De rechtbank acht geen strijd met de gedragscode aanwezig. Zij licht dit als volgt toe.
In de periode augustus 2007 (datum ongeval) tot mei 2013 (start feitenonderzoek door NN) is [X] consequent geweest in haar opgave: ten gevolge van het ongeval kon zij beroepsmatig, bij de verzorging van de kinderen en sociaal slechts minimaal functioneren. Zij was, zo heeft zij aan NN en aan de diverse deskundigen meegedeeld, weliswaar in de loop der tijd beter in staat om met haar beperkingen om te gaan, maar activiteiten bleven problematisch en waren zeer beperkt van aard.
Het stond NN alleszins vrij om, bij het rijzen van twijfel over het waarheidsgehalte van deze opgaven, een feitenonderzoek in te stellen. Zij mocht daartoe haar interne gegevens raadplegen. Toen deze gegevens het wantrouwen voedden, mocht NN het feitenonderzoek uitbreiden tot internet. Dat NN daarbij ook Facebook raadpleegde, kan [X] haar niet tegenwerpen: gegevens en foto’s op dat medium werden immers door [X] welbewust aan de openbaarheid prijsgegeven.
Uit het nadere onderzoek kwam naar voren dat [X] een actief sociaal leven leidt, paard rijdt, deelneemt aan dressuurwedstrijden en aan scholingsactiviteiten ten behoeve van haar professionele werkzaamheid als dierenarts. Dit alles kon redelijkerwijs de indruk wekken dat de activiteiten van [X] niet zo beperkt waren als zij zelf suggereerde. NN heeft daarmee de situatie kunnen kwalificeren als die de gedragscode in art. 1 beschrijft, te weten dat “gerede twijfel is ontstaan over de juistheid of volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek, zodanig dat bij de verzekeraar een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan”. De gedragscode opende hiermee de mogelijkheid van het instellen van een persoonlijk onderzoek.
Dat onderzoek is aldus uitgevoerd dat [X] op en vanaf de openbare weg op een groot aantal momenten is geobserveerd (waarbij ook foto- en filmopnames zijn gemaakt), terwijl ook observatie (met vastlegging van beeldmateriaal) heeft plaatsgevonden tijdens een openbare demonstratiedag van het bedrijf van [X] en haar partner.
Dat onderzoek is niet in strijd geweest met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Aan de in art. 2 van de gedragscode geformuleerde eis van proportionaliteit werd voldaan nu er weliswaar een indringend, de persoonlijke levenssfeer schendend onderzoek heeft plaatsgevonden, maar daar tegenover stond (ook gezien de relatief jonge leeftijd van [X]) het zeer aanzienlijke financiële belang van NN.
Aan de in art. 3 van de gedragscode geformuleerde eis van proportionaliteit werd voldaan waar er voor NN geen alternatieve, minder ingrijpende middelen waren om te verifiëren of de opgave van [X] waarheidsgetrouw was. Bij gebreke van een zichtbare fysieke aandoening, moeten medische deskundigen in dit geval immers afgaan op de eigen opgave van [X] dat zij gehandicapt is; aanvullend medisch onderzoek (daargelaten de bereidheid van [X] om hieraan mee te werken) kan slechts een marginale bijdrage aan de waarheidsvinding leveren. Het waarnemen van de activiteiten van [X] terwijl zij zich onbespied waande, was het enige adequate middel om vast te stellen of die activiteiten feitelijk strookten met de eigen opgave van [X].
Slotsom is dat de in het rekest onder 1 verzochte verklaring voor recht dat onrechtmatig onderzoek is uitgevoerd en dat het daaruit verkregen onrechtmatig bewijs niet mag worden meegewogen, niet kan worden uitgesproken door de rechtbank.