Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4062

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
LEE 19/354 en LEE 19/1492
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving. Last onder dwangsom en invordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/354 en LEE 19/1492

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2019 in de zaken tussen

Milieustraat Meppel B.V., te Staphorst, eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meppel, verweerder

(gemachtigde: E. Miedema).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Lagros B.V. te Staphorst

(gemachtigde: mr. M. Eikelboom).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (primair besluit A) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 10 december 2018 (bestreden besluit A) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit A bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder als beroep is aangemerkt en vervolgens is doorgestuurd naar de rechtbank ter behandeling. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd met zaaknummer LEE 19/354. Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 november 2018 (primair besluit B) is verweerder overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 50.000.

Bij besluit van 13 maart 2019 (bestreden besluit B) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit B. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd met zaaknummer LEE 19/1492. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft Lagros B.V. in de gelegenheid gesteld om aan beide gedingen deel te nemen. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij besluit van 10 mei 2019 is verweerder overgegaan tot invordering van (ten gevolge van bestreden besluit A) verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 20.000. Eiseres heeft deze invordering betwist, waardoor het beroep met zaaknummer LEE 19/354 van rechtswege tevens gericht is tegen de invorderingsbeschikking van 10 mei 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2019, waarbij de rechtbank de beroepen met zaaknummers LEE 19/354 en LEE 19/1492 gevoegd heeft behandeld. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [namen] . De derde-partij is met kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat het beroep met zaaknummer LEE 19/1306 is komen te vervallen. Thans zijn nog aan de orde de beroepen met zaaknummers LEE 19/354 en LEE 19/1492.

2. Het beroep met zaaknummer LEE 19/354 is gericht tegen bestreden besluit A en daarmee tegen de last onder dwangsom die aan eiseres is opgelegd wegens overtreding van de Woningwet in samenhang met het Bouwbesluit, het bestemmingsplan en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede tegen de bij die last onder dwangsom behorende invorderingsbeschikking van 10 mei 2019 ten bedrage van € 20.000.

3. Het beroep met zaaknummer LEE 19/1492 is gericht tegen bestreden besluit B en daarmee tegen de invorderingsbeschikking ten gevolge van de (onherroepelijke) last onder dwangsom van 20 juni 2018, welke last eiseres is opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wabo.

Het beroep met zaaknummer LEE 19/354

4. De onderhavige last is als volgt geformuleerd:

"I. Indien niet binnen 2 weken na dagtekening van deze brief, gelet op artikel 1b van de Woningwet jo. artikel 7.2 en 7.10 van het Bouwbesluit, de verschillende fracties gescheiden zijn opgeslagen leggen wij u een last onder dwangsom op van € 10.000 ineens.

II. Indien niet binnen 2 weken na dagtekening van deze brief het gebruik van de gronden over een breedte van 5 meter vanuit de bouwperceelgrenzen voor opslagdoeleinden, conform 5.5 "Specifieke gebruiksregels" van het bestemmingsplan "Meppel Noord", is beëindigd leggen wij u een last onder dwangsom op van € 10.000 ineens.

III. Indien niet binnen 2 weken na dagtekening van deze brief, wegens strijd met artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de keerwand is verwijderd leggen wij u een last onder dwangsom op van € 10.000 ineens."

Ten aanzien van het gescheiden houden van afval (zie de last onder I)

5. De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat er geen verdeeldheid tussen partijen (meer) heerst met betrekking tot dit punt en dat er tevens geen dwangsom is verbeurd. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan.

Ten aanzien van de strook grond over een breedte van vijf meter (zie de last onder II)

6. Ten aanzien van de overtreding van het bestemmingsplan "Meppel Noord" (het bestemmingsplan) overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van dit bestemmingsplan is het niet toegestaan om de gronden over een breedte van vijf meter vanuit de bouwperceelgrenzen te gebruiken voor opslagdoeleinden. Volgens verweerder handelt eiseres in strijd met voornoemd voorschrift, omdat er binnen de betreffende strook grond van vijf meter breedte wel degelijk afval wordt opgeslagen. Ter zitting is komen vast te staan dat de feitelijke constatering (gedaan door verweerder) van aldaar aanwezig, opgeslagen afval door eiseres niet wordt betwist. Eiseres is echter van mening dat de breedte van de betreffende strook grond berekend dient te worden vanaf de weg en niet vanaf de perceelgrens, waardoor er (ondanks het aanwezige, opgeslagen afval) geen sprake is van opslag binnen de "vijf-meter-strook" en er daarom geen sprake is van een overtreding. Ook is eiseres van mening dat zij op de betreffende plek wel degelijk afval mag opslaan op grond van haar milieuvergunning en de daarbij behorende tekeningen.

7. Ingevolge artikel 5.5, aanhef en onder d, van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan (de planvoorschriften) wordt tot een met de bestemming "bedrijventerrein" strijdig gebruik in ieder geval gerekend: het gebruik of het laten gebruiken van de gronden over een breedte van 5 meter vanuit de bouwperceelgrenzen voor opslagdoeleinden.

Ingevolge artikel 1.24 van de planvoorschriften wordt onder bouwperceelgrens verstaan: de grens van een bouwperceel.

Ingevolge artikel 1.23 van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

8. De rechtbank overweegt dat opslag van afval binnen de "vijf-meter-strook" niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Van een ontheffing van het bestemmingsplan is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres van mening is dat de opslag is toegestaan op grond van haar milieuvergunning, slaagt deze beroepsgrond niet. De afgifte van een milieuvergunning brengt namelijk niet met zich dat de planologische regelgeving niet meer gevolgd hoeft te worden. Deze verschillende wettelijke kaders (planologie en milieu) kunnen immers naast elkaar bestaan. In de tekening van de inrichting, waarop eiseres zich beroept, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat opslag binnen de "vijf-meter-strook" eiseres is toegestaan, in afwijking van het bestemmingsplan.

9. De rechtbank overweegt verder dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de "vijf-meter-strook" gemeten moet worden vanaf de perceelgrens, zijnde de eigendomsgrens van het betreffende perceel. Daarnaast heeft verweerder ter zitting verklaard dat tussen de weg en het perceel waarop eiseres haar bedrijf uitvoert c.q. heeft uitgevoerd gemeentegrond ligt. Gelet op eerdergenoemde artikelen van de planvoorschriften van het bestemmingsplan en verweerders toelichting ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in zijn wijze van vaststelling van de "vijf-meter-strook". Niet valt in te zien dat verweerder bij het vaststellen van de locatie daarvan niet heeft mogen rekenen vanuit de perceelgrens. Het voorgaande brengt mee dat - nu het aldaar aanwezige, opgeslagen afval niet wordt betwist - er sprake was van een overtreding van het bestemmingsplan. Verweerder was dan ook bevoegd om handhavend op te treden. Ook heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er een dwangsom is verbeurd, nu het daar aanwezige afval - naar niet in geschil is - niet was verwijderd ten tijde van het einde van de begunstigingstermijn. Dit betekent dat er een dwangsom van € 10.000 is verbeurd. Verweerder heeft die dwangsom vervolgens kunnen invorderen. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder van invordering had moeten afzien.

Ten aanzien van de muur c.q. keerwand (zie de last onder III)

10. Ten aanzien van de keerwand overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende keerwand geplaatst is zonder benodigde omgevingsvergunning, waardoor er een overtreding was van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Verweerder was dan ook bevoegd om handhavend op te treden.

11. Partijen zijn verdeeld over de vraag of voornoemde overtreding vóór het einde van de begunstigingstermijn was beëindigd en in het verlengde hiervan of er een dwangsom is verbeurd.

12. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij de muur onderuit heeft gehaald toen bleek (op 20 juni 2018) dat deze verwijderd moest worden, waarna zij de muurblokken begin juli heeft verkocht. De muur was volgens eiseres weg ten tijde van het einde van de begunstigingstermijn. De muur bestond echter uit 300 blokken en de koper kon deze niet allemaal tegelijk meenemen, waardoor er nog wel blokken op het terrein aanwezig waren.

13. Verweerder heeft het invorderingsbesluit van 10 mei 2019 gebaseerd op het bezoek aan eiseres van 9 juli 2018. Dit bezoek is verricht door [naam medewerker 1] (brandweer) en [naam medewerker 2] (gemeente). In het rapport van dit bezoek staat vermeld dat de keerwand niet is verwijderd. Er zijn echter geen onderliggende stukken, zoals foto's, waaruit dat (objectief bezien) valt af te leiden. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de controle van 25 juli 2018, met foto's, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de muur niet verwijderd was. Uit de rapportage van deze controle, uitgevoerd door [naam medewerker 3] (toezichthouder milieu RUD Drenthe), en de daarbij behorende foto's valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden wat de stand van zaken met betrekking tot de muur c.q. keerwand was op dat moment. De muur / keerwand wordt niet genoemd in deze rapportage en is ook niet op de daarin opgenomen foto's te zien. Datzelfde geldt voor de daarop volgende rapportages van 2 en 8 augustus 2018, ook uitgevoerd door [naam medewerker 3] . In zijn daarop volgende rapportage van 16 augustus 2018 wordt wel gesproken over de muur en dat eiseres een begin heeft gemaakt met de afbraak daarvan. De rechtbank heeft op de bij dat rapport behorende foto's echter geen muur kunnen ontdekken. Datzelfde geldt voor de rapportage (met foto's) van 23 augustus 2018.

14. De rechtbank overweegt dat het hier een voor eiseres belastend besluit behelst, waarvan de bewijslast in beginsel rust op verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan zijn bewijslast voldaan. Er zijn weliswaar constateringen gedaan, maar die zijn door de rechtbank niet objectief te verifiëren. Uit de foto's - genoemd in rechtsoverweging 13 - valt niet af te leiden of de constatering dat de muur er nog stond na het einde van de begunstigingstermijn correct is geweest. Aan een invorderingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Nu daarvan geen sprake is en eiseres ter zitting heeft gesteld de muur tijdig te hebben omgegooid, maar dat nog niet meteen alle blokken van het terrein verwijderd waren, mist het invorderingsbesluit op dit punt een voldoende grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank kan er dan ook niet gezegd worden dat er een dwangsom van

€ 10.000 ineens is verbeurd, wegens het niet (tijdig) verwijderen van de muur c.q. keerwand. Verweerder is op dit punt dan ook ten onrechte overgegaan tot invordering.

15. De rechtbank merkt, naar aanleiding van opmerkingen van eiseres ter zitting met betrekking tot de foto's van Lagros B.V, ten overvloede op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de door Lagros B.V. gemaakte foto's niet aan verweerders besluitvorming ten grondslag zijn gelegd. Verweerder heeft zich gebaseerd op de foto's die zijn gemaakt door de betrokken toezichthouders c.q. medewerkers van verweerder.

Conclusie LEE 19/354

16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd en bestreden besluit A rechtens houdbaar is. Voor zover het beroep hiertegen is gericht, is het ongegrond.

17. Ten aanzien van het invorderingsbesluit van 10 mei 2019 is de rechtbank van oordeel dat er een dwangsom van € 10.000 is verbeurd, wegens het niet tijdig beëindigen van de overtreding genoemd onder II van de last (opslag in strijd met het bestemmingsplan), en verweerder op dit punt terecht is overgegaan tot invordering.

Ten aanzien van de muur c.q. keerwand (bouwen zonder vergunning) is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een dwangsom van € 10.000 is verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder op dit punt ten onrechte overgegaan tot invordering.

Het beroep, voor zover gericht tegen het invorderingsbesluit van 10 mei 2019, is gegrond. De rechtbank zal het invorderingsbesluit van 10 mei 2019 vernietigen, voor zover het ziet op de invordering van € 10.000 wegens bouwen zonder vergunning, en laat het invorderingsbesluit voor het overige in stand. De rechtbank herroept het invorderingsbesluit van 10 mei 2019 overeenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd.

18. Omdat de rechtbank het beroep met zaaknummer LEE 19/354 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

19. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Het beroep met zaaknummer LEE 19/1492

20. Bij besluit van 20 juni 2018, met kenmerk [kenmerk] , heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd, wegens overtreding van artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wabo. De last is daarbij als volgt geformuleerd:

" U dient voor 20 juli 2018 de geconstateerde overtreding te beëindigen door de opslag van ingezameld bedrijfsafval tegen inregenen te beschermen en beschermd te houden. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het teveel aan ingezameld bedrijfsafval dat niet onder de overkapping is gelegen, af te voeren.

Indien op of na 20 juli 2018 de opslag van de ingezamelde bedrijfsafvalstoffen onvoldoende tegen inregenen is beschermd verbeurt u een dwangsom van € 10.000,-- per week of een gedeelte daarvan en met een maximum van € 50.000,--."

21. Eiseres heeft tegen voornoemde last onder dwangsom geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit in rechte vaststaat. De rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde last is daarmee gegeven.

22. Bij primair besluit B is verweerder overgegaan tot invordering van de (van rechtswege) verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 50.000.

23. Bij bestreden besluit B heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn primaire beslissing gehandhaafd. Hiertegen is het beroep met zaaknummer LEE 19/1492 gericht.

24. De rechtbank overweegt dat, volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 27 februari 2019, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2019:466, bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

25. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er, ten gevolge van de last onder dwangsom zoals genoemd in rechtsoverweging 20, dwangsommen zijn verbeurd.

26. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting spitst de zaak zich toe op ingezameld bedrijfsafval dat op het terrein in en voor de loods ligt. Meer specifiek zijn partijen verdeeld over de vraag of er een dwangsom is verbeurd doordat er na het einde van de begunstigingstermijn een hoop afval lag achter de loods.

27. De last spreekt over de opslag van ingezameld bedrijfsafval dat tegen inregenen beschermd moet worden en beschermd moet worden gehouden. De rechtbank maakt hieruit op dat het gaat om reeds aanwezig afval dat is ingezameld en niet op afval dat eiseres in de toekomst nog in gaat zamelen. Zogezegd "nieuw" afval is voor het verbeuren van een dwangsom dus niet van belang. Daarnaast overweegt de rechtbank dat volgens Van Dale, groot woordenboek der Nederlandse taal, de definitie van "inregenen" luidt: "naar binnen regenen". Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat er sprake moet zijn van regen die van buiten naar binnen kan komen. Reeds hierom kan afval dat buiten ligt opgeslagen niet leiden tot verbeuren, aangezien er buiten geen sprake kan zijn van het van buiten naar binnen regenen (door een raam, luik etc.). Van een "binnen" is buiten immers geen sprake. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de gedachte achter de last is dat het afval overdekt moet worden opgeslagen. Nu de last dit echter niet vereist, kan de afwezigheid van bijvoorbeeld een overkapping niet leiden tot verbeuren. Verweerders stelling dat de milieuvergunning dit laatste wel vereist maakt het voorgaande niet anders, aangezien voor de vraag of er dwangsommen verbeurd zijn de formulering van de last bepalend is. De rechtbank overweegt verder dat eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat de hoop afval die achter de loods is komen te liggen nieuw afval is. Volgens verweerder, ter zitting, is die hoop afval hetzelfde afval dat eerst direct vóór de loods lag. De rechtbank kan uit de rapportages van de controles en de daarbij behorende foto's echter niet afleiden of de hoop afval achter de loods hetzelfde afval is dat eerst voor de loods lag. Ook hierom kan - met betrekking tot de hoop afval achter de loods - niet gesproken worden van het verbeuren van dwangsommen. Voor zover er na het einde van de begunstigingstermijn nog een "klein plukje" afval geconstateerd is, is de rechtbank van oordeel - overeenkomstig de Commissie bezwaarschriften - dat dit neerkomt op een bagatel. De rechtbank onderschrijft verder het standpunt van de Commissie bezwaarschriften dat besluiten als het onderhavige gedegen voorbereid en gemotiveerd moeten zijn en geen aanleiding mogen zijn voor discussies. Het moet duidelijk zijn wat van de overtreder verwacht wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daar niet in geslaagd.

28. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er daadwerkelijk dwangsommen zijn verbeurd. Dit betekent dat bestreden besluit B een afdoende grondslag ontbeert. Het beroep met zaaknummer LEE 19/1492 is dan ook gegrond en de rechtbank zal bestreden besluit B vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door primair besluit B in te trekken en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit B.

29. Omdat eiseres in zaaknummer LEE 19/1492 geen griffierecht heeft hoeven te betalen, hoeft verweerder geen griffierecht aan eiseres te vergoeden.

30. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer LEE 19/354, voor zover gericht tegen bestreden besluit A, ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer LEE 19/354, voor zover het gericht is tegen het invorderingsbesluit van 10 mei 2019, gegrond;

  • -

    vernietigt het invorderingsbesluit van 10 mei 2019, voor zover het ziet op de invordering van € 10.000 wegens bouwen zonder vergunning, en laat het invorderingsbesluit voor het overige in stand;

  • -

    herroept het invorderingsbesluit van 10 mei 2019 overeenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het invorderingsbesluit voor zover vernietigd;

  • -

    draagt verweerder op het in zaaknummer LEE 19/354 betaalde griffierecht van

€ 345 te vergoeden;

  • -

    verklaart het beroep met zaaknummer LEE 19/1492 gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit B;

  • -

    herroept primair besluit B door deze in te trekken en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit B;

  • -

    verweerder hoeft geen griffierecht te vergoeden in zaaknummer LEE 19/1492.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.C. van der Ven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

1 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.