RECHTBANK MIDDELBURG
Sector strafrecht
parketnummer: 12/705226-12 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2012
in de strafzaak tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Loon- en Grondbedrijf [verdachte] B.V.,
gevestigd te 4435 RM Baarland, Westdorpseweg 3,
ter terechtzitting verschenen, vertegenwoordigd door
[verdachte], geboren op [1964],
algemeen directeur en enig aandeelhouder van Loon- en Grondbedrijf [verdachte] B.V.,
raadsvrouw mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Roosendaal,
ter terechtzitting aanwezig.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 augustus 2012, waarbij de officier van justitie mr. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat
zij, op meerdere, althans een, tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 17 september 2011 tot en met 06 oktober 2011, (telkens) te Hoedekenskerke, gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, telkens
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) grovelijk,
althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft
gehandeld als volgt:
- verdachte en/of haar mededader(s) heeft/hebben werkzaamheden verricht
waardoor het wegdek van de 's-Gravenpoldersestraat besmeurd/bevuild raakte met
modder en/of ander(e) materiaal/materialen, (waardoor het wegdek van die
's-Gravenpoldersestraat slipgevaarlijk werd)
- vervolgens is dat wegdek (telkens) niet, althans onvoldoende schoongemaakt en/of zijn
geen, althans onvoldoende, althans ontoereikende, maatregelen getroffen om
naderende bestuurders op die besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te
verlenen, (waardoor, althans mede waardoor, op 6 oktober2011(nadat er regen gevallen was) een auto (bestuurd door: [slachtoffer]) op dat
besmeurde/bevuilde wegdek is gaan slippen en/of schuiven, en (vervolgens) tegen
twee, gezien de rijrichting, in de rechterberm van die weg staande, bomen is
gebotst/gereden en/of in die berm tot is stilstand gekomen,
waardoor (mede) het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk
letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van
de ambts- of beroepsbezigheden van genoemde [slachtoffer] was
ontstaan, te weten: botbreuken van meerdere wervels en/of botbreuken van
meerdere ribben en/of een botbreuk van het schaambeen en/of een scheur van de
milt en/of een kneuzing van de linkerlong;
art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht
en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht
kunnen volgen, terzake dat
zij, op meerdere, althans een, tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 17 september 2011 tot en met 06 oktober 2011, (telkens) te Hoedekenskerke, gemeente Borsele,
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
werkzaamheden heeft/hebben verricht, waardoor het wegdek van de weg, de
's-Gravenpoldersestraat, besmeurd/bevuild raakte met modder en/of ander(e)
materiaal/materialen, (waardoor het wegdek van die 's-Gravenpoldersestraat
slipgevaarlijk werd)
- vervolgens is dat wegdek (telkens) niet, althans onvoldoende schoongemaakt en/of zijn
geen, althans onvoldoende, althans ontoereikende, maatregelen getroffen om
naderende bestuurders op die besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te
verlenen,
- waardoor, althans mede waardoor, op 6 oktober 2011(nadat er regen gevallen was) vervolgens is een auto (bestuurd door: [slachtoffer]) op dat
besmeurde/bevuilde wegdek is gaan slippen en/of schuiven, en (vervolgens) tegen
twee, gezien de rijrichting, in de rechterberm van die weg staande, bomen is
gebotst/gereden en/of in die berm tot stilstand is gekomen,
(mede) door welke gedraging(en) van verdachte en/of haar mededaders gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd
gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
art 5 Wegenverkeerswet 1994
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte grovelijk nalatig heeft gehandeld en dat het letsel dat [slachtoffer] als gevolg hiervan heeft opgelopen als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt dient te worden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte grovelijk nalatig heeft gehandeld door niet dadelijk nadat het wegdek is bevuild de weg schoon te maken. Daarbij geldt dat op ieder die betrokken is geweest bij de uitvoering van de werkzaamheden de verantwoordelijkheid rust voor het schoonmaken van de weg, zodat sprake is van medeplegen. Op het moment dat de weg vies is dient hij schoongemaakt te worden. De beantwoording van de vraag wie van de betrokkenen civielrechtelijk aansprakelijk moet worden gesteld speelt hierin geen rol.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit en bepleit integrale vrijspraak. Zij heeft er daarbij op gewezen dat er vanwege droogte geen sprake was van slipgevaar. Verdachte heeft de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen door aan beide kanten van de weg waarschuwingsborden te plaatsen waardoor weggebruikers alert konden zijn op de aanwezigheid van (droge) modder op de weg. Het schoonmaken van een droge weg met behulp van water was eerder, op 17 september 2011, een gevaarlijke aangelegenheid gebleken, omdat dan een gladde weg ontstaat. Automobilisten rekenen bij droog weer niet op gladheid, aldus de raadsvrouw. Verdachte mocht er daarom van uit gaan dat haar gebruikelijke handelwijze zorgvuldig was aangezien niet eerder een soortgelijk ongeval als het onderhavige zich heeft voorgedaan.
Voor zover wel sprake mocht zijn van aanmerkelijke schuld van verdachte is de raadsvrouw van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat deze schuld in relatie staat tot het ongeval. Op basis van het proces-verbaal Verkeers Ongevals Analyse kan geen duidelijke toedracht van het ongeval worden aangewezen. De botssnelheid was niet te bepalen, het was onmogelijk om remproeven te doen en op de plaats van het ongeval zijn geen zichtbare rem- blokkeersporen aangetroffen. Daarom kan niet worden uitgesloten dat het ongeval door een andere oorzaak heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw opgemerkt dat sprake dient te zijn van een zekere mate van concretisering van gevaar dan wel hinder, waarbij geldt dat niet iedere schending van de verkeersveiligheid of de verkeersdoorstroming een schending van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 ten gevolge heeft.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vanaf 8 augustus 2011 is verdachte voor medeverdachte Triumfus Onion Products Beheer B.V., verder te noemen TOP, begonnen met het uitrijden van zogeheten zeefgrond over het perceel van [eigenaar] (kadastraal bekend: [kadastraal nummer]). De aanvoer van deze grond vond plaats via de ’s-Gravenpoldersestraat te Hoedekenskerke. Het uitrijden van de grond geschiedde met tussenpozen over een periode van zes weken. De laatste keer is gereden op 30 september 2011.
Verdachte heeft voor het uitrijden van de grond ook gebruik gemaakt van twee tractoren met twee dumpers van TOP met werknemers van TOP. Voorts heeft verdachte bij deze werkzaamheden gebruik gemaakt van materieel en werknemers van medeverdachte Loonbedrijf [medeverdachte] v.o.f., verder te noemen [medeverdachte], op de dagen 17 september 2011, 24 september en 29 september 2011.
Door TOP is tegenover de politie verklaard dat zij met verdachte de afspraak had gemaakt dat deze zou zorgen voor het schoonmaken van de weg. Verdachte heeft verklaard het er op te houden dat hetgeen TOP hierover heeft verklaard juist is. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat geen concrete afspraken over het schoonmaken van de weg zijn gemaakt. Daarbij heeft zij haar verklaring tegenover de politie gehandhaafd. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren of over het schoonmaken van de weg afspraken zijn gemaakt.
Op 6 oktober 2011 omstreeks acht uur ’s ochtends reed [slachtoffer] als bestuurster van een personenauto over de ’s-Gravenpoldersestraat te Hoedekenskerke in de gemeente Borsele, komende uit de richting Hoedekenskerke en gaande in de richting van ‘s-Gravenpolder. In een bocht raakte haar voertuig in een slip en is zij tegen in de berm staande bomen gebotst. Tengevolge van deze botsing heeft de bestuurster ernstig letsel opgelopen, bestaande uit botbreuken aan meerdere wervels, meerdere ribben en aan het schaambeen, en verwondingen aan haar milt en haar linker long.
Door verbalisanten is geconstateerd dat op de rijbaan een dikke laag van natte klei over een lengte van ongeveer 200 meter en een breedte van ongeveer 3,5 meter lag.
Meteorologische gegevens laten zien dat ter plaatse van het hiervoor omschreven ongeval vóór 20 september 2011 de laatste neerslag van betekenis is gevallen. Op 6 oktober 2011 viel er omstreeks 7.50 uur een korte maar hevige regenbui op de plaats van het ongeval. Hierdoor was de rijbaan ter plaatse erg glad geworden.
Schuld
De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Onder schuld wordt een min of meer grove of aanmerkelijke schuld verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 308 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval alsook welke handelingen van een betrokken persoon in een concrete situatie gevergd kunnen worden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de (rechts)persoon die op een weg een verontreiniging veroorzaakt en/of het op zich neemt een dergelijke verontreiniging op te ruimen, een dergelijke verontreiniging op zodanig wijze dient te verwijderen/verminderen dat er na afronding van de werkzaamheden een veilige situatie bestaat en blijft bestaan voor de weggebruikers: in essentie dient die (rechts)persoon er voor te zorgen dat de weg onder alle weersomstandigheden normaal bruikbaar is voor het verkeer.
Op grond van bovenstaande weergave van de feitelijke omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat verdachte grovelijk nalatig is geweest voor wat betreft het ontdoen van de ’s-Gravenpoldersestraat van modder en vuil na het uitrijden van grond naar het perceel van [eigenaar]. Zij overweegt daartoe als volgt. Uit de verklaringen van verdachte, TOP en [medeverdachte] blijkt dat na 30 september 2011 niet meer is gereden met zeefgrond. Verdachte heeft verklaard dat in de hele periode van de werkzaamheden de weg is schoongemaakt. In de week voor 30 september was het kurkdroog en was het te niet te doen om de slik van de weg te halen. De slik was steeds vaster geworden. Het was eigenlijk wachten op regen om de weg schoon te maken, aldus verdachte in het verhoor door de regiopolitie. Ter zitting van 9 augustus 2012 is door verdachte verklaard dat zij hierin een bewuste afweging heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte daarmee een zeer groot risico genomen zoals dat zich in deze zaak ook heeft gerealiseerd, namelijk dat het wegdek glad zou kunnen worden door regenval en dat als gevolg daarvan een ongeval zou kunnen ontstaan voordat zij in de gelegenheid zou zijn het wegdek te reinigen. Verdachte moet, gelet op de jarenlange ervaring, voorafgaand aan het ongeval bekend zijn geweest met de aard van de gevolgen die een vervuiling van het wegdek met slik voor het verkeer kan hebben. In dit verband wijst de rechtbank ook op de campagne ‘Slik op de weg’ die het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland (ROVZ) door middel van advertenties en persberichten voert om agrariërs, loonwerkers en weggebruikers te wijzen op de gevaren van een vervuild wegdek. Namens verdachte is ter zitting verklaard dat zij bekend is met deze campagne.
Verdachte heeft weliswaar waarschuwingsborden geplaatst in de berm van de weg, maar de feitelijke toestand van het wegdek (gladheid) was zodanig dat verdachte in ernstige mate te kort geschoten is bij het uitvoeren van haar verplichting het wegdek passend te reinigen. Verdachte had zich moeten realiseren dat bij regenval de aanwezige verontreiniging in combinatie met de ter plaatse aanwezige bocht in de weg de mate van gevaarzetting verhoogde, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat het besturen van een voertuig op een glad wegdek aanleiding kan vormen voor het in een slip raken, zoals ook in deze zaak is gebeurd.
Causaal verband
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bevindingen vermeld in het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 18 oktober 2011 en het aanvullende rapport van 27 februari 2012, er causaal verband bestaat tussen het nalaten van verdachte en het ongeval.
Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 18 oktober 2011 volgt dat de bestuurster in een flauwe bocht naar links de controle over haar voertuig is kwijtgeraakt, vermoedelijk door de hevige vervuiling van het wegdek door modder. In het aanvullende proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 27 februari 2012 wordt verklaard dat geen botssnelheid van de personenauto te bepalen is. Wel is te verklaren dat dit voertuig over de met modder besmeurde rijbaan heeft gereden. Er werd modder aangetroffen in de groeven van de banden evenals op de wangen van de banden. De wielkassen waren bedekt onder modder.
Uit voornoemde analyse blijkt verder dat het voertuig van de bestuurster aan de technische eisen, die aan dit type voertuig worden gesteld, voldeed . Het is aannemelijk geworden dat de bestuurster de gordels in haar auto heeft gebruikt. Voorts hebben de verbalisanten van de regiopolitie vastgesteld dat de weg ter plaatse van het ongeval erg glad was. Dat het glad was wordt bovendien onderstreept door de verklaring van [getuige] van 14 februari 2012, die kort voor het ongeval in zijn personenauto over de weg heeft gereden .
Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het ongeval door een andere oorzaak dan de gladheid op de weg, die als gevolg van de werkzaamheden van verdachte is ontstaan, heeft plaats gevonden.
Medeplegen
De rechtbank leidt uit de verklaringen af dat tussen verdachte en TOP, tussen wie gedurende een reeks van jaren een samenwerkingsrelatie bestaat, en [medeverdachte], sprake is van een (minimaal:) stilzwijgende afspraak dat degene die de opdracht van het werk neemt, zorg draagt voor het schoonmaken van de weg. Vast staat dat verdachte de opdrachtnemer was van het werk. Bij het rijden van de grond heeft verdachte de keuze gemaakt om het tijdstip van het schoonmaken van de weg afhankelijk te stellen van regenval. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat verdachte, TOP en [medeverdachte] in dit nalaten nauw en bewust hebben samengewerkt. Zij zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte grovelijk nalatig is geweest door de ’s Gravenpoldersestraat te Hoedekenskerke niet schoon te maken.
Blijkens de rapportage van 24 januari 2012 van geneeskundige J. Vrencken heeft de bestuurster meerdere letsels opgelopen. Het betreft botbreuken aan meerdere wervels, meerdere ribben en het schaambeen. Haar milt was gescheurd en haar linker long gekneusd. Volledig herstel was ten tijde van de rapportage nog niet aan te geven. Ook de duur van het arbeidsverzuim was nog niet te bepalen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het primair tenlastegelegde kan aldus bewezen worden.
4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair
zij, op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 17 september 2011 tot en met 06 oktober 2011, (telkens) te Hoedekenskerke, gemeente Borsele, telkens grovelijk,
nalatig heeft
gehandeld als volgt:
- verdachte heeft werkzaamheden verricht
waardoor het wegdek van de 's-Gravenpoldersestraat besmeurd/bevuild raakte met
modder waardoor het wegdek van die
's-Gravenpoldersestraat slipgevaarlijk werd
- vervolgens is dat wegdek niet schoongemaakt en zijn
ontoereikende, maatregelen getroffen om
naderende bestuurders op die besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te
verlenen, waardoor op 6 oktober 2011(nadat er regen gevallen was) een auto (bestuurd door: [slachtoffer]) op dat
besmeurde/bevuilde wegdek is gaan slippen en/of schuiven, en (vervolgens) tegen
twee, gezien de rijrichting, in de rechterberm van die weg staande, bomen is
gebotst en in die berm tot is stilstand gekomen,
waardoor (mede) het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 10.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de gevolgen van het gepleegde feit en de rol die verdachte daarin heeft gespeeld. Bij het voorwaardelijke deel van de straf heeft de officier gewezen op de voorbeeldfunctie die verdachte zou dienen te vervullen.
6.2 Het standpunt van de verdediging
In het geval de rechtbank komt tot strafoplegging heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de betrokkenheid die verdachte heeft getoond naar de bestuurster. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een misdrijf. Een geheel voorwaardelijke geldboete acht de verdediging passend.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden
opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar op de weg waarbij de rechtbank haar gedragingen heeft aangemerkt als grovelijk nalatig. Dat gevaar heeft er toe geleid dat een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Een geldboete van € 10.000,- acht de rechtbank hierbij passend. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet uitgesloten kan worden dat ook financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de intensiteit van de schoonmaakwerkzaamheden door verdachte. Voor zover dit het geval is geweest, is dit ernstig, ook omdat verdachte door de jarenlange ervaring als loon- en grondbedrijf met de mogelijke gevolgen van slik op de weg bekend moet zijn geweest. Een gedeelte van deze straf, € 5.000,-, zal zij voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te doordringen in de toekomst bij haar werkzaamheden zodanige maatregelen te nemen dat de veiligheid van weggebruikers niet in gevaar wordt gebracht. De rechtbank verwacht voorts dat van deze straf een preventieve werking zal uitgaan naar andere bedrijven die vergelijkbare werkzaamheden als verdachte uitvoeren. Bij het vaststellen van de hoogte van deze straf heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte zich betrokken heeft betoond naar het slachtoffer en dat over verdachte geen justitiële documentatie bekend is.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 308 lid van het Wetboek van Strafrecht.
8 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het primair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, gepleegd door een rechtspersoon;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,-, waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. De Jager en mr. Duinhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Evenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 augustus 2012.