1.1.
Op 11 juni 2019 heeft eiser het volgende verzoek ingediend: "[…]
Ik wil graag zicht krijgen op de afhandeling van Wob-verzoeken door de gemeente Meppel. Omdat met een Wob verzoek niet gevraagd kan worden informatie te genereren vraag ik met dit Wob verzoek om informatie waaruit ik kan opmaken hoe vaak en hoe de gemeente Meppel Wob verzoeken behandeld.
Concreet verzoek ik om de volgende informatie:
alle bij de gemeente Meppel in de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 ingediende Wob-verzoeken en verzoeken om informatie welke als
Wob-verzoek in behandeling zijn genomen
alle informatie welke betrekking heeft op bovengenoemde Wob-verzoeken waaronder:
o ontvangstbevestigingen
o besluiten
o motivaties
o beroepschriften
o bezwaarschriften
o verzoeken om specificatie
o niet ontvankelijk verklaringen
o correspondentie van, naar en over onder andere:
derden
belanghebbenden
derden-belanghebbenden
juristen & adviseurs
indieners van de Wob-verzoeken
rechtbanken
overheidsorganen
gespreksnotities
o alle geopenbaarde en/of verstrekte informatie horende bij de (Wob)-verzoeken inclusief begeleidende informatie waaronder:
emails
brieven
gespreksnotities
Omdat reeds geopenbaarde informatie niet binnen het bereik van de Wob valt het volgende. Omdat de bij Wob-verzoeken door het College verstrekte informatie nooit online is gezet, is deze niet of niet meer openbaar, hierdoor komt deze informatie opnieuw binnen het bereik van dit Wob-verzoek.
[…]"
1.4.
Bij brief van 8 november 2019 heeft de Commissie bezwaarschriften primair geadviseerd het bestreden besluit te herroepen en het verzoek alsnog, maar dan in een ander kader, te behandelen en subsidiair alsnog een inhoudelijk Wob-besluit te nemen indien het verzoek van bezwaarde door het college als een Wob-verzoek wordt aangemerkt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de commissie deels gevolgd en het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd:
"We hebben het advies niet geheel overgenomen. Dit hebben wij niet gedaan omdat wij uw brief hebben aangemerkt als een verzoek om een besluit in de zin van de Awb. De commissie is van oordeel dat wij uw verzoek niet behoeven aan te merken als een aanvraag in de zin van de Awb. Toch zijn wij van mening dat u met uw brief een beslissing verlangt op uw verzoek. De visie van de commissie hebben wij wel ter harte genomen, echter in het belang van uw rechtszekerheid merken wij ook in bezwaar uw brief aan als een aanvraag. Wij blijven onverminderd bij ons standpunt dat uw beoogde doel in de aanvraag op grond van 3:13 BW aangemerkt moet worden als misbruik. De commissie is tot een zelfde oordeel gekomen. Dit betekent dat u met uw verzoek niet kunt voldoen aan de eisen uit de Wet openbaarheid van bestuur. Wij hebben en gaan uw brief ook na bezwaar niet aanmerken als een Wob verzoek."
3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij misbruik van recht maakt. Hij voert aan niet de intentie te hebben de organisatie te ontwrichten. Er zijn bij hem vragen gerezen over de manier waarop verweerder zijn interne procedure voor het behandelen van Wob-verzoeken heeft ingericht en hoe Wob-verzoeken worden behandeld. Volgens eiser voldoen zijn verzoeken, correspondentie en procesgedrag nergens aan de criteria om misbruik aan te nemen.
4. Verweerder verwijst in zijn verweer naar artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het besluit op bezwaar en stelt zich op het standpunt dat het beroep niet- ontvankelijk is. Volgens verweerder sluit het doel waarvoor eiser de informatie heeft gevraagd niet aan bij de grondslag van de Wob. Verweerder stelt dat:
Persoonlijke motieven om als burger het bestuur te controleren buiten de reikwijdte van het redelijke doel vallen waarvoor de Wob kan worden ingeroepen.
Er veel gesprekken worden gevoerd, Wob-verzoeken worden ingediend en bezwaren worden behandeld waaruit blijkt dat wantrouwen de drijfveer is voor het opvragen van documenten.
De kwestie moet volgens verweerder breder worden getrokken dan het bestreden besluit en er moet worden gekeken naar ook de andere verzoeken van eiser die in zijn totaal een grote belasting leggen op de ambtelijke capaciteit. Het gaat om het afdoen van vragen en het verstrekken van informatie in Wob-verzoeken en bezwaren daarover. In het afdoen van deze verzoeken is veel irritatie ontstaan omdat eiser regelmatig contact zoekt over zaken waarbij hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder verwijst naar een lijst met zaken waarop 31 kwesties staan opgesomd en een lijst met 44 inkomende telefooncontacten met verschillende afdelingen en diensten van de gemeentelijke organisatie. De praktijk heeft laten zien, aldus verweerder, dat wanneer de gemeente haar dienstverlening of handelwijze niet of niet snel genoeg aanpast aan de wijze die eiser voorstaat er telefoontjes, brieven, bezwaarschriften en Wob-verzoeken binnenkomen. In het gesprek van 28 juni 2019, waarvan verweerder een geluidsopname in het geding heeft gebracht, licht eiser toe hoe zijn "methode van escalatie" werkt. Met name de passages rond minuut 6, 27, 28 en 47 geven hier inzicht in, aldus verweerder.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiser met het beroep misbruik van recht maakt. Als dat zo is, dan is het beroep niet-ontvankelijk.
7. Artikel 3:13, eerste lid, van het BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet kan inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van artikel 3:15 van het BW kan die bepaling ook in deze zaak worden toegepast.
8. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij de rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, omdat de burger hiermee in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in zijn uitspraak van 19 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4129) overwogen dat misbruik van recht kan worden aangenomen als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
8. Uit de wetsgeschiedenis van de Wob blijkt dat de Wob ten doel heeft de burger in de gelegenheid te stellen de bestuurlijke besluitvormingsprocessen te doorzien (Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz.11). Het enkele feit dat eiser wil controleren of verweerder zijn bevoegdheden naar behoren uitoefent, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat hij misbruik van recht maakt door het Wob-verzoek in te dienen of door rechtsmiddelen in te stellen tegen de beslissing op dat verzoek.
9. Er is daarnaast onvoldoende reden om aan te nemen dat eiser zich ten doel heeft gesteld het bestuursapparaat van verweerder te overbelasten, en/of dat dit een achterliggende reden voor de controle is. De betekenis van de door verweerder in het geding gebrachte lijsten moet worden gerelativeerd. De lijst met "overzicht zaken de heer Starre van 28 mei 2019 tot 21 april 2020" bevat een opsomming van verzoeken, meldingen en klachten en van daaruit volgende procedures, zoals bezwaarschriften tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, waarvan de laatste zeven punten betrekking hebben op eerdere jaren. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat de lijst voor het grootste deel betrekking heeft op Wob-verzoeken die hij heeft ingediend, en dat dat er twaalf zijn geweest in de afgelopen vijf jaar. Ook is niet weersproken dat een deel van de 44 contactmomenten in de periode 2 mei 2019 tot 22 april 2020 in de lijst met contactmomenten het gevolg is van het
feit dat er structurele problemen zijn geweest met de postbezorging. Voor de vraag of sprake is van misbruik van recht zijn aantallen op zich overigens ook niet doorslaggevend,
(zie rov. 6.1 van ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). Hetzelfde geldt voor de omvang van WOB-verzoeken (zie rov. 6 van ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3750).
10. Voor zover eiser de informatie opvraagt om te gebruiken voor procedures, geldt dat dit slechts onder bijzondere omstandigheden, misbruik van recht oplevert (zie ro. 5.3. ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268). Dat in het verleden sprake was van wederzijdse frustratie en irritatie is niet een dergelijke omstandigheid, en levert ook anderszins in de gegeven context, geen misbruik van recht op. Hetzelfde geldt voor wantrouwen bij eiser als drijfveer voor het indienen van Wob-verzoeken.
10. De rechtbank komt tot de slotsom dat er geen zwaarwichtige gronden zijn zoals hierboven onder 7. bedoeld. Het beroep is dan ook ontvankelijk. De rechtbank komt daarmee toe aan de beoordeling van de beroepsgronden van eiser.
12. Tussen partijen is niet langer in geschil dat eiser een Wob-verzoek heeft ingediend en dat de Commissie bezwaarschriften niet heeft geconcludeerd dat eiser misbruik maakt van recht. In dit verband verwijst de rechtbank naar respectievelijk pagina 6, alinea 2, en pagina 5, alinea 5, van het verweerschrift. In zoverre is verweerder teruggekomen van de hierover in het bestreden besluit ingenomen standpunten. De beroepsgronden die hierop zien, behoeven daarom geen bespreking meer.
13. Voor het overige heeft het beroep uitsluitend betrekking op de vraag of eiser misbruik van recht heeft gemaakt door het Wob-verzoek in te dienen. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat hierboven over misbruik van recht is overwogen.
14. Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond zal worden verklaard. Door te beslissen dat eiser misbruik van recht heeft gemaakt heeft verweerder artikel 3:13, eerste lid, van het BW, artikel 3:2 en 7:12 van de Awb geschonden. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.