moment van inwerkingtreding van de VrNB over een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning. Deze vergunning was weliswaar herroepen in de eerste beslissing op bezwaar maar de rechtbank heeft deze eerste beslissing op bezwaar vernietigd in de uitspraak van 24 mei 2017. Hierdoor is de onderliggende vergunning weer herleefd en konden eisers weer beschikken over deze vergunning uit 2015. Een bijkomende omstandigheid is dat in artikel 3.3.2 onder g van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ” zoals vastgesteld op 19 december 2017 een verplichting is opgenomen voor staldering die, gelet op het bepaalde in artikel 3.2.3, onder a, van de planregels, uitsluitend geldt in de gevallen dat sprake is van een toename van de oppervlakte van dierenverblijven die legaal aanwezig zijn op de datum van vaststelling van het betreffende bestemmingsplan of gebouwd mogen worden op basis van een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning. In dit bijzondere geval is sprake van een voor de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning uit 2015 en is er dus geen sprake van een toename van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen waarvoor de stalderingsplicht in het bestemmingsplan geldt. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden eisers terecht klagen dat zij steeds worden geconfronteerd met nieuwe verplichtingen voor het realiseren van hun bouwplannen. Verweerder had daarom aanleiding moeten zien om artikel 35 van de VrNB in dit bijzondere geval buiten toepassing te laten en aan te sluiten bij artikel 3.3.2 onder g van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ”. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat GS geen reactieve aanwijzing hebben gegeven naar aanleiding van de vaststelling op 19 december 2017 van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ” en het daarin opgenomen artikel 3.2.3 van de planregels. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de wijzigingen van het bouwplan per 8 april 2016, 6 juli 2017 en 20 oktober 2017 niet zien op een toename van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en verder moeten worden gezien als een niet-ingrijpende wijziging van het bouwplan waarvoor geen nieuwe omgevingsvergunning was vereist. Deze wijziging is dus niet relevant voor de toetsing aan artikel 3.2.3 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] ”. De beroepsgrond van eisers slaagt. In het midden kan blijven of het bouwplan van eisers voldoet aan de criteria in de uitspraak van deze rechtbank van 22 mei 2018.

Conclusie

13.1

Verweerder heeft de vergunning van eisers ten onrechte alsnog geweigerd vanwege het ontbreken van een BZV 2.0 toets en strijd met artikel 35 van de VrNB. De beroepen van eisers zijn gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

13.2

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien omdat er redelijkerwijs geen andere uitkomst bestaat. Verweerder heeft in het vernietigde bestreden besluit de inhoudelijke argumenten van de derde-belanghebbenden al ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel en zal de bezwaren van de derde-belanghebbenden ongegrond verklaren. Dit betekent automatisch dat de omgevingsvergunning van 17 december 2015 met de daarop volgende wijzigingen van 8 april 2016, 6 juli 2017 en 20 oktober 2017 kan worden gehandhaafd. De rechtbank zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    verklaart de bezwaren van de derde-partijen 1 en 2 ongegrond en handhaaft het primaire besluit met inachtneming van de daarop volgende wijzigingen van 8 april 2016, 6 juli 2017 en 20 oktober 2017;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (in totaal) € 508,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.024,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 juni 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 4.1

1. Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. Daarbij kan worden bepaald dat een regel slechts geldt voor een daarbij aangegeven gedeelte van het grondgebied van de provincie. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van de verordening geschiedt tevens langs elektronische weg.

Crisis- en herstelwet

Artikel 2.4

1 Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kan, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:

o a. de Elektriciteitswet 1998 voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in de Wet belastingen op milieugrondslag;

o b. de Warmtewet;

o c. de Waterwet, met uitzondering van hoofdstuk 5, artikel 6.5, aanhef en onder c, juncto paragraaf 2 van hoofdstuk 6;

o d. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

o e. de Wet ammoniak en veehouderij;

o f. de Wet bodembescherming;

o g. de Wet geluidhinder;

o h. de Wet geurhinder en veehouderij;

o i. de Wet inzake de luchtverontreiniging;

o j. de Wet milieubeheer met uitzondering van artikel 5.2b en titel 5.2;

o k. de Wet ruimtelijke ordening;

o l. de Woningwet.

2 Er kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan het eerste lid indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid.

3 Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald:

o a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan;

o b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en

o c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Artikel 7l

1 In aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten van Noord-Brabant uiterlijk op 18 maart 2018 in de provinciale verordening ruimte regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit, mede met inachtneming van het belang om private inspanningen gericht op een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen.

2 Hiertoe kunnen behoren regels waarbij in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen.

3 Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders bij een beschikking maatregelen voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM10) vanuit binnen een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied gelegen dierenverblijven, waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt.

4 Het vorige lid is alleen van toepassing op door burgemeester en wethouders vóór 18 maart 2020 aangewezen gebieden, waarvoor door de raad vóór 18 maart 2022 een verbeterplan is vastgesteld. Een aangewezen gebied geldt voor een termijn van tien jaar.

Verordening ruimte 2014 zoals geldend op 20 februari 2018

Artikel 26 Stalderingsgebied

26.1

Stalderingsgebied

1. In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;

c. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

3. 3. 3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

3. 3. 4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 35 Veehouderijen (rechtstreekse werking)

1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, gelden de volgende bepalingen:

a. a. een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf is alleen toegestaan indien:

I. I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

II. II. de maatregelen als bedoeld onder I., in ieder geval voldoen aan de nader door Gedeputeerde Staten gestelde regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, en artikel 7.3, derde lid;

III. III. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;

IV. IV. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

V. V. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

VI. VI. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.

2. 2. 2. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.10 en artikel 25.1 geldt voor veehouderijen de regel dat geen toename is toegestaan van de oppervlakte van bestaande gebouwen en de oppervlakte van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behoudens indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 25.1, tweede lid.

2. 2. 3. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel26.1, tweede lid geldt binnen de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten van een gebouw of het in gebruik nemen van een gebouw voor het houden van hokdieren, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

4. 4. 4. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.10, onder c, artikel 6.3, tweede lid, onder b, en artikel 7.3, tweede lid, onder b, geldt voor veehouderijen de regel dat binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.

4. 4. 5. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder onder de bestaande oppervlakte van een dierenverblijf in het eerste lid verstaan de oppervlakte dierenverblijf die:

a. a. op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning.

6. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de oppervlakte van bestaande gebouwen en bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde in het tweede lid, verstaan de oppervlakte die:

a. a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

b. b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.

7. Voor de toepassing van het derde lid zijn artikel 26.1, derde en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Planregels bestemmingsplan “Buitengebied fase II 2013” zoals vastgesteld bij besluit van 18 juni 2013

Artikel 3 Agrarisch

3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

a. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak ten behoeve van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf of ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' ten behoeve van het ter plaatse gevestigde glastuinbouwbedrijf.
b. Binnen een bouwvlak, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'relatie' sprake is van een gekoppeld bouwvlak, zijn de regels voor één enkel bouwvlak van overeenkomstige toepassing.
c. Gebouwen waarin dieren worden gehouden ten behoeve van intensieve veehouderij, mogen slechts bestaan uit één bouwlaag, met dien verstande dat uitsluitend op de begane grond dieren mogen worden gehouden. Uitgezonderd hiervan zijn volière- en scharrelstallen voor legkippen.
d. De afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
e. De afstand van gebouwen tot de as van de weg mag niet minder bedragen dan 15 m.
f. De bouw van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de huisvesting van vee/dieren is slechts toegestaan, indien de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting niet toeneemt, tenzij saldering plaatsvindt.

3.2.5

Ondergronds bouwen
Voor ondergronds bouwen geldt het bepaalde in lid 34.2 Ondergronds bouwen.
Artikel 34 Algemene bouwregels

34.2

Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a. Situering:

1. bij (agrarische) bedrijfsgebouwen: de bebouwing mag uitsluitend worden gebouwd onder de (agrarische) bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat binnen de gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren;

2. in overige gevallen: de bebouwing moet worden opgericht onder een (bedrijfs)woning en/of onder de bij de (bedrijfs)woning behorende bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de woonfunctie, met dien verstande dat deze aan één zijde maximaal 2 m buiten het bovengrondse gevelvlak mag uitsteken;

b. de inhoud van de ondergrondse bebouwing mag niet meer bedragen dan de inhoud van het gebouw waaronder de ondergrondse bebouwing wordt gebouwd;

c. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 5 m.

Planregels bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [adres] (bestuurlijke lus)” zoals vastgesteld bij besluit van 19 december 2017

Artikel 3 Agrarisch

3.2

Bouwregels

3.2.3

Bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden, in aanvulling op het bepaalde in 3.2.2, de volgende bepalingen:

a. Voor veehouderijen mag de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven die:

1. op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of in uitvoering zijn; dan wel

2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór de vaststelling van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.

3.3.2

Toename oppervlakte dierenverblijven

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde sub 3.2.3 onder a voor het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een veehouderij, met dien verstande dat:

(…)

g.indien sprake is van het vergroten van de toegestane oppervlakte van dierenverblijven bij een hokdierhouderij, deze vergroting uitsluitend is toegestaan indien:

1.binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming, waarbij geldt dat:

•de bestaande dierenverblijven die zijn gesaneerd dienen te voldoen aan de criteria die in de provinciale Verordening ruimte zijn gesteld aan 'bestaande dierenverblijven', zoals die criteria gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag;

•het gebruik van de bestaande dierenverblijven als dierenverblijf juridisch en feitelijk dient te zijn beëindigd;

2.de oppervlakte van de sanering als bedoeld onder 1 tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte aan dierenverblijf die extra wordt toegestaan;

3.de sanering als bedoeld onder 1 plaatsvindt in directe samenhang met de bouw of vergroting van een dierenverblijf en voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;

4.door of namens Gedeputeerde Staten is getoetst of aan de voorwaarden onder 1 tot en met 3 is voldaan en het door of namens Gedeputeerde Staten afgegeven bewijs dat aan deze voorwaarden is voldaan wordt overgelegd.