Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBMNE:2020:4309

Rechtbank Midden-Nederland
08-10-2020
13-10-2020
8697746 / ME VERZ 20-117
Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig,Beschikking

Op grond van artikel 7:668 lid 3 BW is verweerder in beginsel gehouden een aanzegvergoeding aan verzoeker te betalen. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 11 juni 2020. Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW of artikel 6:248 lid 2 BW), moet terughoudendheid worden betracht. Dit geldt zeker als het gaat om een regel van dwingend recht. De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid zou zijn verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verzoeker heeft echter op 14 mei 2020 aan verweerder het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst zelf schriftelijk bevestigd. Onder deze omstandigheid heeft de eis van een schriftelijke aanzegging geen waarborgfunctie meer en betreft dit niet meer dan een formaliteit. De aanspraak op de (volledige) aanzegvergoeding is in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter onaanvaardbaar. Wel is het zo dat verzoeker op 14 mei 2020 schriftelijk heeft bevestigd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Niet is gebleken dat verzoeker eerder dan op 14 mei 2020 (schriftelijk) kenbaar was gemaakt dat zijn arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De arbeidsovereenkomst eindigde per 11 juni 2020, zodat niet gesteld kan worden dat één maand van tevoren is aangezegd, maar drie dagen te laat. De kantonrechter is daarom van oordeel dat verzoeker recht heeft op een aanzegvergoeding pro rata, derhalve op € 255,48 bruto

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1221
VAAN-AR-Updates.nl 2020-1221

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Beschikking van 8 oktober 2020

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 8697746 / ME VERZ 20-117 van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. M. van Ballegoij,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
vertegenwoordigd door mw. [A] en dhr. [B] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 10 augustus 2020;

- het verweerschrift van [verweerster] .

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1976, is sinds 12 juni 2019 voor de duur van 12 maanden in dienst getreden van [verweerster] , laatstelijk als operator tegen een salaris van eerst € 3.300,00 en later nadat [verzoeker] minder is gaan werken € 2.640,00 bruto per maand.

2.2.

In de door partijen op 25 april 2019 getekende arbeidsovereenkomst staat onder meer opgenomen:

3. Salaris en vakantietoeslag

Het brutosalaris bedraagt € 3’300 bruto per maand door [verweerster] uiterlijk de laatste dag van de kalendermaand te voldoen. Dit inclusief 8% vakantiegeld en inclusief 6% in de bijdrage in de pensioenregeling. Bij prestatie naar tevredenheid van [verweerster] wordt aan werknemer een maandelijkse bonus van € 300 bruto uitgekeerd.

2.3.

Bij brief van 14 mei 2020 schrijft [verzoeker] aan [verweerster] als volgt:

“Na het ontvangen en bekijken van mijn salarisstroken heb ik moeten constateren dat ik in de periode die ik tot nu toe werkzaam ben geweest bij [bedrijfsnaam] BV( [verweerster] BV) maandelijks minder salaris heb ontvangen dan de (deels mondeling) gemaakte afspraken met Mevr. [A] . Bij het in dienst treden bij [bedrijfsnaam] BV ( [verweerster] BV) op 11-06-2019 is de duidelijke afspraak gemaakt met Mevr. [A] dat ik een maandelijkse uitkering zou krijgen van 3600 euro bruto.

Zij gaf aan bij mij dat dit niet contractueel kon worden vastgesteld i.v.m. bepaalde regelgeving waaraan zij zich diende te houden (wetende: o.a. indeling salarisschaal) Er is voor gekozen om dit in het contract weer te geven als een maandelijkse bonus van 300 euro bruto, wat naar zeggen van Mevr. [A] , op maandelijkse basis zou worden uitbetaald zodat ik alsnog een uitbetaling zou krijgen van de afgesproken 3600 euro bruto per maand. Helaas blijkt nu, na het zien van mijn salarisstroken, dat ik maandelijks een uitbetaling heb gehad van 3300 euro bruto.

Ik zou graag zien dat dit zo spoedig mogelijk word opgelost, gezien het feit jullie kenbaar hebben gemaakt mijn contract te willen beëindigen per 11-06-2020.”

2.4.

Op 9 juni 2020 bericht [B] van [verweerster] aan [verzoeker] onder meer:

“De gestelde bonus was een mondelinge afspraak over het functioneren boven de functie van een operator zoals deze bekent is in [bedrijfsnaam] . Hieronder zouden werkzaamheden vallen die normaal onder de technische dienst geplaatst zijn. Door deze werkzaamheden uit te voeren zou technische dienst minder in productie hoeven zijn, waardoor de meerwaarde van de functie beloont zou worden met een bonus.

De werkzaamheden die voldoende zijn uitgevoerd waren die van de operator aard maar niet degene waar de bonus voor was afgesproken. Deze werkzaamheden zijn namelijk niet uitgevoerd.”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen om binnen 3 dagen na betekening van deze beschikking aan hem te voldoen:

Primair

  • -

    de aanzegvergoeding van € 2.640,00 bruto;

  • -

    de overeengekomen bonus van € 3.600,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 15%, zijnde een bedrag van € 540,00 bruto;

  • -

    de buitengerechtelijke kosten van € 687,00;

  • -

    de wettelijke rente over € 6.240,00, tot 6 augustus 2020 berekend op € 19,44;

Subsidiair

- een in redelijkheid vast te stellen bedrag ten titel van buitengerechtelijke kosten en rente,

met veroordeling van [verweerster] in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag. De heer [B] van [verweerster] heeft op 21 mei 2020 mondeling aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. [verweerster] heeft echter nagelaten om schriftelijk kenbaar te maken dat de arbeidsovereenkomst niet werd voortgezet. [verweerster] is daarom aan [verzoeker] een vergoeding verschuldigd gelijk aan een bruto maandloon. Verder zijn partijen naast het salaris van € 3.300,00 een bonus van € 300,00 per maand bij prestatie naar tevredenheid overeengekomen. [verzoeker] is niet aangesproken op zijn functioneren en mag er dan ook op vertrouwen dat hij naar tevredenheid heeft gefunctioneerd. [verzoeker] heeft de maandelijkse bonus niet ontvangen.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert verweer. [verweerster] heeft onder meer aangevoerd, kort samengevat, dat het opzeggen van het contract mondeling is gebeurd. [verzoeker] heeft de opzegging per mail bevestigd. Er is geen onduidelijkheid of misverstand ontstaan. Contractueel is vastgelegd dat de bonus een prestatie is naar tevredenheid. De bonus is niet uitgekeerd omdat expliciet is vermeld dat de bonus pas kan worden uitgekeerd als de inwerkperiode voorbij was. Daarnaast ligt de werkprestatie van [verzoeker] niet hoger dan die van directe collega’s met dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Het niveau van een technische operator werd niet gehaald. [verzoeker] was veel ziek en het ontbrak hem aan toewijding. Dat er geen prestatie naar tevredenheid is geleverd door [verzoeker] wordt bevestigd door het niet voortzetten van het contract, aldus [verweerster] .

5 De beoordeling

5.1.

[verzoeker] is in zijn verzoek ontvankelijk, nu hij het verzoekschrift tijdig heeft ingediend. Hij heeft het verzoek immers ingediend binnen de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel e BW genoemde termijn van drie maanden na de dag waarop de verplichting voor [verweerster] op grond van artikel 7:668 lid 1 BW is ontstaan.

Aanzegvergoeding

5.2.

Met betrekking tot de aanzegvergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 7:668 lid 1 BW moest [verweerster] uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege zou eindigen [verzoeker] schriftelijk informeren over het al dan niet voortzetten daarvan. Vast staat dat [verweerster] [verzoeker] niet schriftelijk heeft laten weten of de arbeidsovereenkomst na 11 juni 2020 zou worden voortgezet of niet. Op grond van artikel 7:668 lid 3 BW is [verweerster] daarom in beginsel gehouden een aanzegvergoeding aan [verzoeker] te betalen. De kantonrechter begrijpt dat [verweerster] het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vindt als zij de aanzegvergoeding moet voldoen. [verweerster] heeft daartoe aangevoerd dat zij [verzoeker] mondeling heeft meegedeeld dat het arbeidscontract niet zou worden voortgezet, hetgeen [verzoeker] zelf schriftelijk heeft bevestigd en dat er geen onduidelijkheid noch misverstand kon bestaan.

5.3.

Bij de beoordeling of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 lid 2 BW of artikel 6:248 lid 2 BW), moet terughoudendheid worden betracht. Dit geldt zeker als het gaat om een regel van dwingend recht. Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen slagen. In de wettelijke regel van de aanzegvergoeding ligt een dergelijke belangenafweging al besloten. De wetgever heeft namelijk onder ogen gezien dat een aanzegging ook mondeling zou kunnen worden gedaan, maar niettemin de keuze gemaakt dat de aanzegverplichting “wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht” (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, C, pag. 79). De enkele omstandigheid dat mondeling duidelijkheid zou zijn verstrekt over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, is daarom onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dit geval heeft [verzoeker] echter op 14 mei 2020 zelf schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Voor hem was het derhalve op 14 mei 2020 onmiskenbaar duidelijk dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Onder deze omstandigheid heeft de eis van een schriftelijke aanzegging geen waarborgfunctie meer en betreft dit niet meer dan een formaliteit. De aanspraak op de (volledige) aanzegvergoeding is in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter onaanvaardbaar. Wel is het zo dat [verzoeker] op 14 mei 2020 schriftelijk heeft bevestigd dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Niet is gebleken dat [verzoeker] eerder dan op 14 mei 2020 (schriftelijk) kenbaar was gemaakt dat zijn arbeidsovereenkomst niet werd verlengd. De arbeidsovereenkomst eindigde verder per 11 juni 2020, zodat niet gesteld kan worden dat één maand van tevoren is aangezegd, maar drie dagen te laat. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verzoeker] recht heeft op een aanzegvergoeding pro rata, derhalve op € 255,48 bruto (3/31e deel x € 2.640,00), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van opeisbaarheid tot 6 augustus 2020 – zoals door [verzoeker] gevorderd – berekend op € 0,80.

Bonus

5.4.

[verzoeker] stelt dat aan hem ten onrechte geen bonus is uitgekeerd. In de arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat het aan de werkgever is om te bepalen wanneer een werknemer in aanmerking komt voor de bonus (zie hiervoor onder 2.2). Volgens [verzoeker] bestaat er onduidelijkheid over de uitleg van deze bepaling en was het de bedoeling van partijen om [verzoeker] een maandelijkse salaris van € 3.600,00 te geven. Omdat dit niet contractueel zo kon worden vastgesteld zijn partijen overeengekomen een salaris van € 3.300,00 en een bonus van € 300,00. Op deze manier kon [verzoeker] toch een salaris van € 3.600,00 ontvangen. [verweerster] heeft dat betwist. Volgens [verweerster] heeft zij aangegeven dat zij [verzoeker] geen salaris van € 3.600,00 kon bieden, maar wel € 3.300,00 en dat er bij tevredenheid een bonus kon worden verdiend van € 300,00. [verzoeker] moest dan functioneren boven de functie van een operator en werkzaamheden verrichten die normaal vallen onder de technische dienst.

5.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de tekst in de arbeidsovereenkomst voldoende duidelijk. Er staat immers dat er bij een prestatie naar tevredenheid van [verweerster] een bonus van € 300,00 zal worden uitgekeerd. Nu deze tekst zelf voldoende duidelijk is, hoeft deze niet verder te worden uitgelegd. De werkgever heeft hiermee een discretionaire bevoegdheid, zij heeft het uitkeren van de bonus afhankelijk gesteld van de prestaties van [verzoeker] . Het is derhalve aan [verweerster] om te bepalen wanneer [verzoeker] in aanmerking komt voor een bonus. [verweerster] heeft gesteld dat daartoe geen aanleiding was. Het functioneren van [verzoeker] was juist aanleiding om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. [verzoeker] heeft weliswaar betwist dat hij onvoldoende heeft gefunctioneerd om voor de bonus in aanmerking te komen, maar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerster] niet op redelijke gronden tot het besluit heeft kunnen komen om aan hem geen bonus toe te kennen. De vordering van [verzoeker] tot betaling van de bonus is dan ook niet toewijsbaar. De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover treffen hetzelfde lot.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.6.

De verzochte, niet betwiste, buitengerechtelijke incassokosten worden, gerelateerd aan de toe te wijzen hoofdsom, in overeenstemming met het Besluit toegewezen tot een bedrag van € 40,00.

Proceskosten

5.7.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat [verweerster] zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde en overigens gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent, zullen de kosten van [verweerster] op nihil worden begroot.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [verweerster] om binnen drie dagen na betekening van deze beschikking te betalen aan [verzoeker] :

  • -

    de (pro rata) aanzegvergoeding van € 255,48 bruto vermeerderd met de wettelijke rente daarover tot 6 augustus 2020 berekend op € 0,80;

  • -

    de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00.

6.2.

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2020

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.