RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
zaaknummer: 5439094 UC EXPL 16-14910 MJ/1546
Vonnis van 28 februari 2018
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. W.P.M. Mulder.
2 De feiten
2.1.
[eiseres] is sinds april 1997 werkzaam in dienst van [gedaagde] in de functie van boekhoudkundig medewerker. Tot 1 januari 2017 was onderdeel van de arbeidsvoorwaarden dat [eiseres] deelneemt in de door [gedaagde] sinds 1 januari 2006 bij Aegon ondergebrachte pensioenvoorziening. Deze pensioenvoorziening is uitgewerkt in het Pensioenreglement van [gedaagde] . Het gaat om een beschikbare premieregeling waarvan de premie volgens een staffel wordt afgedragen. [eiseres] draagt 50% bij aan deze premie. [gedaagde] houdt deze bijdrage in op het aan [eiseres] verschuldigde salaris.
2.2.
Op 1 januari 2017 heeft [gedaagde] een nieuwe pensioenverzekering voor [eiseres] afgesloten voor de periode vanaf 1 januari 2017.
2.3.
[gedaagde] heeft evenwel over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2017 niet de op grond van de pensioenregeling verschuldigde premies afgedragen aan Aegon. [gedaagde] heeft in die periode wel de bijdrage van [eiseres] aan de pensioenpremie op haar salaris ingehouden.
2.4.
Bij brief van 20 februari 2014 heeft Aegon aan [gedaagde] bericht dat een debetsaldo is ontstaan met als gevolg dat de door [gedaagde] afgesloten pensioenverzekeringen van haar werknemers premievrij zijn gemaakt en dat de eveneens overeengekomen verzekeringsdekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico en overlijdensrisico is vervallen.
2.5.
Tevens is de door [gedaagde] ten behoeve van [eiseres] afgesloten Aegon Gezond Werkplanpolis met ingang van 1 oktober 2015 beëindigd als gevolg van het uitblijven van de premiebetaling.
3 Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert na wijziging van eis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] :
-
binnen 10 dagen na het wijzen van het vonnis schriftelijk aan pensioenuitvoerder Brand New Day en Aegon een offerte te vragen voor de inkoop aan pensioenkapitaal van het fiscaal maximale bedrag tot een bedrag van € 14.082,03, te vermeerderen met het rendement van 7,36% per jaar tot de stortingsdatum, onder gelijktijdige toezending hiervan aan de gemachtigde van eiseres;
-
het antwoord van Brand New Day en Aegon binnen 2 dagen na ontvangst aan de gemachtigde van eiseres toe te zenden;
-
indien en voor zover Brand New Day of Aegon een offerte afgeeft, de vereiste koopsom binnen 14 dagen aan de betreffende pensioenuitvoerder te voldoen;
-
voor zover aan de onderdelen a) t/m c) niet wordt voldaan, een dwangsom op te leggen van € 250, per dag aan gedaagde voor iedere dag dat gedaagde nadat de kantonrechter vonnis heeft gewezen, met een of meer onderdelen in gebreke blijft;
-
indien en voor zover uit de schriftelijke afwijzing van beide voornoemde pensioenuitvoerders blijkt dat zij hieraan niet meewerken, betaling van het bedrag als genoemd onder a) of - indien aan c) is voldaan - het bedrag dat resteert na aftrek van het deel dat bij een van beide pensioenuitvoerders is aangewend als pensioenkapitaal, binnen 14 dagen na deze afwijzing over te maken op een door eiseres op te geven bankrekening, zijnde naar keuze van eiseres:
1. een lijfrentepolis, waarbij in dat geval het bedrag wordt verhoogd met de kosten voor het afsluiten van deze verzekering en de wettelijke rente van 1 januari 2017 tot de datum van de storting; of
2. een privé bankrekening, waarbij in dat geval het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente van 1 januari 2017 tot de datum van de storting, het fiscale progressienadeel en een compensatie van het belastingnadeel in verband met het vermogen over 5 jaar, ter hoogte van 1,2 x 5 = 6% over het netto uit te keren bedrag;
binnen 14 dagen na dit vonnis een WGA-aanvullingsverzekering af te sluiten die minimaal gelijkwaardig is aan de regeling die tot 1 oktober 2015 heeft gegolden bij Aegon, onder oplegging van een dwangsom van € 250,- per dag aan gedaagde voor iedere dag dat gedaagde nadat de kantonrechter vonnis heeft gewezen, met een of meer onderdelen in gebreke blijft;
binnen 14 dagen na dit vonnis aan eiseres te voldoen de factuur van [bedrijfsnaam] ter hoogte van een bedrag van € 2.686,20;
binnen 14 dagen na dit vonnis aan eiseres te voldoen de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een salaris voor de gemachtigde;
binnen 14 dagen na dit vonnis aan eiseres te voldoen de nakosten (krachtens artikel 237 lid 4 Rv), te begroten op een half salarispunt van het toegewezen salaris voor de gemachtigde met een maximum van € 100,-, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, gedaagde(n) daarover de wettelijke rente is of zijn verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat [gedaagde] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst door de verschuldigde (pensioen-)premie onbetaald te laten en dat zij daardoor schade heeft geleden.
Zij maakt aanspraak op vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten om tot vaststelling van het schadebedrag te komen.
3.3.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat het geschil tussen partijen gaat over de verplichting van [gedaagde] om (ook) gedurende de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2017 zorg te dragen voor de overeengekomen (ouderdoms-)pensioenopbouw van [eiseres] . Tussen partijen bestaat geen geschil (meer) dat [eiseres] als gevolg daarvan pensioenschade heeft geleden en dat [gedaagde] gehouden is die schade te vergoeden. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] in die periode gehouden was zorg te dragen voor een nabestaandenpensioen en ANW-hiaatpensioen. Wel voert [gedaagde] aan dat zij geen verplichting had tot het zorgdragen voor een WGA-aanvullingsverzekering. Partijen verschillen daarnaast nog van mening over de hoogte van de geleden pensioenschade.
4.2.
[gedaagde] voert allereerst als verweer dat zij als gevolg van haar deplorabele financiële toestand niet in staat was aan haar pensioenverplichtingen te voldoen. Dit ontslaat haar echter niet van haar met [eiseres] overeengekomen verplichtingen, noch vormt dit een reden tot opschorting daarvan. Dit verweer kan haar derhalve niet baten.
4.3.
[gedaagde] heeft daarnaast nog het volgende aangevoerd.
Er was sprake van een in overleg met het personeel, en dus ook met [eiseres] , genomen beslissing om de pensioenafdracht te staken ter voorkoming van een faillissement van [gedaagde] . Daarbij heeft [gedaagde] toegezegd tot reparatie daarvan over te zullen gaan zodra het bedrijf in rustiger vaarwater zal zijn gekomen. Het was uitstel, geen afstel. Dit heeft per 1 januari 2017 geleid tot een nieuwe pensioenvoorziening, waarmee de contractuele rechten van [eiseres] voor de toekomst zijn veilig gesteld. Inmiddels is er financiële ruimte om ook de inhaalslag te maken, waarbij [gedaagde] verwijst naar een brief van haar adviseur van 23 mei 2017. In deze brief schrijft de adviseur dat partijen het eerst eens moeten worden over de hoogte van de geleden pensioenschade waarna nog getoetst moet worden of er voldoende fiscale ruimte is om het gemis aan pensioenpremies aan te wenden voor extra pensioenkapitaal bij de nieuwe pensioenverzekeraar.
4.3.1.
De kantonrechter begrijpt dit verweer van [gedaagde] aldus, dat [gedaagde] van mening is dat de vordering van [eiseres] door de nadere afspraak nog niet opeisbaar is en dat zij [gedaagde] de tijd moet gunnen om een oplossing voor de geleden pensioenschade te bieden.
4.3.2.
[eiseres] heeft betwist dat het stopzetten van de pensioenpremieafdracht in overleg met het personeel is gegaan. In haar visie is het personeel voortdurend door [gedaagde] aan het lijntje gehouden met toezeggingen dat er iets geregeld ging worden.
4.3.3.
De kantonrechter oordeelt dat ook dit verweer [gedaagde] niet kan baten: zelfs in het geval dat het gestelde uitstel van afdracht van pensioenpremie met het personeel was afgestemd ter afwending van een faillissement, volgt niet uit haar stellingen dat het personeel een dergelijk uitstel tot in lengte van jaren zou moeten gedogen. Niet valt in te zien dat [gedaagde] aanspraak kon maken op een verder uitstel dan tot de datum van betekening van de dagvaarding. De vordering is dus opeisbaar. Dit klemt temeer nu [gedaagde] inmiddels het standpunt inneemt dat zij in 2017 weer in staat was de pensioenschade te herstellen (welk standpunt overigens haaks staat op de mededeling van haar gemachtigde ter comparitie dat [gedaagde] een negatief resultaat heeft van € 600.000 en waarschijnlijk de pensioenschade niet zal kunnen betalen).
4.4.
Ter comparitie is na schorsing door partijen meegedeeld dat zij het eens zijn dat [eiseres] pensioenschade heeft geleden, dat [eiseres] de omvang daarvan gaat berekenen en die schade na wijziging van eis zal vorderen. [gedaagde] heeft meegedeeld met die aanpak in te stemmen. Aldus is evenmin juist het nader verweer van [gedaagde] dat [eiseres] eenzijdig de schade heeft doen vaststellen. Het lag uiteraard wel voor de hand dat [eiseres] de resultaten van die vaststelling eerst met [gedaagde] bespreekt, maar in het midden kan blijven of dit is gebeurd en zo ja wat daarvan de gevolgen moeten zijn: partijen blijken immers ook nu nog - na kennisneming van elkaars standpunten - van mening te verschillen. De met het vaststellen van die schade gemoeide kosten komen derhalve bij toewijzing van de hoofdvordering voor vergoeding op grond van artikel 6:96 BW in aanmerking. De kantonrechter betrekt bij dit oordeel het gegeven dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen om ter comparitie of kort daarna met een eigen berekening te komen van de pensioenschade met een voorstel hoe zij die schade wilde vergoeden. [gedaagde] heeft dat niet gedaan en dit dient voor haar rekening te komen. [gedaagde] heeft voorts onvoldoende bestreden dat de door [eiseres] voor het advies van [bedrijfsnaam] BV gemaakte kosten van € 2.686,20 niet onder de dekking van de door haar afgesloten rechtsbijstandverzekering vallen, zodat de vordering kan worden toegewezen.
4.5.
[eiseres] berekent de schade op € 10.820,69 aan pensioengevende werkgeverspremies plus € 842,04 wegens niet aangewende, maar wel op haar salaris ingehouden, risicopremies WGA aanvullingsverzekering en ANW-hiaatverzekering plus € 2.400,- wegens niet afgedragen premie nabestaandenpensioenverzekering.
4.5.1.
[gedaagde] berekent op haar beurt de schade aan pensioengevende werkgeverspremies op € 10.177,81 met het argument dat [eiseres] ten onrechte (met een beroep op het zogenoemde provisieverbod) geen rekening heeft gehouden met de provisie als kostencomponent. Volgens [gedaagde] gold het provisieverbod nog niet voor lopende verzekeringsovereenkomsten. [eiseres] heeft daarop erkend dat deze kostencomponent ten onrechte over 2013 buiten beschouwing is gelaten, omdat het provisieverbod toen nog niet gold, maar stelt dat dit voor 2014 en 2015 anders lag. Zij legt daaraan ten grondslag dat in 2014 fiscaal noodzakelijke aanpassingen in de pensioenovereenkomst moesten worden doorgevoerd zodat sprake zou zijn geweest van een nieuwe overeenkomst waarop het provisieverbod van toepassing was geweest. Zij stelt dat zij niet kan overzien of Aegon dit zo ook heeft toegepast.
4.5.2.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] daarmee haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Het had op haar weg gelegen navraag bij Aegon te doen. Dit betekent dat de niet betaalde pensioenpremie wordt vastgesteld op een bedrag van € 10.177,81 als door [gedaagde] erkend.
4.5.3.
Anders dan [eiseres] heeft aangevoerd, ligt in het verweer van [gedaagde] besloten dat in haar visie [eiseres] geen aanspraak heeft op een vergoeding wegens misgelopen rendement over premies voor de Anw-hiaatverzekering en de nabestaandenpensioenverzekering. Dit verweer van [gedaagde] treft doel. [gedaagde] heeft immers onweersproken door [eiseres] aangevoerd dat dit risicoverzekeringen waren. Het kenmerk van dergelijke verzekeringen is dat daarin geen waarde-opbouw (rendement) plaatsvindt. [gedaagde] heeft zich niet uitgelaten over het karakter van de WGA- aanvullingsverzekering, omdat hij - naar hierna zal worden geoordeeld: ten onrechte - ervan uitgaat dat [eiseres] helemaal geen recht had op de WGA aanvullingsverzekering. De kantonrechter leidt echter uit de door [eiseres] bij conclusie van repliek overgelegde toelichting van [bedrijfsnaam] BV af dat ook de premies voor de WGA- aanvullingsverzekering als risicopremie zijn aangemerkt. [eiseres] heeft aldus niet onderbouwd dat zij voor die premies wel aanspraak kan maken op vergoeding van misgelopen rendement.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres] met betrekking tot de niet afgedragen premiebedragen van € 842,04 (voor de Anw-hiaatverzekering en de WGA-aanvullingsverzekering) en van € 2.400,00 (voor het nabestaandenpensioen) zullen worden afgewezen. Deze vorderingen hebben immers uitsluitend ten doel een vergoeding te verkrijgen van verondersteld misgelopen waarde-opbouw, waarvan echter geen sprake is. Weliswaar lijkt [eiseres] bij de herformulering van haar vorderingen in de conclusie van repliek (en nadien in de akte uitlating producties) óók te betogen dat zij recht heeft op terugbetaling van deze bedragen, omdat zij ten onrechte op het loon zijn ingehouden, maar dit betoog is in het petitum niet voldoende duidelijk gevolgd door een daarop afgestemde loonvordering. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat hem niet de vordering is voorgelegd tot betaling van deze bedragen als achterstallig loon. Dit vonnis houdt daarover dan ook geen oordeel in.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat alleen het bedrag van € 10.177,81 in aanmerking komt voor de door [eiseres] gewenste storting bij een van de beide door haar genoemde verzekeraars. Haar hiervoor geciteerde vorderingen onder a) tot en met c) zullen tot dit bedrag vermeerderd met 7,36% wegens gesteld en door [gedaagde] niet bestreden misgelopen rendement worden toegewezen. Ook de gevorderde dwangsom kan ten aanzien van het onder a) en b) gevorderde worden opgelegd. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen voor de vordering onder c) omdat die vordering neerkomt op betaling van een geldsom ten behoeve van [eiseres] aan een derde en [eiseres] nakoming daarvan door executie kan afdwingen. Bij een dergelijke geldvordering is een dwangsom niet mogelijk (artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter begrijpt de vorderingen onder a) en c) in onderling verband aldus dat [eiseres] van [gedaagde] verlangt dat [gedaagde] iedere offerte (tot een - gelet op het hiervoor in deze overweging uitgesproken oordeel - bedrag van maximaal € 10.177,81) van een van beide pensioenverzekeraars/-uitvoerders moet accepteren, ook in het geval de offerte slechts betrekking heeft op een lager bedrag. De vordering onder c) ziet dan op de situatie dat de offerte op een lager bedrag uitkomt.
4.6.1.
De vordering tot betaling van het “fiscale progressienadeel” is te weinig bepaald en wordt op die grond afgewezen.
4.7.
[eiseres] heeft tot slot onweersproken gesteld dat [gedaagde] ten behoeve van [eiseres] een WGA aanvulling heeft verzekerd onder de polis “Aegon Gezond Werkplan” en dat die verzekering per 1 oktober 2015 is geëindigd als gevolg van de premiewanbetaling door [gedaagde] . In deze stelling ligt besloten dat deze verzekering onderdeel is (geworden) van de met [eiseres] overeengekomen arbeidsvoorwaarden. [gedaagde] heeft daartegenover slechts gesteld dat het pensioenreglement niet voorziet in een dergelijke verzekering. Dat verweer sluit echter niet uit dat die verzekering toch onderdeel van de tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden is. De conclusie is dat [gedaagde] de vordering van [eiseres] tot het alsnog afsluiten van de WGA aanvullingsverzekering onvoldoende heeft weersproken. Deze vordering zal worden toegewezen.
4.8.
De kantonrechter oordeelt dat het door [eiseres] gewijzigde petitum niet altijd even duidelijk en concreet is geformuleerd. De kantonrechter zal de vorderingen voor zover deze daarvoor in aanmerking komen toewijzen op de manier waarop hij deze vorderingen heeft begrepen en ook [gedaagde] deze naar zijn oordeel heeft kunnen begrijpen. De kantonrechter zal derhalve de toewijsbare vorderingen hierna formuleren in de mate waarin ze begrepen en toewijsbaar zijn en voor het overige afwijzen. Zo wordt niet toegewezen het “fiscaal maximale bedrag” nu dit onduidelijk is in de verhouding tot het tegelijk noemen van een concreet bedrag. Ook zullen de dwangsommen gemaximeerd worden als na te melden.
4.9.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De akte uitlating producties is naar zijn aard beperkt van aard en zal om die reden niet voor kostenvergoeding in aanmerking komen. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 101,82
- griffierecht € 470,00
- salaris gemachtigde € 900,00 (3 punten x tarief € 300,00)
Totaal € 1.471,82
5 De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] binnen 10 dagen na dit vonnis schriftelijk aan pensioenuitvoerder (dan wel pensioenverzekeraar) Brand New Day en Aegon een offerte te vragen voor de inkoop van pensioenkapitaal tot een bedrag van € 10.177,81 vermeerderd met 7,36% rendement per jaar tot de stortingsdatum, onder gelijktijdige toezending van een afschrift van dit schriftelijk verzoek aan de gemachtigde van [eiseres] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] binnen 2 werkdagen na ontvangst van het antwoord van Brand New Day en binnen 2 werkdagen na ontvangst van het antwoord van Aegon een kopie van dat antwoord aan de gemachtigde van [eiseres] toe te zenden;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in het geval dat Brand New Day of Aegon binnen 3 maanden na het in 5.1 genoemde verzoek een offerte uitbrengt, deze offerte - of bij het ontvangen van twee offertes met elk een gelijk pensioenkapitaal: de offerte naar keuze van [gedaagde] - binnen de voor de geldigheid van die offerte gestelde termijn te accepteren en tot betaling van de als gevolg daarvan aan Brand New Day of Aegon verschuldigde som binnen 14 dagen na acceptatie van de offerte aan de betreffende pensioenuitvoerder/-verzekeraar;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordeling, dan wel aan de in 5.3. uitgesproken veroordeling tot acceptatie van de offerte, voldoet, met een maximum van € 15.000,-;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in het geval dat Brand New Day en Aegon niet binnen 3 maanden na het in 5.1 genoemde verzoek een offerte tot maximaal het in 5.1 genoemde bedrag uitbrengen of indien zij beide binnen die termijn schriftelijk aan [gedaagde] hebben laten weten dat zij geen offerte willen uitbrengen, betaling aan [eiseres] van € 10.177,81 vermeerderd met 7,36% rendement per jaar tot de stortingsdatum en met de over dit totaal bedrag verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot de datum van betaling en wel door overboeking op een door [eiseres] op te geven bankrekening, zijnde naar keuze van [eiseres] :
- -
een lijfrentepolis, waarbij in dat geval het bedrag wordt verhoogd met de in de markt gebruikelijke kosten voor het afsluiten van deze verzekering; of
- -
een privé bankrekening, waarbij in dat geval het bedrag wordt verhoogd met een bedrag tot vergoeding van het belastingnadeel in verband met het vermogen over 5 jaar, ter hoogte van 1,2 x 5 = 6% over het netto uit te keren bedrag;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] , in het geval dat [gedaagde] een door haar te accepteren offerte verkrijgt van Brand New Day of Aegon voor een lager bedrag dan genoemd in 5.1., tot betaling van het bedrag dat resteert na aftrek van het deel dat bij een van beide pensioenuitvoerders wordt aangewend als pensioenkapitaal, binnen 14 dagen na acceptatie van de offerte en wel door dit verschil over te boeken op een door [eiseres] op te geven bankrekening, zijnde naar keuze van [eiseres] :
- -
een lijfrentepolis, waarbij in dat geval het te betalen bedrag wordt verhoogd met de in de markt gebruikelijke kosten voor het afsluiten van deze verzekering; of
- -
een privé bankrekening, waarbij in dat geval het te betalen bedrag wordt verhoogd met een bedrag tot vergoeding van het belastingnadeel in verband met het vermogen over 5 jaar, ter hoogte van 1,2 x 5 = 6% over het netto uit te keren bedrag;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] binnen 14 dagen na dit vonnis een WGA-aanvullingsverzekering af te sluiten die minimaal gelijkwaardig is aan de regeling die tot 1 oktober 2015 heeft gegolden bij Aegon, met de veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet met een maximum van € 1.000,-;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] binnen 14 dagen na dit vonnis aan [eiseres] te voldoen de factuur van [bedrijfsnaam] BV ter hoogte van een bedrag van € 2.686,20;
5.9.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.471,82, waarin begrepen € 900,00 aan salaris gemachtigde;
5.10.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;
5.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2018.