Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2022:3801

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-09-2022
Datum publicatie
23-09-2022
Zaaknummer
16/206775-21 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/206775-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2022

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1984] te [geboorteplaats] (Colombia),

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 juli 2022 en 9 september 2022. De rechtbank heeft op laatstgenoemde datum de zaak tegen verdachte inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. A.J. Horenblas, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder 1: in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 in Vreeland en/of Amsterdam gegevens heeft afgetapt en/of opgenomen, door een programma op een laptop te installeren en deze te overhandigen als cadeau aan [slachtoffer] en vervolgens door middel van dit programma op afstand (via internet) (persoonlijke) gegevens, beeld en/of geluid af te tappen en/of op te nemen;

onder 2: in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 in Vreeland en/of Amsterdam een programma heeft geïnstalleerd op een laptop en deze laptop vervolgens als cadeau heeft overhandigd aan [slachtoffer] , met de bedoeling gesprekken, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of -verwerking af te luisteren, af te tappen en/of op te nemen.

3 VOORVRAGEN

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard, aangezien er geen belang is bij de vervolging van verdachte. Door de vervolging grijpt het openbaar ministerie in in het liefdesleven van verdachte en het slachtoffer. Dat vereist rechtvaardiging en die ontbreekt. Hoewel gesproken kan worden van een toxische relatie tussen verdachte en het slachtoffer, was er wel sprake van gelijkwaardigheid in het handelen van verdachte en het slachtoffer. Daarmee is het gelijkheidsbeginsel geschonden. Het slachtoffer heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare feiten, waarbij verdachte het slachtoffer was. De aangifte van verdachte jegens het slachtoffer is terzijde geschoven, terwijl de aangiftes van het slachtoffer jegens verdachte die zien op onderhavige zaak en vermeend huiselijk geweld wel tot vervolging hebben geleid. Bij de vervolgingsbeslissing is meegewogen dat het slachtoffer advocaat is en dat er mogelijk vertrouwelijke werkgegevens zouden zijn afgetapt. Van een dergelijke gegevensuitwisseling is echter geen sprake. Het openbaar ministerie had bij de vervolgingsbeslissing de ontwikkelingen in de relatie mee moeten wegen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het opportuniteitsbeginsel laat het openbaar ministerie een grote vrijheid een eigen afweging te maken in wie zij wel en niet vervolgt. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden, nu de handelingen van het verdachte en die van het slachtoffer op zichzelf moeten worden beoordeeld. Dat bij de vervolgingsbeslissing is meegewogen dat het slachtoffer werkzaam is als advocaat, doet daar niet aan af.

3.2.1

Het oordeel van de rechtbank
Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, leent de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard.

Weliswaar vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel, maar het enkele feit dat -zoals is aangevoerd- het slachtoffer niet is vervolgd, brengt niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarvoor is ten minste noodzakelijk dat er sprake is van een gelijk geval waarin niet tot vervolging is overgegaan. De door de raadsman genoemde omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft daarbij het verschil in aard van de delicten betrokken. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een gelijk geval.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft erop gewezen dat een software-applicatie als [programma] kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddel. Daarnaast kan de gemanipuleerde laptop worden gezien als een technisch hulpmiddel want heimelijk voorzien van [programma] . De functionaliteit van [programma] brengt met zich dat gegevens vanaf de laptop worden afgetapt en beschikbaar worden gesteld door middel van een dashboard, dan wel live via dit dashboard kunnen worden gemonitord. Voor de functionaliteit heeft hij gewezen op de website van [programma] . Verdachte heeft in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 gegevens opgenomen en afgetapt die niet voor hem bestemd waren en verdachte heeft ingelogd op het dashboard van [programma] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat het programma [programma] malware is en niet gesteld kan worden dat dit een feit van algemene bekendheid is. Bovendien is van aftappen of opnemen, zoals in artikel 139c van het Wetboek van Strafrecht genoemd, en van het oogmerk tot afluisteren, aftappen of opnemen, zoals in artikel 139d van het Wetboek van Strafrecht wordt genoemd, geen sprake. Daarbij komt dat de wederrechtelijkheid ontbreekt. Verdachte heeft hetgeen hem verweten wordt gedaan om meer evenwicht in de relatie te brengen. Het slachtoffer controleerde hem, dus mocht verdachte ook het slachtoffer controleren.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman ook aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is van gegevens die via telecommunicatie of een geautomatiseerd werk zijn verwerkt. En dat ook niet bewezen kan worden dat er gesprekken of beelden zijn opgenomen of afgetapt. De verklaringen van het slachtoffer en de getuige [getuige] , dat er 65 GB aan data zou zijn uitgewisseld op 26 oktober 2020, zijn daarvoor onvoldoende, nu het er alle schijn van heeft dat zij de gebeurtenissen van die dag in scène hebben gezet. Daarbij komt dat voor gegevensuitwisseling het enkele inloggen niet voldoende is. Niet kan worden bewezen dat daarmee een verbinding met de laptop van het slachtoffer tot stand is gebracht.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat van enige betrokkenheid van verdachte na 20 april 2020 niet gebleken is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en 2

[slachtoffer] , woonachtig in [woonplaats] , heeft verklaard dat zij op 16 februari 2020 na 16.05 uur de oude laptop van verdachte heeft gekregen. Zij kwam er in april 2020 achter dat het programma [programma] toegang had tot de camera en de microfoon van deze laptop.2 Op 26 oktober 2020 zag [slachtoffer] dat het programma nog steeds actief was en data aan het uploaden was naar een ander IP-adres. Zij zag ook dat er 65 GB aan data was geüpload.3

Uit onderzoek aan de laptop die [slachtoffer] in gebruik had, blijkt dat op 16 februari 2020 om 14:18 uur het programma [programma] is geïnstalleerd en dat er diezelfde dag om 14.33 uur is ingelogd op http:// [website] .com. [programma] is een programma wat gebruikt kan worden om een systeem op afstand te monitoren, zo kunnen bijvoorbeeld toetsaanslagen worden bijgehouden en doorgestuurd en kan de webcam op afstand aangestuurd worden. Op het dashboard kan de [programma] software aangestuurd worden. Het e-mailadres [e-mail adres] @gmail.com is gebruikt om te registeren op deze website.4 [programma] is de programmanaam van het [programma] pakket.5 Tussen 16 februari 2020 en 20 april 2020 is er 99 keer ingelogd op [programma] .6 Er is zowel met Nederlandse IP-adressen als Zweedse adressen ingelogd. Bij de registratie op de website van [programma] is het (oude) woonadres van verdachte in Amsterdam opgegeven.7 In de periode dat verdachte voor zijn werk in Zweden was werd voornamelijk ingelogd op [programma] via een Zweeds IP adres, in een aantal gevallen was een Nederlands mobiel IP adres te zien, mogelijk door het routeren van het data verkeer via de Nederlandse provider. De momenten waarop verdachte in Nederland was werd alleen via Nederlandse IP adressen ingelogd. Verder bleek niet ingelogd te zijn in [programma] van 21 tot 24 februari 2020 en van 20 maart tot 31 maart 2020, op deze momenten waren [slachtoffer] en verdachte samen.8

Verdachte heeft ter zitting van 9 september 2022 verklaard dat hij het programma [programma] heeft geïnstalleerd op zijn oude laptop en dat hij deze laptop daarna aan het slachtoffer heeft gegeven. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer wilde controleren.9

Verder heeft verdachte verklaard dat het e-mailadres [e-mail adres] @gmail.com zijn e-mailadres is en dat de bevindingen over de data waarop hij in Zweden en Nederland was, juist zijn.10

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Bewijsoverwegingen

Oogmerk

Met ‘oogmerk’ wordt bedoeld, de (primaire) bedoeling van verdachte. Nu verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer door middel van het programma [programma] wilde controleren, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het oogmerk had tot afluisteren, aftappen en/of opnemen van gegevens van de laptop die het slachtoffer gebruikte.

Wederrechtelijkheid

Niet is komen vast te staan dat het slachtoffer wist dat het programma [programma] op de laptop die zij gebruikte was geïnstalleerd. De verdediging heeft aangevoerd dat het elkaar in de gaten houden onderdeel was van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer. De rechtbank volgt de verdediging dat daarmee de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte komt te vervallen, niet. Met zijn handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer, dit kan niet worden gerechtvaardigd door hetgeen de raadsman heeft gesteld. Dat het slachtoffer niet al in april 2020 aangifte heeft gedaan, doet daar niet aan af.

Gegevensverwerking of gegevensoverdracht

De stelling van de raadsman dat er geen sprake is van gegevens die worden verwerkt of overgedragen via telecommunicatie of een geautomatiseerd werk en van aftappen of opnemen, volgt de rechtbank ook niet.

Zoals volgt uit de bewijsmiddelen, is [programma] een programma wat gebruikt kan worden om een systeem op afstand te monitoren. Zo kunnen bijvoorbeeld toetsaanslagen worden bijgehouden en doorgestuurd en kan de webcam op afstand aangestuurd worden. Via het dashboard (http:// [website] .com) kan de [programma] software aangestuurd worden. De volledige functionaliteit van het programma [programma] is te vinden op de website www. [website] , die via een openbare bron (het internet) zonder noemenswaardige moeite of specialistische kennis is te achterhalen. De functionaliteit van de [programma] software acht de rechtbank hiermee een feit van algemene bekendheid. Uit die functionaliteit volgt dat het programma [programma] zelfstandig gegevens vergaart en uploadt, die vervolgens via het dashboard beschikbaar worden gesteld. Hieruit volgt dat het voor verdachte door middel van het programma [programma] mogelijk was om gegevens die op de laptop werden verwerkt of overgedragen via telecommunicatie of een geautomatiseerd werk, via het dashboard te raadplegen. Er is in de tenlastegelegde periode 91 keer door verdachte ingelogd. Verdachte heeft niet willen verklaren over wat hij met de gegevens die hij door middel van het programma [programma] tot zijn beschikking had, heeft gedaan. In het geval verdachte niets met de gegevens heeft gedaan, dan had het op zijn weg gelegen dit uit te leggen. Dat heeft verdachte niet gedaan. Dit maakt dat de rechtbank vindt dat er gegevensverwerking en/of gegevensoverdracht via telecommunicatie of een geautomatiseerd systeem als bedoeld in artikel 139c van het Wetboek van Strafrecht heeft plaatsgevonden.

De beschikbaarheid van gegevens is, gelet op de functionaliteit van de [programma] software, niet gestopt op 20 april 2020. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de tenlastegelegde periode te beperken tot en met 20 april 2020.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat verdachte in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 het programma [programma] op de laptop die het slachtoffer gebruikte, heeft geïnstalleerd en daarmee gegevens heeft afgetapt en/of opgenomen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 te Vreeland en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens heeft afgetapt en/of heeft opgenomen die niet voor hem, verdachte, bestemd waren en die werden verwerkt en/of werden overgedragen door middel van telecommunicatie en/of door middel van een geautomatiseerd werk, te weten de laptop (Apple Macbook Pro) van [slachtoffer] door het programma [programma] te installeren op een laptop (Apple Macbook Pro) en deze laptop vervolgens te overhandigen aan [slachtoffer] en daaropvolgend door middel van het voorgenoemde programma op afstand (via het internet) (persoonlijke) gegevens, beeld en/of geluid af te tappen en/of op te nemen;

2

in de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 te Vreeland en/of Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen;

een technisch hulpmiddel, te weten het programma [programma] op een bepaalde plaats, te weten de laptop (Apple Macbook Pro) van [slachtoffer] , aanwezig heeft doen zijn door voorgenoemd programma op voorgenoemde laptop te installeren alvorens deze laptop te overhandigen aan [slachtoffer] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

onder 1: opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftappen of opnemen die niet voor hem bestemd zijn en die worden verwerkt of overgedragen door middel van telecommunicatie of door middel van een geautomatiseerd werk;

onder 2: met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat deze zaak niet thuishoort in het strafrecht, nu het gedragingen in de relationele sfeer betreffen. Het betreft gedragingen die alleen in de (toxische) relatie tussen verdachte en het slachtoffer bestonden. Er is dan ook geen reden deze gedragingen te bestraffen. Gelet hierop en op de (huidige) persoonlijke omstandigheden van verdachte, kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn laptop aan zijn ex-partner verstrekt. Op die laptop heeft hij van tevoren zogenoemde spyware aangebracht op zijn laptop, dit buiten medeweten en zonder toestemming van zijn ex-partner. Daardoor kreeg hij de mogelijkheid om na te gaan welke informatie zijn ex-partner op deze laptop ontving, opsloeg en verstuurde. Hij heeft tot april 2020 91 maal ingelogd op het dashboard en zo toegang gekregen tot die gegevens. Door te handelen, zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij een ernstige en ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Bovendien heeft deze inbreuk over een lange periode plaatsgevonden. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, geen ruimte om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 20 mei 2022, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 80 uur passend en geboden is. Mede gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 57, 139c, 139d van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.M.H. van Ek, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en M.M.F.A. Smits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2022.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 te

Vreeland en/of Amsterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk en wederrechtelijk met een technisch hulpmiddel gegevens heeft

afgetapt en/of heeft opgenomen die niet voor hem, verdachte, bestemd waren en

die werden verwerkt en/of werden overgedragen door middel van

telecommunicatie en/of door middel van een geautomatiseerd werk,

te weten de laptop (Apple Macbook Pro) van [slachtoffer]

door het programma [programma] te installeren op een laptop (Apple Macbook

Pro) en deze laptop vervolgens te overhandigen als cadeau aan [slachtoffer] en

daaropvolgend door middel van het voorgenoemde programma op afstand (via het

internet) (persoonlijke) gegevens, beeld en/of geluid af te tappen en/of op te

nemen;

( art 139c lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2020 tot en met 26 oktober 2020 te

Vreeland en/of Amsterdam, althans in Nederland,

met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere

gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd

werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen;

een technisch hulpmiddel, te weten het programma [programma]

op een bepaalde plaats, te weten de laptop (Apple Macbook Pro) van [slachtoffer] ,

aanwezig heeft doen zijn door voorgenoemd programma op voorgenoemde laptop

te installeren alvorens deze laptop te overhandigen als cadeau aan [slachtoffer] ;

( art 139d lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 3 augustus 2021 en 21 februari 2022, genummerd 2020025730, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 39. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte, pagina 5.

3 Proces-verbaal aangifte, pagina 6.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 15.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 16.

6 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, genummerd 220728.1507.PVB.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 23-24.

8 Proces-verbaal van bevindingen, genummerd 220728.1507.PVB.

9 Proces-verbaal ter terechtzitting van 9 september 2022.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting van 9 september 2022.