Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:2694

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1930
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, last onder dwangsom om de emissie van siliciumcarbidevezels te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/250 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/1930

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

ESD-SIC BV , te Delfzijl, verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Klijnstra),

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen , verweerder

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster dient de emissie van siliciumcarbidevezels (hierna: Sic vezels), voor zover deze Sic vezels voldoen aan de WHO-definitie van Sic vezels, zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning in werking is, binnen 8 weken na verzending van het besluit, uiterlijk 11 juni 2019, te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van een dwangsom van € 250.000,- per keer dat geconstateerd wordt dat niet aan de last is voldaan, tot een maximum van € 750.000,-.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 28 mei 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot en met uiterlijk 25 juni 2019.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2019. Voor verzoekster zijn verschenen haar gemachtigde Klijnstra, J. van Rooij, F.B.H. de Bree en [de man] . Voor verweerder zijn verschenen haar gemachtigde W.R. van der Velde, R.E. van ’t Hof, R. Boonacker en C. van Leeuwen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

1.1

Bij besluit van 13 september 1977 heeft verweerder aan verzoekster een vergunning verleend op grond van de Hinderwet voor het oprichten, in werking brengen en in werking houden van een inrichting voor de vervaardiging van siliciumcarbide (Sic), aan de Kloosterlaan 11-13 te Delfzijl. Bij besluit van 22 maart 2005 is de vergunning geactualiseerd op grond van de Wet milieubeheer.

1.2

In april 2006 is door Buro Blauw een lucht-emissie onderzoek naar verwaaiende stof uitgevoerd in het kader van de voorschriften (2.15 en 2.16) van de actualisatievergunning. Naar aanleiding van opmerkingen van verweerder is het rapport aangepast in mei 2007. In het rapport wordt geconcludeerd dat er geen detecteerbare hoeveelheid siliciumcarbide in het fijnstof is aangetoond.

1.3

In het najaar van 2018 is door TNO een meetnet opgezet nabij industriepark Delfzijl, waartoe ook verzoekster behoort. TNO heeft de resultaten van de meetsessies in rapporten neergelegd. Blijkens het rapport van TNO van 29 januari 2019 betreffende de resultaten van de meetsessies in oktober, november en december 2018 is gebleken dat in alle meetperioden op twee meetlocaties benedenwinds van verzoekster verhoogde concentraties aan Sic vezels zijn aangetroffen. Daarbij is aangegeven dat het gaat om een relatief korte meetperiode op twee dichtbij de bron gelegen meetstations. Metingen over een langere periode, inclusief metingen nabij woonkernen, zijn nodig om een jaargemiddeld beeld te verkrijgen zonder dat toevalligheden een rol spelen.

1.4

Bij brief van 29 januari 2019 heeft verweerder verzoekster bericht voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen in verband met het emitteren van de Sic vezels zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning in werking is getreden. Verzoekster dient binnen 12 weken de emissie van Sic vezels te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van een dwangsom van € 250.000,- per keer dat geconstateerd wordt dat de last niet wordt nageleefd, tot een maximum van € 750.000,-.

1.5

Bij brief van 15 februari 2019 heeft verzoekster een zienswijze ingediend.

1.6

Op 1 april 2019 heeft het RIVM op verzoek van verweerder een (aangepast) advies uitgebracht met betrekking tot het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) voor Sic vezels in de lucht in het kader van het vergunningverleningsproces. Het RIVM stelt dat voor Sic vezels geen (indicatief) MTR-lucht kan worden afgeleid conform de standaard methode omdat er geen bruikbare dosis-effectstudies beschikbaar zijn. Het RIVM herziet haar eerdere advies van 1 februari 2019 en adviseert als handvat voor de uitvoering van de minimalisatieverplichting om het MTR lucht voor asbest (amfibool) van 300 vezelequivalenten/m3 en een VR van 3 vezelequivalenten/m3 te hanteren als risicogrens voor Sic vezels. Het RIVM heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de na het advies van 1 februari 2019 toegestuurde meetresultaten blijkt dat er Sic vezels zijn aangetroffen die qua lengte en diameter voldoen aan de definitie van whiskers. Het RIVM geeft verder aan dat de resultaten van de metingen in oktober, november en december 2018 door TNO boven het VR maar onder het aanbevolen MTR liggen. Op statistische gronden kan overschrijding van het MTR niet worden uitgesloten.

1.7

Op 16 april 2019 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

1.8

In het rapport van 23 april 2019, waarin resultaten van vijf meetsessies in de periode van 10 oktober 2018 tot en 1 april 2019 zijn neergelegd, heeft TNO aangegeven dat in geen van de meetperioden de door het RIVM afgeleide jaargemiddelde risicogrens van 300 vezelequivalenten/m3 is overschreden. Verder is aangegeven dat in de derde meetperiode de bovengrens van de vezelconcentratie op het meetpunt Heemskesbrug wel boven dit indicatieve maximaal toelaatbaar risiconiveau ligt. Dat betekent dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat de daadwerkelijke vezelconcentratie onder de risicogrens blijft, maar de hier gepresenteerde concentraties kunnen niet direct worden vergeleken met een jaargemiddelde risicogrens. Aan de hand van de resultaten zal eerst met behulp van modelberekeningen van de verspreiding in lucht een nauwkeurigere schatting moeten worden gegeven van de jaargemiddelde concentraties.

1.9

Bij brief van 13 mei 2019 heeft J.G.M. van Rooij, Caesar Consult, namens verzoekster een reactie ingediend op het advies van het RIVM van 1 april 2019.

1.10

Bij brief van 17 mei 2019 heeft Buro Blauw, namens verzoekster een reactie ingediend op het memo van TNO van 11 december 2018 betreffende de meetresultaten.

Spoedeisend belang

2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang voldoende aangetoond. Daarvoor is van belang dat verzoekster met ingang van 25 juni 2019 dwangsommen van € 250.000,- gaat verbeuren indien zij de emissie van de Sic vezels niet beëindigt, terwijl het volgens verzoekster niet mogelijk is de productiewijze zodanig aan te passen dat daarbij geen Sic vezels meer vrij komen. Voldoen aan de last betekent daarom volgens verzoekster dat zij de inrichting zou moeten stilleggen.

3.1

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding. Volgens verzoekster is de emissie van Sic vezels buiten de inrichtingsgrenzen vergund, omdat het onderdeel is van de vergunde emissie van (fijn) siliciumcarbidestof. Zij wijst daartoe op de voorschriften van de vergunning uit 1977 en de actualisatievergunning uit 2005, alsmede op de voor haar van toepassing zijnde BREF LVIC-S. Anders dan verweerder meent, blijkt volgens verzoekster uit het rapport ‘verwaaiend stofonderzoek’ van Buro Blauw uit 2007 niet dat door verzoekster geen Sic vezels worden geëmitteerd, maar slechts dat SiC stof niet is aangetoond omdat er geen detecteerbare hoeveelheden zijn aangetroffen. Verzoekster wijst hiervoor op de reactie van Buro Blauw van 13 mei 2019.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een overtreding waartegen verweerder bevoegd is handhavend op te treden. Volgens verweerder is de emissie van Sic vezels buiten de inrichtingsgrenzen niet door verzoekster aangevraagd en ook niet vergund. Dit blijkt niet uit de Hinderwetvergunning uit 1977 of uit de actualisatievergunning 2005 en evenmin uit de ontwerpbeschikking van 2016. De voor verzoekster van toepassing zijnde BREF LVIC-S ziet op de gehele stofemissie bij de productie van siliciumcarbide en niet op de emissie van buiten de inrichtingsgrenzen detecteerbare hoeveelheden siliciumcarbide Sic vezels. Uit de rapporten van buro Blauw uit 2006, 2007 en 2017 blijkt verder dat van emissie van SiCSic vezels geen sprake is. Nu is geconstateerd dat wel Sic vezels geëmitteerd worden vanuit de inrichting, handelt verzoekster in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wabo en is verweerder bevoegd om handhavend op te treden.

3.3

Ingevolge artikel 2.1 eerste lid onder e Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 122, tweede lid, Provinciewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de last dient tot handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 5:32 eerste lid, Awb, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge voorschrift 2.3.1 van de (actualisatie) vergunning uit 2005 mag de gehele inrichting niet meer stof emitteren dan 163 ton per jaar.

Ingevolge voorschrift 2.3.15, voor zover van belang, van de vergunning, moet binnen zes maanden na het van kracht worden van dit besluit de door de inrichting veroorzaakte stofemissie worden vastgesteld.

Ingevolge voorschrift 2.3.16, voor zover van belang, moet binnen drie maanden nadat de stofmetingen op grond van bovengenoemd voorschrift zijn uitgevoerd het onderzoeksrapport met de resultaten aan ons College worden verstrekt. In het rapport moeten tenminste aan de orde komen de samenstelling van het stof m.b.t. de componenten: benzo(a)pyreen, nikkel(verbindingen), vanadium, chroom, cadmium en siliciumcarbide.

3.4

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de emissie van de Sic vezels is vergund. De voorzieningenrechter kan dit niet afleiden uit de verleende vergunning(en), noch uit de daaraan ten grondslag liggende aanvraag uit 1977. Evenmin volgt dit uit de voor verzoekster van toepassing zijnde BREF LVIC-S. De vergunningen en met name de BREF lijken weliswaar een (zeer minimale) emissie van (fijn)siliciumcarbidestof te veronderstellen, maar dit betekent naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan verzoekster meent, niet dat daarmee ook de emissie van Sic vezels is vergund.

Nu de emissie van de Sic vezels niet is vergund, is sprake van een overtreding waartegen verweerder in beginsel bevoegd is om handhavend op te treden.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.1

Verzoekster heeft aangegeven dat, hoewel zij van mening is dat de emissie van de Sic vezels is vergund, zij alsnog bereid is om een aanvraag om vergunning in te dienen. Verder stelt zij zich op het standpunt dat zij door het bestreden besluit onevenredig in haar belangen wordt getroffen. Zij wordt door het besluit de facto gedwongen de inrichting stil te leggen nu het voor haar niet mogelijk is te produceren zonder de Sic vezels te emitteren. Evenmin is het mogelijk om binnen de begunstigingstermijn het productieproces zodanig aan te passen dat daarbij geen Sic vezels meer worden geëmitteerd. Daarbij is verweerder al geruime tijd op de hoogte van het feit dat er Sic vezels worden uitgestoten; verzoekster en verweerder voeren hierover al geruime tijd overleg met elkaar. Tegenover de belangen van verzoekster staan geen zwaarwegende of dringende belangen van verweerder. De uitstoot van de Sic vezels brengen geen direct risico voor de volksgezondheid mee. De conclusies in de rapporten van TNO en het advies van het RIVM van 1 april 2019 met betrekking tot de (herziene) MTR-waarde (maximaal toelaatbaar risiconiveau) voor Sic vezels kunnen niet zonder meer worden gevolgd. Verzoekster heeft daartoe verwezen naar de reacties van van Rooij van Caesar Consult van 13 mei 2019 en van F.B.H. de Bree van Buro Blauw van 17 mei 2019. Voorts is van belang dat er, ook blijkens het rapport van TNO van 23 april 2019 tot nu toe geen overschrijdingen van de (wettelijke) grenswaarden zijn vastgesteld, noch van de door RIVM geadviseerde strenge MTR-waarde. Verzoekster heeft - ter zitting - voorts aangegeven bereid te zijn om een aanvraag om vergunning in te dienen teneinde de emissie van de Sic vezels vergund te krijgen.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat nu verzoekster tot op heden geen aanvraag om vergunning heeft ingediend. Voorts acht verweerder de last niet onevenredig. Er is sprake van emissie van – gelet op de adviezen van de Gezondheidsraad en het International Agency for Research on Cancer (IARC) - carcinogene en daarmee zeer zorgwekkende stoffen(zzs), hetgeen moet worden voorkomen danwel tot een minimum worden beperkt. Daarbij is uit de rapporten van Buro Blauw gebleken dat verzoekster het productieproces kan voortzetten zonder emissie van deze carcinogene stoffen. Gelet op de minimalisatieverplichting treft het betoog van verzoekster ten aanzien van het niet overschrijden van de geadviseerde MTR voorts geen doel.

4.3

De voorzieningenrechter zal het verzoek van verzoekster om het bestreden besluit te schorsen, gelet op de aard van de zaak en de daarbij betrokken belangen, aan de hand van een belangenafweging beoordelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat pas de laatste tijd, onder meer uit de meetsessies die TNO sinds het najaar van 2018 verricht, voor verweerder, en verzoekster, duidelijk is geworden dat verzoekster Sic vezels buiten de inrichtingsgrenzen emitteert. Het besef dat dergelijke vezels mogelijk een risico voor omwonenden kunnen opleveren is ook pas de laatste jaren ontstaan.

Nu uit verschillende rapporten, onder meer van de Gezondheidsraad en het IARC, is gebleken dat deze Sic vezels (mogelijk) carcinogeen zijn, is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat de uitstoot hiervan zoveel mogelijk dient te worden beperkt alsmede dat verweerder een nadere afweging dient te maken over de vraag of de uitstoot van de Sic vezels al dan niet vergund zou moeten worden.

Nu verzoekster zich op het standpunt heeft gesteld dat de uitstoot van de vezels reeds vergund is, is het tot op zekere hoogte begrijpelijk dat verzoekster geen aanvraag voor een vergunning heeft gedaan. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor het gevoel van urgentie bij verweerder om schade aan de volksgezondheid te voorkomen en minder begrip heeft voor de weerstand bij verzoekster om samen met verweerder in het kader van een vergunningprocedure te komen tot een nadere regulering van de emissie van de Sic vezels, los van de vraag of ze al waren vergund of niet, is de voorzieningenrechter van oordeel dat tegen deze achtergrond verweerder er ook voor had kunnen kiezen om door middel van

het opstarten van een actualisatievergunning dan wel een revisievergunning te komen tot een passende normering voor de uitstoot van Sic vezels.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband ook dat de bestreden last uitdrukkelijk bepaalt dat geen Sic vezels meer door verzoekster mogen worden uitgestoten. De voorzieningenrechter constateert dat ter zitting weliswaar is gebleken dat er nog mogelijkheden zijn om de emissie van fijnstof in de vorm van Sic terug te brengen en daarmee de uitstoot van de vezels ook te verminderen doch dat het tegelijkertijd waarschijnlijk is dat bij de zogenaamde (vergunde) blazers, waarbij er een volledig ongecontroleerde uitstoot plaatsvindt, ook vezels vrij zullen komen zodat het buitengewoon moeilijk zal worden voor verzoekster om volledig aan de last te voldoen. Nu de last feitelijk strekt tot sluiting van de inrichting speelt voor de voorzieningenrechter de vraag naar de evenredigheid en daarmee ook de rechtmatigheid van de last. Daarbij is van belang de vraag in hoeverre verweerder niet eerder dan tot de meetsessies in het najaar van 2018 van de uitstoot van de (carcinogene) vezels op de hoogte had kunnen of moeten zijn.

Tegen deze achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat er gronden zijn om de last te schorsen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat de tot nu toe geconstateerde uitstoot van de carcinogene Sic vezels zeker niet irrelevant is vanuit gezondheidsperspectief, maar dat de uitstoot ook niet van dien aard is dat, mede in aanmerking genomen de relatief korte periode dat de emissie van de Sic vezels ontdekt is, direct ingrijpen noodzakelijk is. Daarbij is van belang dat in geen van de meetperioden de door RIVM geadviseerde MTR-waarde is overschreden, noch daargelaten dat, gelet op de verschillende rapporten van het RIVM en de hiertegen door verzoekster ingebrachte contra-expertise, nog discussie gaande is over de vraag wat de MTR-waarde zou moeten zijn. Daarbij is van belang dat, gelet op de conclusies van de rapporten van TNO inzake de resultaten van de meetgegevens in de perioden van oktober 2018 tot april 2019, tevens onduidelijkheid bestaat over de omvang van de emissies gedurende een langere periode. TNO heeft in haar rapporten aangegeven dat metingen dienen te worden uitgevoerd over een langere meetperiode inclusief metingen nabij woonkernen. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat de Sic vezels thans nog niet als zeer zorgwekkende stof zijn aangemerkt.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de vragen, of, en in welke omvang sprake is van een emissie van Sic vezels die schadelijk is voor de omgeving, of en in welke omvang deze emissie zou moeten worden toegestaan, aan welke norm dan getoetst zou moeten worden en op welke wijze de emissie zal moeten worden gemeten, vragen zijn die beantwoord dienen te worden in het kader van een vergunningprocedure.

De voorzieningenrechter acht in dat verband ook van belang dat verzoekster, hoewel zij aanvankelijk wellicht onvoldoende voortvarend te werk is gegaan om de verhoogde emissies van Sic vezels terug te dringen en - vanwege haar overtuiging dat de uitstoot van Sic vezels vergund was - eerst niet van plan was om een omgevingsvergunning aan te vragen, ter zitting heeft aangegeven dat alsnog, zo snel mogelijk, een aanvraag om vergunning voor de uitstoot van de Sic vezels zal worden ingediend, welke vergezeld zal worden van een onderzoeksvoorstel met daarin opgenomen de technisch mogelijke en uitvoerbare maatregelen die de inrichting zou kunnen treffen om emissies van de Sic vezels te beperken. Voorts is aangegeven dat hangende deze aanvraag maatregelen zullen worden getroffen om de uitstoot van de Sic vezels te verminderen. Verzoekster heeft in dat verband genoemd het staken van de activiteiten in de verwerkingshal, het toepassen van meer gerichte vernevelingstechnieken en het intensiveren van de maatregelen die nu reeds in de vergunning zijn opgenomen, alle teneinde de stofemissie te verhinderen. Verzoekster heeft daarmee blijk gegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het in goede banen leiden van de emissie van carcinogene stoffen.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat aan verzoekster de kans moet worden gegeven om alsnog een aanvraag voor een vergunning voor de emissie van de Sic vezels te doen. Omdat het de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is dat vergunningverlening, juist in de onderhavige situaties, vaak een langdurige aangelegenheid is, zal de voorzieningenrechter aan de schorsing geen termijn verbinden. De voorzieningenrechter veronderstelt daarbij wel dat verzoekster met de grootst mogelijke voortvarendheid, maar in ieder geval binnen twee maanden, een ontvankelijke aanvraag voor een vergunning zal doen en de ter zitting toegezegde maatregelen om tot vermindering van de emissie van vezels te komen direct zal invoeren en ingevoerd houden totdat op de vergunningaanvraag is beslist. De voorzieningenrechter wijst er op dat mocht verzoekster niet aan deze voorwaarden voldoen het verweerder vrij staat om opheffing van deze voorlopige voorziening te vragen.

5. Verzoekster heeft verder verzocht om de aanvullende voorziening te treffen dat verweerder wordt verplicht de schorsing op de voet van artikel 8:80 Awb bekend te maken en deze daarnaast door middel van een persbericht gelijktijdig bekend te maken via de plaatselijke en landelijke pers. Verder heeft verzoekster verzocht om de aanvullende voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verweerder wordt verplicht RIVM om een gemotiveerde heroverweging te verzoeken op basis van de door Caesar Consult geconstateerde kritiekpunten in paragraaf 5 van haar reactie.

De voorzieningenrechter ziet voor het treffen van deze gevraagde voorzieningen geen aanleiding.

6. Gelet voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 16 april 2019 wordt geschorst.

7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-). Voor een andere proceskostenveroordeling zoals door verweerder verzocht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

9. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekster vergoedt, ter hoogte van € 1.024,- ;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het griffierecht ad € 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.