2 De feiten
2.1.
[eiser] is gerechtigde tot het appartementsrecht van het appartement aan de [adres 1]. [gedaagde] is gerechtigde tot het appartementsrecht van het appartement aan de [adres 2].
2.2.
In het kadastraal bericht object van het appartement aan de [adres 1]
is onder meer het volgende opgenomen:
Kadastraal object
Omschrijving kadastraal object:Appartement (woning berging parkeerplaats) Bouwnr. 4
(…)
Ontstaan op: 28-11-2002
Gerechtigde
1/2 Eigendom
De heer [eiser]
[adres 1]
(..)
Recht ontleend aan: HYP 18680/91 reeks AMSTERDAM d.d. 11-2-2003
(….)
1/2 Eigendom
Mevrouw [eiseres]
[adres 1]
(..)
Recht ontleend aan: HYP 18680/91 reeks AMSTERDAM d.d. 11-2-2003
In het kadastraal bericht object van het appartement aan de [adres 2] te Velserbroek is onder meer het volgende opgenomen:
Kadastraal object
Omschrijving kadastraal object:Appartement [woning berging park]eerplaats) Bouwnr. 6
(…)
Ontstaan op: 28-11-2002
Gerechtigde
1/2 Eigendom
De heer [gedaagde 1]
[adres 2]
(..)
Recht ontleend aan: HYP 18651/185 reeks AMSTERDAM d.d. 23-12-2002
(….)
1/2 Eigendom
Mevrouw [gedaagde 2]
[adres 2]
(..)
Recht ontleend aan: HYP 18651/185 reeks AMSTERDAM d.d. 23-12-2002
2.3.
De appartementen zijn gelegen in het appartementencomplex “[naam]” en
zijn in april 2004 opgeleverd.
2.4.
Artikel 17 lid 5 van het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten januari 1992 (hierna: Splitsingsreglement) behorend bij de splitsingsakte luidt als volgt:
“De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.”
Door de vereniging van eigenaren (hierna: VVE) van het gebouw [naam] aan de [adres] is op 15 april 2004 een huishoudelijk reglement (hierna: Huishoudelijk Reglement) opgesteld. Artikel 6 van dit Huishoudelijk Reglement luidt als volgt:
“Om hinderlijke contactgeluiden te beperken, zoals lopen en schuiven van meubilair, zijn min of meer harde vloerbedekkingen (zoals vilt, kurk, parket, plavuizen en linoleum) verboden, tenzij wordt aangetoond dat de isolatie en contactgeluid van de kale vloer inclusief de vloerbedekking een waarde bereikt van Ico (=10 decibel) minimaal of meer. De vloeren van de sanitaire ruimten zijn uitgezonderd van dit artikel. In geval van een harde vloer in de keuken is de reductie van 10 decibel ook een plicht. De isolatie-eisen zoals deze zijn gesteld voor harde vloeren gelden ook voor de: vaatwasser,de wasmachine en wasdroger.”
2.5.
Het appartement van [gedaagde] ligt boven het appartement van [eiser]. [gedaagde] heeft in zijn appartement een hardstenen vloer laten leggen. [eiser] heeft in zijn appartement een verlaagd plafond aangebracht.
2.6.
Al vanaf het begin van de bewoning bestaat er tussen partijen een verschil van mening over de geluidsisolerende kwaliteit van de vloer van [gedaagde]. De geluidsisolerende kwaliteit van de vloer is onderwerp van geschil geweest van een arbitrageprocedure bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw tussen [gedaagde] en haar aanneemster Bouwbedrijf Mulckhuyse B.V.
2.7.
In het arbitraal vonnis van 2 april 2009 is onder meer als volgt overwogen:
“ 21. (…) In voormeld artikel 17 lid 5 van het Modelreglement behorend bij de
Splitsingsakte is bepaald dat ingeval parket of een stenen vloer wordt aangebracht,
dit op zodanige wijze dient te geschieden dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.
22. Deze bepaling brengt naar het oordeel van arbiter met zich mee dat aanneemster bij de aanleg van de vloerverwarming, waarop een stenen vloerbedekking zou worden aangebracht, met de in genoemd artikel bedoelde aanwijzing rekening had dienen te houden. (…)
24. Voor de geluidwerendheid van de woningscheidende vloer wordt door opdrachtgever de norm van +10 dB aangegeven.
25. Arbiter is van oordeel dat een norm van +10 dB in deze als een redelijke, algemeen aanvaarde
norm kan worden aangemerkt. Onbetwist is gebleven dat genoemde norm algemeen wordt gehanteerd in de Huishoudelijke reglementen van appartementencomplexen. Reeds om die reden dient de geluidwerendheid van de onderhavige vloer, binnen de onderhavige context, naar het oordeel van de arbiter aan de norm van +10 dB voldoen.”
De arbiter heeft de aanneemster van [gedaagde] vervolgens veroordeeld om:
“(…) alle benodigde maatregelen te nemen opdat de vloer van het appartement van opdrachtgever zodanig zal zijn geïsoleerd dat tenminste zal worden voldaan aan een contactgeluidindex van Iso +10dB (…)”
2.8.
De aanneemster van [gedaagde] heeft de vloer in de woning van [gedaagde] hersteld, waarna Woningborg Advies in opdracht van de leverancier van de vloer in de woning van [gedaagde], op 11 november 2009 een geluidsmeting heeft uitgevoerd, waarbij Ico +6 dB (woonkamer 130-woonkamer 126) en +6 dB (woonkamer 130-slaapkamer 126) werd gemeten. Voorts is vermeld dat eerder in het project door LBP metingen in dit pand zijn uitgevoerd, waarbij Ico resp. +7 dB en + 6 dB was. De conclusie op pagina 4 van het rapport van Woningborg Advies van 13 november 2009 luidt als volgt:
“De gemeten indices voor contactgeluid (lco), gemeten op de zwevende vloeren, voldoen aan de eisen in het bouwbesluit, te weten lco ≥ +5 dB, en voldoen niet aan de comfort-eis lco ≥ +10 dB. (…)
Het lijkt op grond van de indices, dat de situatie in het geheel niet is verbeterd. Dat is niet helemaal het geval; het “pijnpunt” van de eerdere situatie lag met name in de 250 Hz band. Dat was het gevolg van de relatief stijve verende laag die was toegepast.
Het verbeteren van de verend opgelegde dekvloer heeft dit probleem wel degelijk opgeheven. Dat is te zien aan de curven in grafiek 2; de “nieuwe”curven liggen ongeveer 15 dB lager als de “oude” curven.
Er lijkt nu echter nog een probleem te bestaan. De nieuwe meetcurven vertonen een piek in de 125 Hz band. Dit wijst in de richting van het optreden van een resonantieverschijnsel. De effecten van de oude zwevende vloeropbouw hebben de neiging de resonantie van het plafond te maskeren. Nu de effecten van de vloer zijn opgelost komt dit naar voren.
De constructie van het plafond is als volgt: gipsplaten 9,5 mm, rachels, 18*50 mm; h.o.h. 300 mm, regels 50*75 mm; h.oh. 600 mm. Een star gekoppelde gipsplaatconstructie op een ongedempte spouw. Een dergelijke constructie heeft een theoretische resonantiefrequentie bij een ongedempte spouw in de buurt van 120 Hz. De constructie van dit plafond moet daarom als meest voor de hand liggende oorzaak worden aangemerkt van het niet realiseren van de beoogde prestatie.”
2.9.
In opdracht van [eiser] heeft Het GeluidBuro B.V. op 11 mei 2012 een akoestisch onderzoek uitgevoerd, naar aanleiding waarvan zij op 7 juni 2012 een rapport heeft uitgebracht. De conclusie ten aanzien van het contactgeluidsisolatie van de woningscheidende constructie luidt als volgt:
“4.2. Contactgeluidisolatie
Uit de resultaten blijkt dat de
isolatie-index voor contactgeluid
voor de gemeten woningscheidende constructie varieert van lco = +6 dB tot lco = +8 dB.
Hiermee wordt in
alle
gevallen voldaan aan de eisen zoals gesteld in het Bouwbesluit (lco ≥ +5 dB).
Er wordt echter niet voldaan aan de eisen zoals gesteld in het huishoudelijk reglement van de Vereniging van Eigenaren (lco ≥ +10 dB).”
Op pagina 11 van het rapport van 7 juni 2012 is onderstaande tabel opgenomen:
Tabel 4.2 | Overzicht hoorbaarheid bij de verschillende isolatiewaarden voor contactgeluid
Soort geluid
|
Zeer slecht
Ico< 0 dB
|
Slecht
0 dB ≤ Ico< 5 dB
|
Matig
5 dB ≤ Ico < 10 dB
|
Goed
10 dB ≤ Ico < 15 dB
|
Zeer goed
Ico ≥ 15 dB
|
Loopgeluiden
|
Veelvuldig hinderlijk
|
Veelal hinderlijk
|
Soms storend
|
In het algemeen niet storend waarneembaar
|
Niet storend waarneembaar
|
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert samengevat -, veroordeling van [gedaagde] tot verwijdering en het verwijderd houden van de hardstenen vloer en de vloerbedekking zodanig aan te passen dat aan de geldende normen voor contactgeluidisolatie van lco +10 dB wordt voldaan, een en ander op straffe van een dwangsom.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem handelt door zich niet te houden aan het bepaalde in artikel 6 van het Huishoudelijk Reglement en/of artikel 17 lid 5 van het Splitsingsreglement. Voorts legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat er sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 6:162 BW.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
[eiser] stelt in de eerste plaats dat [gedaagde] in strijd met het bepaalde in het Huishoudelijk Reglement en/of het Splitsingsreglement en daarmee onrechtmatig jegens hem handelt. [gedaagde] voert daartegen aan dat het Huishoudelijk Reglement en het Splitsingsreglement niet op hem van toepassing zijn waar het gaat om de te gebruiken vloerbedekking. Beide reglementen zijn vastgesteld nadat [gedaagde] opdracht had verstrekt tot het aanleggen van de vloer en nadat de vloer was aangebracht. Nu uit de reglementen niet volgt dat deze met terugwerkende kracht van toepassing zijn verklaard en [gedaagde] de vloer sinds de inwerkingtreding van de reglementen niet heeft gewijzigd handelt hij niet in strijd met deze reglementen. Van een overtreding van de reglementen is dan ook geen sprake, zo stelt [gedaagde].
4.2.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Het huishoudelijk reglement geldt tussen hen die appartementseigenaar waren ten tijde van de totstandkoming daarvan. De rechtbank gaat er - gelet op het kadastraal bericht object van het appartement aan de [adres 2] en omdat door [gedaagde] geen andere datum van eigendomsoverdracht is gesteld - vanuit dat [gedaagde] met ingang van 23 december 2012 appartementseigenaar is. Het Huishoudelijk Reglement is op 15 april 2004 vastgesteld. Nu [gedaagde] ten tijde van het opstellen van het Huishoudelijk Reglement gerechtigde was tot het appartementsrecht, is hij gebonden aan de daarin opgenomen bepalingen.
[gedaagde] is eveneens gebonden aan de bepalingen in het Splitsingsreglement. De splitsing in appartementsrechten vindt plaats door middel van een notariële splitsingsakte. Artikel 5:111 sub d BW bepaalt dat in de splitsingsakte tevens een reglement van splitsing moet worden opgenomen. Hieruit vloeit voort dat een splitsingsreglement al voor de verkrijging van de appartementsrechten is opgesteld. Immers, pas nadat de splitsing in appartementsrechten heeft plaatsgevonden is verkrijging van een appartementsrecht mogelijk. Dit leidt tot de conclusie dat, nu gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval van deze gebruikelijke gang van zaken is afgeweken, het Splitsingsreglement al was vastgesteld op het moment dat [gedaagde] het appartementsrecht van de [adres 2] verkreeg, zodat [gedaagde] ook aan de bepalingen van het Splitsingsreglement is gebonden. Dat [gedaagde], zoals hij ongemotiveerd heeft gesteld, de opdracht tot het leggen van de vloer heeft verstrekt voordat de reglementen waren opgesteld, maakt het voorgaande niet anders. Het moment van het worden van appartementseigenaar is immers bepalend voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] gebonden is aan het bepaalde in het Huishoudelijk Reglement en het Splitsingsreglement.
Daarbij komt nog dat de stelling van [gedaagde] dat hij de vloer niet heeft gewijzigd na de vaststelling van de reglementen niet juist is. De vloer is na het arbitraal vonnis van 2 april 2009 immers nog gewijzigd; zowel het Huishoudelijk Reglement als het Splitsingsreglement zijn voordien vastgesteld.
4.3.
[gedaagde] voert aan dat het recht om op te treden ingeval van een overtreding van het Huishoudelijk Reglement of het Splitsingsreglement is voorbehouden aan de VVE en niet aan [eiser] toekomt. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt. Het leerstuk van de onrechtmatige daad (waaronder hinder) biedt immers bescherming aan een ieder die schade ondervindt van een onrechtmatige daad van een ander. Op grond hiervan komt aan [eiser] een zelfstandig vorderingsrecht toe.
4.4.
[gedaagde] heeft ter comparitie nog aangevoerd dat de vordering tot verwijdering van de vloer is verjaard aangezien de verjaringstermijn van 5 jaar inmiddels is verstreken. Ingevolge artikel 3:306 BW verjaart een rechtsvordering als de onderhavige door verloop van 20 jaren. De vordering tot verwijdering van de vloer is reeds hierom niet verjaard.
4.5.
Thans komt de rechtbank toe aan de vraag of [gedaagde] in strijd met Huishoudelijk Reglement en/of het Splitsingsreglement handelt en zo ja, of dit handelen onrechtmatig is jegens [eiser].
4.6.
In artikel 17 lid 5 van het Splitsingsreglement is bepaald dat het de eigenaar of gebruiker van een appartement niet is toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit op zodanige wijze geschiedt dat er geen onredelijk hinder kan ontstaan.
Dat [gedaagde] een stenen vloer in zijn appartement heeft aangebracht is tussen partijen niet in geschil.
Op [eiser] rust de plicht gemotiveerd te stellen (en zonodig te bewijzen) dat er sprake is van door [gedaagde] veroorzaakte onredelijke hinder. [eiser] stelt daartoe dat hij het hoort als [gedaagde] door de woning loopt, met meubels schuift en de deuren opent en sluit en dat met name de frequentie van de geluiden als storend wordt ervaren. [gedaagde] betwist dat sprake is van onredelijke hinder. Hij voert aan dat hij zich heeft laten adviseren over een vloerconstructie die voldoet aan de norm. De huidige vloer is in overeenstemming met deze adviezen gelegd. Ter comparitie heeft [gedaagde] bovendien onweersproken verklaard dat hij overdag niet in de woning aanwezig is. Voorts heeft hij verklaard dat hij geen schoenen in de woning te draagt.
De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat het in het appartement van [eiser] te horen is als [gedaagde] loopt, met meubelen schuift of deuren opent of sluit - hetgeen door [gedaagde] ook niet wordt betwist - niet leidt tot de conclusie dat sprake is van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 17 lid 5 van het Splitsingsreglement. In het rapport van Het GeluidBuro, dat op dit punt door [eiser] niet is betwist, wordt het niveau van het gemeten contactgeluid (variërend tussen Ico = +6 tot en Ico = + 8 dB) als "matig" gekwalificeerd, hetgeen betekent dat contactgeluiden “soms storend” hoorbaar zijn. Ook deze kwalificatie van de contactgeluiden is onvoldoende voor het aannemen van onredelijke hinder. Nu [eiser] geen nadere feiten en omstandigheden heeft gesteld, heeft hij - in het licht van voorgaande en tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] - zijn stelling dat sprake is van onredelijke hinder door contactgeluiden onvoldoende (concreet) onderbouwd. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 17 lid 5 Splitsingsreglement.
4.7.
Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] in strijd handelt met artikel 6 van het Huishoudelijk Reglement overweegt de rechtbank dat, anders dan [eiser] betoogt, de aanwezigheid van het verlaagde plafond in het appartement van [eiser] daarbij buiten beschouwing dient te worden gelaten. Blijkens de tekst van artikel 6 gaat het er om dat de isolatie "van de kale vloer inclusief de vloerbedekking" een waarde bereikt van minimaal +10 dB. Nu het verlaagde plafond niet standaard bij de bouw was inbegrepen, maar in opdracht van [eiser] is aangebracht, maakt dit verlaagde plafond geen onderdeel uit van "de kale vloer" in vorenbedoelde zin.
4.8.
Nu [eiser] stelt dat [gedaagde] in strijd handelt met artikel 6 van het Huishoudelijk Reglement, rust op [eiser], gelet op de tekst van genoemd artikel, de plicht om gemotiveerd te stellen (en zonodig te bewijzen) dat sprake is van "hinderlijke contactgeluiden (…) zoals lopen en schuiven van meubilair" en dat de vloer van [gedaagde] niet voldoet aan de in genoemd artikel neergelegde isolatienorm van + 10dB.
4.9.
In meergenoemd rapport van het GeluidBuro is vermeld dat de vastgestelde isolatiewaarde "matig" is, waarbij contactgeluiden "soms storend” hoorbaar zijn. Dit is door [gedaagde] niet betwist. Voorts heeft [eiser] onbetwist gesteld dat het in zijn woning te horen is als [gedaagde] loopt, met meubels schuift en deuren opent of sluit. Daarmee staat als onvoldoende betwist vast dat sprake is van hinderlijke contactgeluiden in vorenbedoelde zin.
4.10.
Voorts stelt [eiser] - onder verwijzing naar de onder 2.8. en 2.9. genoemde rapporten - dat de vloer van [gedaagde] niet voldoet aan de in het Huishoudelijk Reglement neergelegde isolatienorm van +10 dB, nu het niveau van het gemeten contactgeluid varieert tussen Ico = + 6 dB tot en met Ico = + 8 dB.
[gedaagde] heeft daartegenover aangevoerd dat zijn vloer wel voldoet aan de gestelde norm. Weliswaar volgt uit het rapport van Woningborg dat niet wordt voldaan aan de eis van + 10 dB, maar voorts blijkt daaruit dat dit niet te wijten is aan de constructie van de vloer, maar aan het door [eiser] in zijn appartement aangebrachte verlaagde plafond.
[eiser] heeft daarop gemotiveerd betwist dat het verlaagde plafond de oorzaak is van het niet realiseren van de norm.
Gelet op het vorenstaande wordt [eiser], overeenkomstig zijn aanbod daartoe, toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de vloer van [gedaagde] niet voldoet aan de isolatienorm van +10 dB.
4.11.
De rechtbank is voorshands van oordeel dat dit bewijs slechts kan worden geleverd door het inwinnen van een deskundigenbericht. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.
4.12.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van akoestiek/geluidhinder en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:
-
Is het mogelijk om in de huidige situatie (waarin aan de onderzijde van de scheidingsvloer een verlaagd plafond is aangebracht) de isolerende werking van (uitsluitend) de kale vloer inclusief vloerbedekking te bepalen?
-
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Voldoet de kale vloer inclusief vloerbedekking in het appartement van [gedaagde] aan de in het Huishoudelijk Reglement gestelde norm van + 10 dB of meer?
-
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: Voldoet de complete woningscheidende constructie (dus met inbegrip van het verlaagde plafond) aan de in het Huishoudelijk Reglement gestelde norm van + 10 dB of meer?
-
Indien vraag 3 ontkennend wordt beantwoord: Is het verlaagde plafond van invloed op het niet halen van genoemde norm? Zo ja, op welke manier? Kunt u zo concreet mogelijk aangeven hoe groot die invloed is?
-
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.13.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiser] moeten worden betaald.
4.14.
Indien [eiser] slaagt in het bewijs van zijn stelling, staat vast dat [gedaagde] in strijd met artikel 6 van het Huishoudelijk Reglement handelt. Daarmee handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser], en zal de vordering van [eiser] worden toegewezen.
4.15.
Indien [eiser] niet slaag in de bewijslevering, ligt ten slotte ter beoordeling voor de derde door [eiser] gestelde grondslag, te weten het door [gedaagde] veroorzaken van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW. Deze grondslag wordt verworpen bij gebreke van een afdoende feitelijke onderbouwing. Hiervoor onder 4.6. is overwogen dat [eiser] zijn stelling dat sprake is van onredelijke hinder onvoldoende (concreet) heeft onderbouwd. Dat brengt mee dat hij evenmin voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van onrechtmatige hinder. Voor het aannemen van onrechtmatige hinder is immers een ernstiger mate van hinder vereist dan voor het aannemen van onredelijke hinder.
Dit oordeel leidt tot de conclusie dat de vordering van [eiser], wanneer hij niet slaagt in zijn bewijslevering, zal worden afgewezen.
4.16.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in deze zaak aan in afwachting van na te melden akte.