beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/16/481236 / HA RK 19-146
Beschikking van 12 juni 2019
[verzoeker]
,
voorheen wonende te [woonplaats 1] , thans wonende te [woonplaats 2] ,
verzoeker,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat mr. N.L.E.M. Bynoe te Rotterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaat mr. H.E. Meerman te Dordrecht.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 15 maart 2019, de (eerste) herziene versie van het verzoekschrift van 30 april 2019 en het verweerschrift met tegenverzoeken van [verweerster] van 14 mei 2019. Op 17 mei 2019 heeft mr. Bynoe een aanvullende productie nagezonden en een (tweede) herziene versie van het verzoekschrift, onder meer houdende een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerster] waren aanwezig de heer [A] (middellijk bestuurder) en de heer [B] (corporate secretary van bestuurder), bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen hebben geantwoord op de door de rechtbank gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
1.3.
Hierna is uitspraak bepaald.
2 De feiten
2.1.
[verweerster] is een dochtervennootschap van [bedrijfsnaam] N.V., een onderneming die zich bezighoudt met de verkoop en ontwikkeling van de software “ [....] ”. [verweerster] is in 2016 opgericht met het doel om de software te implementeren bij klanten.
2.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1958, is op 1 februari 2016 als operationeel directeur in dienst getreden bij [verweerster] . Zijn brutoloon bedroeg laatstelijk € 6.300 per maand, exclusief emolumenten. Bij zijn indiensttreding is aan [verzoeker] een mobiele telefoon en laptop ter beschikking gesteld en is met hem afgesproken dat hij een leaseauto krijgt tot een maximumbedrag van € 750 per maand. Vanaf 1 augustus 2016 heeft [verzoeker] een auto geleased met een leaseprijs van € 1.343,71 per maand op basis van 50.000 km per jaar.
2.3.
Bij aandeelhoudersbesluit van 27 juli 2016 is [verzoeker] benoemd tot bestuurder van [verweerster] . Hij is vanaf 29 juli 2019 statutair bestuurder van [verweerster] en maakt deel uit van het managementteam van [bedrijfsnaam] N.V.. De heer [A] is mede-aandeelhouder van [bedrijfsnaam] N.V. en eindverantwoordelijk binnen het managementteam en voor het beleid bij de werkmaatschappijen. [verzoeker] rapporteerde aan hem.
2.4.
Bij indiensttreding was de primaire taak van [verzoeker] de implementatie van [....] bij klanten en het opleiden van gebruikers. Gaandeweg is zijn takenpakket gewijzigd en is de nadruk komen te liggen op de acquisitie van klanten.
2.5.
Op enig moment heeft [A] [verzoeker] aangesproken op het uitblijven van resultaat bij [verweerster] . [A] en [verzoeker] hebben hier veelvuldig over gecorrespondeerd. Uit de (inhoud en toonzetting van de) e-mails vanaf augustus 2018 blijkt dat zij van mening verschillen over de oorzaak van het uitblijven van resultaat bij [verweerster] en de voortgang van projecten. Op 17 september 2018 heeft [A] [verzoeker] meegedeeld dat [verzoeker] vanaf dat moment geen deel meer uitmaakt van het managementteam.
2.6.
Op 22 oktober 2018 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [verzoeker] , waarin zij het erover eens zijn geworden dat het beter is om de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen en hun samenwerking voort te zetten op commissiebasis.
2.7.
[verweerster] heeft [verzoeker] op 7 december 2018 een contractvoorstel gedaan voor een nieuwe vorm van samenwerking. [verzoeker] heeft dit voorstel voorgelegd aan zijn gemachtigde en heeft [verweerster] op 3 januari 2019 gevraagd om met elkaar in gesprek te blijven.
2.8.
Bij brief van 17 januari 2019 is [verzoeker] uitgenodigd voor een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) op 29 januari 2019. Enig agendapunt voor deze vergadering was: “Ontslag van de heer [verzoeker] als bestuurder en werknemer” van [verweerster] . In overleg met mr. Bynoe is de vergadering verplaatst naar 30 januari 2019.
2.9.
[verzoeker] heeft zich op 30 januari 2019 iets meer dan een uur voor de aandeelhoudersvergadering per e-mail ziekgemeld. Zijn gemachtigde, mr. Bynoe, was op dat moment al aanwezig op de locatie waar de vergadering zou plaatsvinden. [verweerster] heeft [verzoeker] voorgesteld om zijn gemachtigde namens hem, of via conference call met hem, het woord te laten voeren tijdens de vergadering. [verzoeker] heeft hier niet mee ingestemd.
2.10.
De aandeelhoudersvergadering is vervolgens buiten aanwezigheid van [verzoeker] en zijn gemachtigde gehouden. Tijdens die vergadering is [verzoeker] per direct ontslagen als statutair bestuurder en is tevens besloten zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen tegen 1 maart 2019.
2.11.
De notulen van de aandeelhoudersvergadering, met daarin opgenomen het ontslagbesluit, zijn op 1 februari 2019 aan (de gemachtigde van) [verzoeker] gezonden.
2.12.
[verweerster] heeft het loon tot en met februari 2019 aan [verzoeker] uitbetaald.
3 Het geschil
3.1.
[verzoeker] verzoekt na wijziging - samengevat - het volgende:
Bij wijze van voorlopige voorziening:
- -
veroordeling van [verweerster] tot doorbetaling van het overeengekomen loon vanaf 1 maart 2019 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
- -
veroordeling van [verweerster] om hem bij gebleken arbeidsgeschiktheid in staat te stellen de bedongen arbeid te verrichten, op straffe van een dwangsom;
- -
te verklaren voor recht dat het door [verweerster] op 30 januari 2019 genomen ontslagbesluit nietig is, dan wel wordt vernietigd;
- -
te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst na 1 maart 2019 in stand is gebleven;
- -
[verweerster] te gebieden het ontslag ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom;
- -
[verweerster] te veroordelen om [verzoeker] in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder te hervatten, op straffe van een dwangsom;
- -
[verweerster] te veroordelen tot doorbetaling van het overeengekomen loon tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
- -
[verweerster] te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon vanaf 1 februari 2019 en het openstaande vakantiegeld;
- -
[verweerster] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten;
- -
[verweerster] te veroordelen tot betaling van het achterstallig loon en de vakantietoeslag vanaf 1 februari 2019 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
- -
[verweerster] te veroordeling tot betaling van € 6.804 aan vergoeding van loon en emolumenten over de opzegtermijn;
- -
[verweerster] te veroordelen tot betaling van de eindafrekening ten aanzien van openstaande vakantietoeslag en vakantiedagen;
- -
[verweerster] te veroordelen tot betaling van € 6.804 aan transitievergoeding;
- -
[verweerster] te veroordelen tot betaling van € 100.000 aan billijke vergoeding;
- -
[verweerster] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[verweerster] voert verweer en verzoekt veroordeling van [verzoeker] tot:
a. afgifte van de laptop, op straffe van een dwangsom;
b. betaling van € 338,99 in verband met de mobiele telefoon;
c. betaling van € 3.128,30 ter zake van teveel opgenomen vakantiedagen;
d. betaling van € 9.520,02 in verband met gereden meerkilometers;
e. betaling van € 300 in verband met schade aan de leaseauto;
f. betaling van € 2.154,62 in verband met bijtelling privégebruik leaseauto;
g. betaling van € 216,72 in verband met het voortgezet gebruik van de leaseauto over de periode van 1 maart tot 5 maart 2019;
één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] een ‘dubbele’ rechtspositie had. Hij was immers zowel (statutair) bestuurder van [verweerster] als werknemer. Voor de rechtspositie als bestuurder gelden de regels van het vennootschapsrecht, voor de rechtpositie als werknemer de regels van het arbeidsrecht.
Nietigheid/vernietigbaarheid van het vennootschapsrechtelijk ontslag van 30 januari 2019
4.2.
De eerste vraag die voorligt is of het ontslagbesluit rechtsgeldig is. Volgens [verzoeker] is dit niet het geval, onder meer omdat na het bepalen van de nieuwe datum de AvA niet opnieuw rechtsgeldig bijeen is geroepen. Deze stelling gaat niet op. Vast staat namelijk dat de termijn van oproeping voor de vergadering van 29 januari 2019 in acht is genomen en dat die vergadering slechts op verzoek van en in overleg met (de gemachtigde van) [verzoeker] met één dag is verplaatst naar 30 januari 2019. Hieruit kan worden afgeleid dat [verzoeker] heeft ingestemd met de dag waarop de vergadering is gehouden. Het verzetten van de vergadering staat dan ook niet in de weg aan de rechtsgeldigheid van de besluiten die zijn genomen.
4.3.
[verzoeker] heeft verder betoogd dat [verweerster] niet de intentie had om tijdens de vergadering een oprechte uitwisseling van standpunten te laten plaatsvinden, zodat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn adviserende stem uit te brengen en hoor en wederhoor niet is toegepast. Ook dit standpunt wordt verworpen. [verzoeker] is bij brief van 17 januari 2019 geïnformeerd over de reden van [verweerster] voor agendering van zijn ontslag in de aandeelhoudersvergadering, namelijk een verlies van vertrouwen in zijn functioneren en een fundamentele verstoring van de arbeidsrelatie. [verweerster] heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld zijn visie op dit agendapunt en zijn raadgevende stem vooraf schriftelijk kenbaar te maken. Ook op de dag van de vergadering heeft [verweerster] , na ziekmelding van [verzoeker] , hem in de gelegenheid gesteld om via zijn gemachtigde, dan wel via conference call, het woord te voeren tijdens de vergadering. [verzoeker] heeft er derhalve zelf voor gekozen geen gebruik te maken van zijn adviserende stem en hoorrecht. [verzoeker] is bovendien ter zitting in deze procedure in de gelegenheid geweest zijn standpunt weer te geven, hetgeen voor [verweerster] geen reden is geweest om tot een ander besluit te komen.
Dat een reactie of raadgevende stem in de ogen van [verzoeker] zinloos was omdat voor [verweerster] het ontslag al vaststond, doet in de gegeven omstandigheden niet af aan de rechtsgeldigheid van het besluit. Het verlenen van ontslag is namelijk een vergaande discretionaire bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering en is, gelet op de aard van de rechtsbetrekking tussen bestuurder en vennootschap, niet snel in strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Dat in de agenda voor de aandeelhoudersvergadering “Ontslag van de heer [verzoeker] ” is vermeld, en niet het “voorgenomen ontslag” is daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende.
4.4.
De conclusie is dat het ontslagbesluit van 30 januari 2019 rechtsgeldig is.
De gevolgen van het ontslagbesluit voor de arbeidsovereenkomst
4.5.
Het rechtsgeldige ontslag van een statutair bestuurder van een vennootschap uit zijn vennootschapsrechtelijke positie brengt als regel tevens opzegging van zijn arbeidsovereenkomst mee, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in de “15 april arresten” (HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030 en AS2713). Door het vennootschapsrechtelijke ontslag is de arbeidsovereenkomst als het ware een lege huls geworden. Het arbeidsrechtelijke ontslag kan als zodanig niet worden aangevochten en hersteld (artikel 7:671 lid 1 sub e jo. artikel 2:244 lid 3 BW), vanuit de gedachte dat het bevoegde orgaan (in dit geval de AVA) te allen tijde de statutair bestuurder kan ontslaan. Een ontslagbesluit heeft dus in beginsel tevens beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder tot gevolg. Dit kan anders zijn als een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat.
4.6.
In deze zaak staat vast dat [verzoeker] zich heeft ziek gemeld nadat hij was opgeroepen voor de AvA, zodat het opzegverbod bij ziekte niet van toepassing is.
4.7.
Zoals hiervoor onder 4.5 is overwogen houdt een ontslagbesluit tevens de opzegging in van de arbeidsovereenkomst. De ontvangsttheorie brengt mee dat een tot een persoon gerichte verklaring, die persoon moet hebben bereikt om haar werking te hebben (artikel 3:37 lid 3 BW). Het ontslagbesluit heeft dus pas werking als het de bestuurder heeft bereikt. Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] niet aanwezig was bij de aandeelhoudersvergadering. [verweerster] diende [verzoeker] dan ook in kennis te stellen van het ontslagbesluit en de arbeidsovereenkomst op te zeggen. De e-mail van 1 februari 2019, waarbij de notulen van de aandeelhoudersvergadering en het ontslagbesluit aan (de gemachtigde van) [verzoeker] zijn gezonden, dient als opzegging te worden aangemerkt.
Dit leidt ertoe dat de opzegtermijn eerst op 1 februari 2019 is gaan lopen. Rekening houdend met een opzegtermijn van één volle maand en het voorschrift van artikel 7:672 lid 1 BW (opzegging geschiedt tegen het einde van de maand), had [verweerster] de arbeidsovereenkomst dus niet voor 1 april 2019 mogen opzeggen. Nu zij dit wel heeft gedaan, is zij schadeplichtig op grond van artikel 7:672 lid 10 BW. De schadevergoeding die [verweerster] verschuldigd is aan [verzoeker] is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Dit is het salaris over maart 2019, te vermeerderen met emolumenten. [verweerster] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde (gefixeerde) schadevergoeding van € 6.804 bruto, zodat deze vordering toewijsbaar is.
4.8.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] recht heeft op een bedrag van € 6.804 aan transitievergoeding. De vordering tot betaling van dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
4.9.
[verzoeker] heeft verzocht om aan hem, in aanvulling op de transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 100.000 toe te kennen. Dit verzoek is primair gebaseerd op het ontbreken van een redelijke grond voor de opzegging en subsidiair op verwijtbaar handelen van [verweerster] (artikel 7:671 lid 1 sub e in verbinding met artikel 7:682 lid 3 sub a en b BW).
4.10.
Hoewel uit de e-mail van 1 februari 2019 van de gemachtigde van [verweerster] niet is op te maken welke van de in artikel 7:699 BW genoemde opzeggingsgronden aan het ontslag ten grondslag is gelegd, is voldoende duidelijk dat de opzegging in ieder geval is gedaan op de h-grond: omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uit het ontslagbesluit volgt dat de reden voor het ontslag is gelegen in een verlies van vertrouwen in het functioneren van [verzoeker] en een fundamentele verstoring van de arbeidsrelatie. Ter onderbouwing hiervan heeft [verweerster] er in het ontslagbesluit onder meer op gewezen dat de samenwerking tussen [verzoeker] en de moedermaatschappij [bedrijfsnaam] N.V. ernstig en onherstelbaar is ontwricht en dat [verzoeker] niet de door [bedrijfsnaam] N.V. beoogde omzet heeft gerealiseerd.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat [verweerster] een zeer kleine onderneming is die sinds haar oprichting in 2016 onder leiding van [verzoeker] slechts verlies heeft geleden. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank voldoende komen vast te staan dat er in de loop van 2018 een verschil van inzicht is ontstaan tussen [verweerster] en [verzoeker] over de wijze waarop [verzoeker] aan zijn functie als operationeel directeur inhoud dient te geven. Op enig moment heeft [A] [verzoeker] aangesproken op het uitblijven van resultaat bij [verweerster] . Uit de inhoud en toonzetting van de correspondentie vanaf augustus 2018 tussen [A] en [verzoeker] blijkt dat zij het niet eens zijn over de voorgang van de projecten en dat zij ook elkaars capaciteiten in twijfel trekken. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de e-mail van [verzoeker] aan [A] van 13 augustus 2018, waarin hij schrijft: “Zo ben je dus in staat met standpunten en opdrachten die absurd zijn, een moeizaam traject wat eindelijk enigszins op de rails komt, op de valreep toch te saboteren. (…) Dus: blijf weg van de verkoop binnen [.] , [.] , [.] , [.] , we houden je echt op de hoogte”. [A] schrijft op zijn beurt op 17 september 2018 aan [verzoeker] : “Er is na meer dan een jaar geen voortgang in de projecten die je toevertrouwd werden. In zo’n situatie is het mijn plicht als CEO om na te gaan wat er misloopt, die vraag werd trouwens expliciet geformuleerd door de raad van bestuur. (…) Het is niet redelijk te blijven roepen dat je alles beter weet en alle andere betrokkenen emotioneel zijn als de resultaten na een jaar vrijheid met volle ondersteuning volledig afwezig blijven.” Het verschil van inzicht tussen [verweerster] en [verzoeker] is naar het oordeel van de rechtbank dusdanig groot dat het kwalificeert als “andere omstandigheden” als bedoeld in artikel 699 lid 1 en 3 sub h BW. Herplaatsing ligt ook niet in de rede.
4.12.
Nu de redenen voor het ontslag een voldragen h-grond opleveren, hoeft de rechtbank niet te beoordelen of er in dit geval ook sprake is van een andere voldragen ontslaggrond, te weten de g- grond (verstoorde arbeidsrelatie). Al hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd blijft dan ook buiten beschouwing.
4.13.
Aan de stelling dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] , heeft [verzoeker] onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Hiervoor is in ieder geval niet voldoende dat [verzoeker] aanvankelijk niet was aangenomen voor sales. Ter zitting heeft hij immers verklaard dat zijn takenpakket gaandeweg is gewijzigd waarbij de nadruk is komen te liggen op de acquisitie van klanten. Dat [verzoeker] hier bezwaar tegen heeft gemaakt is niet gebleken. Evenmin is gebleken dat [verzoeker] op enig moment heeft aangegeven dat hij behoefte had aan meer of andere ondersteuning om zijn gewijzigde taak goed uit te kunnen voeren.
4.14.
De opzegging berust dus op een redelijke grond terwijl de werkgever niet kan worden verweten ernstig verwijtbaar te hebben gehandeld. Het verzoek om een billijke vergoeding is niet toewijsbaar.
4.15.
[verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerster] tot betaling van de eindafrekening ten aanzien van openstaande vakantietoeslag en vakantiedagen. [verweerster] heeft niet betwist dat zij bij het einde van het dienstverband de plicht heeft om een eindafrekening op te stellen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [verweerster] hiervoor zorg zal dragen. Over de inhoud van de eindafrekening wordt gelet op het tegenverzoek van [verweerster] ter zake van teveel opgenomen vakantiedagen, hierna ingegaan.
Tegenverzoeken van [verweerster]
4.16.
Vast staat dat aan [verzoeker] bij zijn indiensttreding een mobiele telefoon en laptop ter beschikking zijn gesteld. [verzoeker] heeft aangeven de telefoon en de laptop te willen overnemen. Nu [verweerster] niet met overname van de laptop heeft ingestemd, is de vordering tot afgifte van de laptop toewijsbaar. De hieraan gekoppelde dwangsom is toewijsbaar op de hierna onder de beslissing vermelde wijze. [verweerster] heeft geen bezwaar gemaakt tegen overname van de telefoon, maar vordert hiervoor een vergoeding van € 338,99 netto. Nu [verweerster] de waarde van de (vier jaar oude) telefoon niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank deze bepalen op nihil. De door [verweerster] gevorderde kosten in verband met de telefoon worden dan ook afgewezen.
4.17.
Ten aanzien van de vordering van [verweerster] tot terugbetaling van € 3.218,30 bruto ter zake van teveel opgenomen vakantiedagen wordt het volgende overwogen. [verweerster] heeft gesteld dat [verzoeker] over 2018 recht had op 26 vakantiedagen. Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] 36 vakantiedagen opgenomen, als gevolg waarvan hij 10 vakantiedagen ad € 3.218,30 bruto dient terug te betalen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [verweerster] het verlofoverzicht van [verzoeker] over 2018 overgelegd. [verzoeker] heeft niet betwist dat hij de in het overzicht vermelde dagen daadwerkelijk heeft opgenomen, maar hij stelt dat zijn verlof hiervoor toereikend was omdat hij zijn (wettelijke en bovenwettelijke) vakantiedagen over de jaren 2016 en 2017 nog niet had opgemaakt. Tegenover deze stelling heeft [verweerster] slechts aangevoerd dat [verzoeker] zijn verlof over 2016 en 2017 volledig heeft genoten en dat zij [verzoeker] hier ook bij e-mails van 18 september 2018 en 12 oktober 2018 op heeft gewezen. Nu [verweerster] evenwel heeft nagelaten een verlofadministratie over te leggen vanaf (in elk geval) 2016 tot 1 maart 2019, kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] bij het einde van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk een negatief vakantiesaldo had. De vordering van [verweerster] ter zake van teveel opgenomen vakantiedagen wordt dan ook afgewezen.
4.18.
[verweerster] vordert verder kosten die verband houden met de leaseauto. [verzoeker] heeft de verschuldigdheid van € 2.154,62 netto in verband met bijtelling voor het privégebruik van de auto ter zitting erkend. Die vordering is toewijsbaar. De vorderingen van € 300 netto in verband met schade aan de leaseauto en € 216,72 netto in verband met voortgezet gebruik na 1 maart 2015 zijn niet (gemotiveerd) betwist door [verzoeker] en derhalve eveneens toewijsbaar.
4.19.
Dan resteert nog de vordering in verband met de gereden meerkilometers. Vast staat dat de auto door [verzoeker] is geleased op basis van 50.000 kilometer per jaar voor een periode van vier jaar. Per kilometer is een meerprijs van € 0,116 overeengekomen. [verzoeker] heeft met een gemiddeld gebruik van 8.851 kilometers per maand aanzienlijk meer kilometers per jaar gereden dan de overeengekomen 50.000. Door [verzoeker] is niet betwist dat het merendeel van de door hem gereden kilometers privégebruik betrof.
[verweerster] heeft aan de leasemaatschappij € 9.520,02 aan meerkilometers moeten betalen. [verweerster] vordert vergoeding van dit bedrag door [verzoeker] .
Gelet op het bepaalde in artikel 7:661 BW geldt dat [verzoeker] slechts gehouden is de schade te vergoeden indien die het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat het hem al na een jaar duidelijk was dat hij vanwege privé activiteiten veel meer kilometers reed dan overeengekomen en dat er door [verweerster] zou moeten worden bijbetaald. Niet gebleken is dat hij [verweerster] daarvan op dat moment op de hoogte heeft gesteld, dan wel dat hij zelf contact met de leasemaatschappij heeft opgenomen om te informeren naar mogelijkheden om de overeenkomst aan te passen en onnodige kosten te voorkomen. [verzoeker] heeft dus bewust de overeengekomen kilometers overschreden en daarmee ook bewust schade veroorzaakt. Op grond van artikel 7:661 BW is hij aansprakelijk voor deze schade. De vordering tot vergoeding van € 9.502,02 netto is toewijsbaar.
4.20.
Nu hiervoor is geconcludeerd dat het ontslagbesluit van 30 januari 2019 geldig is en dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 maart 2019, wordt het door [verzoeker] primaire verzochte afgewezen. De subsidiaire verzoeken ter zake van de (gefixeerde) schadevergoeding van € 6.804 bruto en de transitievergoeding van € 6.804 bruto zijn wel toewijsbaar. [verweerster] zal verder worden veroordeeld tot verstrekking van een eindafrekening.
De overige verzoeken van [verzoeker] zijn niet toewijsbaar.
Nu in deze beschikking reeds wordt beslist op de primaire en subsidiaire verzoeken van [verzoeker] heeft hij geen belang meer bij een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. Dit verzoek wordt ook afgewezen.
4.21.
De verzoeken van [verweerster] ter zake van afgifte van de laptop, vergoeding van schade aan de leaseauto, vergoeding van gereden meerkilometers en kosten ter zake van bijtelling privégebruik en voortgezet gebruik van de leaseauto zijn toewijsbaar. Door [verweerster] gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van indiening van het verweerschrift met tegenverzoeken, te weten 14 mei 2019 tot de voldoening. De overige verzoeken worden afgewezen.
Proceskosten
4.22.
De rechtbank zal de kosten van deze procedure compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De rechtbank
Op de verzoeken van [verzoeker] :
5.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting te betalen € 6.804 bruto ter zake van gefixeerde schadevergoeding en € 6.804 bruto ter zake van transitievergoeding;
5.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een deugdelijke eindafrekening te verstrekken;
Op de tegenverzoeken van [verweerster] :
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot afgifte van de laptop op straffe van een dwangsom van
€ 100 per dag voor iedere dag dat hij hier na betekening van deze beschikking mee in gebreke blijft, met een maximum van € 3.000;
5.4.
veroordeelt [verzoeker] om aan [verweerster] tegen bewijs van kwijting te betalen:
-
€ 9.520,02 netto in verband met gereden meerkilometers;
-
€ 300 netto in verband met schade aan de leaseauto;
-
€ 2.154,62 netto in verband met bijtelling privégebruik leaseauto;
-
€ 216,72 netto in verband met voortgezet gebruik leaseauto;
-
de wettelijke rente over de hiervoor onder a tot en met d genoemde bedragen, vanaf 14 mei 2019 tot de voldoening;
Op de verzoeken van [verzoeker] en [verweerster] verder:
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af;
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2019.1