RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 6666117 \ AO VERZ 18-17 (NE)
Uitspraakdatum: 8 mei 2018
Beschikking in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. A. Lof
[toevoeging verleend onder nummer 4MV5123]
de besloten vennootschap Van der Valk Hotel Hoorn B.V.,
gevestigd te Hoorn
verwerende partij
verder te noemen: Van der Valk
vertegenwoordigd door C. Naber, algemeen directeur, en B. Brandsen, personeelsfunctionaris
2 De feiten
2.1.
[verzoeker] is op 1 september 2017 in dienst getreden bij Van der Valk. De functie die [verzoeker] vervulde is die van medewerker bediening met een salaris van € 9,62 bruto per uur. [verzoeker] heeft in oktober, november en december 2017 gemiddeld 30,98 uur per week gewerkt.
2.2.
De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en eindigt van rechtswege op 30 april 2018.
2.3.
[verzoeker] heeft bij indiensttreding het ‘Huishoudelijk reglement 2017’ van Van der Valk ontvangen. In dat reglement staat onder de kop ‘Contact met gasten’ onder meer:
“
Representatie:
Het is niet toegestaan om gratis consumpties weg te geven of korting te geven op de rekening aan gasten zonder toestemming van de direct leidinggevende. Overtreding van deze regel leidt tot het treffen van arbeidsrechtelijke maatregelen, waaronder de mogelijkheid van een ontslag op staande voet.”
2.4.
Verder staat onder hoofdstuk 3 van het Huishoudelijk reglement 2017 onder andere:
“
Diefstal en fraude:
Het is niet toegestaan goederen van welke aard dan ook mee te nemen uit het hotel. Let op: ook overgebleven drank of eten valt onder deze regel. Het zonder toestemming meenemen van goederen uit het hotel geldt voor ons als diefstal. Bij diefstal en/of fraude doen wij altijd aangifte bij de politie. Diefstal en/of fraude is bovendien reden voor ontslag op staande voet. Bij vermoeden van diefstal/ fraude hebben wij het recht (verborgen) camera’s en/of andere opsporingsmiddelen in te zetten. Wij verhalen de schade die door de diefstal of fraude is ontstaan, op de betrokken perso(o)n(en).”.
2.5.
Op 6 januari 2018 heeft bij Van der Valk op de eerste verdieping van het Van der Valk-hotel in Hoorn, op de zogenoemde ‘Banqueting afdeling’, een besloten feest plaatsgevonden van een collega van [verzoeker] . Dit feest had een ‘open bar’, wat inhoudt dat voor een vast bedrag per gast dranken worden geschonken. [verzoeker] heeft op diezelfde dag en ook tijdens genoemd feest op de tweede verdieping van het hotel in de ‘Campagnie bar’ gewerkt. Op deze tweede verdieping bevindt zich ook een rokersruimte, waarvan gasten van het besloten feest op de eerste verdieping gebruik maakten.
2.6.
Twee gasten van het besloten feest, waaronder een collega van [verzoeker] , hebben aan [verzoeker] gevraagd of hij een buitenlands gedestilleerde drank voor hen wilde schenken. Aanvankelijk weigerde [verzoeker] dit, maar na aandringen heeft hij toch voldaan aan het verzoek.
2.7.
Op 8 januari 2018 is [verzoeker] aan het begin van zijn dienst bij de directie van Van der Valk geroepen. Aan [verzoeker] werd meegedeeld dat op videobeelden was te zien dat hij op 6 januari 2018 aan gasten van eerdergenoemd besloten feest drank had geschonken, te weten buitenlands gedestilleerde drank, waarvoor niet is betaald. [verzoeker] heeft aan Van der Valk laten weten dat hij in de veronderstelling was dat ook buitenlands gedestilleerde drank onder het arrangement van het besloten feest viel. Van der Valk heeft vervolgens aan [verzoeker] meegedeeld dat zij het voorval intern zou bespreken.
2.8.
[verzoeker] is aan het eind van zijn dienst op 8 januari 2018 door Van der Valk op staande voet ontslagen.
2.9.
In een brief van 23 januari 2018 heeft Van der Valk aan de gemachtigde van [verzoeker] bevestigd dat het gratis weggeven van buitenlands gedestilleerde drank gelijk staat aan diefstal en dat [verzoeker] zich daaraan schuldig heeft gemaakt.
4 Het verweer
4.1.
Van der Valk verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – dat [verzoeker] terecht op staande voet is ontslagen. Volgens Van der Valk was het besloten feest op de eerste verdieping op 6 januari 2018 een feest met een ‘open bar’ met gratis bier, wijn en frisdranken voor de gasten, waarbij daarnaast alleen gratis binnenlands gedestilleerde dranken mochten worden geschonken, niet buitenlands gedestilleerde dranken. Buitenlands gedestilleerde dranken vallen, met uitzondering van Bacardi, nimmer onder een arrangement, en worden altijd op basis van nacalculatie in rekening gebracht, aldus Van der Valk. Van der Valk stelt dat dit bekend was bij [verzoeker] , omdat dit ook de gang van zaken was bij voorgaande feesten, waar [verzoeker] ook werkzaam is geweest. Ook was [verzoeker] op de hoogte van het Huishoudelijk reglement 2017, van de regels die gelden op de ‘Banqueting afdeling’, waar [verzoeker] ook regelmatig werkte, en is [verzoeker] ook voorafgaand aan het betreffende feest geïnformeerd over het geldende arrangement, aldus Van der Valk.
4.2.
Van der Valk meent dat [verzoeker] aanvankelijk heeft geweigerd de buitenlands gedestilleerde drankjes te schenken aan de twee gasten, omdat hij wist dat het niet was toegestaan om die drankjes weg te geven. Van der Valk stelt dat [verzoeker] in een gesprek met de directie op 8 januari 2018 ook heeft toegegeven dat hij onjuist heeft gehandeld en dat [verzoeker] geen enkele aanleiding had te veronderstellen dat de door hem weggegeven drankjes onder het arrangement van een besloten feest op een andere verdieping en een andere bar vielen. [verzoeker] heeft gratis drank weggegeven en dit staat in de visie van Van der Valk gelijk aan diefstal, wat een ontslag op staande voet rechtvaardigt.
5 De beoordeling
5.1.
[verzoeker] verzoekt in de eerste plaats vernietiging van het ontslag op staande voet door Van der Valk. [verzoeker] heeft dit verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
5.2.
Ter beantwoording ligt de vraag voor of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Volgens artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de werkgever bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer. Tussen partijen is niet in geschil dat Van der Valk voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat dan ook is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste.
5.3.
Over de vraag of Van der Valk een dringende reden had voor het ontslag op staande voet, wordt het volgende overwogen. Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (zie: HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436; NJ 2000/190; JAR 2000/45 (Prins/Hema)).
5.4.
De kantonrechter stelt vast dat in de ontslagbrief geen ontslaggrond is vermeld. Wel is de reden van het ontslag in het gesprek op 8 januari 2018 aan [verzoeker] meegedeeld, namelijk het gratis weggeven van twee drankjes. Dit wordt door Van der Valk met een beroep op het Huishoudelijk reglement 2017 gekwalificeerd als diefstal. [verzoeker] erkent dat hij twee gratis drankjes heeft weggegeven aan twee gasten van het besloten feest. Hij stelt zich echter op het standpunt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat op het feest ook buitenlands gedestilleerde drank werd geschonken en dat het daarom geen kwaad kon aan het verzoek van de gasten te voldoen.
5.5.
Een ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel met verstekkende gevolgen die slechts dan mag worden genomen wanneer de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer kan worden verlangd van de werkgever. De kantonrechter is van oordeel dat de door Van der Valk gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om de gedraging van [verzoeker] als een dringende reden voor ontslag op staande voet aan te merken. De gedraging die [verzoeker] wordt verweten is dat hij twee buitenlands gedestilleerde drankjes heeft weggegeven. Voor zover zou komen vast te staan dat [verzoeker] wist of had behoren te weten dat het weggeven van twee buitenlands gedestilleerde drankjes niet was toegestaan, omdat het enerzijds niet onder het arrangement van het betreffende feest viel en anderzijds het arrangement alleen gold voor de bar op de eerste verdieping, is [verzoeker] daarmee naar het oordeel van de kantonrechter niet zover over de schreef gegaan dat dit een dringende reden oplevert. De kantonrechter neemt bij dit oordeel in aanmerking dat [verzoeker] de twee drankjes heeft geschonken aan gasten van een besloten feest met een zogenoemde ‘open bar’, dat één van de gasten een collega was van [verzoeker] en dat ook het feest zelf door een collega van [verzoeker] was georganiseerd. Ook neemt de kantonrechter bij zijn oordeel in aanmerking dat [verzoeker] steeds naar behoren heeft gefunctioneerd, hij niet eerder in de fout is gegaan en niet eerder een waarschuwing heeft gekregen voor een vergelijkbaar incident. De kantonrechter weegt verder bij zijn oordeel mee dat Van der Valk de gedraging van [verzoeker] ziet en kwalificeert als diefstal, maar dat zowel in juridische zin als in het gewone spraakgebruik en volgens het Huishoudelijk reglement 2017 geen sprake is van diefstal. [verzoeker] heeft immers geen goederen van Van der Valk meegenomen, heeft zich geen goederen van Van der Valk toegeëigend en heeft zichzelf niet op enigerlei wijze willen bevoordelen. Wel is het volgens het Huishoudelijk reglement 2017 ook niet toegestaan om gratis consumpties weg te geven, maar dat is wat anders dan diefstal. Volgens het Huishoudelijk reglement 2017 kan het gratis weggeven van consumpties ook aanleiding zijn voor een ontslag op staande voet, maar de aard en de ernst van de verweten gedraging is daarvoor in dit geval onvoldoende, zoals hiervoor is overwogen. Van der Valk had in de gegeven omstandigheden kunnen en moeten volstaan met een minder ingrijpende maatregel, zoals een officiële waarschuwing, een boete en/of een inhouding op het salaris van [verzoeker] .
5.6.
Omdat niet is gebleken van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
5.7.
Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.
5.8.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort tot 30 april 2018 en heeft [verzoeker] in beginsel recht op loon vanaf 8 januari 2018 tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
5.9.
Van der Valk heeft gesteld dat [verzoeker] inmiddels een andere baan heeft en dat doorbetaling van loon daarom niet gerechtvaardigd is. Desgevraagd heeft [verzoeker] verklaard dat hij sinds 5 maart 2018 een nieuwe baan heeft, waarmee hij hetzelfde loon verdient als bij Van der Valk. De kantonrechter zal de stelling van Van der Valk beschouwen als een verzoek tot matiging van het loon als bedoeld in artikel 7:680a BW.
5.10.
Gelet op artikel 7:680a BW is de rechter bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, doch op niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de opzegtermijn ingevolge artikel 7:672 BW noch op minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden.
5.11.
De kantonrechter ziet aanleiding voor matiging van de loonvordering. Vanaf 5 maart 2018 heeft [verzoeker] immers een andere baan gevonden met eenzelfde salaris als bij Van der Valk. De loonvordering zal met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:680a BW daarom worden gematigd tot drie maanden loon, en daarmee tot 8 april 2018.
5.12.
De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen worden toegewezen, omdat Van der Valk te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%.
5.13.
Het verzoek van [verzoeker] op de zitting om Van der Valk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW, wordt afgewezen. Op zichzelf staat door de vernietiging van het ontslag op staande voet vast dat Van der Valk niet aan de aanzegverplichting heeft voldaan. Er is immers niet tijdig door Van der Valk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst per 30 april 2018 niet zal worden voortgezet of verlengd. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [verzoeker] op schending van de aanzegverplichting in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De aanzegverplichting dient ertoe zeker te stellen dat de werknemer tijdig op de hoogte is van de bedoelingen van de werkgever ten aanzien van het al dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie, zodat daarover geen misverstand kan ontstaan en de werknemer in de gevallen dat dit nodig is tijdig op zoek kan gaan naar ander werk. In dit geval was het voor [verzoeker] echter al op 8 januari 2018 duidelijk dat Van der Valk de arbeidsrelatie niet wilde voortzetten. Van der Valk heeft [verzoeker] immers op die datum op staande voet ontslagen. [verzoeker] heeft daar ook naar gehandeld en is op zoek gegaan naar een andere baan, die hij met ingang van 5 maart 2018 heeft gevonden. Gelet op deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar Van der Valk te veroordelen tot betaling van de door [verzoeker] gevorderde vergoeding.
5.14.
Het verzoek van [verzoeker] hem toe te laten tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, zal worden afgewezen, nu de arbeidsovereenkomst per 30 april 2018 van rechtswege is geëindigd.
5.15.
Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoeker] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.
5.16.
De proceskosten komen voor rekening van Van der Valk, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt.