Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5031

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
16-103384-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achtervolging door politie. Inrijden op politieauto niet bewezen. Vrijspraak poging doodslag (primair) en poging zware mishandeling (subsidiair). Veroordeling voor bedreiging (meer subsidiair) door met personenauto met zeer hoge snelheid (tussen 130 en 200 km/uur) te blijven rijden in richting van politievoertuig. Voorts veroordeling voor negeren stopteken (160 lid 7 WVW 1994) en voor veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 WVW 1994) door rijden met zeer hoge snelheid (tussen 130 en 200 km/u), niet althans onvoldoende aanpassen snelheid aan overige verkeer ter plaatse, geen gevolg geven aan stopteken door politieambtenaar, rijden op rijstrook met rood kruis en met hoge snelheid te blijven rijden in de richting van politievoertuigen. Gevangenisstraf van 4 maanden en ontzegging rijbevoegdheid voor duur van 10 maanden (voor misdrijf). Voorts 1 maand hechtenis, ontzegging rijbevoegdheid voor duur van 3 maanden, en geldboete van € 250,- (voor overtredingen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-103384-19

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1981] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd in PI Arnhem.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2020, 17 augustus 2020 en 4 november 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E.M. ter Braak en van hetgeen verdachte en mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1

op 11 juni 2018 in Veenendaal en/of Maarssen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn en/of Holendrecht, in elk geval in Nederland,

door een of meerdere malen met een zeer hoge snelheid in te rijden op en/of te blijven rijden in de richting van een politievoertuig waarin zich de politieagenten [politieagent 1] en [politieagent 2] bevonden, zonder daarbij snelheid te minderen of te remmen,

primair geprobeerd heeft voornoemde politieagenten opzettelijk van het leven te beroven,

subsidiair geprobeerd heeft voornoemde politieagenten opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meer subsidiair voornoemde politieagenten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 2

op 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarsbergen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn, in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een personenvoertuig rijdend op de Rijksweg A2 / A12 een gevaar op de weg heeft veroorzaakt, dan wel had kunnen veroorzaken, en/of het verkeer op die weg heeft gehinderd, dan wel had kunnen hinderen;

feit 3

op 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarsbergen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn, in elk geval in Nederland,

primair als bestuurder van een personenvoertuig rijdend op de Rijksweg A2 / A12 opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of vordering van de politie, gedaan krachtens enig wettelijk voorschrift, door geen gevolg te geven aan een door de politie gegeven stopteken via een op een politievoertuig aangebrachte transparant,

subsidiair nadat hij in overtreding werd bevonden van een voorschrift bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als bestuurder van een personenvoertuig geen gevolg heeft gegeven aan een door de politie gegeven stopteken via een op een politievoertuig aangebrachte transparant.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie acht wat betreft het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen dat verdachte eenmaal met een zeer hoge snelheid van 180 km/u heeft ingereden op het politievoertuig. Dit levert een poging doodslag op, gelet op de omstandigheden die de verbalisanten hebben beschreven in hun proces-verbaal van bevindingen, waarin onder meer staat dat ze zagen dat verdachte met zijn voertuig scherp in hun richting stuurde terwijl het politievoertuig 180 km/u reed en dat sterk moest worden uitgeweken om een aanrijding te voorkomen. En daarnaast gelet op de omstandigheden die volgen uit de verklaringen van deze verbalisanten bij de rechter-commissaris, waarin staat dat de afstand tussen het politievoertuig en het voertuig van verdachte slechts centimeters betrof en dat verdachte al over de lijn reed tussen zijn eigen rijstrook en de rijstrook waar het politievoertuig over reed. De officier van justitie verwijst naar jurisprudentie in zaken die zij vergelijkbaar acht en stelt zich op het standpunt dat hieruit kan worden afgeleid dat deze gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van de politieagenten op. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat gedragingen zoals die van verdachte, bij een dergelijke hoge snelheid, een aanmerkelijke kans opleveren op een ongeval met dodelijke afloop. Verdachte heeft deze aanmerkelijke kans ook aanvaard. Van contra-indicaties, waaruit zou kunnen volgen dat verdachte de aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard omdat hij daarmee bijvoorbeeld ook de kans zou aanvaarden dat hij zelf zou komen te overlijden, is geen sprake. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij op de agenten zou zijn ingereden, als hij die dag in zijn eigen auto had gereden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De verklaringen van de beide verbalisanten bij de rechter-commissaris verschillen teveel van elkaar en van hetgeen zji eerder in hun proces-verbaal van bevindingen hebben beschreven en bevatten voorts onduidelijkheden, zodat de rechtbank op basis daarvan niet de feiten kan vaststellen (waaronder de exacte plaats van het incident en de positionering van de voertuigen). Hierdoor kan het feit niet wettig en overtuigend worden bewezen. Ook is er geen sprake geweest van een voornemen/opzet van verdachte op de dood, zwaar lichamelijk letsel of bedreiging, ook niet in voorwaardelijke zin. Er was geen aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel en bij verdachte was ook geen sprake van bewustheid en aanvaarding van die kans. De raadsman verwijst in dit verband naar jurisprudentie , waaruit dit volgens hem kan worden afgeleid. De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feiten 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het gedachtestreepje bij feit 2 dat ziet op het inrijden op de politie. Deze gedraging wordt door verdachte ontkend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Voor de motivering van deze vrijspraak verwijst de rechtbank naar de bewijsoverwegingen hieronder, waarin wordt uitgelegd welke gedragingen van verdachte de rechtbank bewezen acht en waarom de rechtbank die kwalificeert als bedreiging, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

Verbalisanten [politieagent 2] en [politieagent 1] hebben het volgende gerelateerd2:

Op 11 juni 2018 omstreeks 23:00 uur reden wij op rijstrook 2 van de Rijksweg A12 ter hoogte van Veenendaal. Wij zagen dat er links van ons een voertuig passeerde. Wij zagen dat genoemd voertuig ons passeerde over rijstrook 1 van de genoemde Rijksweg in de richting van Utrecht. Wij zagen dat dit voertuig voorzien was kenteken: [kenteken] . Wij verbalisanten zagen dat de bestuurder bij knooppunt Oudenrijn naar rechts stuurde, kennelijk met als doel de Rijksweg A2 op te gaan in de richting van Amsterdam. Hierop heb ik verbalisant [politieagent 2] in overleg met verbalisant [politieagent 1] besloten om naast het voertuig te gaan rijden. Wij zagen en lazen af op onze snelheidsmeter dat wij 180 kilometer per uur reden. Hierop zagen wij verbalisanten dat de verdachte met zijn voertuig scherp in onze richting stuurde. Ik verbalisant [politieagent 2] moest sterk uitwijken om een aanrijding te ontlopen. Ik verbalisant [politieagent 1] heb mij zeer ernstig bedreigd gevoeld ten tijde dat de verdachte op ons politievoertuig instuurde. Ik verbalisant [politieagent 2] heb mij zeer ernstig bedreigd gevoeld ten tijde dat de verdachte op ons politievoertuig instuurde.

Beide verbalisanten zijn vervolgens bij de rechter-commissaris gehoord.

Verbalisant [politieagent 1] verklaarde daar3:

Wij reden op dat moment op rijstrook 1. De verdachte reed met zijn voertuig op rijstrook 2. Wij stuurden richting het voertuig van de verdachte omdat wij er voorbij wilden. De stuurbeweging zet je in op het moment dat je denkt: we zijn er zo meteen voorbij. Op dat moment reden wij 180/200 km per uur afgelezen boordsnelheid. Ik zag dat de verdachte toen onze kant op stuurde. De afstand tussen het voertuig van de verdachte en ons voertuig was centimeters.

Verbalisant [politieagent 2] verklaarde bij de rechter-commissaris4:

We zijn er niet eens naast gekomen. Ik wilde op de normale manier naast hem komen te rijden aan zijn linkerkant. Ik wilde er dan voorbij rijden en dan voor hem komen te rijden. Verdachte sneed ons toen af.

De verdachte reed in eerste instantie op rijstrook 2. Ik reed op rijstrook 1. Ik wilde het voertuig van de verdachte aan zijn linkerkant passeren. Hij blokte mij meteen af.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard5:

Ik zag het stopteken op het politievoertuig en ik dacht ik ga er voor. Ik ga het negeren. Ik zal wel rond de 180-190 kilometer per uur hebben gereden.

Het politievoertuig probeerde naast me te komen rijden. Toen ze dat probeerden heb ik ze geblokt. Ik ging er gewoon voor rijden. Tijdens het afblokken ging ik van rijstrook 2 naar rijstrook 1. Ik blokte ze af zodat ze me niet konden inhalen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank komt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot de vaststelling van de volgende feiten. Op 11 juni 2018 reed verdachte als bestuurder van een personenauto op de Rijksweg A12 ter hoogte van knooppunt Oudenrijn. Verdachte reed op rijstrook 2, met een snelheid van ongeveer 180 kilometer per uur. Verbalisanten [politieagent 1] en [politieagent 2] reden achter verdachte op rijstrook 1 en zetten met hun voertuig een inhaalmanoevre in, teneinde verdachte aan de linkerkant te passeren. Verdachte stuurde zijn voertuig vervolgens eenmaal in de richting van het voertuig van verbalisanten [politieagent 1] en [politieagent 2] , en zette deze stuurbeweging door totdat hij op rijstrook 1 terecht kwam.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze stuurbeweging richting de verbalisanten nadien heeft herhaald, nu onvoldoende concrete omstandigheden bekend zijn geworden over de momenten waarop dit zou zijn gebeurd.

De rechtbank komt tot een andere vaststelling dan de officier van justitie als het gaat om de posities van de beide voertuigen op het moment dat verdachte zijn voertuig in de richting van het voertuig van de verbalisanten stuurde. De officier van justitie gaat er van uit dat het voertuig van de verbalisanten zich op dat moment (grotendeels) naast het voertuig van verdachte bevond, maar dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het politievoertuig niet naast hem heeft gereden en dat hij voor verbalisanten reed op het moment dat hij hen ‘afblokte’. Het proces-verbaal van bevindingen van de betrokken verbalisanten laat ruimte voor deze lezing van de feiten, nu daarin door hen gerelateerd wordt dat zij net voor de betreffende stuurbeweging verdachte besloten om naast het voertuig van verdachte te gaan rijden, maar niet dat hun voertuig vervolgens ook op enig moment daadwerkelijk naast het voertuig van verdachte reed. Verbalisant [politieagent 2] heeft vervolgens bij de rechter-commissaris expliciet verklaard dat het politievoertuig niet naast het voertuig van verdachte is gekomen. Ook verbalisant [politieagent 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat ze op geen enkel moment helemaal voorbij het voertuig van verdachte zijn geweest.

De omstandigheid dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de voertuigen volledig dan wel grotendeels naast elkaar hebben gereden op het moment dat verdachte een insturende beweging maakte, brengt met zich dat de gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als het “inrijden op” het politievoertuig, zodat op dit punt vrijspraak dient te volgen.

Uit de verklaringen van de verbalisanten en verdachte leidt de rechtbank af dat het politievoertuig het voertuig van verdachte in ieder geval zeer kort was genaderd op het moment dat verdachte instuurde in de richting van rijstrook 1, waardoor hij het politievoertuig de weg heeft afgesneden. De rechtbank leidt uit die verklaringen ook af dat verdachte op dat moment geen snelheid heeft geminderd. De verklaring van verdachte dat dit laatste wel het geval was, acht de rechtbank gelet op de verklaringen van de twee verbalisanten, niet aannemelijk.

Het met een snelheid van ongeveer 180 km/u maken van een insturende beweging, waardoor het voertuig van verdachte richting rijstrook 1 bewoog, terwijl verdachte wist dat het politievoertuig hem (op die rijstrook) kort was genaderd, valt naar het oordeel van de rechtbank echter wel aan te merken als het “blijven rijden in de richting van” het politievoertuig.

(Voorwaardelijk) opzet

De vraag is of op grond van deze gedragingen van verdachte kan worden bewezen dat verdachte opzet had op de dood van de politieagenten, of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt vooraleerst dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte zijn gedragingen willens en wetens op de dood van (een van) de politieagenten, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij hen, heeft gericht. De vraag is dan of voorwaardelijk opzet kan worden aangenomen. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

In dit verband wordt het volgende overwogen. Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte met zeer hoge snelheid, namelijk 180 km/u, het politievoertuig dat hem kort was genaderd op de rijbaan links naast hem eenmalig afsneed. Hoewel deze omstandigheden hebben geleid tot een gevaarlijke situatie voor de verbalisanten, nu zij sterk moesten uitwijken voor verdachte terwijl zich aan hun linkerzijde een vangrail bevond die dat uitwijken bemoeilijkte, blijkt uit het strafdossier niet van concrete andere gevaarzettende omstandigheden waaruit volgt dat en in welke mate een ongeval met dodelijke afloop, dan wel met een afloop met zwaar lichamelijk letsel, waarschijnlijk was. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van, dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten. Verdachte zal om die reden worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bedreiging

De rechtbank acht de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging met zware mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen. Door met zeer hoge snelheid op de snelweg een politievoertuig af te snijden, kon bij de politieagenten in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Beide politieagenten hebben de situatie ook als bedreigend ervaren, hetgeen blijkt uit hun proces-verbaal van bevindingen. Verdachte heeft, door toch zijn voertuig in te sturen richting de rijstrook waar het politievoertuig reed, zonder snelheid te minderen, terwijl hij wist dat de politieagenten hem al kort waren genaderd, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze vrees zou ontstaan. Uit het strafdossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat verdachte er alles aan gelegen was om de politieagenten niet voorbij te laten gaan.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Verbalisanten [politieagent 2] en [politieagent 1] hebben het volgende verklaard6:

Op 11 juni 2018 omstreeks 23:00 uur reden wij op rijstrook 2 van de Rijksweg A12 ter hoogte van Veenendaal. Wij reden in een onopvallend politievoertuig volledig uitgerust inclusief rood oplichtende spiegeltransparanten welke zowel aan de voor- als achterzijde gemonteerd in het voertuig met de tekst: “VOLGEN/STOP POLITIE”. Genoemd politievoertuig is geijkt. Wij zagen dat er links van ons een voertuig passeerde. Wij zagen dat genoemd voertuig ons passeerde over rijstrook 1 van de genoemde Rijksweg in de richting van Utrecht. Wij zagen dat dit voertuig voorzien was kenteken: [kenteken] .

De daadwerkelijke snelheid betrof 142 kilometer per uur, afgelezen middels de IJkstaat in ons voertuig. Na correctie was de overschrijding 37 kilometer per uur daar waar wettelijk 100 kilometer per uur was toegestaan.

Hierop hebben wij de bestuurder van het genoemde voertuig een volgteken gegeven. Het volgteken hebben wij gegeven middels de genoemde transparant.

Wij zagen dat de bestuurder vervolgens scherp naar links stuurde, kennelijk met als doel om zich aan de wettelijke staandehouding te onttrekken.

Wij zagen middels onze snelheidsmeter dat de snelheid 200 kilometer per uur bedroeg. Wij zagen dat wij langzaam dichterbij het genoemde voertuig kwamen.

Wij zagen dat de bestuurder het rode kruis op rijstrook 1 negeerde.
Wij zagen dat de overige verkeersdeelnemers het gedrag van de bestuurder niet verwachten.
Wij zagen dat door deze manoeuvres andere verkeersdeelnemers moesten uitwijken, wij zagen dat hierdoor een gevaar ontstond voor de overige verkeersdeelnemers.
Wij zagen dat hierdoor een grote mate van hinder ontstond.
Wij zagen vervolgens dat de bestuurder van rijstrook 1, via rijstrook 2, naar rijstrook 3 stuurde.
Wij zagen wederom dat de overige verkeersdeelnemers hierdoor behoorlijk moesten afremmen. Wij zagen namelijk dat de remlichten rood oplichten van de overige verkeersdeelnemers. Wij zagen dat de voorzijden van enkele voertuigen naar beneden veerden door het genoemde afremmen.

Hierop heb ik verbalisant [politieagent 2] in overleg met verbalisant [politieagent 1] besloten om naast het voertuig te gaan rijden. Wij zagen en lazen af op onze snelheidsmeter dat wij 180 kilometer per uur reden.

Hierop zagen wij verbalisanten dat de verdachte met zijn voertuig scherp in onze richting stuurde. Ik verbalisant [politieagent 2] moest sterk uitwijken om een aanrijding te ontlopen.

Wij zagen dat de overige verkeersdeelnemers het gedrag van de bestuurder niet verwachten. Wij zagen namelijk dat de overige verkeersdeelnemers naar rechts stuurden om zich op deze manier in veiligheid te brengen. Wij zagen dat door deze manoeuvres andere verkeersdeelnemers moesten uitwijken.

Wij zagen vervolgens dat de bestuurder van rijstrook 1 naar rijstrook 2 stuurde.

Wij zagen wederom dat de overige verkeersdeelnemers hierdoor behoorlijk moesten afremmen. Wij zagen namelijk dat de remlichten rood oplichten van de overige verkeersdeelnemers. Wij zagen dat de voorzijden van enkele voertuigen naar beneden veerden door het genoemde afremmen.

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard7:

Op maandag 12 juni 2018 (de rechtbank begrijpt: 11 juni 2018), omstreeks 23:00 uur hoorden via onze portofoons de melding dat er een achtervolging zou zijn op de A12. Het verdachte voertuig zou een blauwe Mercedes A180 zijn met het kenteken [kenteken]

Wij zagen dat het verdachte voertuig op rijstrook 2 reed met een snelheid van ongeveer 160 km/ h. Wij zagen dat het verdachte voertuig slingerend over twee rijbanen reed.

Wij zijn vervolgens voor het verdachte voertuig gaan rijden die op rijstrook twee (2) reed.

Wij zagen dat het voertuig een abrupte beweging maakte naar rijstrook een (1).

Wij hebben vervolgens het politietransparant in het dienstvoertuig aangezet waarop de tekst stop politie te zien was. Wij zagen dat de bestuurder in het verdachte voertuig hier niet aan voldeed.

Wij zagen in onze achteruitkijkspiegel dat het verdachte voertuig remde en dat een van de opvallende politievoertuigen zijnde een Volvo rechts naast het verdachte voertuig reed.

Wij zagen dat het verdachte voertuig inreed op de linkerzijde van het opvallende politievoertuig zijnde een Volvo Wij zagen dat het verdachte voertuig hierbij tot stilstand kwam in de linkerflank van het politievoertuig.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] bevonden zich ook op de snelweg. Zij verklaarden8:

Verbalisant [verbalisant 4] heeft toen naar links gestuurd om het voertuig te snijden zodat de achtervolging zo snel mogelijk zou stoppen. De bestuurder van de Mercedes is toen met de rechter voorzijde tegen onze linker achterdeur aangereden en kwamen toen gelijk tot stilstand.

Verdachte heeft hierover verklaard9:

Ik zag het stopteken op het politievoertuig en ik dacht ik ga er voor. Ik ga het negeren. Ik zal wel rond de 180-190 kilometer per uur hebben gereden.

Het klopt dat ik op de A12 een rood kruis genegeerd heb.

Ik ben meermalen van rijstrook gewisseld. Ik heb andere weggebruikers ingehaald.

Het politievoertuig probeerde naast me te komen rijden. Toen ze dat probeerden heb ik ze geblokt. Ik ging er gewoon voor rijden. Tijdens het afblokken ging ik van rijstrook 2 naar rijstrook 1. Ik blokte ze af zodat ze me niet konden inhalen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 juni 2018 een gevaar op de weg heeft veroorzaakt in zijn personenauto, door te handelen zoals omschreven in de tenlastelegging. De verdediging heeft zich ten aanzien van vijf (van de zes) met gedachtestreepjes opgenomen gedragingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft ontkend dat hij een gevaar op de weg heeft veroorzaakt door met hoge snelheid in te rijden op danwel te blijven rijden in de richting van een of meerdere politievoertuigen. De rechtbank acht op grond van de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte gevaar heeft veroorzaakt door met hoge snelheid in de richting van het voertuig van verbalisanten [politieagent 2] en [politieagent 1] te rijden. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen hierover ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is overwogen. Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte op een later moment, vlak voor zijn aanhouding, gevaar heeft veroorzaakt door met hoge snelheid in de richting van het voertuig van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] te blijven rijden. Verdachte heeft zijn snelheid immers niet zodanig aangepast dat hij een aanrijding met [verbalisant 3] en [verbalisant 4] voorkwam, maar is tegen het voertuig van deze verbalisanten aangereden en tot stilstand gekomen in de linkerflank van het politievoertuig. Dat verdachte op het voertuig van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is ingereden acht de rechtbank niet bewezen, nu uit het proces-verbaal van bevindingen van deze verbalisanten blijkt dat zij verdachte hebben gesneden teneinde de achtervolging te doen stoppen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 3 primair tenlastegelegde, nu het geven van een stopteken via de transparant van een politievoertuig niet kan worden aangemerkt als een bevel of gedane vordering in de zin van art. 184 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (ECLI:NL:HR:2015:199).

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat dit feit door verdachte is begaan. Verdachte heeft het feit bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 november 2020;

  • -

    het proces-verbaal bevindingen, pag. 8.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1 meer subsidiair:

op 11 juni 2018 in Nederland [politieagent 1] en [politieagent 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met een personenauto met een zeer hoge

snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur), te blijven rijden in de richting van een, op diezelfde weg rijdend, politievoertuig met daarin voornoemde [politieagent 1] en [politieagent 2] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen;

feit 2:

op 11 juni 2018 in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenvoertuig), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A2 en A12,

- met een zeer hoge snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur) heeft gereden en

- zijn snelheid niet althans onvoldoende heeft aangepast aan het overige verkeer ter plaatse en

- geen gevolg heeft gegeven aan een stopteken gegeven door een politieambtenaar en

- op een rijstrook heeft gereden waarboven een (verlicht) matrixbord hing met daarop rood kruis afgebeeld en

- meerdere malen van rijbaan is gewisseld zonder het overige verkeer ter plaatse voorrang te verlenen en

- met een hoge, althans aanzienlijke snelheid is blijven rijden in de richting van, op diezelfde wegen rijdende, politievoertuigen

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

feit 3 subsidiair:

op 11 juni 2018 in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenvoertuig), nadat hij door opsporingsambtenaren in overtreding werd bevonden van een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgesteld voorschrift,

het door die ambtenaren ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevel te weten een stopteken middels een op een politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere

achtergrond verlicht werden, niet heeft opgevolgd.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

overtreding van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar onder 1 primair bewezen geachte, zijnde een misdrijf, te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van 2 jaren.

Ten aanzien van feit 2, zijnde een overtreding, vordert de officier van justitie oplegging van hechtenis voor de duur van 1 maand en een OBM voor de duur van 4 maanden.

Ten aanzien van feit 3, zijnde een overtreding, vordert de officier van justitie oplegging van een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, zelfs indien de rechtbank de officier van justitie zou volgen in de bewezenverklaring ten aanzien van feit 1, de straf lager zou moeten zijn dan de geëiste 18 maanden gevangenisstraf nu de redelijke termijn is geschonden en rekening gehouden dient te worden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht gelet op een veroordeling na de pleegdatum van de onderhavige feiten.

De door de officier van justitie geëiste OBM heeft geen meerwaarde nu verdachte zijn rijbewijs al kwijt is en deze pas terugkrijgt nadat er grondig onderzoek heeft plaatsgevonden bij het CBR. Bovendien is het niet passend om twee afzonderlijke OBM’s op te leggen voor de feiten 1 en 2. De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het overige.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Nu feit 1 meer subsidiair een misdrijf betreft, en de feiten 2 en 3 subsidiair overtredingen, zal de rechtbank in navolging van de eis van de officier van justitie per feit een straf opleggen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft op 11 juni 2018 geprobeerd te ontkomen aan de politie. Nadat de politie de achtervolging had ingezet, is verdachte met zijn auto in de richting van het politievoertuig blijven rijden, welk politievoertuig hem op dat moment al zeer dicht genaderd was op de rijstrook naast verdachte. Enkel door een adequate reactie van de politieagenten kon een ongeval worden voorkomen. Ook het overige verkeer is tijdens de achtervolging in gevaar gebracht door de rijstijl van verdachte. Verdachte heeft daarbij ook nog een stopteken van de politie niet opgevolgd. Dat er geen gewonden zijn gevallen is niet aan het handelen van verdachte te danken. Hij heeft koste wat kost willen ontkomen aan de politie en daarbij zijn eigen belangen voorop gesteld ten koste van de veiligheid van de agenten die gewoon hun werk uitvoeren. De rechtbank acht deze feiten zeer ernstig. Ook op zitting toonde verdachte geen berouw. Gelet op al het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 23 juli 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet recentelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in strafmatigende noch strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. Gelet hierop neemt de rechtbank voor wat betreft feit 1 meer subsidiair een gevangenisstraf van 5 maanden en een OBM van 12 maanden tot uitgangspunt.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf vervolgens rekening mee dat verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 9 januari 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Verdachte is op 11 juni 2018 in verzekering gesteld. Daarmee is de redelijke termijn aangevangen. De behandeling in eerste aanleg is vervolgens niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn met een eindvonnis afgerond, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn en gelet op artikel 63 Sr, zal de rechtbank ten aanzien van feit 1 meer subsidiair volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van 4 maanden, onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank een OBM voor de duur van 10 maanden passend en geboden. Door twee verbalisanten op deze wijze te bedreigen, waarbij verdachte zijn auto als dreigwapen heeft ingezet, acht de rechtbank het passend dat hierop ook een strafrechtelijke sanctie volgt, naast het reeds ingezette bestuursrechtelijke traject.

Ten aanzien van feit 2 acht de rechtbank 1 maand hechtenis passend en geboden, en daarnaast een OBM voor de duur van 3 maanden. Gelet op het gevaarlijke rijgedrag van verdachte acht de rechtbank het passend dat ook voor dit feit een OBM wordt opgelegd.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 250,- te vervangen door 5 dagen hechtenis indien verdachte dit niet zou betalen, passend.

9 BENADEELDE PARTIJ

Verbalisanten [politieagent 2] en [politieagent 1] hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderen elk een bedrag van € 600,-, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen geheel voor toewijzing vatbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, omdat de raadsman vrijspraak van dit feit heeft bepleit. In de tweede plaats is de uitspraak waarnaar door de benadeelde partijen wordt verwezen geen vergelijkbare zaak, zodat de in die zaak toegekende bedragen niet een op een zouden moeten worden overgenomen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen hebben immateriële schadevergoeding gevorderd voor het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de benadeelde partijen onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van een aantasting in hun persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal beide benadeelde partijen derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, zullen kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    23, 24, 24c, 62, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    5, 160, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair. 1 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat de duur van de ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest;

ten aanzien van feit 2

- veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde tot een hechtenis van 1 (één) maand;

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden;

ten aanzien van feit 3 subsidiair

- veroordeelt verdachte voor van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde tot een geldboete van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen;

Benadeelde partij [politieagent 2]

- verklaart [politieagent 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [politieagent 1]

- verklaart [politieagent 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mrs. L.C. Michon en M. den Besten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-Baaziz, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2020.

Mr. C.A.M. van Straalen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarssen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn en/of Holendrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [politieagent 1] en/of [politieagent 2] , beiden hoofdagent van politie Landelijke Eenheid, opzettelijk van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet één of meerdere malen met een (personen)auto met een zeer hoge snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur), in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 100 km/uur) is ingereden en/of blijven rijden in de richting van een, op diezelfde weg rijdend, politievoertuig met daarin voornoemde [politieagent 1] en/of [politieagent 2] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarssen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn en/of Holendrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [politieagent 1] en/of [politieagent 2] , beiden hoofdagent van politie Landelijke Eenheid opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (telkens) met dat opzet één of meerdere malen met een (personen)auto met een zeer hoge snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur), in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 100 km/uur) is ingereden en/of blijven rijden in de

richting van een, op diezelfde weg rijdend, politievoertuig met daarin die voornoemde [politieagent 1] en/of [politieagent 2] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarssen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn en/of Holendrecht, in elk geval in Nederland [politieagent 1] en/of [politieagent 2] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door één of meerdere malen met een (personen)auto met een zeer hoge

snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur), in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 100 km/uur) in te rijden op en/of blijven rijden in de richting van een, op diezelfde weg rijdend, politievoertuig met daarin voornoemde [politieagent 1] en/of [politieagent 2] zonder (voldoende) zijn snelheid te minderen en/of te remmen;

2

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maasbergen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenvoertuig), daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A2 en/of A12,

- met een zeer hoge snelheid (gelegen tussen ongeveer 130 en 200 km/uur), in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 100 km/uur) heeft gereden en/of

- zijn snelheid niet althans onvoldoende heeft aangepast aan het overige verkeer ter plaatse en/of

- geen gevolg heeft gegeven aan een stopteken gegeven door een (politie)ambtenaar en/of

- één of meerdere malen op een rijstrook heeft gereden waarboven een (verlicht) matrixbord hing met daarop rood kruis afgebeeld en/of

- één of meerdere malen van rijbaan is gewisseld zonder hierbij richting aan te geven en/of het overige verkeer ter plaatse voorrang te verlenen en/of

- één of meerdere malen (met een hoge, althans aanzienlijke) snelheid is ingereden en/of blijven rijden in de richting van één of meerdere, op diezelfde wegen rijdende, (herkenbare) politievoertuigen

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarsbergen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een personenvoertuig, daarmee rijdende op de weg, Rijksweg A2 en/of A12 opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 160 Wegenverkeerswet 1994, gedaan door één of meerdere (politie)ambtenaren te weten [politieagent 2] , hoofdagent en/of [politieagent 1] , brigadier, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaren hem, verdachte, hadden bevolen of van

hem hadden gevorderd ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften om te stoppen middels een stopteken via een op een politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere achtergrond verlicht werden, hieraan geen gevolg te geven

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Veenendaal en/of Maarsbergen en/of Utrechtse Heuvelrug en/of Oudenrijn, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig, (personenvoertuig), nadat hij door één of meerdere opsporingsambtenaren in overtreding werd bevonden van een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgesteld voorschrift,

het/de door die ambtenaren ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen gegeven bevel(en) te weten een stopteken middels een op een politievoertuig aangebrachte transparant, waarin de woorden "stop" of "stop politie" in rode letters tegen donkere

achtergrond verlicht werden, niet heeft opgevolgd.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 juni 2018, genummerd PL2600-2018039536, opgemaakt door de Politie, Landelijke Eenheid, Team Infra afdeling afhandeling, Unit Zuidoost, doorgenummerd 1 tot en met 89 en twee losse processen-verbaal van getuigenverhoren bij de rechter-commissaris (niet doorgenummerd). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal bevindingen, p. 2-3.

3 Het proces-verbaal verhoor van getuige [politieagent 1] bij de rechter-commissaris, pag. 3 (maakt geen deel uit van het doorgenummerde proces-verbaal).

4 Het proces-verbaal verhoor van getuige [politieagent 2] bij de rechter-commissaris, pag. 3 (maakt geen deel uit van het doorgenummerde proces-verbaal).

5 De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 4 november 2020.

6 Het proces-verbaal bevindingen, p. 2-4.

7 Het proces-verbaal bevindingen, p. 8-9.

8 Het proces-verbaal bevindingen, p. 23.

9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 november 2020.