Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:902

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
UTR 18/2506 en UTR 18/3715
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak UTR 18/2506 gaat het om een aanvraag omgevingsvergunning voor onder meer het bouwen van twee woonarken. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar bepaald dat de aanvraag opnieuw in behandeling wordt genomen met gebruikmaking van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd vanwege strijd met artikel 7:11 Awb. In de zaak UTR 18/3715 gaat het om de vraag of van rechtswege een omgevingsvergunning voor de woonarken is verleend. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor bouwwerken te verlenen. De vergunning kan alleen met een buitenplanse afwijking verleend worden. Geen vergunning van rechtswege. Verweerder moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 18/2506 en UTR 18/3715

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. " [naam] ", te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigde: drs. D.W.L.J. Cramers).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woonarken en de aanleg van een toegangspad en parkeerplaatsen op het perceel [adres] te [woonplaats] buiten behandeling te stellen.

Bij besluit van 17 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en meegedeeld dat de aanvraag opnieuw in behandeling wordt genomen met gebruikmaking van de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer UTR 18/2506).

Eiser heeft ook beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken (zaaknummer UTR 18/3715).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van jachthaven “ [naam] ” in [woonplaats] . In de jachthaven ligt één bestaande woonark. Eiser heeft op 13 juli 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van twee woonarken in de jachthaven en voor de aanleg van een toegangspad voor hulpdiensten en parkeerplaatsen voor de bestaande en beoogde woonarken.

2. Op de gronden waar de woonarken zouden worden gebouwd geldt binnen het bestemmingsplan ‘Het Wijde Blik 2004’ (het bestemmingsplan) de bestemming ‘jachthaven’.

Eiser heeft verweerder bij brief van 18 juli 2018 verzocht om bekend te maken dat de vergunning van rechtswege is verleend vanwege het verstrijken van de beslistermijn. Verweerder heeft dit geweigerd en zich op het standpunt gesteld dat de vergunning niet van rechtswege verleend kan zijn omdat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.

UTR 18/2506

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit herroepen en meegedeeld dat de aanvraag in behandeling wordt genomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Hiermee heeft verweerder niet op de aanvraag beslist, maar is slechts een besluit op de aanvraag in het vooruitzicht gesteld. Dit is in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat als het bezwaar ontvankelijk is op grondslag daarvan een heroverweging van het besluit plaatsvindt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het besluit als de heroverweging daartoe aanleiding geeft en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit artikel brengt met zich mee dat als een bestuursorgaan bij de heroverweging van een besluit om een aanvraag buiten behandeling te stellen alsnog tot het oordeel komt dat de aanvraag in behandeling moet worden genomen, het besluit moet worden herroepen en gelijktijdig op de aanvraag moet worden beslist. Niet kan worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een besluit. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS8404.

4. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat in het bestreden besluit nog geen beslissing op de aanvraag kon worden genomen, omdat de uitgebreide voorbereidingsprocedure nog gevolgd moest worden. Artikel 7:10 Awb biedt echter mogelijkheden om een beslissing op bezwaar uit te stellen in het kader van de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

5. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:11 Awb. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en dat het besluit moet worden vernietigd. Of daarvoor een ander besluit in de plaats moet komen is afhankelijk van het antwoord op de vraag of er een vergunning van rechtswege is verleend. Als een vergunning van rechtswege is verleend hoeft verweerder immers niet meer te beslissen op eisers aanvraag. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of dat het geval is.

UTR 18/3715

Toetsingskader vergunning van rechtswege

6. Partijen zijn het er over eens dat voor de activiteiten een (bouw)vergunning nodig is. In beginsel wordt een vergunning op grond van artikel 4:20b Awb van rechtswege verleend als verweerder niet tijdig op de aanvraag beslist. In artikel 3:10 lid 4 Awb is echter opgenomen dat artikel 4:20b Awb niet geldt als een besluit moet worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. In artikel 3.10 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is in geval van een aanvraag voor een omgevingsvergunning die geheel of gedeeltelijk

betrekking heeft op het gebruiken (waaronder ook bouwen wordt verstaan) van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en er slechts een vergunning kan worden verleend met gebruikmaking van artikel 2.12, eerste 1, sub a onder 3 van de Wabo (de buitenplanse afwijking). De vergunning kan dan niet worden verleend op grond van een afwijkmogelijkheid binnen het bestemmingsplan (binnenplanse afwijking) of op grond van de kruimelgevallenregeling uit artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).

7. Dat betekent dat de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend als de aanvraag niet in strijd is met bestemmingsplan, als een afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan kan worden gebruikt of als sprake is van een zogeheten kruimelgeval. Als (een onderdeel van) de gevraagde vergunning alleen verleend kan worden met gebruikmaking van een buitenplanse afwijking is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing en is de vergunning niet van rechtswege verleend.

8. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank stelt vast, dat de activiteiten geen ‘kruimelgevallen’ zijn als bedoeld in artikel 4 van Bijlage II bij het Bor. De vraag die moet worden beantwoord is of de activiteiten waarvoor eiser een omgevingsvergunning vraagt passen binnen het bestemmingsplan, en zo nee, of de gevraagde omgevingsvergunning dan met gebruikmaking van een binnenplanse afwijking kan worden verleend.

9. Eiser heeft aangevoerd dat de woonarken zijn toegestaan op grond van artikel 12, eerste lid, sub k, in combinatie met artikel 12, tweede lid, sub f van de planregels. En anders kan verweerder in ieder geval op grond van artikel 12, vierde lid van de planregels vrijstelling verlenen voor de woonarken. Voor de aanlegactiviteiten (toegangspad voor hulpdiensten en parkeerplaatsen) kan verweerder op grond van artikel 28 van de planregels een omgevingsvergunning verlenen, aldus eiser.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonarken niet passen binnen het bestemmingsplan. Ook kan geen vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 12, vierde lid van de planregels, omdat woonschepen sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1331) moeten worden aangemerkt als bouwwerken en in het bestemmingsplan geen bouwregels voor woonschepen staan.

11. Dat de woonarken bouwwerken zijn wordt door eiser niet betwist en ook de rechtbank stelt dat vast. De rechtbank moet dus beoordelen of het bestemmingsplan de bouw van woonarken mogelijk maakt.

De bouw van woonarken

12. In lid 2 onder f van artikel 12 van de planregels staat met betrekking tot ligplaatsen voor woonschepen, kort gezegd, dat uitbreiding van het aantal ligplaatsen van woonschepen in het plangebied niet is toegestaan en dat het totaal aantal ligplaatsen voor woonschepen voor [naam] niet meer dan 2 mag bedragen. In lid 4 is een vrijstellingsmogelijkheid opgenomen: ‘Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 2 onder f voor het vergroten van het maximum aantal ligplaatsen voor woonschepen per jachthaven, mits het maximaal toegestane aantal ligplaatsen voor woonschepen in het plangebied niet wordt overschreden.’

13. Artikel 12 van het bestemmingsplan biedt dus de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor een ligplaats van een woonschip. Voor de bouw van een woonschip biedt het bestemmingsplan geen mogelijkheid. In artikel 12, derde lid van de planregels zijn bouwvoorschriften opgenomen voor bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, recreatiewoningen, woningen, bijgebouwen bij ligplaatsen voor woonschepen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze bouwwerken - met uitzondering van bouwwerken, geen gebouw zijnde - mogen op grond van artikel 12, derde lid van de planregels alleen worden gebouwd op een plek waar dat is aangegeven op de plankaart. Zo’n aanduiding is er niet in het water - de plek waar woonschepen moeten worden gebouwd. Voor zover een woonschip zou vallen onder de categorieën bouwwerken (gebouwen) die zijn genoemd in artikel 12, derde lid, van de planvoorschriften, is het bouwen van een woonschip in het plangebied dus niet toegestaan. Niet gesteld of gebleken is dat de woonarken een bouwwerk, geen gebouw zijnde als bedoeld in de planregels zijn. Eiser heeft op de zitting nog gewezen op artikel 12, tweede lid, sub g van de planregels, maar in dit artikel staan maatvoeringseisen die gelden voor woonschepen als deze eenmaal zijn toegestaan. Dit biedt dus geen mogelijkheid voor het bouwen van een woonschip.

14. Voor de woonarken kan daarom niet op grond van (afwijkingsmogelijkheden binnen) het bestemmingsplan een omgevingsvergunning worden verleend. Dat kan alleen met gebruikmaking van een buitenplanse afwijking. Dat betekent dat op de gehele aanvraag - dus ook voor de aangevraagde aanlegactiviteiten - de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat de gevraagde omgevingsvergunning niet van rechtswege kan zijn verleend. Het beroep tegen de weigering om de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken slaagt niet. Het standpunt van eiser dat voor de aanlegactiviteiten op grond van artikel 28 van de planregels een omgevingsvergunning kan worden verleend hoeft daarmee niet meer besproken te worden.

Conclusie UTR 18/2506

15. Het bestreden besluit moet wegens strijd met artikel 7:11 Awb worden vernietigd. Omdat de vergunning niet van rechtswege is verleend moet er alsnog een beslissing op de aanvraag worden genomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder moet met gebruikmaking van de uitgebreide voorbereidingsprocedure een nieuw besluit nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes maanden.

16. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1024,-. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €512,- en een wegingsfactor 1).

Conclusie UTR 18/3715

17. Het beroep tegen de weigering om de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

UTR 18/2506

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €338,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1024,-.

UTR 18/3715

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.