Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2016:6244

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-01-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
C/16/394410 / FA RK 15-3981
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

vaststellen kinderalimentatie; twee kinderen; twee hoofdverblijfplaatsen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/394410 / FA RK 15-3981

vaststellen kinderalimentatie

Beschikking van 21 januari 2016

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.F. Vogel,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K.M. Lans.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vrouw heeft op 16 juni 2015 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot het vaststellen van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de minderjarige kinderen van partijen.

1.2.

Het verzoekschrift van de vrouw bevat eveneens verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. Deze verzoeken zijn in een afzonderlijke procedure behandeld en hierop is bij afzonderlijke beschikking beslist.

1.3.

De man heeft op 11 augustus 2015 een verweerschrift, tevens verzoekschrift ingediend.

1.4.

Bij de rechtbank zijn hiernaast nog de navolgende stukken binnengekomen:

  • -

    een F9-formulier van 2 december 2015 van de zijde van de vrouw met producties;

  • -

    een F9-formulier van 3 december 2015 van de zijde van de man met producties.

1.5.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 december 2015. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2008] te [geboorteplaats] , hierna: [voornaam minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2010] te [geboorteplaats] , hierna: [voornaam minderjarige 2] .

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .

2.4.

Bij beschikking van 2 oktober 2015 van deze rechtbank is de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] bepaald bij de man en de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 2] bepaald bij de vrouw. Daarnaast is de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

  • -

    [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de man in de oneven weken vanaf woensdag 9.00 uur tot maandagochtend naar school en in de even weken vanaf woensdag 9.00 uur tot vrijdagochtend naar school, of – in het geval de man vrij is – tot vrijdagmiddag 17.00 uur;

  • -

    [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de man de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader overeen te komen.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vrouw heeft – na wijziging van haar verzoek ter zitting – verzocht te bepalen dat de man aan haar met ingang van 1 juni 2015 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dient te betalen van € 225,- per kind per maand.

3.2.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft bij wijze van zelfstandig verzoek primair verzocht te bepalen dat partijen gebruik zullen maken van een kinderrekening, waartoe beiden gemachtigd zijn, en beide partijen te veroordelen om het door hen te ontvangen kindgebonden budget en de kinderbijslag te storten op deze rekening en daarnaast partijen te veroordelen om ieder een nader te berekenen bedrag op de rekening te storten. Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw een nader te berekenen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen aan de man, met ingang van de maand volgend op de maand van afgifte van de beschikking. Meer subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de man ten behoeve van [voornaam minderjarige 2] een bijdrage van € 58,- per maand dient te betalen aan de vrouw en dat de vrouw ten behoeve van [voornaam minderjarige 1] een bijdrage van € 21,- per maand dient te betalen aan de man.

3.3.

De vrouw heeft kenbaar gemaakt niet te willen meewerken aan het voorstel van de man met betrekking tot het gebruik van de kinderrekening. Nu de wet geen grondslag biedt op grond waarvan de rechtbank kan bepalen dat een kinderrekening dient te worden gebruikt, kan het primaire verzoek van de man niet worden toegewezen. De rechtbank zal derhalve de overige verzoeken van partijen beoordelen en daarbij de aanbevelingen volgen van de Expertgroep Alimentatienormen zoals neergelegd in het Tremarapport.

3.4.

Partijen zijn het erover eens dat de kosten van de kinderen in totaal € 748,- per maand bedragen, derhalve € 374,- per kind per maand, en dat een zorgkorting van 35% gehanteerd dient te worden, derhalve overeenkomend met € 131,- per kind per maand. In geschil tussen partijen is de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. Daarnaast zijn partijen het niet eens over de ingangsdatum van de vast te stellen bijdrage.

Ingangsdatum

3.5.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage vast te stellen met ingang van 1 juni 2015. De man heeft gesteld dat de vast te stellen bijdrage in dient te gaan op de eerste van de maand, volgend op de datum van de beschikking.

3.6.

De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken.

Partijen hebben over de verdeling van de kosten van de kinderen in 2015 tegenstrijdig verklaard. De man heeft aangevoerd dat hij in 2015 veel kosten heeft gemaakt voor de kinderen, nu hij onder meer het voetballen van [voornaam minderjarige 1] en het dansen van [voornaam minderjarige 2] heeft betaald. Daarnaast zou hij de eerste maanden van 2015 nog € 300,- per maand hebben gestort op de rekening die door partijen bedoeld was als kinderrekening, terwijl alleen de vrouw het beheer had over deze rekening en de man hiervan geen geld kon opnemen ter bestrijding van de kosten van de kinderen. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij derhalve dubbel betaalde voor de kinderen. De man heeft tot slot aangevoerd dat hij over 2015 nog geen kindgebonden budget en kinderbijslag heeft ontvangen, ook al heeft hij [voornaam minderjarige 1] naar aanleiding van de beschikking van 2 oktober 2015 van deze rechtbank ingeschreven op zijn adres. Volgens de man zou het derhalve onrechtvaardig zijn indien over 2015 nog een door hem te betalen bijdrage vastgesteld zou worden. De vrouw heeft gesteld dat de man gemiddeld € 119,- per maand op de kinderrekening heeft gestort en dat alle kosten voor de kinderen die zij voor haar rekening neemt dit bedrag ver overstijgen. Nu beide partijen hebben gesteld dat zij in 2015 veel hebben betaald, maar op grond van de beschikbare informatie en de verklaringen van partijen niet is vast te stellen wie wat heeft betaald, zal de rechtbank de ingangsdatum van de vast te stellen bijdrage bepalen op 1 januari 2016.

Draagkracht man

3.7.

Gebleken is dat de man een salaris heeft van € 4.550,- bruto per maand. De man heeft gesteld dat hij arbeidsongeschikt is en daardoor slechts 70% van dit brutosalaris ontvangt. Hij zal ziek zijn tot en met de maand januari 2016 en verwacht vanaf februari 2016 weer te kunnen gaan werken. Vanaf februari 2016 zal de man acht uur per week ouderschapsverlof opnemen en van 22 augustus 2016 tot 31 januari 2017 vier uur per week. Derhalve bedraagt zijn inkomen vanaf 1 februari 2016 80% en vanaf 22 augustus 2016 90% van zijn salaris van € 4.550,- bruto per maand. Volgens de vrouw dient uitgegaan te worden van het salaris van € 4.550,- bruto per maand. Zij heeft betwist dat rekening gehouden dient te worden met de arbeidsongeschiktheid van de man en met het door hem op te nemen ouderschapsverlof.

3.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de vrouw ligt ziekte in de persoonlijke risicosfeer van de man en is ziekte normaliter van tijdelijke aard. Gelet op de namens de man gegeven toelichting ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan werken. Bovendien blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van september, oktober en november dat hij in die maanden wegens ziekte 70% van zijn salaris heeft ontvangen. De rechtbank zal derhalve aansluiten bij de feitelijke situatie en in de maand januari 2016 rekening houden met het inkomen van de man van € 3.185,- bruto per maand.

Met betrekking tot de periode vanaf 1 februari 2016 overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft gesteld dat het opnemen van ouderschapsverlof een keuze is van de man, die niet ten koste mag gaan van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen. De man heeft gesteld dat hij ouderschapsverlof gaat opnemen voor alle woensdagen, aangezien hij de zorg voor de kinderen en het huishouden niet kan combineren met zijn fulltimebaan. Hij heeft gesteld dat het gerechtvaardigd is dat hij na het uiteengaan van partijen minder gaat werken, zeker nu de vrouw slechts 24 uur per week werkt. De wijziging van acht naar vier uur ouderschapsverlof per week heeft te maken met wijziging van het rooster door zijn werkgever, aldus de man. De rechtbank acht het ouderschapsverlof dat de man wenst op te nemen niet onredelijk, nu gebleken is dat de man voor een aanzienlijk deel van de tijd de zorg voor de kinderen op zich neemt.
De rechtbank zal derhalve vanaf 1 januari 2016 rekenen met een inkomen van 70%, vanaf 1 februari 2016 met een inkomen van 80% en vanaf 22 augustus 2016 met een inkomen van 90% van het salaris van de man van € 4.550,- bruto per maand, te weten respectievelijk € 3.185,-. € 3.640,- en € 4.095,- bruto per maand.

3.9.

Rekening houdend met 8% vakantietoeslag, de voor de man geldende belastingdruk, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, en het door de man onbetwist gestelde kindgebonden budget ter hoogte van € 188,- per maand, becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man in januari 2016 op € 2.601,- per maand, vanaf 1 februari 2016 op € 2.875,- per maand en vanaf 22 augustus 2016 op € 3.137,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule, 70% [NBI – (0,3 x NBI + 890)], kan de draagkracht van de man worden becijferd in januari 2016 op € 651,-, vanaf 1 februari 2016 op € 786,- en vanaf 22 augustus 2016 op € 914,- per maand.

Draagkracht vrouw

3.10.

Gebleken is dat de vrouw geen kindgebonden budget meer ontvangt, doordat zij is gaan samenwonen met haar huidige partner. De man heeft gesteld dat deze inkomensachteruitgang van de vrouw ruimschoots wordt gecompenseerd door het feit dat zij nu haar woonlasten deelt met haar partner. Naar het inzicht van de man dient daarom een correctie te worden toegepast op de draagkracht van de vrouw, of door geen rekening te houden met het wegvallen van het kindgebonden budget, of door te rekenen met een woonlast van slechts 15% van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw.
De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van de rekenmethode die volgt uit de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, nu de man geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan deze rekenmethode zou leiden tot een onaanvaardbare uitkomst. De rechtbank houdt derhalve geen rekening met een fictief kindgebonden budget en sluit aan bij de feitelijke situatie, te weten dat de vrouw geen kindgebonden budget meer ontvangt. Daarnaast ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat wordt gerekend met een forfaitaire woonlast van 30% van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw.

3.11.

De vrouw heeft salarisspecificaties overgelegd over de maanden augustus, september en oktober 2015, waaruit blijkt dat haar salaris € 1.547,97 bruto per maand bedraagt en de ingehouden pensioenpremie € 144,85 per maand. Rekening houdend met 8% vakantietoeslag, de voor de vrouw geldende belastingdruk, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.316,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt derhalve 100% [NBI – (0,3 x NBI + 840)] = € 81,- per maand.

Verdeling van de kosten van de kinderen

3.12.

Ingevolge het Tremarapport van de Expertgroep Alimentatienormen kan een zorgkorting worden gehanteerd van maximaal 35% van de totale kosten van een kind. Ook indien een ouder de helft van de tijd de zorg draagt voor een kind, dient hiervoor maximaal een zorgkorting van € 35% gerekend te worden. Er wordt dan van uitgegaan dat de kosten die deze ouder maakt voor het kind (bijv. voor eten) in de tijd dat het kind bij deze ouder verblijft, 35% van de totale kosten van het kind beslaan. De verblijfskosten bij de andere ouder, waar het kind ook de helft van de tijd verblijft, bedragen eveneens 35% van de kosten van het kind. Het totale bedrag dat de ouders uitgeven aan de verblijfskosten beslaat derhalve 70% van de kosten van dit kind. De resterende 30% van de kosten van een kind wordt geacht te worden besteed aan de verblijfsoverstijgende kosten, waaronder bijvoorbeeld is begrepen schoolgeld en contributie voor sport. Uit het Tremarapport volgt dat de verblijfsoverstijgende kosten worden voldaan door de ouder bij wie dit kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank zal de genoemde uitgangspunten hanteren bij het berekenen van de verdeling van de kosten van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] over de ouders.

3.13.

Nu [voornaam minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man, zal de rechtbank ervan uitgaan dat door de man de verblijfsoverstijgende kosten van [voornaam minderjarige 1] worden betaald van 30% van de totale kosten van [voornaam minderjarige 1] . Aangezien daarnaast 35% van de kosten van [voornaam minderjarige 1] voor rekening van de man komen wegens het verblijf van [voornaam minderjarige 1] bij de man, voldoet de man in de praktijk 65% van de totale kosten van [voornaam minderjarige 1] . Voor [voornaam minderjarige 2] voldoet de man alleen de verblijfskosten ter hoogte van 35% van de totale kosten van [voornaam minderjarige 2] , nu [voornaam minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw. Op dezelfde wijze wordt de vrouw geacht 65% van de totale kosten van [voornaam minderjarige 2] en 35% van de totale kosten van [voornaam minderjarige 1] te voldoen.

Nu gelet op de hoogte van de draagkracht van partijen de vrouw waarschijnlijk een aanzienlijk tekort aan draagkracht heeft om voormelde kosten te voldoen, terwijl de man hiertoe meer ruimte heeft, zal de rechtbank de draagkracht van partijen met elkaar vergelijken en berekenen welke bijdrage door de man aan de vrouw dient te worden betaald.

3.14.

Ten aanzien van januari 2016 overweegt de rechtbank als volgt.

De draagkracht van de vrouw is € 81,- en de draagkracht van de man in januari 2016 is € 651,-, zodat de gezamenlijke draagkracht van partijen in die maand € 732,- bedraagt. De kosten van de kinderen bedragen in totaal € 748,- per maand (€ 374,- per kind per maand). In de maand januari 2016 is er derhalve een tekort van € 16,- om in de kosten van de kinderen te voorzien. Aan ieder van partijen wordt de helft van het tekort toegerekend, te weten € 8,-. Gelet op het tekort aan draagkracht kan een draagkrachtvergelijking voor de maand januari 2016 achterwege blijven.
De man betaalt in de praktijk 65% van de kosten van [voornaam minderjarige 1] , namelijk 65% x € 374 = € 243, en 35% van de kosten van [voornaam minderjarige 2] , namelijk 35% x € 374 = € 131. In de praktijk voldoet de man derhalve in totaal € 374,-. Van zijn draagkracht van € 651,- wordt derhalve een bedrag van € 651 – € 374 = € 277,- niet in de praktijk uitgegeven aan de kinderen. Hierbij heeft de rechtbank echter nog geen rekening gehouden met de helft van het tekort aan draagkracht van € 8,- dat dient te worden toegerekend aan de man. Nu de man dit tekort dient te voldoen vanuit zijn vrije ruimte, zal de rechtbank de resterende draagkracht van de man met dit bedrag verhogen. Dit resulteert in een niet-aangewende draagkracht van de man van € 277 + € 8 = € 285,-.

De vrouw betaalt 35% van de kosten van [voornaam minderjarige 1] en 65% van de kosten van [voornaam minderjarige 2] , derhalve in totaal eveneens € 374,-. Nu haar draagkracht slechts € 81,- is, heeft zij een tekort aan draagkracht van € 374 - € 81 = € 293,- om in deze kosten te voorzien. Nu zij eveneens het bedrag van € 8,- dient te voldoen vanuit haar vrije ruimte, wordt uitgegaan van een tekort aan draagkracht van € 293 - € 8 = € 285,-.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat van de man verwacht mag worden dat hij voor de maand januari 2016 een bijdrage betaalt aan de vrouw van € 285,-, waarmee de vrouw kan voorzien in de feitelijk door haar betaalde kosten van de kinderen.

3.15.

De verdeling van de kosten van de kinderen in de periode van 1 februari 2016 t/m 22 augustus 2016 berekent de rechtbank als volgt. De gezamenlijk draagkracht van partijen in deze periode bedraagt € 786 + € 81 = € 867,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van partijen overschrijdt derhalve de kosten van de kinderen van in totaal € 748,- per maand. Gelet hierop zal de rechtbank voor deze periode een draagkrachtvergelijking maken.
In de periode van 1 februari 2016 t/m 22 augustus 2016 is de verdeling van de kosten over partijen naar rato van hun draagkracht als volgt. Het door de man te dragen aandeel in de kosten van de kinderen is € 786 / € 867 x 748 = € 678,- per maand en het door de vrouw te dragen aandeel is € 81 / € 867 x € 748 = € 70,- per maand.
Zoals in het voorgaande is vastgesteld, bedragen de door ieder van partijen feitelijk betaalde kosten voor de kinderen € 374,- per maand. Van de draagkracht van de man resteert derhalve in onderhavige periode € 786 - € 374 = € 412,- per maand. De vrouw heeft een draagkracht van € 81,- en feitelijk te betalen kosten van € 374,- per maand, zodat zij een tekort heeft van € 293,- per maand. Nu de man en de vrouw naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen met respectievelijk € 678,- en € 70,- per maand, dient de man een bijdrage te betalen aan de vrouw. Als de man een bijdrage van € 304,- per maand betaalt aan de vrouw, draagt ieder van beide partijen bij in de kosten van de kinderen naar rato van zijn/haar draagkracht. De man draagt bij met € 374,- aan door hem feitelijk betaalde kosten van verblijf van beide kinderen en de verblijfsoverstijgende kosten van [voornaam minderjarige 1] en met zijn bijdrage van € 304,- aan de vrouw. In totaal betaalt de man derhalve € 374 + 304 = € 678,-per maand. De vrouw betaalt feitelijk € 374,- en ontvangt een bijdrage van de man van € 304,- per maand, zodat zij zelf bijdraagt met € 70,- per maand.

3.16.

De verdeling van de kosten van de kinderen in de periode vanaf 22 augustus 2016 berekent de rechtbank op dezelfde wijze als onder 3.15. vermeld, nu ook in deze periode de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de kosten van de kinderen.
De totale draagkracht van partijen vanaf 22 augustus 2016 is € 914 + € 81 = € 995,- per maand. De verdeling van de kosten van de kinderen over partijen naar rato van hun draagkracht is dan als volgt. Het door de man te dragen aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt € 914 / € 995 x 748 = € 687,- per maand en het door de vrouw te dragen aandeel bedraagt € 81 / € 995 x € 748 = € 61,- per maand.
De draagkracht van de man die resteert na aftrek van de door hem betaalde kosten is € 914 - € 374 = € 540,- per maand. Het tekort van de vrouw blijft € 374 - € 81 = € 293,- per maand. Wanneer de man een bijdrage betaalt aan de vrouw van € 313,- per maand, worden de kosten van de kinderen verdeeld over partijen naar rato van hun draagkracht. De man draagt dan immers bij met € 374 + € 313 = € 687,- per maand en de vrouw met € 374 - € 313 = € 61,- per maand.

3.17.

Conform het voorgaande zal de rechtbank een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen vaststellen met ingang van 1 januari 2016 van € 285,- per maand, met ingang van 1 februari 2016 van € 304,- per maand en met ingang van 22 augustus 2016 van € 313,- per maand.

4 Beslissing

De rechtbank

4.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 285,- per maand;

4.2.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 304,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 22 augustus 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 313,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J.G. van Osta, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.1

1 type: EJ(M coll: