Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2018:6876

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4874
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een fruitboomgaard is door verweerder niet in behandeling genomen. Reden hiervoor is dat het door eiser opgestelde locatiespecifiek onderzoek, dat bij de aanvraag is aangeleverd, volgens verweerder niet is opgesteld door een deskundig bureau en dit onderzoek niet gebaseerd is op de Nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening. De rechtbank volgt verweerder niet dat de aanvraag pas voldoende compleet is om te beoordelen, als het locatiespecifiek onderzoek dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, door een deskundige is opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen rechtsregel op grond waarvan een ruimtelijke onderbouwing moet zijn opgesteld door een onafhankelijke en onpartijdige persoon of instantie met een bijzondere deskundigheid. Verweerder heeft deze eis dan ook niet kunnen stellen en de aanvraag om die reden niet buiten behandeling kunnen stellen. Het beroep is dan ook gegrond. Omdat er nog een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door verweerder moet plaatsvinden, wordt het bestreden besluit ‘kaal’ vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4874

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. A.W. van Ojen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R.E. Maris).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] en [derde-partij 2],

te [woonplaats] , gemachtigde: mr. T. de Beet.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2013 heeft verweerder het bezwaar van derde-partij tegen een

op 19 juni 2013 verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van een boomgaard met

verharding op het perceel tegenover [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2/letteraanduiding] (het perceel) ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is verweerders besluit van 22 november 2013 vernietigd.

Bij besluit van 13 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de aan eiser verleende omgevingsvergunning van 19 juni 2013 herroepen. Vervolgens heeft verweerder, voor zover hier relevant, de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een fruitboomgaard binnen een afstand van 50 meter van het perceel, niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] . [derde-partij 2] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten. De woning van derde-partij is gelegen aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 3] in [woonplaats] , tegenover het perceel. Derde-partij heeft verweerder in 2013 verzocht om handhavend op te treden inzake het perceel. Eiser heeft op 21 mei 2013 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een fruitboomgaard op het perceel, welke door verweerder op 19 juni 2013 is verleend en bij besluit op bezwaar van 22 november 2013 is gehandhaafd.

1.1

De ABRvS heeft bij de uitspraak van 2 september 2015 geoordeeld dat de aanvraag van eiser om omgevingsvergunning voor het aanleggen van een fruitboomgaard in strijd is met het destijds geldende bestemmingsplan voor het perceel. Voor het afwijken van het bestemmingsplan had verweerder, voordat de omgevingsvergunning van 19 juni 2013 werd verleend, ook moeten beoordelen of afwijken van het bestemmingsplan mogelijk was met een buitenplanse ontheffing. Hiervoor had de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast moeten worden. Gelet hierop heeft de ABRvS het besluit van verweerder van 22 november 2013, waarbij is beslist op de bezwaren van derde-partij, vernietigd.

1.2

Naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 2 september 2015 heeft verweerder eiser op 15 februari 2016 verzocht om een ruimtelijke onderbouwing, voorzien van een locatiespecifiek onderzoek. Eiser heeft hierop aanvullende stukken ingediend. Van deze aanvulling op de aanvraag maakt deel uit het rapport “Effecten op het woon- en leefklimaat van gevoelige functies aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2/letteraanduiding] , [straatnaam 2] [nummeraanduiding 4] - [nummeraanduiding 5] in [woonplaats] door tegenoverliggende fruitteelt” van 11 maart 2016 van [bedrijfsnaam] , opgesteld door eiser.

1.3

Verweerder heeft eiser bij brief van 19 september 2017 opnieuw verzocht om

aanvullende gegevens in te dienen:

“[…]

Locatiespecifiek onderzoek

Door middel van een door een deskundig bureau opgesteld locatiespecifiek onderzoek moet u in uw aanvraag aantonen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omliggende gevoelige functies binnen 50 m van de aan te leggen fruitboomgaard ten aanzien van het in die boomgaard gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen kan worden gegarandeerd. Dat onderzoek moet worden uitgevoerd met inachtneming van de door onze gemeenteraad vastgestelde Nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening.

Het rapport ‘Onderzoek gewasbeschermingsmiddelenzonering [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2/letteraanduiding] en [straatnaam 2] [nummeraanduiding 4] - [nummeraanduiding 5] te [woonplaats] d.d. 11 maart 2016 maakt deel uit van uw aanvraag. Dat rapport is niet door een deskundig bureau opgesteld. Daarnaast is het niet uitgevoerd met inachtneming van genoemde Nota. Daarom moet u dat rapport vervangen door een door een deskundig bureau opgesteld locatiespecifiek onderzoek dat met inachtneming van genoemde Nota is uitgevoerd.

[…]”.

1.4

Op dit verzoek van 19 september 2017 heeft eiser niet gereageerd, waarna verweerder is overgegaan tot het bestreden besluit.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiser op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Reden hiervoor is dat het door eiser opgestelde locatiespecifiek onderzoek, dat bij de aanvraag is aangeleverd, volgens verweerder niet is opgesteld door een deskundig bureau en dit onderzoek niet gebaseerd is op de Nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening (Nota).

3. Op grond van artikel 4:5 van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

4. Niet in geschil is dat de aangevraagde activiteit in strijd is met de ter plaatse geldende beheersverordening “Buitengebied en [straatnaam 3] ” (beheersverordening) en dat alleen met afwijking daarvan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning kan worden verleend. Evenmin is in geschil dat een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist, inclusief een locatiespecifiek onderzoek, waaruit blijkt dat binnen een straal van 50 meter van gevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5. Eiser voert aan dat verweerder niet de eis heeft kunnen stellen dat het locatiespecifiek onderzoek door een deskundig bureau moet worden uitgevoerd. Dit vloeit volgens eiser niet voort uit de beheersverordening of de Nota. Gelet hierop had verweerder de aanvraag van eiser niet buiten behandeling kunnen stellen.

6. De rechtbank volgt niet verweerders standpunt dat de aanvraag pas voldoende compleet is om te kunnen worden beoordeeld, als het locatiespecifiek onderzoek dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, is opgesteld door een deskundige. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

6.1

De vereiste ruimtelijke onderbouwing, waarvan het locatiespecifiek onderzoek deel uitmaakt, dient ter onderbouwing van het besluit. Uit de inhoud daarvan moet blijken of die onderbouwing adequaat is en de aangevraagde activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan een ruimtelijke onderbouwing moet zijn opgesteld door een onafhankelijke en onpartijdige persoon of instantie met een bijzondere deskundigheid. De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraken van de ABRvS van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3161) en 25 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:142). Het door verweerder op de zitting aangevoerde dat de uitspraken van de ABRvS zien op de algemene ruimtelijke onderbouwing en niet op het hier vereiste locatiespecifiek onderzoek vindt geen steun in de hiervoor genoemde jurisprudentie. Ook is geen steun te vinden voor de extra eis die verweerder stelt ten aanzien van locatiespecifiek onderzoek in de parlementaire geschiedenis (zie de Nota naar aanleiding van het verslag, vergaderjaar 1997-1998, Kamerstuk 25311, nr. 6 met betrekking tot het oude artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en zoals opgenomen in het huidige artikel 2.12 van de Wabo). Hieruit blijkt dat er nadrukkelijk voor gekozen is om het criterium van de goede ruimtelijke onderbouwing vormvrij te maken. Niet de vorm, maar de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing is bepalend. Hieruit komt ook naar voren dat het mogelijk is dat de aanvrager zelf een goede ruimtelijke onderbouwing opstelt, maar dat het bestuursorgaan uiteindelijk de verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing in het besluit.

6.2

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om op het beginsel dat de ruimtelijke onderbouwing vormvrij is, een uitzondering te maken voor locatiespecifieke onderzoeken. Hieruit volgt dat het standpunt van verweerder dat een locatiespecifiek onderzoek, anders dan de rest van de ruimtelijke onderbouwing, moet zijn uitgevoerd door een deskundige alvorens het inhoudelijk door het bestuursorgaan kan worden beoordeeld, niet slaagt. Verweerder heeft nog gewezen op de uitspraak van 4 oktober 2017 van deze rechtbank (UTR 17/1518), waarin het buiten behandeling laten van een andere aanvraag om omgevingsvergunning van eiser om dezelfde reden aan de orde was. In die zaak was echter in de planregels bepaald dat een locatiespecifiek onderzoek door een deskundig bureau is opgesteld. Van een dergelijke verplichting is in de toepasselijke beheersverordening geen sprake.

6.3

Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat niet naar de inhoud van het locatiespecifiek onderzoek is gekeken. Er is dus niet beoordeeld of het onderzoek is gebaseerd op de Nota. De aanvraag is gelijk buiten behandeling gesteld, omdat dit onderzoek door eiser zelf is opgesteld.

6.4

Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 6.1 en 6.2 heeft overwogen, had verweerder, na ontvangst van de ruimtelijke onderbouwing, niet over kunnen gaan tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag van eiser. Verweerder had eisers aanvraag, inclusief de door eiser gegeven ruimtelijke onderbouwing, inhoudelijk moeten beoordelen. Verweerder heeft dat nagelaten.

7. Ten aanzien van de overige door eiser aangevoerde gronden overweegt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat hiermee bedoeld is dat de aanvraag in behandeling genomen had moeten worden. Gelet op het voorgaande behoeven deze overige gronden geen bespreking meer.

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke consequenties zij aan het voorgaande moet verbinden. Daarbij geldt dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. Aangezien er nog een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door verweerder plaats moet vinden, zal de rechtbank - anders dan gebruikelijk bij dit soort zaken - verweerder niet de gelegenheid bieden het gebrek te herstellen middels een bestuurlijke lus maar het bestreden besluit ‘kaal’ vernietigen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en

mr. A.R. Klijn, leden, in aanwezigheid van mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.