2.2.
Met ingang van 6 september 2013 is [gedaagde] door de Raad van Toezicht ontheven van zijn taken en geschorst. De brief vermeldt daarover:
“Reden waarom wij na ampel overleg het vertrouwen in jou als voorzitter van de Raad van Bestuur thans op zeggen.”
“Gegeven het besluit is jou verzocht om de komende periode vanaf uit huis te werken en zonder toestemming van de voorzitter van de Raad van Commissarissen geen besluiten meer te nemen c.q. overeenkomsten aan te sluiten die voor [eiseres] een verplichtende werking hebben.”
2.5.
Partijen sluiten op 12 november 2013 een vaststellingsovereenkomst waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“Zijn overeengekomen als volgt:
1. De arbeidsovereenkomst zal op initiatief van [eiseres] per 1 februari 2014 met
wederzijds goedvinden worden beëindigd.
2. [gedaagde] legt met onmiddellijke ingang zijn functie als bestuurder van [eiseres] neer.
Hij zal worden uitgeschreven in het Stichtingenregister. Zonodig zal [gedaagde] daar zijn
medewerking aan verlenen.
3. [gedaagde] zal in de periode tot 1 februari 2014 belast zijn met het inwerken van de nieuwe
(waarnemend) bestuurder.
4. [gedaagde] ontvangt bij het einde van het dienstverband een reguliere eindafrekening van
zijn salaris en emolumenten waaronder vakantietoeslag en de vergoeding voor de niet genoten
vakantiedagen.
5. [eiseres] zal aan [gedaagde] een beëindigingsvergoeding betalen van € 75.000,--.
[eiseres] zat haar volledige medewerking verlenen om de ontslagvergoeding op een
nader door [gedaagde] aan te geven wij ze, mits fiscaal aanvaardbaar, uit te betalen. Deze
betaling zal vóór 15 november 2013 plaatsvinden.”
“8. Behoudens ten aanzien van de verplichting van partijen uit deze overeenkomst verlenen
zij elkaar over en weer finale kwijting ter zake van al hetgeen zij nog van elkaar te
vorderen mochten hebben uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging
daarvan.
9. De Raad van Commissarissen zal [gedaagde] volledige decharge verlenen voor het
gevoerde financiële beleid nadat [eiseres] een desbetreffende goedkeurende verklaring
van de accountant heeft ontvangen.
10. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.”
2.6.
Bij brief van 18 maart 2016 van de Autoriteit Woningcorporaties, Inspectie Leefomgeving en Transport wordt ten aanzien van de uitleg van de WNT het volgende medegedeeld:
“Ik constateer echter op basis van het forensisch onderzoek dat uw voormalig
bestuurders de heren [gedaagde] en [A] op 6 september 2013 hun taken hebben
beëindigd. Zoals aangegeven in de gesprekken van 27 januari 2016 en 17 februari
2016 is hierdoor een overtreding van artikel 2.10 lid 3 van de WNT ontstaan.
Volgens het hiervoor genoemde artikel wordt de bezoldiging over een periode
waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband
geen taken meet verricht, aangemerkt als uitkering wegens beëindiging van het
dienstverband en wordt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van
zijn taken heeft beëindigd, aangemerkt als datum waarop het dienstverband is beëindigd.”
“Ik constateer dat beide bestuurders daarna eerst op 6 september 2013 door een
besluit van de RvT zijn geschorst. Ik constateer voorts dat in het rapport van
[bedrijf] op meerdere plaatsen wordt aangegeven dat er vanaf genoemd
moment geen werkzaamheden meer zijn verricht voor [eiseres] en sprake is van
non activiteit. Verder geeft het rapport aan dat richting het SPW is aangegeven
dat er sprake is geweest van een beëindigingsvergoeding en een non
activiteitsregeling.
De schorsing door de RvT en de periode van non activiteit van beide bestuurders
is niet alleen voor het SPW een relevant feit, naar ook voor de WNT. Bezoldiging in
een periode van non activiteit is in strijd met de WNT en moet worden verrekend
met een eventueel toe te kennen beëindigingsvergoeding. De totale bezoldiging
die betrekking heeft op de periode vanaf de datum dat geen activiteiten meer zijn.
verricht mag volgens de WNT niet meer bedragen dan €75.000 (bij een volledig
dienstverband). Het deel van de bezoldiging dat de €75.000 te boven gaat is aan
te merken als onverschuldigde betaling. [eiseres] dient in het verlengde hiervan
over te gaan tot terugvordering van deze onverschuldigde betaling. De hoogte van
het bedrag dient u te bepalen en door uw extern accountant te laten beoordelen.”
2.7.
Bij brief van de gemachtigde van [eiseres] van 25 april 2016 aan [gedaagde] wordt aanspraak gemaakt op terugbetaling van een bedrag van € 70.811,00 wegens onverschuldigde betaling, omdat indertijd in strijd is gehandeld met artikel 2.10 lid 3 Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (verder WNT), inhoudende dat [gedaagde] vanaf 6 september 2013 geen werkzaamheden meer heeft verricht en er zodoende een periode van (bezoldigde) vrijstelling van werkzaamheden tot het einde van het dienstverband heeft plaatsgevonden, welke bezoldiging moet worden gezien als een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband en daarmee het maximum uit te keren bedrag in het kader van de WNT overschrijdt.