Procesverloop
In het besluit van 15 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder eisers verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens afgewezen.
In het besluit van 19 december 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een overzicht te verstrekken aan de gemachtigde van eiser van de correspondentie van DT&V en de gemeente [woonplaats] en van de IND en de gemeente [woonplaats] over de verstrekking van persoonsgegevens van eiser in documenten door verweerder aan de gemeente [woonplaats] .
Bij brief van 14 september 2020 heeft verweerder een overzicht verstrekt met de verwerking van persoonsgegevens van eiser door de DT&V en de IND met de gemeente [woonplaats] . Ook wordt nader ingegaan op de passende waarborgen die door verweerder worden genomen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van eiser.
Bij brief van 16 oktober 2020 heeft eiser gereageerd op het door verweerder verstrekte overzicht.
Op 23 november 2020 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen om de zaak zonder nadere zitting af te doen, het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser heeft op 9 juli 2019 een verzoek tot inzage van zijn persoonsgegevens ingediend bij de Minister van Justitie en Veiligheid, op grond van de artikelen 12 en 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)1. Op 26 november 2019 heeft eiser dit verzoek tijdens de hoorzitting nader gepreciseerd omdat het volgens verweerder te algemeen geformuleerd was. Eiser heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt bij de uitwisseling van stukken door de IND met de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gaat eiser specifiek om de persoonsgegevens die zijn verwerkt rond de procedure die bij het Gerechtshof loopt over de gestelde schijnerkenning van zijn dochter, en om de vraag door welke dienst deze gegevens zijn verwerkt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard omdat het verzoek geen betrekking heeft op persoonsgegevens die door DT&V zijn verwerkt. Bovendien is er volgens verweerder aanvankelijk onvoldoende gereageerd door eiser op het verzoek van verweerder om aanvullende informatie te verstrekken aangaande het verzoek tot inzage, zodat er geen aanspraak bestaat op een dwangsom voor niet tijdig beslissen.
2. Het naar aanleiding van de zitting door verweerder verstrekte overzicht en de daarbij behorende motivering brengt mee dat verweerder het bestreden besluit niet langer heeft gehandhaafd. De rechtbank merkt de brief van verweerder van 14 september 2020 in zoverre aan als een gewijzigd besluit.
3. Op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich ook tegen het gewijzigde besluit. Bij het gewijzigde besluit is gelet op hetgeen door eiser in de brief van 16 oktober 2020 naar voren is gebracht niet geheel aan het verzoek tegemoet gekomen. Eiser heeft dan ook belang bij een inhoudelijke beoordeling van het gewijzigde besluit. Het beroep tegen het (bestreden) besluit van 19 december 2019 zal niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 14 september 2020.
Beoordeling beroepsgronden
4. Uit de nadere gronden en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het eiser onder meer te doen is om een integrale verstrekking van de documenten en bijlagen waarin hem betreffende persoonsgegevens zijn verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hier in het kader van zijn verzoek geen recht op. Artikel 15 van de AVG geeft geen recht op verstrekking van afschriften van de fysieke of digitale stukken waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. In artikel 15, derde lid, van de AVG wordt alleen gesproken over het verstrekken van een kopie van de persoonsgegevens zelf en niet van een kopie van het document waarin de persoonsgegevens zijn neergelegd. Wel bestaat een recht op een overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Eiser kan aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan, als aan het inzageverzoek kan worden voldaan door middel van een andere vorm van verstrekking. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat uit het door verweerder verstrekte overzicht niet is af te leiden wie de verblijfsrechtelijke documenten heeft verstrekt die in het hoger beroep van de gemeente [woonplaats] zijn ingediend, wat de wettelijke basis voor de indiening van deze documenten is en wat er precies is gezegd en opgeschreven. De belangen van eiser zijn door de doorgifte van deze documenten geschaad. Anders dan eiser ziet de rechtbank in de door hem alsnog in beroep ingebrachte verblijfsrechtelijke documenten geen aanleiding om te concluderen dat de door verweerder gemaakte nadere zoekslag naar de verwerking van persoonsgegevens door verweerder onvolledig is geweest. Dat eiser stelt geen toestemming te hebben gegeven voor het indienen van verblijfsdocumenten door de gemeente [woonplaats] in de genoemde hoger beroepszaak maakt niet dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichting tot het verlenen van inzage van persoonsgegevens van eiser in het kader van de AVG. De door eiser in dit verband opgeworpen vragen over het indienen van documenten in het hoger beroep van de gemeente [woonplaats] vormen geen onderdeel van de beoordeling in dit beroep over de AVG. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot heeft eiser gesteld dat uit het door verweerder verstrekte overzicht niet volgt welke persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt onder punt 15. De rechtbank volgt eiser op dit punt. De enkele opmerking dat het document in bezit is van gemachtigde en verzoeker is onvoldoende om eiser in staat te stellen kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of die gegevens juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. Het beroep van eiser slaagt in zoverre.
Dwangsom niet tijdig beslissen
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op het verzoek van eiser om dwangsommen voor niet tijdig beslissen terecht besloten dat hij hierop geen aanspraak maakt. In deze situatie wordt geen toepassing gegeven aan artikel 8:55c van de Awb en is verweerder geen dwangsom verschuldigd. Er doet zich namelijk een situatie voor als bedoeld in artikel 4:17, zesde lid onder c van de Awb nu de aanvraag kennelijk ongegrond was. Nadat eiser verweerder bij brief van 10 september 2019 in gebreke gesteld heeft, is hem bij brief van 19 september 2019 verzocht de aanvraag aan te vullen met informatie waarop het verzoek betrekking heeft. Omdat eiser de aanvraag niet duidelijk heeft aangevuld, heeft verweerder de aanvraag kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Pas in bezwaar heeft eiser duidelijk gemaakt waar zijn verzoek om inzage in persoonsgegevens op zag.
8. Het beroep tegen het besluit van 14 september 2020 is gegrond, vanwege de gebrekkige motivering van punt 15 van het verstrekte overzicht met persoonsgegevens (zie rechtsoverweging 6). Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit houdt in dat verweerder een overzicht zal moeten verstrekken met een gewijzigde motivering onder punt 15 om aan de gestelde vereisten van de AVG te voldoen.
9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.