Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBMNE:2018:247

Rechtbank Midden-Nederland
31-01-2018
12-02-2018
6240203
Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Baby per ongeluk achtergelaten op kinderdagverblijf. Heeft kinderleidster bewust roekeloos gehandeld (7:661 BW) en is zij aansprakelijk voor schade van werkgever? Heeft kinderleidster schade geleden als gevolg van uitlatingen op Facebook door werkgever?

Rechtspraak.nl
RAV 2018/49
AR-Updates.nl 2018-0223
GZR-Updates.nl 2018-0083
VAAN-AR-Updates.nl 2018-0223

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis van 31 januari 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 6240203 / MC EXPL 17-8167 van

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, hierna ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. Y.A.E. Vlassenroot,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F. van der Wiele.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met een productie;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 oktober 2015 in dienst getreden bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

2.2.

[gedaagde] is een kinderdagverblijf waar opvang wordt geboden aan kinderen in de leeftijd van 0-4 jaar. [eiseres] was laatstelijk werkzaam in de functie van pedagogisch medewerker op de locatie van [gedaagde] in [vestigingsplaats] - […] .

2.3.

[gedaagde] werkt met lijsten waarop alle kinderen die aanwezig zijn, staan vermeld. Indien een kind wordt opgehaald, wordt de naam van het kind doorgehaald.

2.4.

Op 28 april 2016 had [eiseres] de taak om als laatste het kinderdagverblijf te sluiten. Die dag waren alle kinderen in vier groepen opgedeeld: twee babygroepen, een dreumesgroep en een peutergroep. [eiseres] was leidster van één van de twee babygroepen. Omstreeks 17.45 heeft mevrouw [A] (hierna: [A] ), de leidster van de andere babygroep, bij haar vertrek tegen [eiseres] in ieder geval gezegd: “Ik moet er snel vandoor. Er was niets bijzonders en de rest staat op de lijst”. [eiseres] heeft rond 17.50 uur een sluitingsronde gemaakt. Toen [eiseres] van de ronde terugkwam, was nog één kind aanwezig. [eiseres] heeft omstreeks 18.15 uur het kinderdagverblijf gesloten en het betreffende kind naar haar moeder gebracht, die nabij het kinderdagverblijf werkt. Vervolgens is [eiseres] naar huis gegaan. Omstreeks 18.30 uur is de directeur van [gedaagde] gebeld door een moeder die haar baby wilde ophalen, maar een dicht en donker kinderdagverblijf aantrof. Een andere medewerker is vervolgens naar het kinderdagverblijf teruggegaan en heeft de deur rond 18.40 uur geopend. De baby (hierna: de baby) bleek nog in een van de babybedjes op de slaapzaal te liggen. De baby maakte onderdeel uit van de babygroep van [A] .

2.5.

Na dit voorval (hierna: het voorval) is [eiseres] op staande voet ontslagen.

2.6.

Op of omstreeks 29 april 2016 heeft [gedaagde] op haar Facebookpagina een bericht geplaatst waarin zij over het voorval heeft bericht en waarin zij in ieder geval de voornaam van [eiseres] heeft genoemd (hierna: het Facebookbericht).

2.7.

Op de eindafrekening van 30 april 2016 is vermeld dat [eiseres] nog recht heeft op een totaalbedrag van € 1.175,84 netto aan loon en vakantiebijslag.

2.8.

Op 26 mei 2016 heeft [eiseres] van [gedaagde] een bedrag van € 500,00 ontvangen. In de omschrijving van de betaling is vermeld: “salaris april mei 2016 incl vakantiegeld totaal 1175,84e, conform afspraak termijn 1 500e, volgende maand 675,84e”.

2.9.

Bij verzoekschrift van 27 juni 2016 heeft [eiseres] – onder meer – verzocht het gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en verzocht de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden.

2.10.

Op 7 juni 2016 heeft [eiseres] van [naam school] per e-mail een afwijzing op een sollicitatie ontvangen vanwege incidentele redenen.

2.11.

Op 29 juni 2016 heeft [eiseres] van [naam stichting] per e-mail een afwijzing op een sollicitatie ontvangen, waarin – voor zover relevant – is geschreven:

“(…) Hierbij bevestigen wij je afwijzing nog even schriftelijk.

Ik wil je bedanken dat je bij ons op gesprek bent geweest.

Ik vond het een prettig gesprek.

We moeten je helaas teleurstellen dat we besloten hebben om niet met je verder te gaan. De keuze is op iemand anders gevallen.

Wel vond ik het heel fijn dat je heel eerlijk bent geweest toen ik je vroeg of het Facebook bericht over jou ging.

We vonden je best een geschikte kandidaat al had je je nog wel meer in onze visie moeten verdiepen. Maar gelet op onze ouders willen we geen risico’s lopen. Ik raad je aan om het buiten [vestigingsplaats] te gaan zoeken (…).”

2.12.

Per 5 juli 2016 is [eiseres] op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij een ander kinderdagverblijf.

2.13.

Bij beschikking van 2 augustus 2016 (hierna: de beschikking) heeft de kantonrechter van deze rechtbank zowel het verzoek van [eiseres] als het tegenverzoek van [gedaagde] afgewezen. De kantonrechter heeft in deze beschikking – waartegen noch [eiseres] noch [gedaagde] in hoger beroep zijn gekomen – onder meer overwogen:

(…) Hoewel van enige vorm van opzet geen sprake lijkt te zijn geweest, is opzet voor het aannemen van een dringende reden geen vereiste. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] echter wel, in het licht van de verantwoordelijkheid die zij in de uitoefening van haar functie heeft, ernstig verwijtbaar gehandeld. [eiseres] heeft immers niet, na haar afsluitronde, aan de hand van de lijsten geverifieerd of alle kinderen waren opgehaald (…)”.

2.14.

Bij brieven van 7 november 2016 en 4 april 2017 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] een sommatiebrief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij aanspraak maakt op het achterstallige loon van € 675,84, te vermeerderen met de wettelijke verhoging.

[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan deze sommaties.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert thans na eisvermeerdering, althans zo begrijpt de kantonrechter, om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

  1. € 675,84 aan achterstallig salaris;

  2. € 337,92 aan wettelijke verhoging (50% van het onder a. gevorderde);

  3. € 152,06 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  4. € 26,28 aan (samengestelde) wettelijke rente over de periode van 28 april 2016 tot en met 12 juli 2017;

  5. de wettelijke rente over de bedragen als genoemd onder a. tot en met d. vanaf 12 juli 2017 tot aan de dag der voldoening;

  6. € 1.400,00 aan schadevergoeding;

  7. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar loonbetalingsverplichting en aangezien het loon te laat is betaald, maakt [eiseres] op de voet van artikel 7:625 BW aanspraak op 50% wettelijke verhoging. Daarnaast heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door het Facebookbericht te plaatsen waarin het voorval is omschreven en [eiseres] met ‘naam en toenaam’ is genoemd. Het was voor [eiseres] moeilijker om een baan te vinden als gevolg van het Facebookbericht en zij is twee maanden langer werkloos geweest dan wanneer het bericht niet zou zijn geplaatst. [eiseres] vordert daarom een schadevergoeding ter hoogte van tweemaal haar gemiddelde netto maandsalaris (2 x € 700,00).

3.3.

[gedaagde] betwist niet dat zij nog loon ter hoogte van € 675,84 netto aan [eiseres] verschuldigd was, maar voert aan, naar de kantonrechter begrijpt, dat deze vordering is verrekend met de schade die [gedaagde] heeft geleden ten gevolge van het voorval. [gedaagde] verzoekt voorts de wettelijke verhoging te matigen tot nihil, althans tot een in redelijkheid te bepalen bedrag. [gedaagde] legt aan dit verzoek ten grondslag dat (i) de loonvordering kon worden verrekend, en (ii) dat [gedaagde] bovendien in de veronderstelling verkeerde dat met de beschikking sprake was van finale kwijting. Daarnaast betwist [gedaagde] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] omdat het Facebookbericht slechts een zakelijke weergave was van het voorval. [gedaagde] betwist verder dat [eiseres] als gevolg van het Facebookbericht is afgewezen voor sollicitaties. Tot slot betwist [gedaagde] dat [eiseres] schade heeft geleden omdat zij niet heeft aangetoond eerder dan 5 juli 2016 bij een andere werkgever te kunnen starten.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiseres] te veroordelen tot betaling van:

  1. € 34.058,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

  2. de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.5.

[gedaagde] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [eiseres] heeft bewust roekeloos gehandeld voorafgaand aan of ten tijde van het voorval, zodat [eiseres] op grond van artikel 7:661 lid 1 BW aansprakelijk is voor de schade die [gedaagde] als gevolg daarvan heeft geleden. [eiseres] wist – als ervaren en opgeleide werknemer – immers dat zij alle kinderbedjes en de aanwezigheidslijsten had moeten controleren en zij heeft dat toch nagelaten, terwijl zij voldoende tijd had om dat te doen. In de beschikking is verder overwogen dat [eiseres] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waaruit volgt dat ten minste sprake moet zijn van bewuste roekeloosheid. Als rechtstreeks gevolg van het voorval heeft [gedaagde] € 1.658,00 aan kosten moeten maken ter voorkoming van verdere schade (€ 458,00 aan loonkosten van werknemers, en € 1.200,00 aan cadeaus en korting voor de moeder van de baby). Tot slot heeft [gedaagde] reputatieschade geleden omdat [gedaagde] zich genoodzaakt heeft gezien om op haar Facebookpagina tekst en uitleg te geven over het voorval. Het Facebookbericht heeft tot negatieve beeldvorming geleid en [gedaagde] gaat ervan uit dat in ieder geval één potentiële klant is afgehaakt, met een omzetverlies van € 32.400,00 als gevolg.

3.6.

[eiseres] betwist dat zij bewust roekeloos heeft gehandeld. [eiseres] heeft eenmalig en onbewust een menselijke fout gemaakt. [eiseres] heeft aangevoerd dat op de door haar gecontroleerde aanwezigheidslijst de naam van de baby (per ongeluk) was doorgehaald en dat zij daarom slechts vluchtig de babybedjes had gecontroleerd, in de veronderstelling dat alle baby’s al waren opgehaald. Verder betwist [eiseres] dat [gedaagde] kosten heeft gemaakt om schade te voorkomen, en voor zover [gedaagde] al kosten heeft gemaakt, betwist [eiseres] dat [gedaagde] redelijkerwijs genoodzaakt was om deze kosten te maken. Ook betwist [eiseres] dat [gedaagde] (reputatie)schade heeft geleden, nu [gedaagde] zich baseert op een vermoeden van schade. Daarbij komt dat [gedaagde] eventuele reputatieschade aan zichzelf te wijten heeft, nu zij had kunnen nalaten om het Facebookbericht te plaatsen.

3.7.

Op de stellingen van partijen zowel in conventie als in reconventie wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter ziet aanleiding om de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk te bespreken gelet op de samenhang tussen deze vorderingen.

4.2.

De kern van het geschil is:

i) of [eiseres] voorafgaand aan of tijdens het voorval bewust roekeloos heeft gehandeld, en of [gedaagde] als gevolg daarvan schade heeft geleden,

ii) of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het Facebookbericht te plaatsen, en of [eiseres] als gevolg daarvan schade heeft geleden.

Bewust roekeloos handelen

4.3.

Op basis van artikel 7:661 lid 1 BW is een werknemer die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

4.4.

Weliswaar is in de beschikking overwogen dat [eiseres] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, maar een werknemer handelt pas bewust roekeloos in de zin van artikel 7:661 BW, indien hij voorafgaand aan of ten tijde van een incident zich daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging, en desondanks bewust het risico heeft aanvaard dat schade zou kunnen ontstaan (zie Hoge Raad 14-10-2005 ECLI:NL:HR:2005:AU2235 (City Tax)). Uit de wetsgeschiedenis en/of rechtspraak blijkt niet dat een dergelijk bewustzijn ook een vereiste is voor het aannemen van ‘ernstige verwijtbaarheid’. Ook indien [eiseres] dus (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, betekent dat niet automatisch dat zij ook bewust roekeloos heeft gehandeld. De vraag die dan ook ter beoordeling voorligt, is of [eiseres] daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van haar gedraging toen zij op 28 april 2016 naliet om de aanwezigheidslijst van [A] te controleren en/of de kinderbedjes van de groep van [A] zorgvuldig na te lopen. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

4.5.

Van een opgeleide en ervaren kinderleidster mag worden verwacht dat deze secuur het afsluitprotocol naloopt, maar ook een ervaren en opgeleide kinderleidster kan bij het verrichten van routinehandelingen fouten maken. Een dergelijke fout heeft in dit geval tot het ontslag op staande voet van [eiseres] geleid. Echter, dat [eiseres] zich ten volle ervan bewust was dat zij de controles niet zorgvuldig had verricht en desondanks toch het kinderdagverblijf heeft afgesloten en zodoende bewust het risico heeft aanvaard dat een kind zou achterblijven, blijkt uit geen van de door [gedaagde] gestelde feiten of omstandigheden. Weliswaar heeft [eiseres] onzorgvuldig gehandeld door de bedjes slechts vluchtig te controleren en genoegen te nemen met het controleren van een aanwezigheidslijst en niet te zoeken naar de aanwezigheidslijst van [A] (of [A] daarover te bellen), maar dat betekent nog niet dat [eiseres] zich ook daadwerkelijk bewust is geweest van haar onzorgvuldigheid voorafgaand aan of ten tijde van het voorval, laat staan dat [eiseres] het risico heeft aanvaard dat als gevolg van haar onzorgvuldigheid een kind zou kunnen achterblijven. Dat [eiseres] voldoende tijd had om het afsluitprotocol na te lopen, maakt het voorgaande niet anders. De kantonrechter oordeelt daarom met inachtneming van het uitgangspunt als geformuleerd onder 4.3. en 4.4. dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat [eiseres] bewust roekeloos heeft gehandeld voorafgaand aan of ten tijde van het voorval. De kantonrechter wijst de reconventionele vordering van [gedaagde] dan ook af.

4.6.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige verweren van [eiseres] ter zake van de (hoogte van de) gestelde schade onbesproken blijven.

Facebook-bericht

4.7.

De kantonrechter overweegt dat uit eisen van goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) volgt dat een werkgever zorgvuldig dient om te gaan met het op eigen beweging verspreiden van (negatieve) informatie over een werknemer. De inhoud van mededelingen van een (ex-)werkgever zijn immers van belang voor een (ontslagen) werknemer bij het verkrijgen van een nieuwe functie en indien een werkgever toch dergelijke mededelingen doet, ongeacht de vraag of deze feitelijk juist zijn, kan de werkgever onder omstandigheden aansprakelijk worden gehouden voor de schade die de werknemer als gevolg daarvan lijdt (zie bijv. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 19 juni 2017, ECLI:GHSHE:2017:115). In deze zaak kan echter in het midden blijven of [gedaagde] door het plaatsen van het Facebookbericht onrechtmatig, althans in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. Ook indien het standpunt van [eiseres] hierin zou worden gevolgd, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat [eiseres] als gevolg van de gestelde onrechtmatigheid schade heeft geleden. De kantonrechter overweegt in dat kader als volgt.

4.8.

[eiseres] heeft twee e-mailberichten overgelegd waaruit blijkt dat de potentiële werkgevers ‘ [naam school] ’ en ‘ [naam stichting] ’ haar sollicitatie hebben afgewezen. [naam school] heeft in de afwijzing echter slechts verwezen naar een algemene afwijzingsgrond (incidentele redenen) en [eiseres] heeft niet onderbouwd gesteld dat [naam school] haar wel in dienst zou hebben genomen indien het Facebookbericht niet zou zijn geplaatst en dit kan ook niet afgeleid worden uit de betreffende e-mail. Uit de e-mail van [naam stichting] kan weliswaar wél worden afgeleid dat een direct verband bestaat tussen de betreffende afwijzing en het Facebookbericht, maar [eiseres] heeft niet gesteld per wanneer zij in dienst zou zijn getreden bij [naam stichting] indien het Facebookbericht niet zou zijn geplaatst. Nu de afwijzingsmail van [naam stichting] is gedateerd op 29 juni 2016 en [eiseres] minder dan een week later al in dienst is getreden bij haar huidige werkgever, valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien dat [eiseres] ter zake van die afwijzing inkomensschade heeft geleden. Dat betekent dat deze vordering van [eiseres] wordt afgewezen.

Loonvordering

4.9.

[gedaagde] heeft de loonvordering ter hoogte van € 675,84 van [eiseres] niet betwist. Het verweer dat dat de loonvordering kon worden verrekend met de schade die [gedaagde] zou hebben geleden, faalt gelet op hetgeen onder 4.3. tot en met 4.6. is overwogen. De kantonrechter wijst de loonvordering dan ook toe.

4.10.

[eiseres] heeft over het te laat betaalde nettoloon de maximale wettelijke verhoging (50%) gevorderd, als bedoeld in artikel 7:625 lid 1 BW. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze verhoging (tot nihil) zou moeten worden gematigd omdat (i) de loonvordering dient te worden verrekend met de vordering in reconventie, en/of (ii) [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van finale kwijting als gevolg van de beschikking. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen nu [gedaagde] de loonvordering niet kon verrekenen met een tegenvordering, zoals overwogen onder 4.3. tot en met 4.6. Verder blijkt uit de beschikking niet dat sprake zou zijn van finale kwijting en bovendien heeft [gedaagde] zich laten bijstaan door een juridisch adviseur die haar op de gevolgen van deze beschikking heeft kunnen wijzen (zeker na ontvangst van de sommatiebrieven van [eiseres] ). Dat [gedaagde] in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat sprake was van finale kwijting, komt onder deze omstandigheden voor haar eigen rekening en risico. Nu de wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel om het loon tijdig te betalen en [gedaagde] geen omstandigheden heeft aangevoerd waaronder de vertraagde betaling niet aan haar toe te rekenen zou zijn, wijst de kantonrechter de volledige wettelijke verhoging van 50% toe. De wettelijke verhoging is echter verschuldigd over het brutoloon dat correspondeert met het bedrag van € 675,84 netto, zodat de kantonrechter de wettelijke verhoging toewijst over het bruto-equivalent van € 675,84 netto.

4.11.

[eiseres] heeft verder buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 152,06 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.12.

[eiseres] heeft wettelijke rente gevorderd over het door haar gevorderde loon, de wettelijke verhoging en de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 28 april 2016 tot de dag der voldoening. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente noch tegen de datum vanaf wanneer de rente verschuldigd is, zodat de kantonrechter de gevorderde rente toewijst als op de wet gegrond, met uitzondering van de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, aangezien [eiseres] niet heeft gesteld dat deze kosten reeds zijn betaald.

4.13.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat [eiseres] ook deels in het ongelijk is gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de punten voor de dagvaarding en conclusie van repliek te halveren. De kosten aan de zijde van [eiseres] in conventie worden begroot op:

  • -

    explootkosten € 105,01

  • -

    griffierechten € 78,00

  • -

    salaris gemachtigde € 100,00 (1 punt x tarief € 100,00)

Totaal € 283,01

4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De vordering in reconventie betreft een zelfstandige vordering en wordt daarom niet op halve punten gewaardeerd. De kosten aan de zijde van [eiseres] in reconventie worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 200,00 (2 punten x tarief € 100,00)

Totaal € 200,00

4.15.

De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van:

  1. € 675,84 aan achterstallig nettoloon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2016 tot de dag der voldoening;

  2. de wettelijke verhoging van 50% over het brutoloon dat correspondeert met het nettoloon als bedoeld onder a., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag der voldoening;

  3. € 152,06 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  4. € 283,01 aan proceskosten, waaronder € 100,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie:

5.4.

wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 200,00, waaronder € 200,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.