Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:1236

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
18/996508-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/996508-10

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 28 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 maart 2018 en 4, 5, 12 en 13 februari 2019.

Ter terechtzitting van 20 maart 2018 is verdachte niet verschenen; wel is verschenen mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Ter terechtzitting van 4, 5, 12 en 13 februari 2019 is verdachte telkens verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld en mr. D.Y. Li, beiden advocaat te Groningen. Ter terechtzitting van 12 en 13 februari 2019 werd verdachte tevens bijgestaan door mr. A.B. Vissers, advocaat te Amsterdam.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting telkens vertegenwoordigd door mr. E.L. Edens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot

en met 29 januari 2010 te Groningen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de fiscale eenheid [verdachte B.V. 3] , over de tijdvakken

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2006 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2007 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2008 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2009,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan omzet en/of (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 januari 2010 te Groningen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , en/of een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de fiscale eenheid [verdachte B.V. 3] , over de tijdvakken

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2006 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2007 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2008 en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2009,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan omzet en/of (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven;

2.

[verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot

en met 17 mei 2011 te Groningen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de fiscale eenheid [verdachte B.V. 3] , over de jaren 2006 en/of 2007 en/of 2008 en/of 2009, onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan vennootschapsbelasting opgegeven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 17 mei 2011 te Groningen en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met [verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , en/of een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van de fiscale eenheid [verdachte B.V. 3] , over de jaren 2006 en/of 2007 en/of 2008 en/of 2009, onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen, althans de Belastingdienst in Nederland,

terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de aangifte(n) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan vennootschapsbelasting opgegeven;

3.

[verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot

en met 29 september 2011 te Groningen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als administratieplichtige(n) die ingevolge de belastingwet, te weten artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verplicht was/waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, (telkens) een zodanige administratie niet heeft/hebben gevoerd en/of doen voeren, immers heeft/hebben [verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , en/of haar/hun mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk onjuiste en/of onvolledige (te lage) (afgeroomde) omzetgegevens in de administratie van verdachte opgenomen en/of geboekt en/of doen boeken en/of doen opnemen en/of omzetgegevens en/of contante betalingen en/of leveranties aan klanten/gasten en/of (digitale) gegevens van kassabonnen uit het [bedrijfsnaam] (kassa)systeem verwijderd en/of (andere) digitale

gegevens verwijderd en/of (andere) administratie bescheiden (waaronder (kassa)bonnen en/of (klad-)kasboeken) en/of gegevens niet bewaard en/of geen controle uitgevoerd op het boekhoudkundig kassaldo, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 september 2011 te Groningen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met [verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] , en/of een of meer andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als administratieplichtige(n) die ingevolge de belastingwet, te weten artikel

52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verplicht was/waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen,

(telkens) een zodanige administratie niet heeft/hebben gevoerd en of/doen voeren,

immers heeft/hebben verdachte en/of [verdachte B.V.] en/of [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] en/of haar/hun mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk onjuiste en/of onvolledige (te lage) (afgeroomde) omzetgegevens in de administratie van verdachte opgenomen en/of geboekt en/of doen boeken en/of doen opnemen en/of omzetgegevens en/of contante betalingen en/of leveranties aan klanten/gasten en/of (digitale) gegevens van kassabonnen uit het [bedrijfsnaam] (kassa)systeem

verwijderd en/of (andere) digitale gegevens verwijderd en/of (andere) administratie bescheiden (waaronder (kassa)bonnen en/of (klad-)kasboeken) en/of gegevens niet bewaard en/of geen controle uitgevoerd op het boekhoudkundig kassaldo,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 september 2011, te

Groningen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijke perso(o)n(en), van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij toen en op verschillende tijdstippen in genoemde periode een of meer geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) EUR 153.909 en/of USD

3.123 en/of YEN 14.055 en/of sieraden tot een totaal van taxatiewaarde ongeveer EUR 66.757, althans een of meer geldbedragen en/of sieraden, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

1.1.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

1.1.2. Daartoe hebben de raadslieden in de eerste plaats aangevoerd dat de Belastingdienst onderzoek heeft gedaan en vragen heeft gesteld onder de noemer "controle" ten behoeve van de belastingheffing, terwijl er al een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. Dit blijkt volgens de verdediging onder meer uit de op 9 september 2008 ingediende aanvraag tot het mogen uitvoeren van niet-aangekondigde, heimelijke waarnemingen ter plaatse. In deze aanvraag staat onder meer dat er sprake is van "een vermoeden dat er ca. 30% van de kasomzet wordt afgeroomd" en "dat meerdere heimelijke waarnemingen nodig zijn voor een goede bewijsvoering c.q. een eventueel strafrechtelijk onderzoek". Volgens de verdediging zijn bij deze "controle" niet de door de Hoge Raad bedoelde waarborgen nageleefd, aangezien voorafgaand aan het stellen van de vragen tijdens de gesprekken op 21 oktober 2009, 27 oktober 2009, 11 november 2009, 12 februari 2009 en 17 februari 2009 niet de cautie is gegeven en niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Daardoor is een inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van de verdachten. Bovendien is sprake van détournement de pouvoir, aangezien de fase van "controle" lange tijd kunstmatig in stand is gehouden en onder de noemer "controle" ten behoeve van belastingheffing informatie is verzameld in het kader van de opsporing.

1.1.3. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat de privacy van verdachte is geschonden, doordat gebruik is gemaakt van controlebevoegdheden waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. De controlemedewerkers hebben gedurende een vrij korte periode van een paar maanden in totaal ruim veertig waarnemingen uitgevoerd in en bij de restaurants. Daarbij hebben zij zich voorgedaan als burgers, hebben zij zelfstandig bewijs gecreëerd in de vorm van kassabonnen en hebben zij het personeel en de aanwezige gasten geobserveerd. De ambtenaren hebben niet alleen van de buitenzijde van de bedrijfsgebouwen de privacy van de onderneming geschonden, maar zij zijn ook het restaurant binnengegaan zonder zich te legitimeren. Tijdens de waarnemingen zijn n/a/w-gegevens verzameld en deze zijn verwerkt in de controlerapporten. Het gaat hierbij om het structureel en heimelijk bezoeken en observeren van een onderneming. De verdediging heeft betwist dat de waarnemingen zijn gedaan in een publieke ruimte, omdat gasten slechts worden toegelaten als de ondernemer daarmee instemt. Gelet op de duur, intensiteit en frequentie van het geheel van de waarnemingen is sprake van stelselmatige observatie. Voor deze gang van zaken bestaat geen wettelijke grondslag in de fiscale wet- en regelgeving en er heeft geen rechterlijke controle plaatsgevonden op het binnentreden. De algemene controlebevoegdheden, neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de artikelen 47 en 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), behelzen een onvoldoende concrete wettelijke grondslag om een inbreuk op de privacy te kunnen rechtvaardigen. Een dergelijke grondslag kan ook niet worden gevonden in artikel 50 van de AWR, omdat bij de toepassing van de daarin neergelegde bevoegdheid een actieve handeling van de belastingplichtige wordt verwacht en daarin besloten ligt dat deze altijd op de hoogte dient te worden gesteld van een waarneming. Hierdoor is volgens de verdediging een fundamentele inbreuk gemaakt op het recht op respect voor het privéleven, zoals beschermd door artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens de verdediging gaat het hier om een serieuze en langdurige schending van het recht op privacy, die direct raakt aan de betrouwbaarheid van het bewijs. Nu een wettelijke grondslag ontbreekt, zijn ambtenaren niet opgeleid om op deze wijze materiaal te verzamelen. Bovendien vertoont de handelwijze ten aanzien van de waarnemingen allerlei gebreken. In de aan [verdachte B.V.] uitgereikte aankondigingsbrief van 17 juni 2007 (hierna: de aankondigingsbrief) is de indruk gewekt dat het zou gaan om aangekondigde waarnemingen. Ook zijn de waarnemingen niet beperkt gebleven tot de in deze brief aangekondigde periode. Bij [verdachte B.V. 2] zijn de waarnemingen in het geheel niet aangekondigd. De Belastingdienst heeft zich ook niet gehouden aan het aantal van twee waarnemingen per filiaal dat is genoemd in de aanvraag van 9 september 2008. Voorts geldt dat tijdens de waarnemingen vragen zijn gesteld aan medewerkers, terwijl uit het dossier niet blijkt dat de cautie is gegeven.

1.1.4. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit onherstelbare vormverzuimen zijn, zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Volgens de verdediging hebben deze vormverzuimen plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek, aangezien het Openbaar Ministerie betrokken was bij de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (hierna: de LSI) en het LSI het Landelijk Interventieteam Wokrestaurants - in het kader waarvan de "controle" en de waarnemingen hebben plaatsgevonden - in het leven heeft geroepen.

1.1.5. De verdediging is van mening dat deze vormverzuimen - in combinatie met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken - tezamen dienen te leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie.

Standpunt van de officier van justitie

1.2.1. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

1.2.2. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het Openbaar Ministerie geen enkele bemoeienis heeft gehad met het handelen van de Belastingdienst voorafgaand aan het tripartite overleg en dat er tijdens de door de verdediging genoemde gesprekken ook nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Ook bestond tijdens die gesprekken geen recht op verhoorsbijstand, aangezien de personen met wie werd gesproken op dat moment geen verdachten waren en dat, wanneer er al sprake was van een verdenking, die verdenking zich zou hebben gericht tegen de belastingplichtige vennootschap. Daarbij komt dat artikel 27c Sv op dat moment nog niet was ingevoerd en er geen sprake was van aanhouding of staandehouding. Van détournement de pouvoir was volgens de officier van justitie geen sprake, aangezien de handelingen van de Belastingdienst zagen op het verzamelen van informatie voor de belastingheffing.

1.2.3. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat voor de waarnemingen ter plaatse geen bijzondere wettelijke grondslag was vereist anders dan de algemene fiscale bevoegdheden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de waarnemingen hebben plaatsgevonden in het deel van de restaurants dat voor het publiek toegankelijk was, dat de waarnemingen hebben plaatsgevonden in een zeer ruime periode van meer dan een jaar en dat niet moet worden gekeken naar het totale aantal waarnemingen, maar naar het aantal waarnemingen per individuele rechtspersoon. Door deze waarnemingen kon volgens de officier van justitie geen min of meer volledig beeld van het privéleven van de individuele rechtspersonen ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

1.3.1. Op grond van artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder c, Sv kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

1.3.2. De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Ingevolge artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. "Het voorbereidend onderzoek" in artikel 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidende onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidende onderzoek. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1063).

1.3.3. De door de verdediging gestelde verzuimen hebben plaatsgevonden in het kader van een controleonderzoek van de Belastingdienst. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt niet dat dit onderzoek onder het gezag van de officier van justitie stond. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de officier van justitie eerder bij het onderzoek naar verdachte betrokken is geraakt dan na het tripartite overleg (ook wel aangeduid als het TPO). Uit het aanvangsproces-verbaal en de verklaring van de getuige [getuige 4] , werkzaam bij de FIOD, afgelegd op 9 maart 2017, blijkt dat het TPO besluit is genomen in april 2010. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie betrokken is geweest bij het LSI doet hier niet aan af, nu de enkele betrokkenheid bij de stuurgroep die het Landelijk Interventieteam Wokrestaurants in het leven heeft geroepen niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat de handelingen van de controleambtenaren van de Belastingdienst hebben plaatsgevonden onder het gezag van de officier van justitie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de getuige [getuige 1] , die in 2007 en 2008 als controlemedewerker betrokken is geweest bij de waarnemingen in de restaurants, op 18 oktober 2018 heeft verklaard dat de FIOD en het Openbaar Ministerie niet betrokken waren bij het team (de rechtbank begrijpt: het Landelijk Interventieteam Wokrestaurants).

1.3.4. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen verdachte en dat artikel 359a Sv dus niet van toepassing is.

1.3.5. Zowel binnen als buiten het kader van artikel 359a Sv geldt dat van de niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke gevallen, namelijk als het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. In uitzonderlijke situaties is niet-ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt.

1.3.6. De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging gestelde verzuimen geen betrekking hebben op handelingen van ambtenaren die zijn belast met de opsporing of vervolging. Daarnaast geldt dat hetgeen de verdediging heeft gesteld niet tot de conclusie kan leiden dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het bestaan van het redelijk vermoeden dat een (rechts)persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, in beginsel niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden. Dit is anders indien de controlebevoegdheden uitsluitend zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu uit het dossier blijkt dat de controlebevoegdheden - in ieder geval mede - werden uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de belastingwetgeving vastgestelde voorschriften en aldus te komen tot een verantwoorde belastingheffing. Van détournement de pouvoir was dan ook geen sprake. Voorts geldt dat indien, na het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, controlebevoegdheden worden aangewend tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht moeten worden genomen. Indien de controlemedewerkers van de Belastingdienst, na het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, tijdens een verhoor ten onrechte niet hebben voldaan aan de cautieplicht, geeft dat geen aanleiding om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Wel kan dit er onder omstandigheden toe leiden dat de door middel van dat verhoor verkregen verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank zal hier later in deze uitspraak op terugkomen.

1.3.7. Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen de verdediging heeft aangevoerd evenmin tot de conclusie leiden dat sprake is van handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt.

1.3.8. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de ontvankelijkheidsverweren.

1.3.9. Nu zij daartoe ook overigens geen beletselen aanwezig acht, verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

2 Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

2.1.1. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair, 2. primair en 3. primair ten laste gelegde. De officier van justitie is van mening dat kan worden bewezen dat in beide restaurants (in ieder geval) vanaf juli 2007 omzet is afgeroomd en dat verdachte daarbij strafrechtelijk laakbaar betrokken is geweest. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

2.1.2. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zowel in het restaurant aan [adres 1] als in het restaurant in [adres 2] omzet is afgeroomd door middel van het in de restaurants gebruikte kassasysteem van het bedrijf [bedrijfsnaam] Het restaurant aan [adres 1] maakte, vermoedelijk al vanaf eind 2005, gebruik van versie 1 van dit kassasysteem en deze is, vermoedelijk in augustus 2011, vervangen door versie 2. In het restaurant in [adres 2] is het kassasysteem in 2007 geïnstalleerd. Tijdens de doorzoekingen op 29 september 2011 is de software op de kassasystemen van beide restaurants gekopieerd en is vastgesteld dat de software van [bedrijfsnaam] werd gebruikt. De FIOD en het NFI hebben deze software geanalyseerd en beschreven. De FIOD heeft vastgesteld dat beide kassasystemen over de mogelijkheid beschikten om omzet af te romen door deze uit het kassasysteem te verwijderen. Voor beide systemen was deze mogelijkheid goed verstopt. Voor versie 1 was het noodzakelijk een programma te starten dat op een usb-stick stond en de verhullende naam "Tetris.exe" droeg. Dit programma is weliswaar niet bij verdachte of de medeverdachten aangetroffen, maar toen de bij medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangetroffen versie van "Tetris.exe" werd ingevoerd in de in het restaurant aan [adres 1] aangetroffen versie 1 van [bedrijfsnaam] , functioneerde deze. In het geval van het restaurant in [adres 2] was het nodig een programma te starten met de verhullende naam "Backup.exe". Hoewel de echte omzet door de kassasystemen is verwijderd, zijn in de systemen sporen achtergebleven waaruit blijkt dat de afroomtools zijn gebruikt. Uit deze sporen blijkt dat de tool in het restaurant in [adres 2] werd gebruikt vanaf 17 juli 2007. Op de kassa in het restaurant aan [adres 1] zijn de sporen pas vanaf augustus 2011 zichtbaar. Dit kan worden verklaard, doordat versie 2 van het systeem daar toen in gebruik is genomen. Daarnaast zijn ook sporen aangetroffen van het gebruik van "Tertris.exe". De afroomsoftware werd dagelijks gebruikt, voordat de dagafsluitingen werden opgemaakt.

2.1.3. Naast dit technische bewijs zijn er bevindingen van de Belastingdienst en de FIOD dat bonnen van de maaltijden van medewerkers en andere in de restaurants aangetroffen bonnen van maaltijden niet in de kassa terug te vinden zijn. Daarnaast is er bewijs in de vorm van de door medewerkers van de Belastingdienst verrichte tellingen, welke zijn vergeleken met de gegevens in de kassasystemen van de restaurants. Verder zijn een aantal afslagen in tweevoud aangetroffen en blijkt de gang van zaken uit de in beslag genomen camerabeelden.

2.1.4. De door het kassasysteem gegenereerde informatie is cruciaal voor de administratie van de ondernemingen en heeft zelf ook als onderdeel van de administratie te gelden. Door wijzigingen in de informatie in deze kassasystemen aan te brengen door omzet af te romen is een cruciaal onderdeel van de administratie gewijzigd, waardoor deze administratie geen waarheidsgetrouw beeld meer geeft van de gemaakte omzet en correcte heffing van belasting onmogelijk wordt gemaakt. Dit maakt reeds dat niet is voldaan aan de boekhoudverplichtingen. Ook de afslagen die het kassasysteem heeft geproduceerd, nadat de omzet was afgeroomd, en die zijn gebruikt voor het opstellen van de aangiften omzet- en vennootschapsbelasting, zijn in strijd met de boekhoudverplichtingen opgemaakt, nu zij geen waarheidsgetrouw beeld geven van de daadwerkelijk gemaakte omzet. Nu andere delen van de administratie, zoals de kasboeken, zijn opgesteld op basis van de gecorrumpeerde informatie uit de kassasystemen zijn ook die delen van de administratie onjuist en in strijd met de boekhoudverplichtingen opgesteld. Dit leidt tot de conclusie dat vanaf juli 2007 tot en met (in ieder geval) de actiedag 29 september 2011 niet is voldaan aan de boekhoudverplichtingen van de ondernemingen.

2.1.5. De gegevens op basis waarvan de aangiften omzet- en vennootschapsbelasting zijn gedaan, zijn gegenereerd met behulp van de gemanipuleerde kassa's. Nu opzettelijk met de kassa's is gemanipuleerd, juist ook met het doel om omzet af te romen, is het logische gevolg daarvan dat de gegevens die in de aangiften zijn verwerkt, onjuist zijn en uitgaan van een te lage omzet en een te lage winst. Hieruit volgt dat deze aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan.

2.1.6. Voorts bevat het dossier de belastingaangiften en de uitspraken van de belastingkamer van de rechtbank. Uit deze uitspraken blijkt dat er door het niet voldoen aan de boekhoudverplichtingen over de periode van juli 2007 tot en met 29 september 2011 een fiscaal nadeel is geleden. Hieruit volgt volgens de officier van justitie dat kan worden bewezen dat de feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.

2.1.7. Ten aanzien van de rol van verdachte bij de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij het [bedrijfsnaam] systeem mede heeft geleverd en dat hij veelvuldig overleg heeft gevoerd met verdachte. Verder acht de officier van justitie van belang dat verdachte de kassa-afslagen van de restaurants ontving en ter verdere verwerking in de boekhouding van de verschillende bedrijven meenam naar [vestigingsplaats] . Daarnaast is verdachte samen met zijn vrouw bestuurder van de [medeverdachte 1] . Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat in de slaapkamer van verdachte en [medeverdachte 2] dubbele afslagbonnen van 26 september 2011 zijn aangetroffen.

2.1.8. De officier van justitie heeft tevens veroordeling gevorderd voor het onder 4. ten laste gelegde gewoontewitwassen. Hij is van mening dat kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten gedurende een zeer lange tijd op zeer grote schaal geld en sieraden heeft witgewassen. Volgens de officier van justitie gaat het om het bezit van een grote hoeveelheid geld en sieraden met een hoge waarde, waarvoor geen redelijke verklaring kan worden gegeven, anders dan dat deze voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Daarbij is van belang dat sprake is van fraude met de omzet-, vennootschaps-, inkomsten- en schenkbelasting, welke blijkens de uitspraken van de belastingkamer veel groter is dan de feiten die in deze zaak ten laste zijn gelegd. De officier van justitie gaat ervan uit dat het aangetroffen geld en de aangetroffen sieraden afkomstig zijn van voordelen die verkregen zijn uit verschillende gepleegde fiscale delicten en dat daarom al dit geld en al deze sieraden zijn witgewassen. Ook indien dit niet bewezen wordt geacht, geldt dat de door verdachte en medeverdachten gegeven verklaringen over de herkomst van het geld en de sieraden niet concreet en min of meer verifieerbaar zijn en dat deze verklaringen op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Daarbij is van belang dat de door verdachte en de medeverdachten gegeven alternatieve lezingen in grote mate tegenstrijdig zijn. Voorts is van belang dat zelfs als van de juistheid van de verklaringen van verdachte en de medeverdachten zou worden uitgegaan, daarmee geen verklaring kan worden gegeven voor de aanwezigheid van een groot deel van het in beslag genomen geld. Een verifieerbare verklaring voor de aanwezigheid van de sieraden is in het geheel niet gegeven.

Standpunt van de verdediging

2.2.1. De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat omzet is afgeroomd.

2.2.2. Daartoe heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat het grootste deel van de bevindingen in het dossier betrekking heeft op de periode in of rond september 2011 en niets zegt over de ten laste gelegde periode. Dit geldt met name voor de aangetroffen enveloppen, de camerabeelden en de sporen in de kassa van het restaurant aan [adres 1] . Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat er geen enkel bewijs is dat in het jaar 2006 omzet is afgeroomd en dat er ten aanzien van de jaren 2007 en 2008 hooguit aanwijzingen zijn dat is afgeroomd, in de vorm van waarnemingen, tellingen en bestellingen. Deze bevindingen van de Belastingdienst betreffende de jaren 2007 en 2008 kunnen hooguit iets zeggen over de specifieke data waarop is waargenomen, geteld en besteld en niet over héél 2007 en héél 2008. Daarbij komt dat het restaurant in [adres 2] pas halverwege 2007 is geopend en in dat restaurant in het resterende deel van 2007 helemaal geen waarnemingen, tellingen en bestellingen zijn gedaan.

2.2.3. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de conclusies van [onderzoeker] niet relevant zijn voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten, voor zover deze betrekking hebben op het restaurant aan [adres 1] . Er zijn geen afroomtoepassingen aangetroffen op de inbeslaggenomen usb-sticks en [onderzoeker] kan niet met zekerheid zeggen dat een usb-stick met een afroomtoepassing is gebruikt, laat staan dat omzet is afgeroomd. De door [onderzoeker] gebruikte (één-op-één-kopieën van) gegevensdragers, waarop de programma's "Tetris.exe" en "Tetris2.exe" stonden, zijn aangetroffen bij één der vennoten van [bedrijfsnaam] en niet in het restaurant. [onderzoeker] heeft aangegeven dat de dagafsluiting zowel met "Main.exe", dat wil zeggen zonder usb-stick, als met "Tertris2.exe", dat wil zeggen met usb-stick, kan worden uitgevoerd. Hieruit volgt dat de enkele constatering dat het programma "Tetris2.exe" is gebruikt nog niet de conclusie rechtvaardigt dat is afgeroomd. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat [onderzoeker] niets met zekerheid zegt. Hij acht de kans dat bepaalde sporen zijn aangetroffen veel waarschijnlijker onder de hypothese dat een externe harde schijf of usb-stick met het programma "Tetris.exe" in de computer "pc-balie-1" heeft gezeten dan onder de hypothese dat dit niet is gebeurd. Volgens de verdediging laat dit de niet te verwaarlozen mogelijkheid open dat het minder waarschijnlijke toch waar is. Bovendien zegt [onderzoeker] dat als het al zo is dat de usb-stick in het systeem heeft gezeten, niet gezegd kan worden dat daarmee is afgeroomd. Ten aanzien van de computer "PC-balie-2" heeft [onderzoeker] slechts aanwijzingen aangetroffen voor gebruik in de periode van 23 tot 26 augustus 2011 en op 28 september 2011. Deze periode ligt geheel buiten de onder 1. en 2. ten laste gelegde periode. Reeds daarom vormen deze aanwijzingen geen bewijs voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

2.2.4. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitkomsten van het onderzoek van [onderzoeker] ten aanzien van het restaurant in [adres 2] te ongewis zijn om daar het bewijs op te stoelen. Daartoe is aangevoerd dat [onderzoeker] geen afroomtoepassing heeft aangetroffen op de aan hem verstrekte kopie van de inbeslaggenomen usb-stick. [onderzoeker] heeft gesteld dat de aanwezigheid van de merknaam van "G-1-13-12-USB [006]," Mighty Drive, in het bestand "setupapi.log" vanaf juli 2007 een sterke aanwijzing is dat een usb-stick van hetzelfde merk en type is aangesloten op "server kassa [adres 2] [005]". Dat is niet een hele sterke aanwijzing aangezien op de kopie die hij van de inbeslaggenomen usb-stick kreeg, geen afroomfunctionaliteit werd aangetroffen. Verder heeft [onderzoeker] aangegeven dat niet bekend is of de afroomfunctionaliteit benaderbaar was tussen 20 augustus 2007 en 28 september 2011. Hieruit volgt dat niet is vastgesteld dat kon worden afgeroomd in die periode.

2.2.5. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de bevindingen in het rapport van [onderzoeker] d.d. 13 juli 2012 niet begrijpelijk zijn en dat een onduidelijk rapport niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

2.2.6. Ten aanzien van de enveloppen met daarop dezelfde data en hetzij een "X", hetzij het woord "bank", die zijn aangetroffen in de woning van verdachte en [medeverdachte 2] en in de woning van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft de verdediging aangevoerd dat deze alle zien op de laatste paar dagen voor de invallen op 29 september 2011 en dus niet op de ten laste gelegde periode. Daarom vormen deze enveloppen volgens de verdediging geen bewijs voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde en zeggen deze enveloppen ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde hooguit iets over de dagen waarop zij betrekking hebben.

2.2.7. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat hij daarbij een actieve of passieve strafrechtelijk relevante rol heeft gespeeld. Daartoe is aangevoerd dat verdachte steeds heeft verklaard dat hij zich niet meer bezighield met de restaurants, dat deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 2] en dat het tegendeel niet uit het dossier blijkt. Voor zover al wordt aangenomen dat verdachte betrokken was bij de aanschaf van het kassasysteem, kan daaruit niet worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de afroomtoepassing van dat systeem, laat staan van malversaties met het kassasysteem. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte op 26 september 2011 naar China is gevlogen, dat hij niet in Nederland was omstreeks de datum waarop de enveloppen met de datum 26 september en een "X" of het woord "bank" in zijn woning zijn aangetroffen en dat het onwaarschijnlijk is dat die enveloppen werden vervaardigd voordat hij naar China vloog. Bovendien kan uit de verklaringen van verdachte niet worden afgeleid dat hij ervan op de hoogte was dat er enveloppen waren met een "X" erop of dat er überhaupt twee enveloppen werden vervaardigd.

2.2.8. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte tevens moet worden vrijgesproken van het onder 4. ten laste gelegde witwassen. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de aangetroffen geldbedragen en sieraden afkomstig zijn van enig misdrijf. Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde. Ook indien deze feiten wel worden bewezen, is geen rechtstreeks verband te leggen tussen deze feiten en het geld en de sieraden. Ook kan volgens de verdediging niet worden gezegd dat het niet anders kan dan dat het geld en de sieraden afkomstig zijn uit enig misdrijf, aangezien verdachte (en de medeverdachten) door de jaren heen hard hebben gewerkt en geld hebben verdiend. In dit kader heeft de verdediging er voorts op gewezen dat, indien de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, het nadeel dat aan de handelingen in de restaurants kan worden toegeschreven veel kleiner is dan het in totaal aangetroffen geldbedrag.

2.2.9. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat, voor zover mocht worden geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die het vermoeden rechtvaardigen dat het geld dat verdachte voorhanden had van misdrijf afkomstig is, verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van dat geld. Verdachte heeft verklaard dat een zakenpartner hem € 50.000 in bewaring heeft gegeven, hetgeen door deze zakenpartner is bevestigd. Ook heeft hij verklaard dat iemand hem € 20.000 in bewaring heeft gegeven voor zijn in Nederland studerende zoon, hetgeen door deze persoon is bevestigd. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij € 20.000 in bewaring had van de [instelling] . Dit wordt bevestigd door een ter terechtzitting overgelegde schriftelijke verklaring. Verder is aangegeven dat in de kluis in verdachtes woning kasgeld van het restaurant lag, hetgeen niet ongebruikelijk en dus niet onaannemelijk is, aldus de verdediging. Gelet op deze verklaring, lag het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de voorwerpen. Hoewel deze verklaring al jaren bekend was en de verdediging deze met stukken en getuigenverklaringen heeft onderbouwd, heeft het Openbaar Ministerie geen enkel onderzoek gedaan en daar niets tegenover gesteld. Daarom kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben.

2.2.10. Voorts is aangevoerd dat verdachte niet bij de restaurants betrokken was, dat hij geen toegang had tot de kluizen waarin het geld en de sieraden zijn aangetroffen en dat hij ook niet bij de kluis in de bank is geweest. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wetenschap had van de inhoud van de kluizen, laat staan dat hij het geld en de sieraden in die kluizen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of heeft omgezet.

2.2.11. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, ook indien kan worden bewezen dat sprake is van witwassen, verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4. ten laste gelegde, omdat de voorwerpen in dat geval afkomstig waren van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf en verdachte geen handelingen heeft verricht die gericht waren op het veilig stellen van zijn criminele opbrengsten of op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de voorwerpen. Daartoe is aangevoerd dat het geld en de sieraden in kluizen of andere niet bijzondere opbergplaatsen lagen.

2.2.12. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, voor zover er eventueel iets te bewijzen valt, dit enkel kan zien op een zeer beperkt aantal handelingen in het laatste deel van de onder 4. ten laste gelegde periode.

Oordeel van de rechtbank

Belastingfraude en schending administratieplicht

2.3.1. Aan verdachte is onder 1. primair, 2. primair en 3. primair - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) opdracht heeft gegeven tot of leiding heeft gegeven aan het (mede)plegen van belastingfraude en het niet voldoen aan de administratieplicht ingevolge artikel 52 van de AWR (hierna: de administratieplicht) door [verdachte B.V.] , [verdachte B.V. 2] en/of [verdachte B.V. 3] Onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. subsidiair is aan verdachte het medeplegen van deze feiten ten laste gelegd.

2.3.2. De rechtbank acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte B.V.] in de ten laste gelegde periode belastingfraude heeft gepleegd en niet heeft voldaan aan de administratieplicht. Kort gezegd hebben deze feiten eruit bestaan dat een deel van de contante omzet opzettelijk is verwijderd uit het kassasysteem en daarmee uit de administratie van het door [verdachte B.V.] geëxploiteerde restaurant aan [adres 1] . Hierdoor zijn opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften omzet- en vennootschapsbelasting gedaan.

2.3.3. De rechtbank acht op grond van het dossier eveneens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte B.V. 2] in de ten laste gelegde periode belastingfraude heeft gepleegd en niet heeft voldaan aan de administratieplicht. Deze feiten hebben er - kort gezegd - uit bestaan dat een deel van de contante omzet opzettelijk is verwijderd uit het kassasysteem en daarmee uit de administratie van het door [verdachte B.V. 2] geëxploiteerde restaurant in [adres 2] . Hierdoor zijn opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften omzet- en vennootschapsbelasting gedaan.

2.3.4. Verdachte was in de ten laste gelegde periode directeur van [verdachte B.V. 2] Daarnaast was hij in die periode directeur van [verdachte B.V. 3] en was hij via deze vennootschap ook directeur van [verdachte B.V.]

2.3.5. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt niet dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het plegen van belastingfraude of het niet nakomen van de administratieplicht.

2.3.6. De enkele omstandigheid dat verdachte in de ten laste gelegde periode bestuurder van deze drie rechtspersonen was, is niet voldoende om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door (één of meer van) die rechtspersonen begaan strafbaar feit.

2.3.7. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, komt op geen enkele wijze naar voren dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaamheden heeft verricht in de restaurants aan [adres 1] en in [adres 2] . Ook blijkt daaruit niet dat hij op andere wijze direct betrokken was bij of invloed had op de gang van zaken binnen de restaurants, in het bijzonder voor wat betreft de administratieve dagafsluiting van de kassasystemen.

2.3.8. Verdachte heeft verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode geen bemoeienis had met de restaurants aan [adres 1] en in [adres 2] . Hij heeft verklaard dat hij zich vanaf 2003 bezig heeft gehouden met [verdachte B.V. 4] , terwijl zijn vrouw en kinderen zich vanaf dat moment bezig hebben gehouden met de restaurants. Deze verklaring is bevestigd door getuige [getuige 2] , die als general manager werkzaam is bij [verdachte B.V. 4] Zij heeft verklaard dat de vrouw, zoon, dochter en schoonzoon van verdachte in de ten laste gelegde periode de leiding hadden in de restaurants, dat verdachte zich vanaf 2003 alleen bezighoudt met [verdachte B.V. 4] en dat hij sindsdien geen enkele rol heeft in de restaurants.

2.3.9. Uit de verklaring van getuige [getuige 3] , administratie medewerkster van [verdachte B.V. 4] (hierna: [getuige 3] ), blijkt dat verdachte in haar ogen niet alleen de baas is van [verdachte B.V. 4] , maar ook van [verdachte B.V.] en [verdachte B.V. 2] [getuige 3] heeft echter ook verklaard dat zij weinig contact en conversatie met verdachte heeft, dat zij geen zicht heeft op verdachtes taak en werkzaamheden en dat zij niet weet wat verdachte doet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaring van [getuige 3] niet kan worden afgeleid dat verdachte zich bemoeide met de gang van zaken binnen de restaurants, laat staan dat hij feitelijk de leiding had in deze restaurants.

2.3.10. Uit het dossier blijkt dat verdachte contact heeft gehad met [medeverdachte 1] , de leverancier van de kassasystemen, en dat hij betrokken is geweest bij het aanschaffen van de kassasystemen van beide restaurants. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt echter ook dat hij de uitleg over de werking van deze kassasystemen niet aan verdachte maar aan anderen heeft gegeven. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op enig moment heeft gewerkt met deze kassasystemen, noch dat hij instructies heeft verkregen of gegeven over de manier waarop de kassasystemen dienden te worden gebruikt. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte op de hoogte was van de afroommodaliteiten, waarmee een deel van de omzet uit de kassasystemen kon worden verwijderd.

2.3.11. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte direct betrokken is geweest bij of wetenschap heeft gehad van het verwijderen van omzet uit de kassasystemen en de administratie van de restaurants.

2.3.12. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode regelmatig enveloppen met contant geld en documenten (onder meer kassa-afslagen en dagomzetformulieren van de restaurants) heeft meegenomen van zijn woning in Groningen naar het kantoor van [verdachte B.V. 4] in [vestigingsplaats] en dat hij regelmatig contant geld uit dergelijke enveloppen heeft afgestort bij de bank. Het contante geld en de documenten (in de enveloppen) die verdachte naar [vestigingsplaats] bracht en het contante geld dat door verdachte werd afgestort, hadden betrekking op de contante inkomsten die wel in de administratie van de restaurants (en daarmee in de belastingaangiften) werden opgegeven. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte ook (enveloppen met) contant geld in handen heeft gehad dat afkomstig was uit het afromen van de omzet van de restaurants, noch dat hij documenten in handen heeft gehad die daarop betrekking hadden.

2.3.13. Op 29 september 2011 zijn in de slaapkamer van de woning van verdachte en zijn vrouw in Groningen twee enveloppen aangetroffen met geld en documenten betreffende de contante omzet van het restaurant aan [adres 1] van 26 september 2011. In deze enveloppen zaten onder meer dubbele kassa-afslagen van het restaurant van dezelfde datum met daarop verschillende bedragen aan contante omzet. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier worden afgeleid dat het contante geld en de documenten in één van deze enveloppen betrekking hadden op de contante inkomsten die op die datum waren afgeroomd van de omzet van het restaurant. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt echter dat verdachte op het moment dat de enveloppen werden aangetroffen in China was. Op grond van de vertrekdatum (26 september 2011) en het vertrektijdstip (20:55 uur), die zijn vermeld op door de verdediging overgelegde vliegticket, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte reeds was vertrokken op het moment dat deze enveloppen de woning werden binnengebracht. Daarom is de rechtbank van oordeel dat uit het aantreffen van deze enveloppen niet kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van het feit dat deze omzet werd afgeroomd, laat staan dat hij daarbij betrokken was.

2.3.14. De rechtbank acht het, gelet op verdachtes functie als bestuurder van de rechtspersonen die de restaurants exploiteerden, zijn rol in het kader van de afhandeling van de financiële zaken van de restaurants en zijn positie als man en (schoon)vader van de feitelijk leidinggevenden van de restaurants, moeilijk voorstelbaar dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat gedurende een lange periode opzettelijk een deel van de contante omzet werd verwijderd uit de kassasystemen en daarmee uit de administratie van beide restaurants en dat hij daarbij geen rol heeft gespeeld, maar niet valt in voldoende mate uit te sluiten dat die wetenschap en rol bij verdachte hebben ontbroken. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken geen wettig en overtuigend bewijs van een dergelijke wetenschap en rol kan worden afgeleid.

2.3.15. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als opdrachtgever, feitelijk leidinggever of medepleger betrokken is geweest bij de onder 1. en 2. ten laste gelegde belastingfraude en/of de onder 3. ten laste gelegde overtreding van de administratieplicht.

Witwassen

2.4.1. De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4. ten laste gelegde (medeplegen van) gewoontewitwassen van geldbedragen van (in totaal) € 153.909, USD 3.123 en YEN (de rechtbank begrijpt: Yuan) 14.055 en sieraden met een taxatiewaarde van ongeveer € 66.757. Daartoe overweegt zij het volgende.

2.4.2. De in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en sieraden zijn aangetroffen in een safeloket bij de [Bank] en in een verrijdbare kluis in de woning van verdachte en zijn vrouw.

2.4.3. De officier van justitie gaat ervan uit dat het geld en de sieraden die zijn aangetroffen in het safeloket en de verrijdbare kluis, afkomstig zijn van de onder 1. en 2. ten laste gelegde belastingfraude. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij niet bewezen dat verdachte ervan op de hoogte was dat belastingfraude werd gepleegd, laat staan dat hij daarbij betrokken is geweest.

2.4.4. Verdachte heeft verklaard dat het safeloket bij de [Bank] van zijn vrouw was en dat hij daarvoor niet gemachtigd was. Verder heeft hij verklaard dat het geld en de sieraden in het safeloket niet van hem waren en dat hij nooit bij dat safeloket is geweest. Uit het dossier blijkt dat het safeloket is gehuurd door de vrouw van verdachte. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt niet dat verdachte toegang tot dit safeloket had. Bovendien blijkt noch uit de administratiekaart van het safeloket, noch uit enig ander bewijsmiddel dat verdachte ooit bij dit safeloket is geweest. De vrouw van verdachte heeft verklaard dat het geld in het safeloket van haar is en dat zij dit geld heeft gespaard van geld dat zij gedurende meerdere jaren heeft opgenomen van haar bankrekening. Uit het dossier blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar de opnames van de bankrekening van de vrouw van verdachte.

2.4.5. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het geld en de sieraden in het safeloket heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet.

2.4.6. Verdachte heeft verklaard dat de verrijdbare kluis in de woning van zijn vrouw was, dat hij geen sleutel van die kluis had en dat zijn vrouw hem heeft verteld dat in die kluis geld zat dat afkomstig was van de omzet van beide restaurants. De vrouw van verdachte heeft verklaard dat de sieraden in de verrijdbare kluis van haar zijn en dat het geld in die kluis kasgeld van de restaurants betreft. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de beschikking had over een sleutel van de verrijdbare kluis, zodat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij, al dan niet tezamen met zijn vrouw, de beschikking over de inhoud van de verrijdbare kluis heeft gehad.

2.4.7. De rechtbank is van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld en de sieraden in de kluis afkomstig waren uit belastingfraude of enig ander misdrijf. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de echtgenote van verdachte weliswaar heeft verklaard dat het geld in de kluis kasgeld van de restaurants betrof, maar dat, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat er belastingfraude werd gepleegd

Afsluitende overwegingen

2.5.1. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair, 3. primair, 3. subsidiair en 4. ten laste gelegde.

2.5.2. Nu de rechtbank verdachte op grond van het voorgaande zal vrijspreken van alle ten laste gelegde feiten, gaat zij in deze uitspraak niet in op de door de verdediging gevoerde verweren gericht op het uitsluiten van bepaalde verklaringen en documenten van het bewijs.

3 In beslag genomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

3.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen sieraden verbeurd worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

3.2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen sieraden moeten worden teruggegeven aan verdachte. Daartoe is primair aangevoerd dat deze sieraden geen criminele herkomst hebben. Subsidiair is aangevoerd dat, ook indien bewezen wordt geacht dat belastingfraude is gepleegd en de sieraden zijn gekocht met afgeroomd geld, de sieraden niet voor het grootste deel afkomstig zijn uit dat gronddelict en het daarom ook in dat geval niet voor de hand ligt deze sieraden verbeurd te verklaren. Voorts is aangevoerd dat de sieraden veel persoonlijke waarde hebben.

Oordeel van de rechtbank

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen sieraden, vermeld op de beslaglijst, moeten worden teruggegeven aan verdachtes echtgenote [medeverdachte 2] , nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten en dat ook verdachtes echtgenote is vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde witwassen van de in het safeloket en de verrijdbare kluis aangetroffen sieraden. Voorts overweegt zij daartoe dat verdachte en zijn echtgenote hebben verklaard dat de sieraden toebehoren aan de echtgenote van verdachte.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair, 3. primair, 3. subsidiair en 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [medeverdachte 2] van de nog niet teruggegeven sieraden, vermeld op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2019.

Mr. Sikkema en mr. Van Capelle zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.