Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2018:8810

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
15/104014-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van een voormalig ambtenaar van de gemeente Purmerend en een projectontwikkelaar van de verdenkingen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan passieve respectievelijk actieve omkoping.

Volgens de rechtbank is niet bewezen dat de projectontwikkelaar de ambtenaar giften heeft gegeven, althans – voor zover op onderdelen wel sprake is geweest van giften – dat deze giften zijn gedaan of aangenomen om de ambtenaar om te kopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.104014.17 (P)

Uitspraakdatum: 11 oktober 2018

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 13, 14, 17, 18 en 28 september 2018 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. M.C. Hollander en mr. J.G. Hendriks en van hetgeen verdachte en zijn raadsman,

mr. N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

[Passieve omkoping door [medeverdachte] / [bv medeverdachte] B.V.]

hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2003 tot en met 31 januari 2014 te Purmerend en/of te Broek in Waterland en/of te Wijdenes en/of elders in Nederland, als ambtenaar van de gemeente Purmerend (Bedrijfscontactfunctionaris bij de directie Financiën en Economische Zaken, afdeling Economische Zaken, van de gemeente Purmerend en/of (vanaf 01 oktober 2007) Beleidsmedewerker A, team Economie, op de afdeling Ruimtelijke

Ontwikkeling van de gemeente Purmerend),

één of meer gift(en) en/of één of meer belofte(n) en/of één of meer dienst(en) van [medeverdachte] en/of [bv2 medeverdachte] B.V. en/of [bv medeverdachte] B.V., te weten:

• [ZD 8 Bouw [zd8 woning] ]

het bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of regelen dat en/of stimuleren dat en/of het

uitoefenen van druk en/of invloed opdat hij, verdachte, minder dan gebruikelijk en/of gangbaar en/of niet gefactureerd zou krijgen en/of zou hoeven betalen voor (een) dienst(en)

en/of werk(zaamheden), geleverd door [architect] B.V. en/of [bv3] B.V. en/of [vof] V.O.F. ten behoeve van (de bouw van) de woning van hem, verdachte, aan de [zd8 woning] , en/of

het verrichten van aannemers- en/of projectontwikkelaars-werkzaamheden ten behoeve van (de bouw van) de woning van hem, verdachte, aan de [zd8 woning] , en/of

• [ZD 6 [bedrijfsunit] ]

(de mogelijkheid en/of gelegenheid tot) de aanschaf van een bedrijfsunit ( [bedrijfsunit] ) met gegarandeerde huurinkomsten voor een aantal jaren en/of onder een gangbare marktprijs voor deze bedrijfsunit op het moment van de aanschaf en/of zonder dat deze bedrijfsunit (eerst) op de markt was aangeboden en/of zonder dat (een) ander(en) de mogelijkheid en/of gelegenheid heeft/hebben gekregen om op deze bedrijfsunit te bieden en/of deze bedrijfsunit (voor een hogere prijs dan hij, verdachte, heeft betaald) aan te

schaffen,

heeft aangenomen, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden

ten gevolge van of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als ambtenaar van de gemeente Purmerend is gedaan of nagelaten (lid 1 sub 2),

en/of

teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening als ambtenaar van de gemeente Purmerend iets te doen of na te laten (lid 1 sub 1),

te weten:

• [ZD 1 [bedrijfsverplaatsing] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of in strijd met (ruimtelijke ordenings)belangen van de gemeente Purmerend en/of ten behoeve van financiële belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) bevorderen dat en/of bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of regelen dat en/of stimuleren dat en/of niet voorkomen dat en/of het uitoefenen van druk en/of invloed opdat de gemeente Purmerend (in verband met een voorgenomen en/of

overeengekomen bedrijfsverplaatsing van [pand bedrijfsverplaatsing] ) een kavel aan de [adres kavel] zou verkopen aan [koper kavel] (terwijl hij, verdachte, wist en/of had vernomen, althans vermoedde, dat [koper kavel] de financiering van de bouw van een bedrijfspand op die kavel (mogelijk) niet zou kunnen rondkrijgen en/of van plan was die kavel (direct) door te verkopen aan [bv medeverdachte] B.V.) en/of

• [ZD 2 Kringloopcentrum [naam kringloopcentrum] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of in strijd met (financiële) belangen van de gemeente Purmerend en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere

projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen dan [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] en/of ten behoeve van financiële belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) binnen de gemeente Purmerend bevorderen dat en/of bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of regelen dat en/of stimuleren dat en/of het uitoefenen van druk en/of

invloed opdat de gemeente Purmerend een kavel aan de [adres kavel] aan

Kringloopbedrijf [naam kringloopcentrum] zou aanbieden voor de realisatie van een (nieuw) kringloopcentrum

en/of

• [ZD 2 Kringloopcentrum [naam kringloopcentrum] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of in strijd met (financiële) belangen van de gemeente Purmerend en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere

projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen dan [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] en/of ten behoeve van financiële belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) bevorderen dat en/of bewerkstelligen dat en/of arrangeren dat en/of regelen dat en/of stimuleren dat en/of het uitoefenen van druk en/of invloed opdat Kringloopbedrijf [naam kringloopcentrum] [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] als projectontwikkelaar zou kiezen en/of inhuren en/of inschakelen voor de realisatie van een (nieuw) kringloopcentrum op voornoemd kavel aan de [adres kavel]

en/of

• [ZD 2 Kringloopcentrum [naam kringloopcentrum] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) binnen de gemeente Purmerend beïnvloeden

van de grondprijs van voornoemd kavel en/of de voortgang en/of de behandeling en/of de afhandeling van de (ver)koopovereenkomst van voornoemd kavel en/of de bouwaanvraag voor voornoemd kringloopcentrum en/of de beoordeling door de welstandscommissie van

het ontwerp van voornoemd kringloopcentrum,

en/of

• [ZD 3 Praktijkgebouw [naam praktijkgebouw] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) via een memo, gericht aan [medewerker] (medewerker Gemeentewerken, Bouwzaken, Ruimtelijke Ordening en Milieu van de

gemeente), uitbrengen van een advies, inhoudende dat de door [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] gevraagde en/of voorgestelde maat van 1.250 m2 voor de bouw van een Huisartsen Onder Een Dak-faciliteit (verder te noemen: [naam praktijkgebouw] ) aan de [adres praktijkgebouw] nodig zou zijn

en/of

• [ZD 3 Praktijkgebouw [naam praktijkgebouw] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) via een bestuursadvies, gericht aan het college van Burgemeester en Wethouders, uitbrengen van een advies, inhoudende dat vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan ten behoeve van de door [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] te bouwen [naam praktijkgebouw] aan de [adres praktijkgebouw] verleend zou moeten worden en/of nodig zou zijn

en/of

• [ZD 4 [naam zd4] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen dan [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) introduceren en/of voordragen en/of naar voren brengen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] in het ‘Sluisoverleg’ van de gemeente Purmerend als kandidaat-projectontwikkelaar voor de bouw en/of realisatie van

(starters)appartementen op de kavel [adres kavel2]

en/of

• [ZD 4 [naam zd4] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of met aan (concurrentie)belangen van andere projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen dan [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) (op naam van [getuige] ) opstellen van een ‘quickscan’, inhoudende een advies aan voornoemd ‘Sluisoverleg’ om niet mee te werken aan een verzoek van [getuige] aan de gemeente Purmerend om op voornoemd kavel [adres kavel2] een zorghotel te bouwen en/of te realiseren

en/of

• [ZD 4 [naam zd4] ]

het (op andere dan zakelijke gronden en/of met voorbijgaan aan (concurrentie)belangen van andere projectontwikkelaars en/of bouwondernemingen dan [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] en/of ten behoeve van (financiële) belangen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] ) introduceren en/of voordragen en/of naar voren brengen van [bv medeverdachte] B.V. en/of [medeverdachte] bij [naam projectleider ro] (Projectleider Ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Purmerend) als kandidaat-projectontwikkelaar voor de bouw en/of realisatie van (starters)appartementen op (een) andere plek(ken) in de Nijlstaat te Purmerend.

2 Voorvragen

2.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft – door zich aan te sluiten bij het betoog van de raadsman van medeverdachte [medeverdachte] – aangevoerd dat het voor de verdediging niet duidelijk is wat in de tenlastelegging, ZD 8, onder “het verrichten van aannemers- en/of projectontwikkelaars-werkzaamheden ten behoeve van (de bouw van) de woning [zd8 woning] ” moet worden verstaan. De raadsman acht dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende concreet en niet begrijpelijk, waardoor het voor de verdediging niet duidelijk is waartegen zij zich in dit verband moet verdedigen. De raadsman heeft bepleit de dagvaarding met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging partieel nietig te verklaren.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende.

Bedoeld onderdeel is bij wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 13 september 2018 aan de tenlastelegging toegevoegd. Op verzoek van de raadsman heeft de rechtbank zich op deze zitting uitgelaten over hoe de rechtbank de toegevoegde passage in de gewijzigde tenlastelegging begrijpt. De rechtbank heeft toen het volgende overwogen:

“De toegelaten wijziging van de tenlastelegging leest de rechtbank aldus, dat het gaat om gedragingen, werkzaamheden van medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de bouw van [zd8 woning] die de strekking hadden te bewerkstelligen, arrangeren, te regelen, te stimuleren en/of het uitoefenen van druk en/of invloed op de betrokkenen [architect] B.V. en/of [bv3] B.V. en/of [vof] V.O.F., waardoor een lagere facturering aan verdachte van deze bedrijven zou worden gerealiseerd.”

Gelet op deze uitleg van de rechtbank, moet het de verdediging duidelijk zijn waartegen zij zich dient te verdedigen. De tenlastelegging is naar het oordeel van de rechtbank ook op dit onderdeel voldoende concreet en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook overigens geldig is.

2.2.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.3.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Naar aanleiding van een preliminair verweer van de raadsman heeft de rechtbank ter terechtzitting van 13 september 2018 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van artikel 362 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wegens verjaring. Deze beslissing zal, zo nodig, in het proces-verbaal van die terechtzitting worden vastgelegd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie voor het overige ontvankelijk is in de vervolging.

2.4.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van ZD 6 hebben de officieren van justitie evenwel vrijspraak gevorderd van de beschuldiging dat medeverdachte [medeverdachte] de bedrijfsunit onder een gangbare marktprijs aan verdachte zou hebben aangeboden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde, op de gronden vermeld in de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich in de periode van 22 oktober 2003 tot en met 31 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan passieve omkoping door als gemeenteambtenaar één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) van medeverdachte [medeverdachte] (dan wel zijn bedrijven), een projectontwikkelaar, aan te nemen; de zogenoemde omkopingsmiddelen.

Deze omkopingsmiddelen zijn in de tenlastelegging weergegeven in de zaakdossiers 8 (de bouw van [zd8 woning] ) en zaakdossier 6 (de aankoop van [bedrijfsunit] ).

De rechtbank ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of in deze dossiers sprake is geweest van giften.

Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad wordt onder gift verstaan: “elke overdracht van iets dat waarde heeft voor de verkrijger” (HR 25 april 1916, NJ 1916, blz. 551). Die waardeoverdracht behoeft niet stoffelijk voordeel te betreffen, zoals geld of (andere) goederen. Het voordeel kan ook immaterieel van aard zijn, zoals het bezorgen van een decoratie of het ontvangen van seksuele gunsten (HR 31 mei 1994, NJ 1994, 673).

Met betrekking tot zaakdossier 8, de bouw van [zd8 woning] , komt uit het dossier naar voren dat bij deze bouw van de woning van verdachte, eind 2005 – 2006, gebruik is gemaakt van de diensten van onder meer de volgende bedrijven: [architect] B.V., [bv3] B.V. en [vof] V.O.F.

Volgens het Openbaar Ministerie bestaat de gift er in dit zaakdossier uit dat [medeverdachte] – op de manier zoals die in de gewijzigde tenlastelegging is beschreven – ervoor heeft gezorgd dat deze bedrijven verdachte voor een deel van hun werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de woning niet hebben gefactureerd en/of verdachte überhaupt minder hebben gefactureerd dan gebruikelijk, gangbaar, was.

De rechtbank is van oordeel dat dit ten aanzien van zowel [bv3] B.V. en [vof] V.O.F. echter niet is komen vast te staan, zodat in zoverre geen sprake is geweest van een gift in de hiervoor bedoelde zin.

Wat betreft [bv3] B.V. heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaringen die de getuige [getuige] , een van de eigenaren van dit bedrijf, in november 2015 bij de Rijksrecherche en in juli 2018 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Hoewel [getuige] bij de Rijksrecherche heeft verklaard dat hij – bij gebrek aan herinnering, zo’n 10 jaar na dato – niet kan uitsluiten dat hij verdachte mogelijk een gunstige, lage, prijs heeft berekend, heeft hij ook verklaard dat de door hem uitgebrachte facturen marktconform zijn en een logische prijs betreffen voor de door zijn bedrijf verrichte werkzaamheden. Het dossier bevat geen bewijs dat dit tegenspreekt. Dat op een van de facturen, die van 9 mei 2006, is vermeld “vlgs. afspraak met [medeverdachte] ” leidt niet tot een ander oordeel, nu niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat deze afspraak op de prijs betrekking heeft gehad. Voorts overweegt de rechtbank dat in de ontnemingsrapportage opgemaakt tegen verdachte op pagina 22 is vermeld: “Met betrekking tot de werkzaamheden, verricht en gefactureerd door [bv3] BV, zijn geen nadere aanwijzingen bevonden omtrent een verleende korting voor de werkzaamheden aan de woning van [verdachte] . Derhalve kan niet worden geschat of er sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van een besparing van kosten.”

Wat betreft [vof] V.O.F. heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaringen die de getuige [getuige] , eigenaar van dit bedrijf, in november 2015 bij de Rijksrecherche en in juli 2018 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. [getuige] heeft bij de rechter-commissaris stellig ontkend dat de (eventuele) aanwezigheid/betrokkenheid van verdachte van invloed is geweest op de facturering aan verdachte. Volgens [getuige] zijn de facturen marktconform en heeft hij geen lager bedrag in rekening gebracht dan hij aan een willekeurige derde zou factureren voor dezelfde werkzaamheden. Het dossier bevat geen bewijs dat dit tegenspreekt. Dat bij de doorzoeking bij [medeverdachte] op 3 november 2015 een enveloppe is aangetroffen met daarin onder meer een offerte van het timmerbedrijf d.d. 28 december 2006, gericht aan verdachte, voor een hoger bedrag dan uiteindelijk is gefactureerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de verklaringen van [getuige] , verdachte en [medeverdachte] blijkt immers dat verdachte deze offerte te hoog vond en dat daarna is besloten om het timmerbedrijf minder, althans andere, werkzaamheden te laten verrichten, met goedkoper materiaal, en dat verdachte zelf ook zou gaan meewerken, hetgeen tot een lagere facturering heeft geleid. Voorts overweegt de rechtbank ook hier dat in de ontnemingsrapportage tegen verdachte is vermeld (pagina 23) dat niet blijkt dat door [vof] V.O.F. een korting is verstrekt.

Met betrekking tot [architect] B.V. overweegt de rechtbank het volgende. De getuige [getuige] heeft consistent – ten overstaan van [advocaten] , die in opdracht van de gemeente Purmerend een onderzoek naar de integriteit van verdachte hebben uitgevoerd, in maart 2014, de Rijksrecherche in juni en juli 2016 en de rechter-commissaris in juli 2018 – verklaard dat alle door hem uitgebrachte offertes marktconform zijn geweest, evenals de aan verdachte gerekende prijs. Voorts heeft [architect] bij de rechter-commissaris benadrukt dat hij verdachte niet heeft gematst vanwege zijn relatie met [medeverdachte] . Hier staat echter tegenover dat op grond van de inhoud van het dossier moet worden vastgesteld dat [architect] verdachte niet heeft gefactureerd voor de werkzaamheden “bestek” en “voeren van directie”, terwijl deze werkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank wel door [architect] zijn verricht en het gebruikelijk, gangbaar, is dat deze in rekening worden gebracht. Voorts is bij de doorzoeking bij [medeverdachte] een door [architect] handgeschreven document aangetroffen, waarin een bedrag van € 27.390 is vermeld – kennelijk berekend aan de hand van een indertijd bestaande “honorariumformule” – en ook: “7000 opgeven aan [verdachte] ” (de rechtbank begrijpt dat hiermee verdachte is bedoeld). Het in dit document geschreven woord “bestek” is doorgekruist. Bij brief van 19 februari 2006 heeft [architect] aan verdachte zijn honorariumvoorstel gestuurd. De begeleidende brief houdt in: “Hierbij stuur ik u een honorarium overzicht van de afspraak zoals ik die met [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt dat hiermee [medeverdachte] is bedoeld) heb gemaakt.” Het honorariumvoorstel is exact het bedrag van € 7.000 (exclusief BTW). Achter de in dit voorstel vermelde posten “bestek” en “voeren van directie” zijn geen bedragen opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dit alles op een gift.

Voor een bewezenverklaring is echter vereist dat verdachte de gift heeft aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat de gift is gedaan, hetzij naar aanleiding van wat verdachte (in het verleden) in strijd met zijn plicht als ambtenaar zou hebben gedaan en/of nagelaten, hetzij teneinde verdachte te bewegen (in de toekomst) in strijd met zijn plicht als ambtenaar iets te doen en/of na te laten. Dit laatste kan zijn een concrete tegenprestatie, maar ook het doen ontstaan en/of onderhouden van een relatie met verdachte met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641).

Wetende impliceert (voorwaardelijk) opzet. Redelijkerwijs vermoedende impliceert schuld, een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid (culpa).

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit opzet respectievelijk deze mate van schuld heeft gehad.

Dat de vermeende gift zou zijn gedaan als reactie op een doen en/of nalaten van verdachte in de zaakdossiers 1 ( [bedrijfsverplaatsing] ), 2 ( [naam kringloopcentrum] ) en/of 3 ( [naam praktijkgebouw] ) is niet gebleken. Dat deze zou zijn gedaan om in de toekomst een voorkeursbehandeling te verkrijgen evenmin. Daarbij merkt de rechtbank op dat het enige in de tenlastelegging vermelde project van ná deze gift, het project “ [naam zd4] ” (zaakdossier 4) is, dat eerst in 2012 – 6 jaar later – is gestart.

De rechtbank volgt de officieren van justitie dan ook niet in hun vergelijking van de onderhavige zaak met zaken uit de door hen aangehaalde jurisprudentie, zoals de zaak van de Roermondse wethouder. Naar het oordeel van de rechtbank is deze zaak daarmee niet vergelijkbaar.

Met betrekking tot zaakdossier 6, de aankoop van [bedrijfsunit] , overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens de tenlastelegging bestaat de gift er in dit zaakdossier uit dat [medeverdachte] een bedrijfsunit met gegarandeerde huurinkomsten voor een aantal jaren onder een gangbare marktprijs aan verdachte heeft verkocht en/of (kort samengevat) deze unit exclusief aan verdachte heeft aangeboden.

De rechtbank is met de raadsman en de officieren van justitie van oordeel dat niet is bewezen dat de bedrijfsunit onder een gangbare marktprijs is verkocht. Bij de stukken bevindt zich een brief van makelaar/taxateur [taxateur] d.d. 19 september 2008 waarin de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de [bedrijfsunit] is bepaald op € 80.000,- (exclusief BTW), zijnde het bedrag dat verdachte eind 2008 voor de unit heeft betaald. [taxateur] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij al 25 jaar beëdigd taxateur is, dat hij in 2008 de bedrijfsunit voor [medeverdachte] heeft getaxeerd en dat hij nog steeds achter de getaxeerde waarde van € 80.000,- staat. “ [medeverdachte] heeft geen invloed gehad op de hoogte van de taxatie. Ik taxeer naar eer en geweten”, aldus [taxateur] . De rechtbank ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de [bedrijfsunit] voor een gangbare marktprijs aan verdachte is verkocht.

Dit betekent echter niet dat niet toch sprake kan zijn geweest van een gift in de zin van artikel 363 (oud) Sr. De rechtbank brengt in herinnering dat het begrip “gift” ruim moet worden geïnterpreteerd, mede gelet op het door artikel 363 (oud) Sr te beschermen rechtsbelang.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzittingen is vast komen te staan dat verdachte en zijn echtgenote al enige tijd op zoek waren naar een geschikt beleggingsobject toen eind 2008 de bedrijfsunit van [medeverdachte] werd gekocht. Deze unit werd door [medeverdachte] exclusief aan verdachte aangeboden. [medeverdachte] heeft de unit niet te koop gezet en niet aan anderen aangeboden. Voorts ging het, zoals vermeld, om een unit in verhuurde staat, met gegarandeerde huurinkomsten voor een aantal jaren, een beleggingsobject waarin verdachte en zijn echtgenote met name waren geïnteresseerd. Aldus zou de exclusieve verkoop van deze unit aan verdachte toch als een gift kunnen worden gezien, zonder daar meteen een negatieve betekenis aan toe te kennen.

Ook hier geldt echter dat voor een bewezenverklaring is vereist dat deze vermeende gift met een bepaald opzet respectievelijk met een bepaalde mate van schuld is aangenomen, zoals hiervoor is weergegeven. De rechtbank acht ook ten aanzien van dit zaakdossier niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit opzet of deze schuld heeft gehad.

De rechtbank hecht daarbij betekenis toe aan de tijd waarin de bedrijfsunit aan verdachte is verkocht, te weten eind 2008, hetgeen jaren ná de projecten “ [bedrijfsverplaatsing] ”, “ [naam kringloopcentrum] ” en “ [naam praktijkgebouw] ” is en jaren vóór het project “ [naam zd4] ”.

Hetgeen de officieren van justitie in hun requisitoir naar voren hebben gebracht omtrent door hen zogenoemd verhullingsgedrag van de zijde van verdachte – de nieuwe verhuurder werd niet verdachte, maar zijn echtgenote, te weten [echtgenote] , en de tenaamstelling van het rekeningnummer waarop de huurpenningen werden ontvangen, werd gewijzigd in alleen de naam van [echtgenote] – overtuigt niet en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank wijst er in dit verband op dat verdachte, en niet [echtgenote] , de bedrijfsunit heeft gekocht, dat zijn naam in de transportakte is vermeld en dat hij, na verloop van tijd, een e-mail aan de huurder heeft gestuurd, met daarin zijn eigen naam en adres.

Concluderend overweegt de rechtbank dat in de zaakdossiers 6 en 8 geen sprake is geweest van giften, althans geen sprake is geweest van strafbare giften, zoals hiervoor uiteengezet. Dit dient tot vrijspraak te leiden. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een beoordeling van de verschillende projecten.

5 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.J. van Andel, voorzitter,

mr. H.P. van der Lelie en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2018.