Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOBR:2016:232

Rechtbank Oost-Brabant
20-01-2016
22-01-2016
C/01/282689 / HA ZA 14-600
Civiel recht
Op tegenspraak

Contradictoir. Verzekeringsrecht. Vliegtuigongeval. De indirect bestuurder van de vennootschap waarbinnen het vliegtuig wordt geëxploiteerd schakelt bij de start van een vlucht per ongeluk de brandstoftoevoer van de motor van het vliegtuig uit. Het vliegtuig moet een buiklanding maken en is daarna total-loss. Verzekerde vennootschap vordert uitkering uit de verzekering tegen verlies van het vliegtuig. Geschil draait om vraag of de indirect bestuurder met het bedienen van de brandstoftoevoer artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart heeft overtreden en voorts om de uitleg van de polisvoorwaarden; heeft het gedrag van de indirect bestuurder binnen dat kader te gelden als gedrag van de verzekerde? Rechtbank beantwoordt beide vragen bevestigend en de verzekeringsmaatschappij hoeft in dat geval niet uit te keren op grond van de polisvoorwaarden. Vordering wordt afgewezen.

Rechtspraak.nl
JA 2016/50
NTHR 2016, afl. 2, p. 118
OR-Updates.nl 2016-0021

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/282689 / HA ZA 14-600

Vonnis van 20 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHAIRPLANE B.V.,

gevestigd te Geldrop,

eiseres,

advocaat mr. G.J.H. de Vos te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

GREAT LAKES REINSURANCE PLC,

gevestigd te London, Verenigd Koninkrijk,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Atema te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Shairplane en GLR genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 februari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Shairplane is sinds ongeveer 1997 eigenaar van een vliegtuig van het type Socata TBM 700, met destijds als registratie PH-HUB. Het betreft een éénmotorig propellorvliegtuig. Voorin is plaats voor twee piloten en achterin is ruimte voor vier passagiers. Het is toegestaan het vliegtuig door één piloot te laten vliegen, waarbij er naast de piloot ruimte ontstaat voor een vijfde passagier. Ruwweg in het midden van het bedieningspaneel van het toestel voorin bevinden zich op korte afstand naast elkaar twee hendels. Met de rechterhendel worden de zogenaamde ‘flaps’ bediend, met de linkerhendel de brandstoftoevoer van de motor.

2.2.

De heer [naam aandeelhouder HJV Holding] (hierna: [naam aandeelhouder HJV Holding] ) bezit alle aandelen in HJV Holding B.V. (hierna: HJV), die op haar beurt de helft van de aandelen bezit van Shairplane. De andere helft van de aandelen van Shairplane wordt gehouden door de vennootschap Delem Holding, op haar beurt bestuurd door de heer [naam bestuurder Delem Holding] . HJV is enig statutair bestuurster van Shairplane. Tussen 1983 en 2008 bezat [naam aandeelhouder HJV Holding] een vliegbrevet en heeft hij als piloot honderden uren vliegervaring opgedaan, maar niet op onderhavig vliegtuig. [naam bestuurder Delem Holding] is op zijn beurt als piloot bevoegd het vliegtuig te besturen.

2.3.

Het vliegtuig was tegen onder meer verlies en schade verzekerd bij GLR met een verzekerde waarde van € 750.000,00. Op de verzekeringsovereenkomst zijn Engelstalige voorwaarden van toepassing (productie 2 Shairplane en 4 GLR, hierna: de polisvoorwaarden). In deze voorwaarden is onder meer de volgende tekst opgenomen:

“[…]

CONDITIONS PRECEDENT APPLICABLE TO ALL SECTIONS

1 It is necessary that the Insured observes and fulfils the following Conditions before the Insurers have any liability to make payment under this Certificate.

2 The Insured shall use due diligence and do and concur in doing everything reasonably practicable to avoid accidents and to avoid or diminish any loss, damage of liability hereon.

3 The Insured shall comply with all air navigation and airworthiness orders and requirements issued by any competent authority affecting the safe operation of the aircraft and shall ensure that:

[…]

c. the employees and agents of the Insured comply with such orders and requirements.

[…]

DEFINITIONS

[…]

13. The term Insured herein shall include any director, employees, servants or agents of the Insured.”.

2.4.

In de polisvoorwaarden is verder een rechtskeuze opgenomen voor Nederlands recht. Tevens is bepaald dat de Nederlandse rechter bevoegd is om geschillen ter zake de overeenkomst te beslechten.

2.5.

Rond 08:00 uur in de ochtend van 23 april 2014 steeg het vliegtuig op van Kempen Airport, Budel, op weg naar het vliegveld van Cannes, Frankrijk. Het was goed weer. Als piloot staat in het logboek van het toestel de heer [naam piloot] aangeduid. [naam piloot] is in bezit van een voor dit vliegtuig geldig vliegbrevet. Hij was voorin op de rechterstoel gezeten en op de linkerstoel naast hem zat [naam aandeelhouder HJV Holding] . De overige inzittenden zaten achterin; dit waren de echtgenote van [naam aandeelhouder HJV Holding] en twee kleinkinderen van [naam aandeelhouder HJV Holding] .

2.6.

Vlak na de start van het toestel, op een hoogte van ongeveer 400 voet, heeft [naam aandeelhouder HJV Holding] bedoeld de flaps van het toestel omhoog te zetten, maar zette daarbij per ongeluk (ook) de brandstoftoevoer van de motor dicht. De motor sloeg af en er was gelet op de geringe vlieghoogte geen tijd meer deze opnieuw te starten. Het toestel maakte een buiklanding in een weiland. Geen van de inzittenden is hierbij gewond geraakt.

2.7.

Het vliegtuig is na het ongeval total-loss verklaard en moest worden geborgen. De kosten van de berging bedroegen € 22.371,94.

2.8.

GLR heeft tot op heden geen uitkering gedaan aan Shairplane naar aanleiding van dit ongeval.

3 Het geschil

3.1.

Shairplane vordert samengevat - de veroordeling van GLR bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van:

  1. € 772.371,94, bestaande uit € 750.000,00 voor de verzekerde waarde van het vliegtuig en € 22.371,94 ter zake bergingskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2014,

  2. € 5.636,86 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding,

  3. de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 14 dagen na vonnisdatum.

3.2.

Shairplane vordert het bovenstaande met als grondslag de nakoming van de verzekeringsovereenkomst door GLR, nu deze aan Shairplane dekking biedt tegen volledig verlies van het vliegtuig, alsmede de kosten voor berging.

3.3.

GLR voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Shairplane, met veroordeling van Shairplane, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure, de nakosten en de wettelijke rente over deze (na)kosten met ingang van 14 dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

GLR is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en Shairplane in Nederland. Dit geschil heeft daarom internationaalrechtelijke aspecten. Artikel 23 van de hier toepasselijke EEX-Verordening bepaalt dat de rechtbank die partijen bij overeenkomst hebben aangewezen, bevoegd is (de herschikte EEX-Vo is in dit geschil nog niet van toepassing, nu de dagvaarding is uitgebracht voor 1 januari 2015). Partijen hebben bij overeenkomst de Nederlandse rechter aangewezen, zodat deze rechtbank bevoegd is. Op grond van artikel 3 lid 1 jo. 7 lid 7 lid van de Rome-I verordening is voorts het recht van toepassing dat partijen hebben gekozen. Nu partijen bij overeenkomst hebben gekozen voor Nederlands recht, zal de rechtbank dit recht toepassen bij de beoordeling van dit geschil.

Heeft [naam aandeelhouder HJV Holding] gehandeld in strijd met de toepasselijke luchtvaartregelingen?

4.2.

Voor de beoordeling van dit geschil is allereerst van belang de vraag te beantwoorden of [naam aandeelhouder HJV Holding] in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke wettelijke regels ter zake de luchtvaart. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Artikel 2.1 lid 1 van de Wet Luchtvaart bepaalt dat het verboden is een luchtvaartuig (waaronder verstaan onderhavig vliegtuig) te bedienen zonder - kort gezegd - een geldig vliegbrevet. De aan de Wet Luchtvaart complementaire Luchtvaartwet definieert in artikel 2 onder b vervolgens het bedienen van een luchtvaartuig als: het verrichten van handelingen aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van het gebruik van dat luchtvaartuig. Het beroeren van de (flap- en) brandstofhendel door [naam aandeelhouder HJV Holding] valt naar het oordeel van de rechtbank onder deze definitie, nu deze handelingen bij uitstek dienen tot het gebruik van het vliegtuig, te weten het maken van een vlucht. In beginsel heeft [naam aandeelhouder HJV Holding] dan ook artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart overtreden.

4.3.

Shairplane heeft in dit kader aangevoerd dat [naam piloot] als gezagvoerder op grond van artikel 5.7 lid 2 laatste zin van de Wet Luchtvaart, mag (doen) afwijken van onder meer artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart. [naam piloot] heeft [naam aandeelhouder HJV Holding] namelijk kort na de start verzocht de flaps te bedienen en [naam aandeelhouder HJV Holding] heeft dit verzoek opgevolgd, aldus Shairplane. GLR heeft deze feitelijke gang van zaken betwist en onder meer betoogd dat het [naam aandeelhouder HJV Holding] is geweest die heeft opgetreden als (onbevoegd) piloot van het vliegtuig.

4.4.

De rechtbank gaat bij de beoordeling voorshands uit van de door Shairplane op dit punt gestelde feiten en overweegt als volgt. In artikel 5.7 lid 2 Wet Luchtvaart is opgenomen dat de gezagvoerder mag afwijken van deze regels indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken. Dergelijke omstandigheden heeft Shairplane echter niet gesteld. [naam aandeelhouder HJV Holding] heeft ter comparitie hierover verklaard dat hij dacht dat [naam piloot] het “redelijk druk” had rond het opstijgen van het vliegtuig, maar verder is over de omstandigheden ten tijde van het voorval slechts bekend geworden dat het overdag was (08:00 uur op een ochtend in april) en dat het goed weer was. In dit wetsartikel bedoelde omstandigheden zijn dus niet gebleken. Daarbij komt dat ook voor het overige niet gebleken is van enige dringende noodzaak in het kader van de veiligheid om de flaps direct (op dat moment) op te halen, nu, zoals [naam aandeelhouder HJV Holding] ter zitting heeft verklaard, een vliegtuig van dit type met de flaps omlaag de gehele vlucht kan vervolmaken en dat alleen extra brandstof en wat snelheid kost.

4.5.

De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het beroep dat Shairplane heeft gedaan op artikel 96 lid 4 van de Regeling Toezicht Luchtvaart haar niet kan baten, alleen al omdat een aanwijzing op grond van deze lagere regeling niet in strijd mag komen met (artikel 2.1 van) de Wet Luchtvaart, een wet in formele zin. Bovendien ziet dit artikel, gelet op de aanhef daarvan, op de orde en veiligheid. Zoals hiervoor al overwogen, zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat [naam piloot] als gezagvoerder het verzoek aan [naam aandeelhouder HJV Holding] in het kader van de (orde en) veiligheid van de vlucht heeft gedaan. Dit betoog van Shairplane verwerpt de rechtbank dan ook. De nog door Shairplane genoemde uitzondering op artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart, door haar gevonden in artikel 11 onder j. van het Besluit Bewijzen van Bevoegdheid voor de luchtvaart, gaat niet op omdat die uitzondering naar haar aard slechts ziet op vluchten in het kader van instructie en tussen partijen in confesso is dat het hier niet ging om een instructievlucht met [naam piloot] als instructeur en [naam aandeelhouder HJV Holding] als leerling.

4.6.

Voor zover Shairplane heeft willen betogen dat [naam aandeelhouder HJV Holding] als passagier in redelijkheid het verzoek van [naam piloot] niet heeft kunnen weigeren en dat dit niet (met wijsheid) achteraf moet worden beoordeeld, verwerpt de rechtbank dit ook. Dat betoog zou wellicht gevolgd kunnen worden als [naam aandeelhouder HJV Holding] een leek was geweest op het gebied van het bedienen van vliegtuigen en/of als vastgesteld kon worden dat ook [naam aandeelhouder HJV Holding] (wederom: als leek) in redelijkheid heeft mogen denken dat de veiligheid van het toestel in het gedrang zou kunnen komen en hij daarom aan het verzoek van [naam piloot] geen weerstand behoefde te bieden. Daarvan is echter geen sprake: juist gelet op de achtergrond van [naam aandeelhouder HJV Holding] als voorheen bevoegd piloot had van hem mogen worden verwacht dat hij de bedieningshandels van een toestel waarvoor hij niet was gecertificeerd, niet zou aanraken, juist om ‘bedieningsverwarring’ zoals het ongeval heeft doen ontstaan, te voorkomen. Daarbij speelt ook een rol dat [naam aandeelhouder HJV Holding] gelet op zijn achtergrond en zijn verklaring ter comparitie wist dat er geen sprake was van een situatie waarbij de veiligheid in het geding kwam, zoals hierboven al overwogen.

4.7.

Slotsom is dat de rechtbank vaststelt dat - ook als moet worden uitgegaan van een door [naam piloot] als piloot gedaan verzoek - [naam aandeelhouder HJV Holding] artikel 2.1 van Wet Luchtvaart heeft overtreden.

Kan GLR een beroep doen op de ‘conditions precedent’ uit de polisvoorwaarden?

4.8.

GLR heeft zich er op beroepen dat Shairplane niet aan de ‘conditions precedent’ genummerd 2 en 3 (hierna: CP2 en CP3, aangehaald onder 2.3 van dit vonnis) uit de polisvoorwaarden heeft voldaan. Is dit het geval, dan behoeft GLR niet uit te keren, zo bepaalt CP1 van de polisvoorwaarden. Door het overtreden van artikel 2.1 van de Luchtvaartwet heeft [naam aandeelhouder HJV Holding] , die gelet op artikel 13 van de ‘DEFINITIONS’ als ‘Insured’ moet worden beschouwd, niet voldaan aan CP3 en hoeft GLR niet uit te betalen. Shairplane heeft op zichzelf niet betwist dat bij het niet-voldoen aan de Wet Luchtvaart de bepalingen van CP2 of CP3 worden overtreden en GLR daarmee niet gehouden is uitkering te doen onder de polis. Zij betwist echter - onder meer - dat de gedraging van [naam aandeelhouder HJV Holding] onder CP3 geldt als een gedraging van de ‘Insured’, nu onder dat laatste slechts Shairplane moet worden verstaan.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Centraal staat de vraag wie als ‘Insured’ in de zin van de polisvoorwaarden moet worden aangemerkt. Bij de uitleg daarvan stelt de rechtbank voorop dat deze uitleg naar Nederlands recht dient te geschieden, ook al zijn de polisvoorwaarden oorspronkelijk onder Engels recht geredigeerd. Partijen hebben immers expliciet Nederlands recht op deze overeenkomst van toepassing verklaard. De uitleg van de polisvoorwaarden is onder Nederlands recht met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepalingen zijn gesteld, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel. Uitgangspunt is dat het de verzekeraar vrijstaat om in de verzekeringsvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (vgl. HR 16 mei 2008, NJ 2008, 284). In dit geval is gesteld noch gebleken dat partijen hebben onderhandeld over de totstandkoming van deze overeenkomst, inclusief de polisvoorwaarden, noch dat zij in dat kader over en weer verklaringen hebben afgelegd.

4.10.

Voorts is het helder dat als ‘Insured’ in ieder geval Shairplane heeft te gelden, nu zij op het verzekeringscertificaat (productie 4 GLR) als zodanig is aangeduid. In artikel 13 van de DEFINITIONS uit de polisvoorwaarden wordt onder ‘Insured’ ook verstaan ‘any’ (elke) ‘Director’. De rechtbank volgt niet het ter comparitie ingenomen standpunt van Shairplane dat de het woord ‘herein’ (in artikel 13 van de DEFINITIONS) mogelijk alleen terugslaat op de sectie DEFINITIONS en niet op de (andere secties van de) polisvoorwaarden, waaronder sectie I van de nu centraal staande verzekering tegen verlies. De termen gedefinieerd in artikel 13 komen in de sectie DEFINITIONS verder namelijk niet voor, dus alleen terugslaan op deze sectie zou zinloos zijn. Ook de overige onder DEFINTIONS gedefinieerde begrippen als ‘Flight’, ‘Flying’, ‘Ground’ etc. hebben slechts betekenis in het licht van de bepalingen in de andere secties van de polisvoorwaarden.

4.11.

De volgende vraag is of [naam aandeelhouder HJV Holding] moet worden aangemerkt als ‘Director’ in artikel 13. De rechtbank verwerpt daarbij het argument van Shairplane dat de definitie van ‘Insured’ beperkt moet worden opgevat omdat anders de definitie van ‘employees’ en ‘agents’ dubbelop zou uitwerken, te weten in artikel 13 als ‘Insured’ en nogmaals in CP3 onder c. Dit geldt namelijk niet voor het nu centraal staande begrip ‘Director’ omdat dit nu eenmaal niet op die beide plaatsen wordt genoemd. De rechtbank legt CP3 verder zo uit dat in dit artikel aan Shairplane en iedere (‘any’) ‘Director’ rechtstreeks wordt opgedragen zich te gedragen in overeenstemming met de toepasselijke luchtvaartregels (CP3 aanhef tot en met ‘of the aircraft’) en hen daarnaast wordt opgedragen (CP3 vanaf ‘and shall ensure that’ en onder c.) zich er van te verzekeren dat hun medewerkers (‘employees’) en agenten (‘agents’) zich aan deze luchtvaartregels houden.

4.12.

De rechtbank overweegt in dit kader verder dat ‘Director’ vanuit het Engels (onder meer) vertaald wordt als ‘bestuurder’. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat onder ‘any Director’ zowel HJV moet worden verstaan als direct statutair bestuurder van Shairplane als [naam aandeelhouder HJV Holding] als indirect bestuurder. De rechtbank heeft hierbij gelet op de betekenis van het woord ‘any’ (iedere of elke), waarmee naar de letter zowel de directe (mede)bestuurder van Shairplane (‘of the Insured’) als de indirect bestuurder kan worden aangeduid, maar ook op de achterliggende ratio van dit artikel, zoals in r.o. 4.11 al verwoord: voor de bestuurders van Shairplane geldt niet alleen rechtstreeks de norm zich te gedragen overeenkomstig de luchtvaartregels maar ook de norm zich er van te verzekeren dat hun medewerkers en agenten zich aan de luchtvaartregels houden. Een redelijke uitleg van CP3 in samenhang met artikel 13 van de DEFINITIONS maakt dat deze regel ook dient te gelden voor een indirect bestuurder, omdat deze - net als in de situatie dat er alleen een direct bestuurder is - uiteindelijk de zeggenschap over Shairplane heeft en bij uitstek in handen heeft dat Shairplane de verplichtingen uit CP3 nakomt. Daarnaast gaat het hier om een strikt feitelijke handeling waarmee [naam aandeelhouder HJV Holding] artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart heeft overtreden en die alleen door natuurlijke personen kan worden begaan en niet door een rechtspersoon-bestuurder. Zou de rechtbank de indirecte bestuurder niet als Director in de zin van de polisvoorwaarden classificeren, dan zou dit er ook op neer komen dat de natuurlijke persoon die rechtstreeks statutair bestuurder van Shairplane zou zijn en artikel 2.1 van de Wet Luchtvaart zou hebben overtreden, wel CP3 zou kunnen worden tegengeworpen en eenieder die indirect - met het ‘tussenkomen’ van één of meerdere vennootschap(pen) als JHV - bestuurder zou zijn, niet. Een dergelijke ongelijke uitkomst acht de rechtbank ongewenst.

4.13.

De rechtbank tekent hierbij nog aan dat in deze uitleg niet iedere fout of schending van de luchtvaartregels door een (wel bevoegde en al dan niet in dienst zijnde) piloot of bemanningslid zou kunnen leiden tot het inroepen van CP3, zoals Shairplane nog heeft betoogd. In geval van zo’n fout zou de rechtbank niet zo eenvoudig komen tot het kwalificeren van de ‘employees’, ‘servants’ of ‘agents’ als ‘Insured’ als in onderhavige zaak. Op de ‘Insured’ rust op grond van deze bepaling namelijk in beginsel slechts de verplichting om zich er van te verzekeren dat haar (al dan niet in dienst zijnde) werknemers en agenten zich aan de luchtvaartregels houden. Dan zou het inderdaad tegenstrijdig (en in strijd zijn met het doel van de verzekering, te weten het verzekeren van ‘gewone’ fouten van bemanningsleden) zijn om de werknemers en agenten zelf (als Insured) ook nog eens te verplichten zich te allen tijde aan deze regels te houden op straffe van verval van uitkeringsplicht. In onderhavig geval ligt dit echter anders, nu de Insured zelf (in de persoon van [naam aandeelhouder HJV Holding] als Director, niet zijnde een werknemer of agent) in strijd heeft gehandeld met de luchtvaartregels en de norm in de polisvoorwaarden voor de Insured zelf strenger zijn geformuleerd.

4.14.

Het voorgaande betekent dat GLR een beroep kan doen op CP3: de Insured in de zin van de polis ( [naam aandeelhouder HJV Holding] ) heeft de ter zake dienende luchtvaartregels overtreden en uit hoofde van CP1 behoeft GLR dan geen uitkering te doen aan Shairplane. Dat betekent dat de vorderingen van Shairplane zullen worden afgewezen. Aan het verder nog gevoerde debat tussen partijen, waaronder de twistpunten of [naam aandeelhouder HJV Holding] zelf tijdens het opstijgen als (onbevoegd) piloot heeft opgetreden, dan wel als bemanningslid heeft te gelden, of [naam piloot] nu wel of niet de door Shairplane gestelde aanwijzing heeft gegeven aan [naam aandeelhouder HJV Holding] en tenslotte of CP2 (ook) is overtreden, komt de rechtbank niet toe.

4.15.

Shairplane zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van GLR worden begroot op:

- griffierecht 3.829,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 8.989,00

4.16.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Shairplane in de proceskosten, aan de zijde van GLR tot op heden begroot op € 8.989,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Shairplane in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Shairplane niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2016.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.