Daarmee ligt de vraag voor of de uitkomst van een belangenafwezig uitvalt in het voordeel van [eiser] . Daarbij moet enerzijds rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot positieverbetering aan de zijde van [eiser] , hetgeen blijkt uit het aanbod van [bedrijf] dat € 400,00 bruto hoger ligt dan het laatstverdiende maandsalaris en het recht op vrije arbeidskeuze. Daartegenover staat het belang van Egro om haar bedrijfsbelangen te beschermen.
Uit de stukken blijkt dat [eiser] in april 2010 in dienst is getreden in de functie van management-assistent, waarbij het salaris is vastgesteld op € 816,40 bruto per maand, te weten het naar rato van arbeidsomvang berekende minimumjeugdloon. Sindsdien is haar functieomschrijving niet gewijzigd, terwijl het laatstverdiende salaris niet veel hoger ligt dan het minimumloon. Uit de stellingen van partijen blijkt ook dat [eiser] met name administratieve werkzaamheden heeft uitgevoerd. Behoudens bijzondere omstandigheden kan een concurrentiebeding voor werknemers met een dergelijke functie een onevenredige benadeling opleveren.
Egro heeft weliswaar gesteld dat [eiser] een van de leden van het management was en een spil in de organisatie, maar dat acht de kantonrechter, gezien het voorgaande, overtrokken.
De enkele omstandigheid dat [eiser] uit hoofde van haar functie bekend was met de contactgegevens van leveranciers en klanten en de inkoop- en verkoopfacturen zijn niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat zij op dit moment nog toegang heeft tot deze informatie. Voor zover zij al aan de hand van de facturen de door Egro toegepaste marges zou hebben berekend, hetgeen niet is gebleken, betreft dit informatie die inmiddels al meer dan twee maanden oud is.
Alhoewel Egro als bijzondere omstandigheden nog heeft gewezen op het feit dat [eiser] kennis zou dragen van de identiteit van een aantal bijzondere, niet in de markt bekende, leveranciers en van het revolutionaire hotelconcept met eigen calculatiemethodiek, acht de kantonrechter de stelling van [eiser] dat die kennis niet verder strekt dan noodzakelijk voor de administratieve verwerking van bestellingen en leveringen, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, voorshands voldoende aannemelijk.
Daarmee is voorshands onvoldoende aannemelijk dat Egro een gerechtvaardigd belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding, te meer daar voldoende aannemelijk is geworden dat het aangeboden dienstverband bij [bedrijf] een aanzienlijke positieverbetering zal inhouden. Het concurrentiebeding zal dan ook worden geschorst.