-
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
-
Eiseres heeft in de zienswijze een aantal maal opgemerkt dat er discrepanties bestaan tussen de vermeldingen op de bijgevoegde inventarislijst over de openbaarheid van een document (openbaar of deels openbaar) en de toegepaste weigeringsgrond enerzijds en de daadwerkelijke mate van openbaarheid van het document en de vermelding van de toegepaste weigeringsgrond op het document zelf anderzijds. De rechtbank overweegt hierover, zoals zij ook in de tussenuitspraak al heeft gedaan, dat zij ook nu steeds is uitgegaan van de weigeringsgronden zoals op het document zelf vermeld (tenzij hierna anders is aangegeven) en van de daadwerkelijke mate van openbaarheid van het document. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de opgemerkte discrepanties consequenties te verbinden.
-
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de rubricering van de documenten overwogen dat verweerder de rubricering van de documenten openbaar dient te maken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2303) heeft de rechtbank het aan verweerder overgelaten hiervoor de meest geëigende wijze te kiezen.
In zijn besluit van 26 augustus 2016 heeft verweerder ervoor gekozen om de rubricering van de documenten openbaar te maken door deze op de inventarislijst te vermelden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de oorspronkelijke rubricering kunnen verstrekken door deze te vermelden op de inventarislijst.
-
De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn aanvullend besluit van 26 augustus 2016 een groot aantal documenten alsnog openbaar heeft gemaakt. In een aantal documenten heeft verweerder (alleen nog) de persoonsgegevens weggelakt. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van 3 juni 2016 overweegt de rechtbank ook nu dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat openbaarmaking van de geweigerde persoonsgegevens inbreuk zou maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen.
Alle passages aangeduid met de letter A in deze voor het overige openbaar gemaakte documenten zijn door verweerder terecht geweigerd.
In de documenten 1, 3, 102, 107, 117 en A37 zijn door verweerder passages weggelakt op andere gronden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verweerder ingeroepen weigeringsgronden met de daaraan ten grondslag gelegde motivering de geheimhouding dragen.
-
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte alle verslagen van de MCCb en de ICCb integraal heeft geweigerd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om per onderdeel daarvan te beoordelen of het openbaar gemaakt moet worden of dat een weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking ervan verzet.
-
De rechtbank stelt vast dat verweerder van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt wat betreft de verslagen van de ICCb. Verweerder heeft deze verslagen grotendeels openbaar gemaakt. De door verweerder weggelakte passages in deze verslagen zijn op goede gronden geheim gehouden, met uitzondering van de volgende:
Document 19: de tekst achter de derde bulletpoint onder kopje Duiding is blijven staan, terwijl dezelfde tekst onder het kopje Situatiebeschrijving is weggelakt;
Document 24: de tekst achter de eerste bulletpoint onder het kopje Omgevingsanalyse (beeld van pers en publiek) bevat naar het oordeel van de rechtbank geen persoonlijke beleidsopvatting. Deze weigeringsgrond verzet zich dan ook niet tegen openbaarmaking van deze passage;
Document 58: de tekst achter de eerste bulletpoint onder Communicatie-actualiteiten bevat naar het oordeel van de rechtbank geen persoonlijke beleidsopvatting. Deze weigeringsgrond kan de weigering tot openbaarmaking niet dragen;
Document 104: de tekst achter de derde en vierde bulletpoint onder Nazorg/lange termijn bevat naar het oordeel van de rechtbank geen persoonlijke beleidsopvatting;
Document 118: naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom de weigeringsgrond onevenredige benadeling zich verzet tegen openbaarmaking van de tekst achter de achtste bulletpoint onder Separatistengebied/plaats delict (2).
Met betrekking tot document 147 merkt de rechtbank op dat op de openbaar gemaakte versie op pagina 3 geen weigeringsgrond staat vermeld. De rechtbank is in dit geval dan ook uitgegaan van de weigeringsgrond zoals vermeld op de inventarislijst. De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob de weigering tot openbaarmaking van de weggelakte passage kan dragen.
-
Wat betreft de verslagen van de MCCb heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid het gebrek te herstellen. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder rechtsoverweging 1, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat verweerder hierover heeft opgemerkt in zijn aanvullend besluit van 26 augustus 2016 volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar tussenuitspraak. De rechtbank blijft dan ook bij haar oordeel in de tussenuitspraak dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd door het ontbreken van een afweging per onderdeel van ieder document of openbaarmaking ertoe kan leiden dat de open en ongedwongen beraadslaging tussen de leden van de commissie wordt belemmerd en zo ja, of daaraan zodanig gewicht moet worden toegerekend dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat vorenstaande ook opgaat voor de documenten A76 t/m A79. Verweerder heeft deze documenten alsnog aan de rechtbank toegezonden en de rechtbank stelt vast dat verweerder in het aanvullend besluit van 26 augustus 2016 terecht heeft overwogen dat dit verslagen van de MCCb betreffen.
Met betrekking tot document A58 stelt de rechtbank vast dat verweerder dit document opnieuw integraal heeft geweigerd. Volgens verweerder betreft ook dit document een MCCb-verslag. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat ook voor dit document hetzelfde geldt als hiervoor is overwogen over de overige verslagen van de MCCb.
8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte in alle documenten getiteld “Situatieschets en duiding” de volledige tekst onder het kopje Duiding heeft weggelakt op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, omdat sommige bulletpoints feitelijke gegevens en beschrijvingen bevatten, die niet zodanig verweven zijn met persoonlijke beleidsopvattingen dat ze niet los daarvan gelezen kunnen worden. De rechtbank heeft verweerder daarom in de gelegenheid gesteld alle tekst onder het kopje Duiding opnieuw door te nemen en te beoordelen.
In zijn besluit van 26 augustus 2016 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt en de tekst onder het kopje Duiding in alle documenten “Situatieschets en duiding” grotendeels openbaar gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder nu nog geweigerde passages onder dit kopje op goede gronden geweigerd. De daaraan ten grondslag gelegde weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking steeds dragen.
9. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de documenten 113, 145 en 166A overwogen dat verweerder terecht heeft geweigerd passages uit deze documenten openbaar te maken. In de door eiseres over deze documenten in de zienswijze gemaakte opmerkingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval dat rechtvaardigt dat de rechtbank op dit punt terugkomt van haar tussenuitspraak.
10. De rechtbank constateert verder dat verweerder de tekst achter de vijfde bulletpoint in document 21 opnieuw heeft geweigerd en aan deze weigering nu de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, onder a en g, van de Wob ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat ook deze weigeringsgronden de weigering tot openbaarmaking niet kunnen dragen.
Met betrekking tot document 157 merkt de rechtbank naar aanleiding van de zienswijze van eiseres hierover op dat over de weigering tot openbaarmaking van de passages op pagina’s 2 en 3 in de tussenuitspraak al is geoordeeld. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is de weigering van deze passages door de rechtbank in de tussenuitspraak akkoord bevonden.
10. De rechtbank overweegt dat met betrekking tot de in de tussenuitspraak genoemde documenten die in deze einduitspraak niet concreet zijn genoemd, de herstelpoging van verweerder geslaagd is en geen aanleiding geeft tot nadere opmerkingen.
10. Gelet op de in de tussenuitspraak en de hiervoor genoemde geconstateerde gebreken zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 26 augustus 2016 in zoverre. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het primaire besluit wordt herroepen voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd de verslagen van de MCCb en de in rechtsoverwegingen 6 en 10 genoemde passages in de documenten 19, 21, 24, 58, 104 en 118 openbaar te maken. De rechtbank bepaalt dat deze (passages in deze) documenten openbaar worden gemaakt. Verweerder wordt opgedragen om binnen zes weken uitvoering te geven aan deze uitspraak. Daarmee heeft verweerder indien gewenst de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak en de voorzitter van de ABRvS te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen die de werking van deze uitspraak opschort.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding een punt toe te kennen voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, omdat eiseres heeft volstaan met te verwijzen naar de zienswijze zoals die is uitgebracht in de zaken met nummers UTR 15/4950 en UTR 15/5091.