Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5647

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
16/994002-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Mansfield. PGB-fraude. Gevangenisstraf van 4 jaar en beroepsverbod van 6 jaar. Verdachte was als zorgcoördinator betrokken bij een organisatie die zorg verleende in het kader van PGB. Voldoende bewijs dat meer zorg werd gedeclareerd dan door de organisatie werd verleend. Een deel van de PGB-bedragen werd met de budgethouders gedeeld. Oplichting voor een bedrag van ruim 4,6 miljoen euro. De geldbedragen werden vervolgens witgewassen, onder andere d.m.v. de bouw van een appartementencomplex in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/994002-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

Geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 juli 2018, 12 september 2018, 5 december 2018, 19 februari 2019, 15 mei 2019 (regie- en pro formazittingen), 8, 9 en 28 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 14 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. M.O. van Driel en mr. A.M.C.V. Fellinger (hierna in enkelvoud te noemen: de officier van justitie) en van hetgeen verdachte en mr. J.W.D. Roozemond, advocaat te Utrecht, alsmede de benadeelde partijen Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., beiden vertegenwoordigd door mr. I. Punt, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 5 december 2018 nader omschreven. Vervolgens is de tenlastelegging op de zitting van 8 oktober 2019 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

feit 1 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt

en/of

verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren;

feit 1 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven

en/of

[thuiszorg] B.V. van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 2 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente Utrecht heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen;

feit 2 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente Utrecht heeft opgelicht voor een totaalbedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen, en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 3 primair:

verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-;

feit 3 subsidiair:

[thuiszorg] B.V. in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,- en verdachte aan deze gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft als onderbouwing een aantal standpunten naar voren gebracht. Deze zullen hierna, voor zover relevant, worden besproken onder ‘het oordeel van de rechtbank’.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield)

[thuiszorg] B.V. (hierna: [thuiszorg] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een Utrechtse zorgorganisatie. Verdachte en zijn broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren (respectievelijk als zorgcoördinator, directeur en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [thuiszorg] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB).

Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw).

Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en zijn medeverdachten ervan dat op deze documenten meer zorg werd vermeld dan door [thuiszorg] daadwerkelijk aan zorg werd geleverd. Volgens het Openbaar Ministerie werd vervolgens door verdachte in samenwerking met zijn medeverdachten een deel van het ontvangen PGB-bedrag met de budgethouder gedeeld. Dit zou ook blijken uit de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, welke lijsten door de opsporingsinstanties ‘verdeellijsten’ zijn genoemd. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank hierna steeds van verdeellijsten spreken wanneer zij aan deze lijsten refereert.

4.3.2.

Verzoek van de verdediging

De raadsman heeft in zijn pleidooi naar voren gebracht dat het onderzoek in deze zaak onvolledig is geweest. Om de zaak goed te kunnen beoordelen, zouden alle (132) budgethouders van [thuiszorg] gehoord moeten worden. Alleen op die wijze kan, volgens de raadsman, grondig worden gereconstrueerd hoeveel zorg er door [thuiszorg] is verleend en in hoeverre de facturen en declaraties die zijn ingediend onjuist zijn.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af. Al in een eerder stadium van het onderzoek is door de raadsman verzocht om alle budgethouders als getuige te horen. De rechtbank heeft dat verzoek toen afgewezen, omdat het onvoldoende onderbouwd was. De raadsman herhaalt nu zijn verzoek, zonder nader te motiveren waarom het horen van (al) deze budgethouders noodzakelijk zou zijn. Aldus is het verzoek van de raadsman nog steeds onvoldoende onderbouwd en wordt het opnieuw door de rechtbank afgewezen.

4.3.3.

Inleidende overwegingen

Kern van het verwijt

De rechtbank stelt vast dat in de strafprocedure veel onderzoek is gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [thuiszorg] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [thuiszorg] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol.

Is de verantwoorde zorg geleverd?

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [thuiszorg] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van de rechtbank (minst genomen) een indicatie dat niet alle zorg is verleend.

Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg geleverd heeft. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle zorg is geleverd.

In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [thuiszorg] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

De rechtbank zal op grond van voornoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. De rechtbank zal komen tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen).

Bij de behandeling van feit 2 zal de rechtbank verschillende bewijsmiddelen opnemen, waaruit kan worden afgeleid dat op de aangetroffen verdeellijsten weergegeven geldbedragen ook daadwerkelijk met de budgethouders werden gedeeld overeenkomstig de op deze lijsten genoemde percentages. Het gaat hierbij onder meer om de verklaringen van budgethouders of hun familieleden, de betalingen aan budgethouders en de verklaring van [medeverdachte 2] . De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 2] voor het bewijs mag worden gebruikt, ondanks dat hij als getuige geen inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank berust het oordeel dat er zorggelden zijn gedeeld niet in overwegende of beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 2] .

4.3.4.

Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3 1

4.3.4.1. Inleiding

De rechtbank zal in de volgende paragrafen de bewijsmiddelen opnemen waarop zij haar oordeel baseert. In de eerste plaats wordt in deze bewijsmiddelen ingegaan op de (verschillende) regelgeving betreffende het PGB, op de organisatie [thuiszorg] en op de functies van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] binnen deze organisatie. Vervolgens worden bewijsmiddelen opgenomen die zien op de aangetroffen verdeellijsten. De rechtbank zal daarna een aantal verklaringen en onderzoeksbevindingen met betrekking tot enkele budgethouders opnemen, waaruit blijkt dat de zorggelden daadwerkelijk werden gedeeld met budgethouders. Ten slotte zullen onderzoeksbevindingen van de Inspectie worden opgenomen, waaruit blijkt dat [thuiszorg] niet alle zorg heeft kunnen leveren die werd gefactureerd en gedeclareerd.

4.3.4.2. Regelgeving PGB

Regelgeving AWBZ

Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren.2

Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekende

budget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor.3

Regelgeving Wlz, Wmo en Zvw

Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw).4

Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener.5

De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren, daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren:

• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit.

• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie.6

Zilveren Kruis heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [thuiszorg] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden.7

[getuige 1] , werkzaam bij de gemeente Utrecht, heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders.8 Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 1] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef.9

4.3.4.3. [thuiszorg]

Organisatie

[thuiszorg] , gevestigd te [vestigingsplaats] , is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014.10 Als enig bestuurder staat geregistreerd [medeverdachte 1] .11

Functie [medeverdachte 1]

In het personeelshandboek van [thuiszorg] van 1 oktober 2016 staat dat [medeverdachte 1] directeur is.12

[medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [thuiszorg] . Hij zit iedere week de vergadering voor.13

Functie [verdachte]

In het personeelshandboek staat bij [verdachte] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven:

• Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld.

• Afspraken maken omtrent zorg.

• Stelt de zorgteam samen voor de cliënt.

• Begeleiden van de begeleiders.14

[verdachte] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft.15

Functie [medeverdachte 2]

Bij [medeverdachte 2] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven:

• Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding

• Administratieve werkzaamheden

• Managen van de financiën en lease

• Facturen maken/facturen betalen16

[medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [thuiszorg] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [verdachte] of de afdeling van

[verdachte] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [medeverdachte 2] en [verdachte] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [medeverdachte 2] door [verdachte] gemaakt.17

4.3.4.4. Verdeellijsten

In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen:

2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen)

2015: 1 maand (digitaal van december 2015)

2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december)

2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar)

2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart)

Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld.18

De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [thuiszorg] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [thuiszorg] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten.19

Tijdens één van de verhoren is aan verdachte [medeverdachte 2] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (de rechtbank begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [medeverdachte 2] bevestigend. [medeverdachte 2] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [medeverdachte 2] zelf gemaakt.20

[medeverdachte 2] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [thuiszorg] houdt.21

Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk.22 In dit gesprek zegt [medeverdachte 1] het volgende tegen [verdachte] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.”23

De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [thuiszorg] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd.24 Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld.

Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op
€ 4.673.959,-.25

4.3.4.5. [getuige 2]

Budgethouder [getuige 2] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [thuiszorg] . Hij heeft verklaard dat [verdachte] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [getuige 2] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [verdachte] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [getuige 2] een PGB ontving. Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [verdachte] , een enkele keer van [verdachte] neefje.26

Tijdens doorzoekingen bij [thuiszorg] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [getuige 2] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [thuiszorg] aan [getuige 2] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00.27

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en [verdachte] blijkt het volgende:

10-10-2017

[getuige 2] : Broer, komt het van de maand morgen?

12-10-2017

[verdachte] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening.

13-10-2017

[getuige 2] : Het staat erop, broer. Bedankt.

Op de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van [getuige 2] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer] , op naam van [verdachte] .28

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en ‘ [B] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende:

[B] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag

[getuige 2] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig

[getuige 2] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub

[B] : Woon je nu daar?

[getuige 2] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen

Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije).29 [getuige 2] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [thuiszorg] zorg is gefactureerd aan [getuige 2] .30

Voorafgaand aan het huisbezoek van het Zilveren Kruis bij [getuige 2] op 9 november 2017 hadden [verdachte] en [getuige 2] het volgende gesprek:

8-11-2017

[getuige 2] : Broer, zal ik me scheren?

[verdachte] : Ja doe maar.

[verdachte] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg.

[getuige 2] : Ok broer.31

4.3.4.6. [budgethouder 1]

[getuige 3] , de zoon van budgethouder [budgethouder 1] , heeft verklaard dat het klopt dat hij contante bedragen kreeg. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Hij voelt zich dubbel benadeeld, ook omdat zijn moeder zorg nodig had, maar deze niet volledig is geleverd.32 Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [verdachte] en één keer door iemand anders.33

Op de bankrekening van [getuige 3] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [thuiszorg] en één overboeking vanaf een rekening van [verdachte] aangetroffen.34

4.3.4.7. [budgethouder 2]

[getuige 4] , de vader van budgethouder [budgethouder 2] , heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [verdachte] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel.35 [getuige 4] heeft een keer zijn DigiD-code aan [verdachte] gegeven. [verdachte] wilde zelf inloggen.36

Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 2] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [thuiszorg] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [getuige 4] , de vader van [budgethouder 2] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [C] , de echtgenote van [medeverdachte 2] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort.37

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende:

[medeverdachte 2] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [getuige 4] sturen

[medeverdachte 1] : Stuur ook rekeningnummer mee

[medeverdachte 2] : [getuige 4] [rekeningnummer]

[medeverdachte 1] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen

Op de bankrekening van [medeverdachte 1] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [thuiszorg] B.V., met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [getuige 4] .38

4.3.4.8. [budgethouder 3]

[getuige 5] , de man van budgethouder [budgethouder 3] , heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld.39 Er kwam niemand van [thuiszorg] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [getuige 5] zelf.40 Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [D]41. [verdachte] gaf door als er geld was overgemaakt.42

Door [thuiszorg] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [D] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 3] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017.43

4.3.4.9. [budgethouder 4]

[getuige 6] , de broer van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [thuiszorg] te delen. De afspraken hierover heeft [getuige 6] gemaakt met [verdachte] . [verdachte] bracht het geld ook bij hem.44

[getuige 6] heeft verklaard dat zijn broer geen persoonlijke verzorging heeft gehad, maar hij had dat wel nodig. [getuige 6] verleende dat zelf aan zijn broer. Als [thuiszorg] ook de persoonlijke verzorging zou moeten geven, dan hadden ze daar meer personeel voor in moeten zetten. Dat zou kosten met zich meebrengen en dat zou weer betekenen dat [getuige 6] niets zou krijgen. Zijn broer kreeg dus alleen dagbesteding van [thuiszorg] .

[verdachte] wist dat [getuige 6] zonder werk zat en wilde hem helpen. [verdachte] kwam met het voorstel om hem op papier in dienst te nemen en op deze manier, door hem uit te betalen, het zorggeld te delen. De loonstroken zijn vals, want [getuige 6] heeft daar nooit gewerkt.45

Op het bankrekeningnummer op naam van [getuige 6] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017.46

4.3.4.10. Geleverde zorg

Personeelskostendruk

Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd.47 Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren.

Op basis van de belastinggegevens van [thuiszorg] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [thuiszorg] als volgt uit:

- 2014: 8,2 %

- 2015: 9,6 %

- 2016: 11,3 %.

Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [thuiszorg] beschikbaar.48

Individuele zorg

Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [thuiszorg] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:

  • -

    de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst;

  • -

    de digitale administratie van [thuiszorg] ;

  • -

    de mutaties op de bankrekeningen van [thuiszorg] ;

  • -

    de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd;

  • -

    AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 1] .49

Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [thuiszorg] .50

Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [thuiszorg] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn.51

Op basis van deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben.52

Dagbesteding

Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leveren

dagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 vermoedelijk uit op 14.664 dagdelen.53

Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit het

onderzoek naar de betaalde facturen van [thuiszorg] over de jaren 2014 tot en met 2017,

komt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn.

Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben.54

Geleverde zorg in relatie tot omzet

Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [thuiszorg] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [thuiszorg] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539.228,- ontvangen.55

Op basis van deze getallen volgt dat [thuiszorg] vermoedelijk maximaal 28,1 % van de

totale zorg geleverd kan hebben.56

4.3.5.

Bewijsoverweging oplichting

Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt de rechtbank tot de conclusie dat [thuiszorg] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord.

De rechtbank baseert haar oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers:

  • -

    de verdeellijsten;

  • -

    het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [thuiszorg] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren;

  • -

    de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [thuiszorg] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

De verdachte heeft naar voren gebracht dat de verdeellijsten moeten worden gezien als een overzicht van de inkomsten en kosten per budgethouder (“kostenplaatje”). De rechtbank acht die uitleg in het licht van de bewijsmiddelen volstrekt onaannemelijk. Zo volgt uit verschillende bewijsmiddelen dat bedragen die bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Daarnaast heeft ook de verklaring van [medeverdachte 2] , die hij heeft afgelegd bij de Inspectie, deze strekking. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld.

In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen in het geval dat in de verdeellijst een bedrag is opgenomen dat zou zijn uitbetaald aan de budgethouder is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. De rechtbank concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld.

De Inspectie heeft daarnaast uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [thuiszorg] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [thuiszorg] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [thuiszorg] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [thuiszorg] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [thuiszorg] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [getuige 6] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [thuiszorg] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [getuige 6] kon worden gedeeld.

Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door de verdediging is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [thuiszorg] niet klopt. Slechts met betrekking tot 11 budgethouders en 31 facturen is door de verdediging onderbouwd verweer gevoerd dat de gefactureerde en verantwoorde zorg ook daadwerkelijk is verleend. Dit verweer zal hierna bij de bespreking van feit 1 (valsheid in geschrift) worden verworpen (met uitzondering van een factuur die niet is meegenomen in de berekening van voornoemd bedrag) en maakt dan ook niet dat dit bedrag van € 4.673.959,- naar beneden zou moeten worden bijgesteld.

De rechtbank komt tot de conclusie dat door [thuiszorg] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt de rechtbank af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. Over de rol van verdachte en zijn medeverdachten hierbij zal de rechtbank onder 4.3.8 nader ingaan.

4.3.6.

Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift

4.3.6.1. Inleidende overwegingen

Van alle door [thuiszorg] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrift ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [thuiszorg] werd verleend.

De meeste van deze 31 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat de rechtbank ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. In het geval dat er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal de rechtbank aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd.

4.3.6.2. Algemeen bewijsmiddel

Tijdens de doorzoeking op 4 april 2018 van het kantoorpand van [thuiszorg] aan de

[adres] in [vestigingsplaats] zijn onder meer 18 ordners met daarin facturen aangetroffen en in beslag genomen. Dit betreffen facturen over de jaren 2014 tot en met (het tot dan toe verstreken gedeelte van) 2018 van [thuiszorg] aan de budgethouders. Deze facturen maken kennelijk deel uit van de boekhouding van [thuiszorg] . Deze facturen zijn ook aangetroffen in de digitale gegevens van [thuiszorg] die eveneens zijn veilig gesteld bij de doorzoeking.

Uit deze 18 ordners zijn de facturen geselecteerd van budgethouders die nader onderzocht

zijn.57

4.3.6.3. Bewijsmiddelen [getuige 2]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-012-0558

31 december 2016

Persoonlijke verzorging WLZ december 2016

24

€ 3.440,00

Begeleiding individueel WLZ december 2016

62

DOC-012-0759

3 april 2017

Persoonlijke verzorging WLZ maart 2017

30

€ 2.880,00

Begeleiding individueel WLZ maart 2017

42

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [medeverdachte 2] naar de bankrekening op naam van budgethouder [getuige 2] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder.60

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [getuige 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”.61

4.3.6.4. (Bewijs)overwegingen [getuige 2]

Vrijspraak ten aanzien van DOC-012-02

De rechtbank zal verdachte vrijspreken met betrekking tot de factuur met het kenmerk DOC-12-02, die onder feit 1 als vals geschrift is ten laste gelegd. Deze factuur ziet op de maand januari 2014. Van deze maand is wel een verdeellijst aangetroffen. Op deze verdeellijst staat de naam van budgethouder [getuige 2] , maar in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen” staan geen bedragen ingevuld. Bovendien is door [getuige 2] verklaard dat er begin 2014 wel enkele weken zorg is verleend door [thuiszorg] . Gelet op het feit dat de rechtbank de aangetroffen verdeellijsten betrouwbaar acht en op deze lijst geen bedragen staan genoemd die met [getuige 2] zouden zijn gedeeld, en gelet op de verklaring van [getuige 2] zelf, kan de rechtbank met onvoldoende zekerheid vaststellen dat reeds in januari 2014 PGB-gelden met [getuige 2] zijn gedeeld. In het dossier bevindt zich ook geen ander bewijs dat steun geeft aan het delen van PGB-gelden met [getuige 2] in deze maand. Nu onvoldoende duidelijk is geworden dat er in deze maand is gedeeld en er in januari 2014 wel enige zorg is verleend aan [getuige 2] is, kan niet worden bewezen dat de in deze maand opgevoerde uren onjuist zijn en er dus sprake is van een vals geschrift.

Voldoende zorg geleverd ten aanzien van DOC-012-05 en DOC-012-07?

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat het aantal uren zorg vermeld op de facturen van [getuige 2] ook daadwerkelijk is geleverd. [getuige 2] heeft in zijn verklaring, waarin hij ook zichzelf belast, aangegeven dat er begin 2014 slechts enkele weken zorg zijn verricht door [thuiszorg] , daarna niet meer. Gelet op deze verklaring en de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er met [getuige 2] zorggelden werden gedeeld en er door [thuiszorg] structureel en substantieel te weinig zorg werd verleend, acht de rechtbank de verklaring van [verdachte] over het verlenen van zorg aan [getuige 2] volstrekt ongeloofwaardig.

4.3.6.5. Bewijsmiddelen [budgethouder 1]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-015-0662

4 januari 2016

Begeleiding individueel december 2015

31

€ 2.840,00

Begeleiding groep december 2015

40

DOC-015-2563

1 mei 2017

Persoonlijke verzorging april 2017

120

€ 4.651,20

DOC-015-2664

1 mei 2017

Begeleiding groep (WMO) april 2017

28

€ 1.120,00

4.3.6.6. Overwegingen [budgethouder 1]

De raadsman heeft naar voren gebracht dat er aan [getuige 3] voldoende zorg is verleend. [getuige 3] heeft namelijk verklaard dat hij 30 uur per week zorg verleende. [F] verleende (op oproepbasis) 2 tot 3 uur zorg per keer, wat volgens de raadsman neerkomt op 14 tot 21 uur zorg per week.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit standpunt. [getuige 3] heeft verklaard dat zijn moeder recht had op ongeveer 30 uur zorg per week. Hij verklaart niet dat die zorg, na zijn contract met [thuiszorg] , voor 30 uur per week door hem werd geleverd. Bovendien verklaart hij in zijn derde verhoor dat er zorggeld werd gedeeld en dat zijn moeder zorg nodig had, maar dat deze zorg niet volledig is geleverd. De rechtbank acht deze derde verklaring betrouwbaar. Niet alleen omdat verdachte met deze verklaring zichzelf belast, maar ook omdat de verklaring overeenkomt met de aangetroffen verdeellijsten en de betalingen aan [getuige 3] . Zijn verklaring bij de rechter-commissaris waarin hij terugkomt op zijn bekennende verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig.

[F] heeft een verklaring afgelegd waarin zij aangeeft dat ze op oproepbasis beschikbaar was. Als ze werd opgeroepen, verleende ze 2 tot 3 uur zorg. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid in welke periode dit gebeurde en hoe vaak dit voor is gekomen. De stelling van de raadsman dat zij 14 tot 21 uur per week zorg verleende kan derhalve niet uit deze verklaring worden afgeleid.

Gelet op het voorgaande is in het niet aannemelijk geworden dat aan [budgethouder 1] de hoeveelheid zorg werd verleend, zoals die op de facturen is verantwoord. De drie hierboven genoemde facturen, die ook alle drie op de verdeellijsten staan vermeld, kunnen daarom worden aangemerkt als valse geschriften.

4.3.6.7. Bewijsmiddelen [budgethouder 2]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-016-0265

21 maart 2014

Begeleiding individueel april 2014

45

€ 1.800,00

DOC-016-0466

4 januari 2016

Begeleiding groep december 2015

42

€ 1.680,00

DOC-016-0567

31 december 2016

Begeleiding individueel (WLZ) december 2016

44,65

€ 3.466,00

Begeleiding groep (WLZ) december 2016

42

Op 28 maart 2014 vindt er een overboeking plaats van € 1.800,00 van de bankrekening op naam van [budgethouder 2] naar de bankrekening op naam van [thuiszorg] . Op 11 en 22 april 2014 vinden er contante stortingen plaats van in totaal € 730,00 op het rekeningnummer op naam van [getuige 4] .68

[getuige 4] heeft verklaard dat er vanaf het begin elke maand geld is gedeeld, vanaf 2014 tot en met februari 2018.69

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00.

In de maand december 2016 vinden er twee contante stortingen plaats op de rekening van [getuige 4] van respectievelijk € 900,- en € 700,-.70

In de administratie van [thuiszorg] is een zorgovereenkomst71 aangetroffen tussen [thuiszorg]

en budgethouder [budgethouder 2] . Namens [thuiszorg] is de overeenkomst getekend door [medeverdachte 2] , namens [budgethouder 2] heeft [getuige 4] de overeenkomst getekend als gemachtigd vertegenwoordiger. In de overeenkomst is vastgelegd dat de zorginstelling een vast maandbedrag van € 3.466,00 ontvangt vanaf augustus 2016. De zorginstelling verleent een vast aantal uren zorg per week, te weten 20 uur. De zorgovereenkomst is op 1 maart 2016 gedateerd.72 Uit de zorgovereenkomst blijkt dat het gaat om werkzaamheden op grond van de Wlz, namelijk “pv+bi+bg” (de rechtbank begrijpt: persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep).73

4.3.6.8. Bewijsoverweging [budgethouder 2]

Ontbrekende verdeellijsten

Van de maand april 2014 is weliswaar een verdeellijst aangetroffen, maar deze bleek onvolledig te zijn. Op grond van de bewijsmiddelen staat echter vast dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met [getuige 4] . In de eerste plaats wordt door [getuige 4] zelf verklaard dat er vanaf het begin iedere maand zorggeld werd gedeeld. Daarnaast blijkt dat er in april 2014, nadat het PGB-geld voor de maand april 2014 is overgemaakt, twee stortingen plaatsvinden op de rekening van [getuige 4] .

Ook voor wat betreft de factuur van december 2016 acht de rechtbank voldoende bewijs aanwezig voor de conclusie dat er zorggeld is gedeeld. Van deze maand is weliswaar geen verdeellijst aangetroffen, maar gelet op de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 4] en de contante stortingen die in december 2016 zijn gedaan op de rekening van [getuige 4] , is de rechtbank van oordeel dat ook in deze maand zorggeld is gedeeld.

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft betoogd dat er aan [budgethouder 2] voldoende zorg is verleend. Zo verklaart zijn vader, [getuige 4] , dat er 25 uur per week aan zorg werd geleverd. Daarnaast verklaart [getuige 7] dat zij constant met [budgethouder 2] bezig was als zij op de groep werkzaam was. Dat was 2 dagen per week. Ook [getuige 8] verklaart aan [budgethouder 2] zorg te hebben verleend als hij op de groep aanwezig was.

Uitgaande van de verklaring van [getuige 4] , ging [budgethouder 2] 20 tot 25 uur per week naar de dagbesteding. Anders dan bij de individuele zorg, kan voor een dagdeel (4 uur) aan dagbesteding slechts 1 uur worden gefactureerd. Per week zou in dat geval dus ongeveer 6 uur gedeclareerd kunnen worden en per maand ongeveer 24 uur. Op de facturen van december 2015 en december 2016 wordt echter bijna het dubbele aan uren gedeclareerd. De rechtbank concludeert dan ook dat de uren aan groepsbegeleiding zoals die gedeclareerd zijn, onjuist zijn.

Wat betreft de individuele begeleiding overweegt de rechtbank het volgende. [getuige 4] heeft verklaard dat de individuele begeleiding van [budgethouder 2] nooit langer duurde dan een uur. Soms was dat drie dagen per week. Hij kan zich niet herinneren dat dit wel eens vaker dan één keer op een dag gebeurde. Dat komt neer op ongeveer 12 uur aan individuele zorg per maand. Uit de verklaringen van [getuige 8] en [getuige 7] komt weliswaar naar voren dat er ook tijdens de dagbesteding individuele zorg werd verleend, maar blijft geheel onduidelijk hoeveel dat was en in welke verhouding dat stond tot de groepsbegeleiding die ook in rekening werd gebracht. In elk geval blijkt hieruit in het geheel niet dat per maand ruim 40 uur aan individuele zorg kon worden gedeclareerd, zoals in april 2014 en december 2016 is gedaan.

Zorgovereenkomst een vals geschrift?

Zoals hiervoor uiteen is gezet, blijkt uit de getuigenverklaringen dat aan [budgethouder 2] ongeveer 24 uur per maand aan groepsbegeleiding en ongeveer 12 uur per maand aan individuele begeleiding zou zijn verleend. In de zorgovereenkomst is opgenomen dat aan [budgethouder 2] per week 20 uur aan zorg werd verleend. Dat zou volgens de overeenkomst bestaan uit persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep. Zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen bestond de begeleiding van [budgethouder 2] voornamelijk uit groepsbegeleiding. De rechtbank concludeert dat de zorg die per maand is gedeclareerd, te weten ruim 86 uur, niet door [thuiszorg] geleverd is. Daarom kan ook de zorgovereenkomst worden aangemerkt als een vals geschrift.

4.3.6.9. Bewijsmiddelen [budgethouder 5]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-014-0274

2 januari 2014

Persoonlijke verzorging + verpleging januari 2014

50,75

€ 2.030,00

DOC-014-0475

4 januari 2016

Begeleiding groep december 2015

10

€ 400,00

DOC-014-1076

3 april 2017

Persoonlijke verzorging maart 2017

135

€ 5.859,60

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00.77

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00.78

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”.79

4.3.6.10. Bewijsoverweging [budgethouder 5]

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft naar voren gebracht dat [budgethouder 5] , de budgethouder, heeft verklaard dat ze (de rechtbank begrijpt: medewerkers van [thuiszorg] ) iedere dag langs kwamen en 3 tot 4 uur zorg verleenden. [E] is in januari 2017 begonnen bij [thuiszorg] en heeft verklaard dat zij 12 uur per week zorg verleende. [F] werkte bij [budgethouder 5] op oproepbasis, tussen de 2 en 3 uur per dag.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de drie facturen die betrekking hebben op budgethouder [budgethouder 5] alle drie voorkomen op een verdeellijst. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de bedragen die op de verdeellijsten staan genoemd, daadwerkelijk met de budgethouder (of een familielid) zijn gedeeld. Uitgangspunt is derhalve dat de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend.

De verklaringen van de zorgverleners die door de raadsman worden genoemd, hebben geen betrekking op de eerste factuur; zij waren immers nog niet werkzaam bij [thuiszorg] in 2014.

De enige verklaring die de factuur van januari 2014 zou moeten onderbouwen, is dus de verklaring van [budgethouder 5] zelf. De rechtbank is van oordeel dat met deze verklaring zeer terughoudend dient te worden omgegaan. In de eerste plaats omdat zij, als budgethouder, zelf partij is bij de afspraak om zorggeld te delen. In de tweede plaats omdat uit de inhoud van het verhoor blijkt dat zij op veel vragen geen helder en consistent antwoord geeft en een aantal vragen niet lijkt te begrijpen. Zij heeft in haar verhoor ook aangegeven dat zij niet weet vanaf welk moment [thuiszorg] bij haar langs kwam. Los van de vraag of haar verklaring bruikbaar is, is het dus allerminst duidelijk of haar verklaring dat er 3 tot 4 uur zorg werd verleend ook betrekking heeft op de maand januari 2014.

Wat betreft de tweede factuur is niet door de raadsman onderbouwd dat deze uren, die – nu het gaat om groepsbegeleiding – als dagdelen moeten worden gezien, aan groepsbegeleiding zouden zijn verleend.

De derde factuur die in de tenlastelegging wordt genoemd betreft 135 uur aan persoonlijke verzorging. Deze uren kunnen niet worden verantwoord aan de hand van de verklaringen van de zorgverleners [E] en [F] . De enkele verklaring van [budgethouder 5] , die verder geen steun vindt in andere verklaringen, vormt een onvoldoende onderbouwing dat de zorg in maart 2017 (volledig) is verleend. In dit verband verwijst de rechtbank naar de opmerkingen die hiervoor over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van deze verklaring zijn gemaakt.

De rechtbank concludeert dat voor de drie ten laste gelegde facturen geldt dat de gefactureerde zorg niet (volledig) door [thuiszorg] is verleend, zodat deze facturen als valse geschriften kunnen worden aangemerkt.

4.3.6.11. Bewijsmiddelen [budgethouder 6]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-013-0280

2 januari 2014

Persoonlijke verzorging + begeleiding individueel januari 2014

89

€ 3.560,00

DOC-013-0781

31 december 2016

Begeleiding groep december 2016

20

€ 800,00

DOC-013-1182

3 april 2017

Persoonlijke verzorging maart 2017

98

€ 3.798,48

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00.83

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94.84

4.3.6.12. Bewijsoverweging [budgethouder 6]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met budgethouder [budgethouder 6] . Van de 27 verdeellijsten die zijn aangetroffen, komt budgethouder [budgethouder 6] op 24 lijsten voor. Van de overige drie maanden, augustus en september 2017 en maart 2018, is geen factuur opgemaakt (AMB-041-03). Het is om die reden verklaarbaar dat [budgethouder 6] op die lijsten niet voorkomt. Er kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er in de gehele periode waarover facturen zijn opgemaakt, dus ook in december 2016, zorggeld met [budgethouder 6] werd gedeeld.

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft naar voren gebracht dat door budgethouder [budgethouder 6] is verklaard dat zij zowel in de ochtend, middag als avond zorg ontving.

De rechtbank acht deze verklaring van [budgethouder 6] onvoldoende betrouwbaar om hieruit af te leiden dat zij, ondanks het feit dat er structureel zorggeld met [budgethouder 6] werd gedeeld en [thuiszorg] te weinig personeel had om de gefactureerde zorg te kunnen bieden, wel de overeengekomen zorg ontving. [budgethouder 6] weet van geen één van haar zorgverleners een naam te noemen, terwijl dat wel van haar kon worden verwacht. Bovendien ontkent zij dat zij bedragen van [thuiszorg] ontving, terwijl uit getapte gesprekken tussen haar en haar zoon, [G] , het tegendeel blijkt. Ten slotte verklaart van de gehoorde zorgverleners alleen [F] zorg te hebben verleend aan [budgethouder 6] . Dit zou op oproepbasis zijn geweest, zonder vaste tijden. Dit is, mede gelet op de dagelijkse zorg die [budgethouder 6] gelet op haar verklaring nodig heeft, onvoldoende om hieruit af te leiden dat bovengenoemde gefactureerde zorg volledig is geleverd.

4.3.6.13. Bewijsmiddelen [budgethouder 3]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-025-0185

1 november 2016

Persoonlijke verzorging oktober 2016

43,5

€ 1.670,40

DOC-025-0386

31 december 2016

Persoonlijke verzorging december 2016

43

€ 1.651,20

DOC-025-0487

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

31

€ 1.201,56

Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”.88

Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekening

op naam van verdachte [medeverdachte 2] naar de bankrekening op naam van [D] ,89 de schoonzoon van de budgethouder.90

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”.91

4.3.6.14. Bewijsoverweging [budgethouder 3]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt de rechtbank echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld. Uit de verdeellijsten blijkt dat [thuiszorg] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [D] , de schoonzoon van de budgethouder.

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft naar voren gebracht dat, nu deze budgethouder niet is gehoord, slechts beperkt kan worden vastgesteld of zij de geleverde zorg heeft ontvangen en wie haar zorgverleners waren.

De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat in dit geval de gefactureerde zorg wel is geleverd. Integendeel, de 68-jarige echtgenoot van de budgethouder, [getuige 5] , heeft verklaard dat [verdachte] hem vertelde dat hij recht had op een vergoeding van de overheid, maar dat [thuiszorg] daar administratiekosten voor rekende en belasting over betaalde. De echtgenoot verklaart dat hij niet weet hoe dat allemaal geregeld is in Nederland, maar [verdachte] kennelijk wel. Volgens deze echtgenoot is er niemand geweest om voor zijn vrouw te zorgen; hij deed dat zelf. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat geen van de zorgverleners heeft verklaard zorg te hebben geleverd aan [budgethouder 3] .

4.3.6.15. Bewijsmiddelen [budgethouder 7]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-027-0192

3 april 2017

Persoonlijke verzorging 1009 maart 2017

160

€ 6.201,60

DOC-027-0293

1 juli 2017

Persoonlijke verzorging 1009 juni 2017

150

€ 5.814,00

DOC-027-0394

2 oktober 2017

Persoonlijke verzorging 1009 september 2017

86

€ 3.333,36

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 6.007,80 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat een bedrag van € 3.003,90.95

Van de maand juni 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.814,00 is en er staat een percentage van 74,20%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.500,00.96

Van de maand september 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.333,36 is en er staat een percentage van 70%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.000,00.97

In de administratie van [thuiszorg] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart98, juni99 en september 2017100, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

4.3.6.16. Bewijsoverweging [budgethouder 7]

De raadsman heeft betoogd dat, nu de budgethouder niet is gehoord en er wel veel zorg is verleend door de dochter van de budgethouder, niet de conclusie kan worden getrokken dat de declaraties en de facturen vals zijn.

De eerste factuur ziet op maart 2017 en betreft 160 uur persoonlijke verzorging. Deze zorg zou door de dochter van de budgethouder zijn verleend. Uit het dossier volgt dat de dochter tegelijkertijd een dienstverband voor 110 uur per maand op een kinderdagverblijf had. Gelet op het daarmee totaal aantal door de dochter te werken uren die maand, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de dochter alle gefactureerde uren zorg heeft verleend. Ten tijde van de tweede en derde factuur (juni en september 2017) verrichtte de dochter door ziekte geen zorgwerkzaamheden meer voor haar moeder. Van de gehoorde zorgverleners heeft alleen [F] verklaard werkzaamheden voor deze budgethoudster te hebben verricht. De hulpverlening bestond – kort gezegd – uit het voeren van gesprekken op oproepbasis; er was geen sprake van huishoudelijke hulp of persoonlijke dienstverlening. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat de gefactureerde zorg niet is geleverd.

4.3.6.17. Bewijsmiddelen [budgethouder 8]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-028-03101

4 januari 2016

Persoonlijke verzorging december 2015

9

€ 2.030,00

Begeleiding individueel december 2015

20,75

Begeleiding groep december 2015

21

DOC-028-04102

31 december 2016

Persoonlijke verzorging (WLZ) december 2016

10

€ 1.560,00

Begeleiding individueel (WLZ) december 2016

5

Begeleiding groep (WLZ) december 2016

24

DOC-028-05103

3 april 2017

Persoonlijke verzorging (WMO) maart 2017

10

€ 1.600,00

Begeleiding individueel (WMO) maart 2017

5

Begeleiding groep (WMO) maart 2017

25

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10.104

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00.105

4.3.6.18. Bewijsoverweging [budgethouder 8]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met budgethouder [budgethouder 8] . [budgethouder 8] komt in de periode van 2015 tot en met juni 2017 voor op vrijwel alle verdeellijsten die zijn aangetroffen (AMB-041-04). Er kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er ook in december 2016 zorggeld met [budgethouder 8] werd gedeeld.

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft over de zorg die aan [budgethouder 8] werd verleend het volgende naar voren gebracht. [verdachte] heeft verklaard dat [budgethouder 8] individuele hulp en dagbesteding ontving. Bij individuele hulp ging het om een half uur tot één uur per week. Door [getuige 9] is verklaard dat [budgethouder 8] minimaal twee keer per week van 9.00 tot 15.00 uur naar de dagbesteding ging, wat neerkomt op 12 uur per week aan begeleiding groep. Hij heeft ook bevestigd dat [getuige 8] individuele zorg verleende. In totaal is dus sprake van ongeveer 48 uur aan begeleiding groep en 4 uur aan begeleiding individueel per maand, waarmee de facturen zijn gedekt. De zorgvormen zijn immers inwisselbaar.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van [getuige 9] en [verdachte] volgt dat het overgrote deel van de aan [budgethouder 8] verleende zorg, 12 uur per week, in het kader van dagbesteding zou zijn verleend. De individuele zorg omvatte op grond van die verklaringen maximaal een uur per week. Voor dagbesteding geldt echter, anders dan individuele zorg, een tarief per dagdeel. Voor 4 uur (een dagdeel) dagbesteding kon 1 uur aan zorg worden gedeclareerd. Voor dagbesteding van 12 uur per week kon dus 3 uur aan zorg worden gedeclareerd. Anders dan de raadsman stelt zijn de diverse zorgvormen, zoals vermeld op de namens [budgethouder 8] ingediende facturen, niet inwisselbaar, althans niet op uurbasis. Uitgaande van de hiervoor genoemde getuigenverklaringen kon voor [budgethouder 8] ongeveer 12 uur aan begeleiding groep per maand worden gedeclareerd. Er is echter 21 tot 25 uur per maand gedeclareerd. Van de individuele zorg is door getuigen maximaal 4 uur per maand onderbouwd, terwijl er 15 tot 29,75 uur is gedeclareerd. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de gefactureerde zorg niet (volledig) is geleverd.

4.3.6.19. Bewijsmiddelen [budgethouder 9] en [budgethouder 10]

[budgethouder 9]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-032-01106

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

43,5

€ 1.686,06

DOC-032-02107

1 juni 2017

Persoonlijke verzorging mei 2017

81,5

€ 3.158,94

DOC-032-03108

1 december 2017

Persoonlijke verzorging november 2017

96

€ 3.720,96

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.686,06 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.011,64 in de kolom “te betalen”.109

Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.158,94 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.895,36 in de kolom “te betalen”.110

Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.720,96 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 2.232,58.111

In de administratie van [thuiszorg] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart112, juni113 en september 2017114, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

[budgethouder 10]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-033-01115

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

25,5

€ 988,38

DOC-033-02116

1 juni 2017

Persoonlijke verzorging mei 2017

48,5

€ 1.879,86

DOC-033-03117

1 december 2017

Persoonlijke verzorging november 2017

60

€ 2.325,60

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 988,38 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 593,03.118

Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.879,86 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.127,92 in de kolom “te betalen”.119

Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.325,60 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 868,36 in de kolom “te betalen”.120

In de administratie van [thuiszorg] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op januari121, mei122 en november 2017123, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

4.3.6.20. Bewijsoverweging [budgethouder 9] en [budgethouder 10]

Vidgen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte op grond van de Vidgen-jurisprudentie moet worden vrijgesproken van de facturen die betrekking hebben op [budgethouder 9] en [budgethouder 10] . De budgethouders zelf zijn niet als getuigen gehoord gelet op hun gezondheidsproblemen en het feit dat zij zich op hun zwijg-/verschoningsrecht zouden gaan beroepen. Hun zoon, [H] , heeft zich op alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De Vidgen-jurisprudentie komt er - kort gezegd - op neer dat een verklaring die van doorslaggevende betekenis is voor het bewijs niet mag worden gebruikt wanneer de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad deze getuige te ondervragen. Zowel de budgethouders [budgethouder 9] en [budgethouder 10] als hun zoon hebben geen inhoudelijke verklaring afgelegd. Van een verklaring die voor het bewijs kan worden gebruikt, is dus geen sprake, zodat de Vidgen-jurisprudentie hier niet van toepassing is.

Voldoende zorg verleend?

De raadsman heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is om tot de conclusie te komen dat de facturen vals zijn. Uit de arbeidsovereenkomst van [H] , de zoon van de budgethouders, volgt dat hij minimaal 48 uur zorg per maand heeft geleverd. Niet kan worden uitgesloten dat [H] meer zorg heeft geleverd dan is overeengekomen.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet, maar is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de zorg zoals die is gefactureerd niet volledig is geleverd. Voor [budgethouder 9] en [budgethouder 10] is in de maanden januari 2017, mei 2017 en november 2017 respectievelijk 69, 130 en 156 uren aan persoonlijke verzorging in rekening gebracht. Het aantal gefactureerde uren overschrijdt daarmee het dienstverband van [H] , die op grond van een arbeidsovereenkomst voor 12 uren per week werd uitbetaald, in aanzienlijke mate. Niet aangevoerd of gebleken is dat [budgethouder 9] en [budgethouder 10] door andere zorgverleners werden verzorgd, of dat [H] aanmerkelijk meer zorg verleende dan waarvoor hij betaald kreeg. De rechtbank concludeert daarom dat er minder zorg is geleverd dan er is gefactureerd, zodat deze zes facturen alle als valse geschriften kunnen worden aangemerkt.

4.3.6.21. Bewijsmiddelen [budgethouder 4]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-034-01124

1 februari 2017

Begeleiding individueel (WLZ) januari 2017

36

€ 2.080,00

Begeleiding groep (WLZ) januari 2017

16

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.300,00 is en er staat een percentage van 50%. Twee kolommen naast het percentage staat in de kolom “te betalen” een bedrag van € 1.150,00. Het factuurnummer op de verdeellijst correspondeert met het factuurnummer op de factuur; het factuurbedrag op de verdeellijst wijkt echter af van de factuur.125

[getuige 6] , broer van de budgethouder, heeft verklaard dat hij een factuur van [verdachte] heeft gehouden, DOC-034-01. Het onderliggende werkbriefje moest hij ondertekenen. Hij wist dat de factuur en het werkbriefje niet konden kloppen. Daarom heeft hij er dan ook maar vluchtig naar gekeken en getekend.126

Bij de SVB zijn de zorgovereenkomsten van budgethouder [budgethouder 4] met [thuiszorg] mondeling gevorderd. In de overeenkomst, DOC-034-06, is vastgelegd dat de zorginstelling een vast maandbedrag van € 2.300,00 ontvangt vanaf 1 januari 2017, de zorginstelling verleent een vast aantal uren per week, te weten 12 uur per week zorg uit Wlz-budget. De zorgovereenkomst is ondertekend op 30 december 2016.127

In de “zorgbeschrijving bij zorgovereenkomst” van 30 december 2016 is onder meer het volgende opgenomen: “ [thuiszorg] Zorg biedt dagbesteding aan dhr. [budgethouder 4] gedurende 4 dagdelen per week. Daarnaast komt de zorgverlener 2 dagen in de week 4 uur begeleiden.”128 Deze zorgbeschrijving is ondertekend door [medeverdachte 1] .129

Verder heeft de SVB een wijziging zorgovereenkomst verstrekt, DOC-034-10, waarin staat dat het nieuwe vaste maandbedrag € 3.680,00 is. Op de bankrekening van [thuiszorg] is zichtbaar dat vanaf februari 2017 bedragen zijn bijgeschreven van € 3.680,00.130 In een niet ondertekend exemplaar van deze wijziging staat dat de hoeveelheid zorg per week is gewijzigd naar 21 uur.131

Als laatste heeft de SVB een wijziging zorgovereenkomst verstrekt, DOC-034-11, waarin is aangegeven dat er eenmalig een bedrag opgeteld dient te worden bij de maand januari 2017, namelijk een bedrag van € 1.380,00. Op deze manier is in de maand januari 2017 ook een bedrag ontvangen van € 2.300,00 + € 1.380,00 = € 3.680,00.132

[getuige 6] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] een zorgovereenkomst heeft ingevuld. [verdachte] vulde het formulier in en [getuige 6] heeft het ondertekend. [getuige 6] wist dat op basis van deze zorgovereenkomst een bedrag van € 3.680,- gefactureerd kon worden.133 [getuige 6] heeft de factuur van januari en een wijziging zorgovereenkomst geüpload naar de SVB. Hij deed dat op het kantoor van [thuiszorg] met de DigiD van zijn broer. Deze wijziging hield in dat het maandelijks budget van € 2.300,- werd verhoogd naar € 3.680,-. [verdachte] heeft de wijziging [getuige 6] voorgesteld, omdat [verdachte] anders niet een gedeelte van het budget aan hem kon betalen.134 [getuige 6] heeft verklaard dat hij nooit voor [thuiszorg] heeft gewerkt.135

4.3.6.22. Bewijsoverwegingen [budgethouder 4]

De raadsman heeft naar voren gebracht dat uit de verklaring van [getuige 6] blijkt dat [budgethouder 4] 4 tot 5 dagen per week van 08.00 tot 15.30 uur naar de dagbesteding ging en in totaal ongeveer 45 uren zorg per week ontving. Verder blijkt uit de verklaring van [getuige 10] dat hij 2 uur individuele begeleiding per week aan [budgethouder 4] verleende. Dat komt bij elkaar neer op 48 tot 53 uur aan geleverde uren zorg per week. Dat is ruimschoots meer dan de uren waarvoor gedeclareerd is.

Factuur ‘DOC-034-01’ ziet op januari 2017 en betreft 36 uren aan begeleiding individueel en 16 uren aan begeleiding groep. De daaropvolgende zorgovereenkomst, die eveneens betrekking heeft op januari 2017, betreft 12 uren zorg per week (Wlz), en is opgebouwd uit 4 dagdelen per week aan begeleiding groep en 8 uur per week aan begeleiding individueel. Per februari 2017 is deze zorgovereenkomst gewijzigd naar 21 uren zorg per week (Wlz).

De rechtbank gaat uit van de verklaring van [getuige 6] , zoals hij die heeft afgelegd nadat hij overleg heeft gehad met zijn advocaat en, naar eigen zeggen, openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, omdat die zowel steun vindt in de aangetroffen verdeellijsten als in de stortingen die op de bankrekening van [getuige 6] zijn gedaan. [getuige 6] verklaart in dat deel van zijn verklaring dat zijn broer alleen naar de dagbesteding ging en geen persoonlijke verzorging kreeg van [thuiszorg] . Daarnaast wordt de stelling dat [thuiszorg] voldoende zorg zou hebben verleend aan de budgethouder weersproken door [getuige 6] , als hij verklaart dat de gefactureerde uren van januari 2017 niet konden kloppen en dat de zorgovereenkomst is gewijzigd zodat [thuiszorg] met hem het zorggeld kon blijven delen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de hoeveelheid zorg, zoals deze is opgenomen in de factuur van januari 2017 en in de zorgovereenkomsten, niet (volledig) is geleverd.

Dat [budgethouder 4] blijkens de verklaring van [getuige 10] op de dagbesteding ook 2 uur per week aan individuele begeleiding zou hebben ontvangen maakt bovenstaande conclusie niet anders. Immers, in januari 2017 is in eerste instantie al 36 uur aan “begeleiding individueel” gefactureerd. In februari 2017 is de totale hoeveelheid zorg per week zelfs verhoogd naar 21 uur. Uitgaande van de verklaring van Akkar is nog steeds slechts een klein deel van de individuele zorg geleverd.

4.3.6.23. Conclusie valsheid in geschrift

De rechtbank concludeert dat voor alle ten laste gelegde facturen en zorgovereenkomsten, met uitzondering van DOC-012-02 ( [getuige 2] ) geldt dat de gefactureerde en verantwoorde zorg niet (volledig) door [thuiszorg] is verleend, zodat deze stukken alle als valse geschriften kunnen worden aangemerkt. Op de rol van verdachte en zijn medeverdachten hierbij zal hierna onder 4.3.8 nader worden ingegaan.

4.3.7.

Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen witwassen

4.3.7.1. Bewijsmiddelen witwassen

(PGB-)inkomsten

In het kader van het onderzoek Mansfield zijn van [thuiszorg] de transactieoverzichten

opgevraagd van de zakelijke bankrekeningen. Deze transactieoverzichten zijn over de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 geanalyseerd en op de onderzochte bankrekeningen zijn (PGB-)inkomsten aangetroffen van in totaal € 8.110.121,52. Daarvan zijn verschillende uitgaven, van in totaal € 6.484.600,95, nader onderzocht.136

Contante opnames: € 3.915.822,32

In de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 is van verschillende bedrijfsrekeningen van [thuiszorg] gebruik gemaakt om gelden contant op te nemen. In deze periode is van drie verschillende bankrekeningen een bedrag opgenomen van in totaal € 3.915.822,32.137

In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van [thuiszorg] is geen formele kasadministratie aangetroffen waarin de contante geldstroom was verwerkt. In de digitale administratie zijn wel bestanden aangetroffen waarop vermoedelijk staat aangegeven hoe contante bedragen zijn besteed of uitbetaald. In deze bestanden zijn, onder andere, cliëntnamen en bedragen te zien. Deze bestanden zijn veiliggesteld vanaf de computer op het bureau waaraan [medeverdachte 2] werkte.138 Het betaaloverzicht van januari 2017 uit dit bestand is vergeleken met de fysieke verdeellijst van januari 2017. De bedragen ‘betaald’ uit het bestand “jan-dec 2017” komen grotendeels overeen met de bedragen op de fysieke verdeellijst. Er staan 100 cliëntnamen op het betaaloverzicht. Bij 33 cliënten staat geen bedrag ingevuld op de betaallijst maar wel handmatig op de fysieke verdeellijst. De rest van de bedragen komt overeen.139

In de back-up van de telefoon van [medeverdachte 2] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder gesprekken met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [verdachte] .140 Onder meer vinden tussen hen de volgende gesprekken plaats:

13-4-2015

[verdachte] : Even wachten met

[verdachte] : Het betalen van het geld

[verdachte] : want ik moet nog mensen betalen

26-9-2015

[verdachte] : Ik moet nog aan 3 klanten geld geven

[verdachte] : Volgende week zijn de loonbetalingen/uitkeringsbetalingen

[verdachte] : Mijn broer [medeverdachte 1] heeft geen geld

[verdachte] : Iedereen loopt me maar te bellen omdat ze geld willen

6-4-2016

[medeverdachte 2] : [verdachte] , zeg tegen de personen die geld krijgen: voortaan krijgen ze het een week later.141

Op 4 mei 2017 stuurt verdachte [medeverdachte 2] in een WhatsApp-groepsgesprek als bijlage een document. Dit betreft een brief gericht aan [medeverdachte 1] van de ABN AMRO Bank, waarin staat dat de contante opnames vanaf de zakelijke rekening op naam van [thuiszorg] “niet gebruikelijk zijn” en dat de contante opnames alleen zijn toegestaan “als u de bestemming hiervan kunt aantonen en deze betrekking hebben op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming”. Vervolgens schrijft verdachte [medeverdachte 1] : “Geen contante opnames meer heren” en schrijft verdachte [medeverdachte 2] : “Hoe gaan we het doen joh”.142

Op de vraag wie de contante opnames deed, noemt [medeverdachte 2] in zijn verhoor de namen van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Zelf deed [medeverdachte 2] ook af en toe contante opnames als er geld nodig was en hij op dat moment beschikbaar was.143 Dat gebeurde zo’n twee tot drie keer per maand. Op de vraag hoe groot deze bedragen waren, antwoordt [medeverdachte 2] “soms vijf, soms tien” (de rechtbank begrijpt: € 5.000,- of € 10.000,-).144 [medeverdachte 2] dacht dat de contante opnames voor de verdeling van het zorggeld waren.145

Overboekingen naar Turkije: € 978.640,-

Van twee bankrekeningen van [thuiszorg] zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije. Dit bedroeg in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 978.640,-. In de omschrijvingen van de overboekingen van € 10.000,00 of meer zijn veelvuldig de woorden “ [naam] ” of “ [naam] ” te zien. De woorden “ [naam] ” zijn vertaald door een tolk Turks en betekenen: “Bouw(project) Europa Woningen”.146

Op 2 april 2015 vindt tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] het volgende gesprek plaats:

[verdachte] : Hoeveel gaat er deze maand naar Turkije?

[medeverdachte 1] : Mijn broer, het is daar belangrijk voor ons allemaal.

[medeverdachte 1] : Deze maand 25

[verdachte] : ok147

In het verhoor van [medeverdachte 2] wordt opgemerkt dat er best veel geld naar Turkije is overgeboekt dat van zorggeld afkomstig is. [medeverdachte 2] geeft daarop aan dat zijn broer bezig was met projecten in Turkije. Voor de bouw stuurden ze regelmatig geld naar Turkije. Op de vraag over welke

projecten [medeverdachte 2] het heeft, antwoordt hij dat er maar één project was in Turkije, het

appartementencomplex.148

Overboekingen naar [medeverdachte 1] : € 894.014,87

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [thuiszorg]

gebruik gemaakt om gelden over te boeken naar rekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [I] . Bij [medeverdachte 1] betreft het een totaalbedrag van € 894.014,87.149 Van dit bedrag is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 613.318,74 contant opgenomen.150 De overboekingen vanaf zakelijke bankrekeningen op naam van [thuiszorg] naar de privérekeningen op naam van [medeverdachte 1] betreffen in 2017 € 652.706,22, tegenover € 38.205,56 in 2016.151

Overboekingen naar [verdachte] : € 223.988,98

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [thuiszorg]

geld overgeboekt naar de rekeningen van [verdachte] . Het gaat om een totaalbedrag van € 223.988,98.152 Van de bankrekeningen op naam van [verdachte] is in totaal een bedrag van € 109.684,47 contant opgenomen.153

Overboekingen naar [medeverdachte 2] : € 178.267,53

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [thuiszorg]

geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 2] . Het gaat om een totaalbedrag van € 178.267,53.154

Overboekingen naar [I] : € 72.700,-

[I] , ook een broer van verdachte, ontving op bankrekening [rekeningnummer] bedragen van de bankrekeningen van [thuiszorg] . In de periode van 2014 tot en met 2017 betreft dat in totaal € 72.700,00.155

[medeverdachte 2] geeft in zijn verhoor aan dat zijn broer [I] in de ziektewet zat en op een gegeven moment niet meer uitbetaald werd. [medeverdachte 1] vond dat ze hem, omdat het hun broer is, moesten helpen. Daarom gaven ze hem € 2.500,- per maand. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [I] niet werkte voor [thuiszorg] , maar dat hij dit maandelijkse bedrag kreeg zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie leverde.156

Leningen: € 221.167,25

Van twee bankrekeningen van [thuiszorg] zijn bedragen overgeboekt naar andere

bankrekeningen, met als omschrijving “lening”. In totaal is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 221.167,25 overgeboekt met deze omschrijving.157

Door de boekhouder van [thuiszorg] , [getuige 11] , is verklaard dat zodra er ‘lening’ bij een bedrag stond bij de overboeking op de bank, dit bedrag als lening werd geboekt. Een aantal bedragen die werden overgeboekt naar derden en waar niks bijstond, werden besproken met [medeverdachte 1] en daarna werden ze alsnog als lening geboekt.158

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat een aantal betalingen aan cliënten via de bankrekeningen ging. Als hij via de bank aan een cliënt moest betalen, dan kreeg hij dit van [verdachte] te horen. [verdachte] gaf dan aan dat het een lening aan de cliënt was. [medeverdachte 2] moest het dan als lening boeken.159

4.3.7.2. Bewijsoverweging witwassen

Van misdrijf afkomstig

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en zijn medeverdachten in totaal voor een bedrag van € 7.809.269,- aan PGB-inkomsten hebben verworven, dat van misdrijf afkomstig is nu het door middel van oplichting is verkregen. Dit bedrag is het totaal aan factuurbedragen gedurende de gehele onderzoeksperiode (51 maanden) met betrekking tot de 132 budgethouders die op verdeellijsten voorkomen.

De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie hierin niet. Zoals de rechtbank bij de bespreking van de oplichting heeft overwogen, zijn bij [thuiszorg] van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen. Daarop staan 132 budgethouders met wie geld is gedeeld. In die 27 maanden is in totaal een bedrag van € 4.673.959,- gefactureerd terwijl, zo heeft de rechtbank overwogen, een groot deel van de zorg niet werd geleverd en het zorggeld met de budgethouders is gedeeld. Het bedrag van € 4.673.959,- is door oplichting verkregen, en derhalve van misdrijf afkomstig. Over de onderzoeksperiode van 51 maanden ontbreken van 24 maanden (complete) verdeellijsten. De rechtbank kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat ook in deze 24 maanden met alle 132 budgethouders – voor zover voor hen over die maanden een zorgvergoeding is uitbetaald – zorggelden zijn gedeeld. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie daarom niet in het standpunt dat van de totale PGB-inkomsten van € 8,1 miljoen ruim een bedrag van € 7,8 miljoen is verkregen dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig.

Vermenging

De rechtbank stelt vast dat het bedrag van € 4.673.959,- in het vermogen van [thuiszorg] is terecht gekomen en ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre dat invloed heeft gehad op het totale vermogen van [thuiszorg] .

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. In het geval vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn, vermengd zijn geraakt met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig.

Omdat een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, kan bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen worden gekwalificeerd. De Hoge Raad noemt in zijn arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578), kort gezegd, de volgende omstandigheden: een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, een groot tijdsverloop na het moment van vermenging, een groot aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en een incidenteel karakter van de vermenging.

De rechtbank is van oordeel dat het door oplichting verkregen geldbedrag met het legale vermogen van [thuiszorg] is vermengd geraakt. De omstandigheden die door de Hoge Raad worden genoemd doen zich niet voor. Integendeel, er is sprake van een aanzienlijk geldbedrag (ruim de helft van de totale inkomsten) dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Bovendien heeft de vermenging gedurende een lange periode van ruim 4 jaar plaatsgevonden. Iedere maand kwamen PGB-gelden binnen die onterecht verkregen waren, welke deel gingen uitmaken van het vermogen van [thuiszorg] . Van een incidenteel karakter is derhalve allerminst sprake.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat van vermenging sprake is, kan het gehele bedrag aan PGB-inkomsten van ruim € 8,1 miljoen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. De tenlastelegging is overigens beperkt tot € 7.809.269,- (zie de eerste alinea van deze bewijsoverweging).

Witwashandelingen

[thuiszorg] heeft het bedrag van € 7.809.269,- verworven en voorhanden gehad. Een gedeelte daarvan van totaal € 6.484.600,95 is overgedragen en daarvan is gebruik gemaakt. Zo zijn er grote geldbedragen, van in totaal € 1.590.138,63, overgeboekt naar rekeningen van privépersonen, waaronder de rekeningen van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en [I] . Dit kan als overdragen worden gekwalificeerd. Verder is een bedrag van € 978.640,- overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ten aanzien van dat bedrag is voldoende bewijs voorhanden dat daarvan uiteindelijk gebruik is gemaakt voor de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Ten slotte hebben er contante opnames plaatsgevonden voor een bedrag van € 3.915.822,32. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die contante opnames plaatsvonden om daarmee contante betalingen te kunnen doen. Met name uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en van verschillende budgethouders en uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat deze contante opnames met name werden gebruikt om het gedeelde zorggeld uit te betalen aan de (familieleden van de) budgethouders.

Gewoonte maken van witwassen?

Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die op structurele wijze zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.3.8.

Bewijsoverwegingen medeplegen

Juridisch kader medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Algemene overweging

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] bij het tenlastegelegde het volgende af.

In de eerste plaats leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat er door [thuiszorg] , al voor haar oprichting in juni 2014, zorggeld werd gedeeld met budgethouders. Het structureel delen van grote geldbedragen met budgethouders vormde al vanaf de oprichting een vast onderdeel van de bedrijfsvoering. Dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , die allen sinds de oprichting in cruciale functies bij [thuiszorg] werkzaam waren, niet betrokken zouden zijn bij het uitvoering geven aan dit ‘businessmodel’ is niet zonder meer aannemelijk.

De rechtbank stelt vast dat de drie broers niet allen dezelfde mate van betrokkenheid hadden bij de afspraken die werden gemaakt met (de familieleden van) de budgethouders en het uitbetalen van zorggelden. Dit hangt echter, naar het oordeel van de rechtbank, ook samen met de verschillende rollen die zij hadden. Kort gezegd leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat de rolverdeling als volgt was. De concrete afspraken met de budgethouders werden voornamelijk gemaakt door [verdachte] . [medeverdachte 2] had het overzicht over de financiën, hield de verdeellijsten bij en deed (in ieder geval) de betalingen aan budgethouders per bank. [medeverdachte 1] feitelijke betrokkenheid bestond met name uit het besteden van de opbrengsten van [thuiszorg] .

[verdachte]

Uit het dossier blijkt dat het contact met de budgethouders werd onderhouden door [verdachte] . Hij was ook feitelijk betrokken bij het maken van de afspraken om zorggeld te delen en niet de volledige zorg te verlenen. Zo wordt onder meer door [getuige 2] en [getuige 6] verklaard dat [verdachte] met hen de afspraak maakte om zorggeld te delen. [getuige 6] heeft ook verklaard dat [verdachte] de (valselijk opgemaakte) zorgovereenkomst heeft ingevuld. Het bedrag moest volgens [verdachte] worden opgehoogd, anders kon [thuiszorg] niet doorgaan met het delen van zorggeld met [getuige 6] . Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [verdachte] ook betrokken was bij het per bank of contant uitbetalen van de budgethouders.

De rechtbank merkt [verdachte] , gelet op al deze omstandigheden, aan als medepleger van alle bewezenverklaarde feiten. [verdachte] was zeer nauw betrokken bij de uitvoering van de oplichting, door de afspraken die hij met de budgethouders maakte. Hoewel hij zelf niet de valse facturen opmaakte, was dit wel een belangrijk onderdeel van de modus operandi, zoals hij die besprak met de budgethouders of hun familieleden. Als gevolg van de onderlinge rolverdeling vond het opmaken van de facturen plaats door [medeverdachte 2] , echter naar zijn zeggen op basis van gegevens die hij verkreeg van [verdachte] . Dat de facturen veelal door de budgethouders werden ingediend, is voor de beoordeling van de rol van [verdachte] als (mede)pleger niet relevant, nu dit een onderdeel vormde van het door verdachten opgezette systeem en dit gebeurde op initiatief van verdachten. Dit geldt evenzeer voor het bewezen verklaarde witwassen. Een groot deel van de transacties, voor zover het geld niet werd gedeeld, vond plaats door [medeverdachte 1] . [verdachte] was hier echter wel, zoals dit blijkt uit de WhatsApp-gesprekken, van op de hoogte. Bovendien vormt ook dit witwassen een onderdeel van de totale modus operandi. Zo benoemt [medeverdachte 1] in een WhatsApp-gesprek dat het in het belang van “ons allemaal” is dat de gelden worden doorgestort naar Turkije.

[medeverdachte 2]

Voor [medeverdachte 2] geldt dat hij volledig op de hoogte was van alle geldstromen. Hij heeft ook zelf verklaard dat hij de verdeellijsten heeft gemaakt en dat hij deze lijsten bijhield. [medeverdachte 2] was ook op de hoogte van de grote geldbedragen die contant werden opgenomen voor het uitbetalen van de budgethouders. Een aantal van deze opnames is door hemzelf gedaan. [medeverdachte 2] maakte, volgens zijn functieomschrijving en zijn eigen verklaring, alle facturen op. Daarnaast heeft hij ook voor enkele budgethouders de declaraties ingediend bij de zorgkantoren. Bovendien komt [medeverdachte 2] voor op de zorgovereenkomst van [getuige 4] als degene die de zorgovereenkomst heeft ondertekend. Tot slot blijkt uit een WhatsApp-gesprek dat [medeverdachte 2] aan [verdachte] voorstelt om de uitbetaling aan de budgethouders een week later te laten plaatsvinden.

De rechtbank leidt uit al deze omstandigheden af dat [medeverdachte 2] nauw betrokken was bij de hele uitvoering van de verdeling van zorggelden. Dat [medeverdachte 2] alleen een uitvoerder zou zijn en niet op de hoogte zou zijn van de afspraken die er werden gemaakt met de budgethouders of hun familieleden acht de rechtbank niet geloofwaardig. Vanaf het begin van [thuiszorg] was [medeverdachte 2] betrokken als financiële man. Hij wist, zo heeft de rechtbank geconcludeerd, van de afspraken die met een groot aantal budgethouders waren gemaakt. Hij wist van de aanzienlijke geldbedragen die werden gedeeld en van de uren die er per budgethouder werden gefactureerd. Dat [medeverdachte 2] niet feitelijk betrokken was bij de invulling van de zorg, was, gezien zijn functie, niet meer dan logisch. De rechtbank heeft echter geen enkele aanwijzing in het dossier gevonden dat [medeverdachte 2] onwetend is gehouden over de modus operandi van [thuiszorg] : het factureren van een hoger bedrag dan daadwerkelijk aan zorg werd verleend, zodat de ontvangen zorggelden met de budgethouders konden worden gedeeld. Integendeel, [medeverdachte 2] was vanaf het eerste moment van [thuiszorg] betrokken bij een belangrijk onderdeel van de oplichting van de PGB-instanties. Daarnaast blijkt uit het WhatsApp-gesprek met [verdachte] ook dat hij niet alleen een uitvoerder was, maar zich ook feitelijk bemoeit met de gang van zaken, doordat hij voorstelt om de betaling van de budgethouders een week later te laten plaatsvinden.

De rechtbank leidt uit al deze omstandigheden af dat [medeverdachte 2] volledig op de hoogte was van de afspraken die werden gemaakt met de budgethouders of hun familieleden. [medeverdachte 2] kan daarom worden aangemerkt als medepleger van de valsheid in geschrift, de facturen werden immers door hemzelf opgemaakt, en van de oplichting, doordat hij een essentiële rol vervulde in de financiën. Ook voor het witwassen kan [medeverdachte 2] , naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als medepleger. Hij was, als de financiële man, heel goed op de hoogte wat er met het geld gebeurde dat door [thuiszorg] middels oplichting was verkregen. Een deel van het geld werd feitelijk uitgegeven door [medeverdachte 1] aan Turkse doeleinden, maar ook hiervan was [medeverdachte 2] op de hoogte. Bovendien vormde dit, naar het oordeel van de rechtbank, het sluitstuk van de PGB-fraude, waarvan [medeverdachte 2] al vanaf het begin op de hoogte was. Tot slot blijkt uit de WhatsApp-gesprekken dat de investeringen in het Turkse appartementencomplex niet alleen ten goede zou komen aan [medeverdachte 1] , maar ook aan [medeverdachte 2] en [verdachte] .

[medeverdachte 1]

Uit de bewijsmiddelen komt het beeld naar voren dat [medeverdachte 1] minder betrokken was bij de feitelijke uitvoering van de gang van zaken bij [thuiszorg] . Wel blijkt dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [thuiszorg] heeft opgericht en – volgens zijn eigen verklaring – als directeur wekelijks de vergaderingen van [thuiszorg] voorzat. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij niet op de hoogte was van het delen van zorggelden en het verlenen van onvoldoende zorg. In de eerste plaats is dit onwaarschijnlijk, omdat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij de oprichting van [thuiszorg] en het delen van zorggelden vanaf het begin van het bestaan van [thuiszorg] een structureel onderdeel vormde van de bedrijfsvoering. Daarnaast volgt uit het dossier dat [medeverdachte 1] ook wel eens betrokken was bij de betaling aan budgethouders. Zo vinden er verschillende betalingen aan budgethouders plaats vanaf de bankrekening van [medeverdachte 1] en is het [medeverdachte 1] die zijn broers opdraagt geen contante opnames meer te verrichten nadat de ABN AMRO Bank zich daar kritisch over heeft uitgelaten. Bovendien komt [medeverdachte 1] voor als degene die een zorgbeschrijving heeft geschreven voor budgethouder [getuige 6] . Tot slot leidt de rechtbank de wetenschap van [medeverdachte 1] bij de oplichting van PGB-instanties af uit het feit dat hij in een tapgesprek tegen [verdachte] zegt dat hij hoopt dat “er geen een van de cliënten iets [gaat] zeggen” en dat “het goed [zou] zijn als jij [ [verdachte] ] eerst vrijkomen zou”. Daaruit blijkt dat hij op de hoogte is van de afspraken die door [verdachte] met de budgethouders zijn gemaakt en dat hij hoopt dat [verdachte] (als degene die de contacten met budgethouders onderhoudt) ervoor kan zorgen dat de budgethouders niet zullen praten met de politie.

Zoals gezegd was [medeverdachte 1] minder direct betrokken bij de feitelijke uitvoering van de bewezen verklaarde valsheid in geschrift en oplichting. Hoewel hij meer op afstand betrokken was, kan hij echter wel als medepleger worden aangemerkt. De rechtbank vindt daarvoor van belang dat de oplichting van PGB-instanties ook al op structurele wijze plaatsvond vóór de formele oprichting van [thuiszorg] in juni 2014. [thuiszorg] is vervolgens opgericht, waarbij het delen van zorggelden en het verlenen van onvoldoende zorg een permanent onderdeel van de bedrijfsvoering bleef. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] hiervan, gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, op de hoogte was. Dat [medeverdachte 1] minder betroken was bij de feitelijke uitvoering, zoals het maken van afspraken en het betalen van cliënten, vloeit voort uit de onderlinge rolverdeling. Bovendien blijkt wel dat er overleg plaatsvond tussen de drie broers op het moment dat iets speelde wat van belang was voor de werkwijze van [thuiszorg] . Zo vindt dat overleg bijvoorbeeld plaats op het moment dat er geen contante opnames meer mogen plaatsvinden van de rekening van [thuiszorg] . Op dat moment wordt tussen de drie broers overlegd hoe de werkwijze moet worden aangepast, zodat het delen van zorggeld door kan gaan.

Samenvattend concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] een “wezenlijke bijdrage” heeft geleverd door vanaf het begin als bestuurder bij [thuiszorg] betrokken te zijn en zorg te dragen voor de faciliteiten waardoor de oplichting van PGB-instanties plaats kon blijven vinden. Bovendien vormt hij de belangrijkste schakel bij het sluitstuk van het geheel aan strafbare gedragingen, namelijk het in het financiële verkeer brengen van de van oplichting afkomstige geldbedragen. Zodoende kan hij niet alleen als medepleger van het witwassen worden aangemerkt, maar ook van de daaraan voorafgaand gepleegde valsheid in geschrift en oplichting.

[thuiszorg]

De rechtbank is van oordeel dat ook [thuiszorg] als medepleger kan worden aangemerkt. De hierboven beschreven werkwijze van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] vormde een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering van [thuiszorg] en kan daarmee in redelijkheid aan haar worden toegerekend.

Conclusie

Uit al het voorgaande blijkt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten, waarbij ieder een eigen rol had in deze PGB-fraude. Hoewel de rollen verschillend waren acht de rechtbank alle rollen van voldoende gewicht om tot medeplegen te kunnen concluderen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 1 primair), oplichting (feit 2 primair) en gewoontewitwassen (feit 3 primair).

De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage II van dit vonnis.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Kwalificatie-uitsluitingsgrond voor een deel van het witwasbedrag (feit 3)

Van het totaalbedrag van € 7.809.269,- heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte dit bedrag, dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat ten aanzien van een bedrag van € 6.484.600,95 verdergaande witwashandelingen, zoals het overdragen van dat geld, hebben plaatsgevonden.

De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat het onder 3 ten laste gelegde geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft echter van een deel van dat geldbedrag, te weten van (€ 7.809.269,- -/-€ 6.484.600,95 =) € 1.324.668,05, niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat bedrag, nu uit de bewijsmiddelen enkel kan worden afgeleid dat de verdachte dat bedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Dit betekent dat voor dit deel van het geldbedrag het onder 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal daarom voor een deel van het bewezenverklaarde geldbedrag, € 1.324.668,05, worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het geldbedrag van € 6.484.600,95 gedragingen zijn verricht die meer omvatten dan het enkele verwerven of voorhanden hebben, kan dit deel wel als witwassen worden gekwalificeerd.

Overige feiten

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

Feit 2 primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 3 primair: medeplegen van gewoontewitwassen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop, omdat het indienen van de valse geschriften, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, samenvalt met het gebruik maken daarvan (feit 1).

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzetting van het recht tot het uitoefenen van enig beroep in de zorg voor de duur van 4 jaar, ingaande op het moment dat de gevangenisstraf door verdachte is uitgezeten.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat de strafeis te hoog is en niet aansluit bij wat in vergelijkbare (fraude)zaken wordt opgelegd. Daarnaast heeft hij betoogd dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte geen zeggenschap had over de geldstromen die zijn opgenomen in het witwasfeit.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is gedurende een periode van meer dan vier jaar betrokken geweest bij een grootschalige PGB-fraude. [thuiszorg] werd halverwege 2014 opgericht, maar al vóór dat moment was sprake van het structureel delen van PGB-geld met budgethouders. Dat vond sinds de oprichting al op dusdanig grootschalige en structurele wijze plaats dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het opzetten van het bedrijf hierop gericht is geweest.

Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op grove wijze misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Deze regelgeving is bewust ruim ingericht, zodat degenen die zorg nodig hebben, laagdrempelig een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen. Bij [thuiszorg] werd echter met een groot aantal budgethouders (of hun familieleden) de afspraak gemaakt dat minder zorg zou worden verleend en een deel van het PGB-geld zou worden gedeeld met de budgethouders (of hun familieleden). Door de Inspectie is berekend dat (maximaal) 28,1 procent van de zorg die werd gefactureerd geleverd kan zijn. Dit betekent dat in totaal door [thuiszorg] een bedrag van 5,4 miljoen euro aan PGB-geld onterecht, dat wil zeggen: zonder dat daar zorg tegenover stond, is ontvangen. Voor het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank dit bedrag als het benadelingsbedrag hanteren.

Doordat een deel van het PGB-geld werd gedeeld met de budgethouders (of hun familie) kon de fraude in stand blijven. De rechtbank zal niet in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat er wel (beperkt) zorg is verleend. De rechtbank beschouwt dit namelijk als een onderdeel van de werkwijze van [thuiszorg] . Alleen op deze wijze kon de fraude een lange periode onopgemerkt blijven.

De rechtbank vindt het zeer kwalijk dat er door verdachte op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor mensen die zorg behoeven. Een groot deel van de opbrengst van [thuiszorg] is besteed aan de bouw van een appartementencomplex in Turkije, waar zowel verdachte als zijn broers bij betrokken waren. Op deze manier is het geld dat door valsheid in geschrift en oplichting is verkregen witgewassen en in het legale financiële verkeer terecht gekomen.

Verdachte en zijn broers hadden ieder een eigen rol in deze PGB-fraude. Hoewel de rollen verschillend waren, acht de rechtbank alle rollen relevant voor het voortduren van de fraude. Verdachte fungeerde in zijn rol als zorgcoördinator als de spil in deze fraude. Hij maakte de afspraken met budgethouders en deed de contante betalingen aan de budgethouders of hun familieleden. Daarnaast was hij onder meer betrokken bij het opstellen van de (valse) zorgovereenkomsten. Verdachte had een initiërende en sturende rol.

Het strafblad van verdachte speelt bij het bepalen van de strafmaat geen rol, nu hier geen relevante veroordelingen op staan.

Gelet op de hiervoor vermelde uitgangspunten en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, die bij een fraudedelict met een benadelingsbedrag vanaf € 1 miljoen uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, is de rechtbank van oordeel dat een andere straf dan een (lange) onvoorwaardelijke straf geen recht doet aan de ernst van de feiten zoals die zijn gepleegd. De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Gelet op de manier waarop verdachte doelbewust en op grove wijze misbruik heeft gemaakt van de financiering in de zorg, zal de rechtbank verdachte ook ontzetten van het recht tot het uitoefenen van enig beroep in de zorg. Volgens artikel 31 Sr kan de duur van deze ontzetting, worden bepaald op 2 tot 5 jaar boven de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank bepaalt de duur van de ontzetting op 6 jaar. Dit komt, wanneer rekening wordt gehouden met het voorarrest en de voorwaardelijke invrijheidstelling, vrijwel overeen met de duur van de ontzetting zoals die door de officier van justitie is geëist.

9 BESLAG

Onder verdachte is volgens de beslaglijst op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een armband in beslag genomen. Op deze armband rust op grond van artikel 94a Sv ook conservatoir beslag. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klassiek beslag (94 Sv) kan worden opgeheven, omdat het klassiek beslag geen strafvorderlijk belang meer dient. De rechtbank is dit met de officier van justitie eens en zal het beslag opheffen en de teruggave van deze armband aan verdachte gelasten. Omdat er ook conservatoir beslag is gelegd op deze armband, zal dit echter de feitelijke teruggave ervan aan verdachte in de weg staan.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1.

De vordering

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van in totaal € 60.027,20. Dit bedrag bestaat uit materiële schade , ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verschillende standpunten naar voren gebracht. Deze zullen, voor zover van belang, door de rechtbank in de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij worden betrokken.

10.4.

Het oordeel van de rechtbank

10.4.1.

Algemene overwegingen

Twee entiteiten van Zilveren Kruis

De rechtbank stelt vast dat door mr. I. Punt, als gemachtigde, één vordering is ingediend waarin zowel schadebedragen zijn opgenomen die zijn geleden door Zilveren Kruis Zorgverzekeringen als door Zilveren Kruis Zorgkantoor. Nu sprake is van twee verschillende rechtspersonen, zal de rechtbank de vordering behandelen alsof beide rechtspersonen elk een afzonderlijke vordering hebben ingediend.

Rechtstreekse schade

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet aansprakelijk kan worden gesteld voor eventueel geleden schade, omdat verdachte niet als de wederpartij van Zilveren Kruis kan worden aangemerkt. De budgethouder was de wederpartij; verdachte was slechts werkzaam bij een zorgaanbieder.

De rechtbank volgt dit standpunt van de raadsman niet. De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden in het geval tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte als medepleger betrokken is bij de ten laste gelegde valsheid in geschrift (feit 1) en de oplichting (feit 2). Als gevolg van deze strafbare feiten heeft de benadeelde partij schade geleden. In die zin is dus sprake van schade die, als gevolg van een gebeurtenis waarvoor verdachte (mede) aansprakelijk is, aan verdachte kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).

Onvoldoende processuele waarborgen?

De raadsman heeft verder betoogd dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zich tegen de vordering te verweren, nu de vordering laat is ingediend en het verzoek tot het horen van de budgethouders door de rechtbank is afgewezen.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Door de rechtbank is het verzoek tot het horen van ruim 20 zorgverleners toegewezen. Deze zorgverleners zijn vervolgens door de verdediging ondervraagd op de zorg die aan budgethouders is verleend. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd wat de verschillende budgethouders in aanvulling op de verklaringen van de zorgverleners zouden kunnen verklaren over de zorg die zou zijn verleend door [thuiszorg] . Het herhaalde verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden, zodat deze budgethouders alsnog kunnen worden gehoord, wordt dan ook door de rechtbank afgewezen.

Grondslag van de vorderingen

Volgens de raadsman is niet duidelijk wat de grondslag is van de verschillende schadeposten die door de benadeelde partij zijn opgevoerd. Daarnaast zou de zaak moeten worden aangehouden voor het toevoegen van de intensieve controles van de budgethouders.

De rechtbank acht op basis van het dossier voldoende duidelijk op basis van welke wet- en regelgeving de PGB’s aan de budgethouders zijn uitgekeerd. Daarnaast is het voor de beoordeling van de vordering benadeelde partij niet nodig dat de intensieve controles aan het dossier worden toegevoegd. Het verzoek tot aanhouding van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

Dubbel terugvorderen?

Verder heeft de raadsman naar voren gebracht dat onduidelijk is of de benadeelde partij is overgegaan tot het terugvorderen van PGB-gelden bij de budgethouders. Als dit het geval is, is het voor de beoordeling van de vordering benadeelde partij van belang wat daarvan de stand van zaken is. Daarover dienen eerst de budgethouders te worden gehoord. Het mag niet zo zijn dat de uitgekeerde bedragen door de benadeelde partij dubbel worden teruggevorderd.

De benadeelde partij heeft op de terechtzitting toegelicht dat er nog geen bedragen zijn teruggevorderd bij de budgethouders die zijn genoemd in de vordering. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af om aanvullende informatie van de benadeelde partij op te vragen en vervolgens de budgethouders op dit punt als getuige te horen dan ook af. Om te ondervangen dat er (in de toekomst) niet zowel door de budgethouders als door verdachte wordt terugbetaald aan de benadeelde partij, zal de rechtbank – voor zover zij de vordering zal toewijzen – de betalingsverplichting hoofdelijk opleggen en bepalen dat voor zover door de medeverdachten of door budgethouders is betaald, de verdachte van zijn verplichting tot betaling zal zijn bevrijd.

Verrekenen van verleende zorg?

De benadeelde partij en de officier van justitie hebben naar voren gebracht dat de totaal uitgekeerde bedragen aan PGB voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag dat wordt gevorderd betreft immers maar een beperkt deel van de totaal geleden schade. Bovendien kan door de fraude die is gepleegd het gehele factuurbedrag niet meer door Zilveren Kruis worden verantwoord, niet slechts het deel dat teveel is gedeclareerd.

De raadsman is van mening dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er in de berekening van Zilveren Kruis geen rekening is gehouden met het feit dat er wel degelijk zorg is verleend door [thuiszorg] . De geleverde zorg dient in elk geval te worden verrekend met de uitbetalingen die zijn gedaan.

De rechtbank overweegt dat het voor het bepalen van de omvang van de schade van belang is om vast te stellen hoe de situatie was geweest in het geval geen sprake was van een onrechtmatige daad. In dat geval zou door [thuiszorg] en de budgethouders het PGB zijn gedeclareerd conform de uren die door [thuiszorg] aan zorg waren verleend. Er is immers geen discussie dat de budgethouders van [thuiszorg] in aanmerking kwamen voor een PGB. De rechtbank stelt dus vast dat de geleden schade bestaat uit het PGB dat door het zorgkantoor en de zorgverzekeringsmaatschappij teveel, dat wil zeggen bovenop de aan zorg verleende uren, is betaald.

Op basis van het dossier is niet exact vast te stellen welk percentage door [thuiszorg] aan zorg is verleend. Uit het onderzoek van de Inspectie blijkt dat dit, over alle budgethouders genomen, maximaal 28,1 % kan zijn geweest. De vordering benadeelde partij heeft echter betrekking op de facturen van een aantal specifiek genoemde budgethouders die onder feit 1 ten laste zijn gelegd. Aan de hand van de administratie en de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd, is niet vast te stellen in hoeverre per factuur door [thuiszorg] zorg is verleend. Het exact vaststellen van de hoeveelheid verleende zorg, voor zover dit gelet op de gebrekkige en niet betrouwbare administratie al mogelijk is, zou nader onderzoek vergen en zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal daarom het percentage als uitgangspunt nemen wat met de budgethouder bij de betreffende factuur is gedeeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat in elk geval voor dit percentage van het factuurbedrag geen zorg is verleend.

10.4.2.

Beoordeling vordering Zilveren Kruis Zorgverzekeringen NV

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:

  • -

    [budgethouder 1] : € 4.651,20 (DOC-015-25);

  • -

    [budgethouder 5] : € 5.859,60 (DOC-14-10);

  • -

    [budgethouder 6] : € 3.798,48 (DOC-013-11);

  • -

    [budgethouder 3] : € 4.523,16 (DOC-025-01, DOC-025-03 en DOC-025-04);

  • -

    [budgethouder 7] : € 15.348,96 (DOC-027-01, DOC-027-02 en DOC-027-03);

  • -

    [budgethouder 9] : € 8.565,96 (DOC-032-01, DOC-032-02 en DOC-032-03);

  • -

    [budgethouder 10] : € 5.193,84 (DOC-033-01, DOC-033-02 en DOC-033-03).

Zoals gezegd, zal de rechtbank aan de hand van de percentages op de verdeellijsten schatten in hoeverre ten minste sprake is van onterecht uitgekeerde PGB-gelden. In de onderstaande tabel zijn per factuur de percentages van de verdeellijsten omgezet naar de percentages die aan de budgethouder werden uitbetaald. Een percentage van 40% op een verdeellijst betekent dat in dat geval 60% van het factuurbedrag is uitbetaald aan de budgethouder. In dat geval gaat de rechtbank er dus vanuit dat ten minste 60% van de zorg in die maand niet is geleverd en het schadebedrag ten minste bestaat uit 60% van het factuurbedrag. Dat bedrag zal door de rechtbank worden toegewezen. De rechtbank zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.

Factuurnummer

Bedrag

%

Schadebedrag

Rentedatum

[getuige 3]

DOC-015-25

€ 4.651,20

60%

€ 2.790,72

1 mei 2017

[budgethouder 5]

DOC-14-10

€ 5.859,60

55%

€ 3.222,78

3 april 2017

[budgethouder 6]

DOC-013-11

€ 3.798,48

70%

€ 2.658,94

3 april 2017

[budgethouder 3]

DOC-025-01

€ 1.670,40

60%

€ 1.002,24

1 november 2016

DOC-025-03

€ 1.651,20

60%

€ 990,72

31 december 2016

DOC-025-04

€ 1.201,56

60%

€ 720,94

1 februari 2017

[budgethouder 7]

DOC-027-01

€ 6.201,60

50%

€ 3.100,80

3 april 2017

DOC-027-02

€ 5.814,00

25,8%

€ 1.500,01

1 juli 2017

DOC-027-03

€ 3.333,36

30%

€ 1.000,01

2 oktober 2017

[budgethouder 9]

DOC-032-01

€ 1.686,06

60%

€ 1.011,64

1 februari 2017

DOC-032-02

€ 3.158,94

60%

€ 1.895,36

1 juni 2017

DOC-032-03

€ 3.720,96

60%

€ 2.232,58

1 december 2017

[budgethouder 10]

DOC-033-01

€ 988,38

60%

€ 593,03

1 februari 2017

DOC-033-02

€ 1.879,86

60%

€ 1.127,92

1 juni 2017

DOC-033-03

€ 2.325,60

60%

€ 1.395,36

1 december 2017

Totaal

€ 25.243,05

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Zoals hiervoor is overwogen kan de rechtbank voor dat deel met onvoldoende zekerheid vaststellen in hoeverre er door [thuiszorg] zorg is verleend en in hoeverre ook dat bedrag als schade is aan te merken.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Deze hoofdelijkheid strekt zich ook uit tot de budgethouders of hun familieleden, voor zover zij strafrechtelijk of civielrechtelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door Zilveren Kruis Zorgverzekeringen geleden schade.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.4.3.

Beoordeling vordering Zilveren Kruis Zorgkantoor NV

Zilveren Kruis Zorgkantoor heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:

  • -

    [getuige 2] : € 6.320,00 (DOC-012-05 en DOC-012-07);

  • -

    [budgethouder 2] : € 3.466,00 (DOC-16-05);

  • -

    [budgethouder 4] : € 2.300,00 (DOC-034-01).

De rechtbank verwijst naar de overweging, zoals die is opgenomen onder de beoordeling van de vordering van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen, en zal ook voor deze budgethouders aansluiten bij de percentages zoals die zijn opgenomen op de verdeellijsten. De rechtbank zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.

Factuurnummer

Bedrag

%

Schadebedrag

Rentedatum

[getuige 2]

DOC-012-05

€ 3.440,00

50%

€ 1.720,00

31 december 2016

DOC-012-07

€ 2.880,00

50%

€ 1.440,00

3 april 2017

[budgethouder 2]

DOC-016-05

€ 3.466,00

70%

€ 2.426,20

31 december 2016

[budgethouder 4]

DOC-034-01

€ 2.300,00

50%

€ 1.150,00

1 februari 2017

Totaal

€ 6.736,20

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Zoals hiervoor is overwogen kan de rechtbank voor dat deel met onvoldoende zekerheid vaststellen in hoeverre er door [thuiszorg] zorg is verleend en in hoeverre ook dat bedrag als schade is aan te merken.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Deze hoofdelijkheid strekt zich ook uit tot de budgethouders of hun familieleden, voor zover zij strafrechtelijk of civielrechtelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door Zilveren Kruis Zorgkantoor geleden schade.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.4.4.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen en de officier van justitie hebben verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging heeft betoogd dat de schadevergoedingsmaatregel niet in de eerste plaats bedoeld is voor rechtspersonen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de maatregel in het leven is geroepen om de inning van het schadevergoedingsbedrag het slachtoffer uit handen te nemen. Daarmee wordt het belang van het slachtoffer erkend. Een professionele rechtspersoon als Zilveren Kruis is, aldus de verdediging, voldoende in staat om zelfstandig een toegewezen vordering te incasseren.

De rechtbank volgt de verdediging in zoverre dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de schadevergoedingsmaatregel primair bedoeld is om slachtoffers de inning van toegewezen vorderingen tot schadevergoeding uit handen te nemen. In dat verband lijkt vooral te zijn gedacht aan natuurlijke personen die zelf weinig mogelijkheden hebben om tot inning van het toegewezen bedrag over te gaan. In de wettelijke systematiek zijn rechtspersonen echter niet uitgesloten van deze regeling.

De rechtbank overweegt dat Zilveren Kruis een omvangrijke en professionele organisatie is van wie verwacht mag worden dat zij zelf in staat is om een toegewezen vordering te innen. Het belang dat de Staat deze inning van Zilveren Kruis, door middel van de schadevergoedingsmaatregel, zou moeten overnemen, is dus beperkt.

Een ander aspect van de schadevergoedingsmaatregel is dat de betalingsverplichting kan worden aangevuld met hechtenis wanneer door verdachte niet aan de verplichting wordt voldaan. In dat verband is voor de rechtbank van belang dat het aannemelijk is dat verdachte vermogen in Turkije heeft. Verdachte is wellicht eerder bereid aan zijn betalingsverplichting te voldoen, wanneer hij bij niet-betaling het risico loopt in hechtenis te worden genomen. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat er weliswaar conservatoir beslag is gelegd op diverse vermogensbestanddelen in Nederland, maar dat dit niet ten behoeve van de benadeelde partij is gelegd en dat bovendien het ten gelde maken van een vordering in Turkije ook voor een professionele partij als Zilveren Kruis geen gemakkelijke opgave zal zijn. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij toch wenselijk.

Schadevergoedingsmaatregel Zilveren Kruis Zorgverzekeringen

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 25.243,05, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de data die hiervoor staan vermeld tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 161 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte of zijn mededaders of door budgethouders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Schadevergoedingsmaatregel Zilveren Kruis Zorgkantoor

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgkantoor aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.736,20, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de data die hiervoor staan vermeld tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 68 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte of zijn mededaders of door budgethouders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 28, 36f, 47, 55, 57, 63, 225, 235, 326, 339 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde bewezen zoals in bijlage II is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair, en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 3 primair bewezen verklaarde strafbaar met betrekking tot het bedrag van € 6.484.600,95 en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 3 primair bewezen verklaarde niet strafbaar voor zover dit ziet op een bedrag van € 1.324.668,05 en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Bijkomende straf (ten aanzien van feit 1 en 2)

- ontzet verdachte van het recht tot uitoefening van enig beroep in de zorg voor de duur van 6 jaren;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp: een armband;

- verstaat dat op dit voorwerp nog conservatoir beslag rust, zodat dit aan de feitelijke teruggave van dit voorwerp aan verdachte in de weg staat;

Benadeelde partij Zilveren Kruis Zorgverzekeringen

- wijst de vordering van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 25.243,05;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan Zilveren Kruis Zorgverzekeringen van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.4.2. van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart Zilveren Kruis Zorgverzekeringen voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen aan de Staat € 25.243,05 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.4.2. van dit vonnis tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 161 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij Zilveren Kruis Zorgkantoor

- wijst de vordering van Zilveren Kruis Zorgkantoor gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.736,20;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan Zilveren Kruis Zorgkantoor van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.4.3. van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart Zilveren Kruis Zorgkantoor voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgkantoor aan de Staat € 6.736,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.4.3. van dit vonnis tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. H.E. Spruit en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2019.

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4

april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen,

eenendertig (31), althans een of meer factu(u)r(en) van [thuiszorg] B.V., ten behoeve

van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een)

verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te

weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015- 5) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging

november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m 11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klanten:

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [thuiszorg]

B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van eenendertig (31), althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [thuiszorg] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging 1009 maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging 1009 juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging 1009 september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [thuiszorg] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,

en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat hij en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)

- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [getuige 2] en/of [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of [budgethouder 5] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 4] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),

en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat hij en/of zijn mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)

- heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [thuiszorg] B.V.,

zulks terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Artikel 225 lid 1 en/of lid 2 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[thuiszorg] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te [vestigingsplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

eenendertig (31), althans een of meer factu(u)r(en) van [thuiszorg] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of

‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [thuiszorg] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven,

en/of

[thuiszorg] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van eenendertig (31), althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [thuiszorg] B.V., ten behoeve van de declaratie van

Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [thuiszorg] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 en/of 3.680 euro bedraagt,

en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)

- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [getuige 2] en/of [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of [budgethouder 5] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 4] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),

- en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens) heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [thuiszorg] B.V.,

zulks terwijl zij en haar mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 225 lid 1 en/of lid 2 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 2

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,

de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer)

  • -

    4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,

  • -

    73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [getuige 2] en/of

  • -

    100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of

  • -

    88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 2] en/of

  • -

    128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] en/of

  • -

    86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of

  • -

    25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of

  • -

    55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of

  • -

    25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of

  • -

    40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of

  • -

    24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of

  • -

    26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] ,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere)

zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [thuiszorg] B.V. voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:

  • -

    (daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) en/of

  • -

    (aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,

waardoor de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) (telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten).

Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[thuiszorg] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,

de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer)

4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,

  • -

    73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [getuige 2] en/of

  • -

    100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of

  • -

    88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 2] en/of

  • -

    128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] en/of

  • -

    86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of

  • -

    25.147 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of

  • -

    55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of

  • -

    25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of

  • -

    40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of

  • -

    24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of

  • -

    26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] ,

immers heeft zij en/of haar mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) voorgehouden en/of voorgewend dat [thuiszorg] B.V. voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:

  • -

    (daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) en/of

  • -

    (aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,

waardoor de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n) (telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten),

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 3

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te Utrecht, althans Nederland en/of te Karaman, althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans 6.484.600,95 euro, dan wel 3.915.822,32 euro en/of 978.640 euro en/of 894.014,87 euro en/of 223.988,98 euro en/of 178.267,53 euro en/of 72.700 euro en/of 221.167,25 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,

en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

[thuiszorg] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te [vestigingsplaats] , althans Nederland en/of te Karaman, althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen

een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans 6.484.600,95 euro, dan wel 3.915.822,32 euro en/of 978.640 euro en/of 894.014,87 euro en/of 223.988,98 euro en/of 178.267,53 euro en/of 72.700 euro en/of 221.167,25 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,

en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl zij en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

zij en/of haar mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl zij en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht

Bijlage II: de bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 primair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

dertig (30) facturen van [thuiszorg] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budgetten en/of ter onderbouwing van verantwoordingsformulieren met betrekking tot Persoonsgebonden Budgetten, te weten:

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) telkens inzake de klant [getuige 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015- 5) en ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) telkens inzake de klant [budgethouder 1] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) telkens inzake de klant [budgethouder 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) telkens inzake de klant [budgethouder 5] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) telkens inzake de klant [budgethouder 6] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) telkens inzake de klant [budgethouder 3] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) telkens inzake de klant [budgethouder 7] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) telkens inzake de klant [budgethouder 8] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en ‘Persoonlijke Verzorging

november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) telkens inzake de klant [budgethouder 9] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) telkens inzake de klant [budgethouder 10] en

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en

zorgovereenkomsten, ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en werkafspraken en het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06, 08, 10 en 11),

telkens zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen vermeld en/of doen vermelden dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klanten:

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die facturen vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en

  • -

    zorg heeft verleend voor de op die facturen vermelde totaalbedragen,

en

valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomsten vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [thuiszorg]

B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en 2.300 euro en 3.680 euro bedraagt,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

en

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk voorhanden heeft/hebben gehad en heeft/hebben afgeleverd en gebruik heeft/hebben gemaakt van dertig (30) valse facturen van [thuiszorg] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budgetten en/of ter onderbouwing van verantwoordingsformulieren met betrekking tot Persoonsgebonden Budgetten, te weten:

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) telkens inzake de klant [getuige 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) telkens inzake de klant [budgethouder 1] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) telkens inzake de klant [budgethouder 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) telkens inzake de klant [budgethouder 5] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) telkens inzake de klant [budgethouder 6] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) telkens inzake de klant [budgethouder 3] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging 1009 maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en ‘Persoonlijke Verzorging 1009 juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en ‘Persoonlijke Verzorging 1009 september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) telkens inzake de klant [budgethouder 7] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) telkens inzake de klant [budgethouder 8] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) telkens inzake de klant [budgethouder 9] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) telkens inzake de klant [budgethouder 10] en

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en

zorgovereenkomsten, ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en werkafspraken en het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [thuiszorg] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06, 08, 10 en 11),

telkens zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid telkens hierin dat op die facturen – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [thuiszorg] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die facturen vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en

  • -

    zorg heeft verleend voor de op die facturen vermelde totaalbedragen,

en

op die zorgovereenkomsten – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [thuiszorg] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en 2.300 euro en 3.680 euro bedraagt,

en bestaande dat gebruikmaken en afleveren hieruit dat hij en/of zijn mededaders die facturen en die zorgovereenkomsten telkens

- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klanten B. Böolükoglu en [budgethouder 1] en [budgethouder 2] en [budgethouder 5] en [budgethouder 6] en [budgethouder 3] en [budgethouder 7] en [budgethouder 8] en [budgethouder 9] en [budgethouder 10] en [budgethouder 4] en/of een familielid en/of familieleden van deze klanten en heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het Zilveren Kruis en/of een andere zorgverzekeraar en/of zorgkantoor,

en bestaande het voorhanden hebben hieruit dat hij en/of zijn mededaders die facturen en die zorgovereenkomsten telkens

- heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [thuiszorg] B.V.,

zulks terwijl hij en zijn mededaders telkens wist(en) dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Feit 2 primair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een of meer listige kunstgrepen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Zilveren Kruis en de gemeente Utrecht heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van Persoonsgebonden Budget, te weten een geldbedrag van 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03),

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) telkens met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – listiglijk en in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of het Zilveren Kruis en/of de gemeente Utrecht voorgewend dat [thuiszorg] B.V. voor de totaal gedeclareerde geldbedragen en/of de totaal vastgestelde maandbedragen aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouders en:

  • -

    daartoe zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren en declaratieformulieren en facturen op naam van deze budgethouders heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of de gemeente Utrecht en

  • -

    aldus met die zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren en declaratieformulieren en facturen Persoonsgebonden Budgetten op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,

waardoor de SVB en het Zilveren Kruis en de gemeente Utrecht telkens zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budgetten dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van de Persoonsgebonden Budgetten.

Feit 3 primair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 in Nederland en/of Turkije, tezamen en in vereniging met anderen,

geldbedragen van in totaal 7.809.269 euro heeft/hebben verworven en voorhanden heeft/hebben gehad en

geldbedragen van in totaal 6.484.600,95 euro heeft/hebben overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), telkens wist(en) dat voormelde geldbedragen, gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf en

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderzoeksnummer 6640-2017-2024, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 3157). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AMB staat voor ambtshandeling, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 10.

3 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 11.

4 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 11.

5 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 12.

6 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 12.

7 AG-001-01, pagina 2471.

8 G-016-01, pagina 2781.

9 G-016-01, pagina 2782.

10 DOC-003-02A, pagina 2015.

11 DOC-003-02A, pagina 2016.

12 AMB-15-01, pagina 1132.

13 V-002-01, pagina 98.

14 AMB-15-01, pagina 1135.

15 V-003-05, pagina 228.

16 AMB-15-01, pagina 1137.

17 V-004-08, pagina 329.

18 AMB-030-01, pagina 1294.

19 AMB-030-01, pagina 1294.

20 V-004-08, pagina 330.

21 V-004-08, pagina 331.

22 V-002-L, pagina 69.

23 DOC-008-01, pagina 2139.

24 AMB-053-01, pagina 3152.

25 AMB-053-01, pagina 3153.

26 V-010-01, pagina 682.

27 AMB-020-07, pagina 1223.

28 AMB-020-07, pagina 1229.

29 AMB-020-07, pagina 1232.

30 AMB-020-07, pagina 1231.

31 AMB-020-07, pagina 1232.

32 V-011-03, pagina 699.

33 V-011-03, pagina 700.

34 DOC-020-05, pagina 2301.

35 V-012-01, pagina 708.

36 V-012-01, pagina 709.

37 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 384.

38 AMB-020-03, pagina 1174.

39 V-022-01, pagina 2650.

40 V-022-01, pagina 2651.

41 V-022-01, pagina 2656.

42 V-022-01, pagina 2657.

43 AMB-030-02, pagina 1309.

44 V-020-01, pagina 2456.

45 V-020-01, pagina 2457.

46 AMB-030-06, pagina 2489.

47 AMB-031-01, pagina 1321.

48 AMB-031-01, pagina 1322.

49 AMB-045-02, pagina 2859.

50 AMB-045-02, pagina 2861.

51 AMB-045-03, pagina 2865.

52 AMB-045-03, pagina 2866.

53 AMB-045-02, pagina 2863 en 2864.

54 AMB-045-03, pagina 2866.

55 AMB-045-03, pagina 2867.

56 AMB-045-03, pagina 2868.

57 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 361.

58 DOC-012-05, pagina 2175.

59 DOC-012-07, pagina 2177.

60 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 369.

61 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 370.

62 DOC-015-06, pagina 2224.

63 DOC-015-25, pagina 2243.

64 DOC-015-26, pagina 2244.

65 DOC-016-02, pagina 2247.

66 DOC-016-04, pagina 2249.

67 DOC-016-05, pagina 2250.

68 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 380.

69 V-012-01, pagina 708.

70 DOC-020-04, pagina 2300.

71 DOC-016-07, pagina 2252.

72 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 383.

73 DOC-016-07, pagina 2254

74 DOC-014-02, pagina 2202.

75 DOC-014-04, pagina 2204.

76 DOC-014-10, pagina 2210.

77 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 385.

78 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 387.

79 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 388.

80 DOC-013-02, pagina 2180.

81 DOC-013-07, pagina 2185.

82 DOC-013-11, pagina 2189.

83 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 393.

84 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 393.

85 DOC-025-01, pagina 2348.

86 DOC-025-03, pagina 2354.

87 DOC-025-04, pagina 2357.

88 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 400.

89 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 402.

90 V-022-01, pagina 2656.

91 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 403.

92 DOC-027-01, pagina 2386.

93 DOC-027-02, pagina 2389.

94 DOC-027-02, pagina 2392.

95 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 406.

96 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 407.

97 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 409.

98 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 405.

99 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 407.

100 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 408.

101 DOC-028-03, pagina 2399.

102 DOC-028-04, pagina 2400.

103 DOC-028-05, pagina 2402.

104 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 413.

105 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 416.

106 DOC-032-01, pagina 2516.

107 DOC-032-02, pagina 2519.

108 DOC-032-03, pagina 2522.

109 AMB-039-01, pagina 2411.

110 AMB-039-01, pagina 2413.

111 AMB-039-01, pagina 2414.

112 AMB-039-01, pagina 2410.

113 AMB-039-01, pagina 2412.

114 AMB-039-01, pagina 2413.

115 DOC-034-01, pagina 2549.

116 DOC-033-01, pagina 2535.

117 DOC-033-01, pagina 2532.

118 AMB-039-01, pagina 2418.

119 AMB-039-01, pagina 2419.

120 AMB-039-01, pagina 2420.

121 AMB-039-01, pagina 2417.

122 AMB-039-01, pagina 2418.

123 AMB-039-01, pagina 2420.

124 DOC-033-01, pagina 2532.

125 AMB-039-01, pagina 2426.

126 V-020-01, pagina 2456.

127 AMB-039-01, pagina 2427.

128 DOC-034-06, pagina 2569.

129 DOC-034-06, pagina 2570.

130 AMB-039-01, pagina 2427.

131 DOC-034-08, pagina 2582.

132 AMB-039-01, pagina 2427.

133 V-020-01, pagina 2456.

134 V-020-01, pagina 2457.

135 V-020-01, pagina 2457.

136 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 426.

137 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 429.

138 AMB-030-01, pagina 1294.

139 AMB-030-01, pagina 1294.

140 AMB-020-08, pagina 1236.

141 AMB-020-08, pagina 1244.

142 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 430.

143 V-004-08, pagina 334.

144 V-004-08, pagina 335.

145 V-004-08, pagina 343.

146 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 434.

147 AMB-020-09, pagina 2479.

148 V-004-08, pagina 336.

149 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

150 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 438.

151 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 439.

152 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

153 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 438.

154 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

155 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 439.

156 V-004-08, pagina 338.

157 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 436.

158 V-014-01, pagina 735.

159 V-004-08, pagina 332.