RECHTBANK MIDDELBURG
Sector strafrecht
parketnummer: 12/705466-10 (P)
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2010
in de strafzaak tegen
[gedaagde],
geboren op [geboortedatum] te Terneuzen,
wonende te [adres],
ter terechtzitting verschenen,
raadsman mr. Van Baarle, advocaat te Breda.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 juni 2010, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, grovelijk, althans
aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld als
volgt:
- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben werkzaamheden verricht
waardoor het wegdek van de Isabellaweg besmeurd/bevuild raakte met modder
en/of andere materia(a)l(en)(waardoor het wegdek van de Isabellaweg
slipgevaarlijk werd),
- vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
- vervolgens is een auto op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven (en is
uiteindelijk tegen een boom tot stilstand gekomen),
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] (de
bestuurder van bovengnoemde auto) is overleden;
art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht
en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht
kunnen volgen, terzake dat
hij op of omstreeks 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met schuif), daarmede
rijdende over de weg, de Isabellaweg (om het wegdek schoon te maken), zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend,
werkzaamheden te verrichten waardoor het wegdek van de Isabellaweg
besmeurd/bevuild raakte met modder en/of andere materia(a)l(en)(waardoor het
wegdek van de Isabellaweg slipgevaarlijk werd),
vervolgens het wegdek onvoldoende schoon te maken en/of onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen te treffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
ten gevolge (mede) waarvan een auto op dat wegdek is gaan slippen en/of
schuiven (om uiteindelijk tegen een boom tot stilstand te komen), waardoor een
de bestuurder van die auto (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;
art 6 Wegenverkeerswet 1994
en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet
mocht kunnen volgen, terzake dat
hij op of omstreeks 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, werkzaamheden heeft
verricht waardoor het wegdek van de Isabellaweg besmeurd/bevuild raakte met
modder en/of andere materia(a)l(en)(waardoor het wegdek van de Isabellaweg
slipgevaarlijk werd),
vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
vervolgens is een auto (te weten een personenauto bestuurd door [slachtoffer]) op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven (en is
uiteindelijk tegen een boom tot stilstand gekomen), door welke gedraging(en)
van verdachte en/of zijn mededader(s) op de weg, de Isabellaweg, gevaar werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd
gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
art 5 Wegenverkeerswet 1994
2.
hij op of omstreeks 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis, tezamen en
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, werkzaamheden heeft
verricht waardoor het wegdek van de Isabellaweg besmeurd/bevuild raakte met
modder en/of andere materia(a)l(en)(waardoor het wegdek van de Isabellaweg
slipgevaarlijk werd),
vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
vervolgens zijn één of meerdere voertuig(en) (te weten (een) voertuig(en)
bestuurd door [betrokkene sub 1] en/of [betrokkene sub 2] en/of [betrokkene sub 3] en/of
[betrokkene sub 4]) op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven, door welke
gedraging(en) van verdachte en/of zijn mededader(s) op de weg, de Isabellaweg,
gevaar werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op
die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
art 5 Wegenverkeerswet 1994
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het zowel het primair ten laste gelegde onder 1 als het ten laste gelegde onder 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar van gedachte was dat hij de weg goed had schoongemaakt, maar dat gebleken is uit de verklaringen van getuigen die ter plaatse met hun auto hebben gereden en zijn geslipt alsmede uit de verklaringen van de hulpverleners die ter plaatse zijn gekomen, dat het wegdek spiegelglad was. Op de foto’s die in het dossier zitten, is te zien dat er nog een dikke laag modder op de weg lag. De toepasselijke norm is dat verdachte de weg na zijn werkzaamheden terug dient te brengen in de staat waarin deze zich bevond. Dat heeft hij niet gedaan. De toestand op de weg was zodanig dat verdachte door het onvoldoende schoonmaken van de weg niet alleen gevaar en hinder heeft doen ontstaan op de weg voor andere verkeersdeelnemers maar ook aanmerkelijk nalatig is geweest hetgeen geresulteerd heeft in een dodelijk ongeval.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 1 en 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte daarvan vrijgesproken dient te worden, zoals nader onderbouwd in zijn pleitnota.
Kort weergegeven heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte er alles aan gedaan heeft, ook in het kader van het protocol van het Waterschap, om het wegdek schoon te maken. Het Waterschap is notabene nog ter plaatse komen kijken en heeft niets aan te merken gehad op de werkzaamheden van verdachte. Het is naar de mening van de raadsman een samenspel van factoren geweest als gevolg waarvan het ongeval heeft kunnen plaatsvinden: een besmeurd wegdek ondanks dat het is schoongemaakt, vorst, ontbreken van wegmarkering heeft de chauffeur moeten opmerken, onaangepaste snelheid waarmee is gereden. Het slachtoffer heeft onvoldoende ingeschat waar hij mee bezig was en niet geanticipeerd op de situatie. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat in de betreffende periode rooi en oogstwerkzaamheden plaatsvinden. De hoofdregel is dat elke chauffeur onder alle omstandigheden zijn voertuig onder controle dient te hebben. In de winterperiode met verraderlijke weersomstandigheden geldt dit in het bijzonder. Verdachte heeft er alles aan gedaan om de situatie veilig te houden, maar constateert dat beroepsverkeer zich beter houdt aan de aanwijzingen op de borden dan het gewone personenverkeer.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Op 8 december 2008 is verdachte om ongeveer 9.00 uur begonnen met oogstwerkzaamheden op zijn perceel landbouwgrond aan de Isabellaweg te IJzendijke. Hierbij zijn [betrokkene sub 5] en [betrokkene sub 6] hem komen helpen . [betrokkene sub 5] heeft voorafgaand aan de werkzaamheden waarschuwingsbordjes met de tekst: “slipgevaar” of “modder” aan weerszijden van de Isabellaweg geplaatst. In de richting van IJzendijke heeft hij twee bordjes geplaatst en in de richting van Philippine één . De waarschuwingsbordjes waren zichtbaar in de rijrichting van de betrokken bestuurders .
Zodra de laadbak vol was werd deze naar de boerderij van verdachte gebracht om geleegd te worden. Direct achter de tractor met laadbak werd met een tractor met rubberen schuif gereden om de modder, die van de tractor met laadbak afkwam, van de weg te schuiven. Met de tractor met schuif werd tot aan de Hondegatweg gereden en geschoven. Aldaar werd gekeerd en op de terugweg werd het desbetreffende weggedeelte nogmaals geschoven. Die dag is er tot 17.50 uur de gehele dag op deze wijze gewerkt door verdachte en de andere twee personen. Omstreeks 17.50 uur zijn [betrokkene sub 5] en [betrokkene sub 6] met de tractor en volle laadbak naar de boerderij van verdachte gereden om te gaan eten. Verdachte heeft de laatste rit met de schuif achter de tractor met laadbak aan gemaakt en is vervolgens ook naar huis gegaan om te eten .
Tussen 17.30 en 18.00 uur zijn [betrokkene sub 2] en [betrokkene sub 4] met hun personenauto en [betrokkene sub 3] met zijn truck met oplegger op de Isabellaweg in de slip geraakt. Omstreeks 18.00 uur die dag heeft er zich een eenzijdig ongeval voorgedaan op de Isabellaweg te IJzendijke. Daarbij is een personenauto, bestuurd door [slachtoffer], in de slip geraakt en tegen een boom gebotst als gevolg waarvan [slachtoffer] ter plaatse is overleden . Ten tijde van het ongeval was het donker. De weg was ter plaatse onverlicht .
De rechtbank stelt voorop, dat voor bewezenverklaring van dood door schuld er bij verdachte meer dan lichte schuld bestaat. Er moet tenminste sprake zijn van aanmerkelijke schuld.
Bij het beantwoorden van de vraag of er aan de zijde van verdachte schuld aanwezig is in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht dient allereerst bezien te worden welke handelingen van een betrokken persoon in een concrete situatie gevergd kunnen worden. Deze norm zal steeds ingekleurd moeten worden aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zullen maatregelen die door een betrokkene zijn bedoeld als veiligheidsmaatregelen, zoals het plaatsen van waarschuwingsborden, meegewogen moeten worden bij de beantwoording van de vraag of aan de zijde van verdachte (tenminste) aanmerkelijke schuld aanwezig is in relatie tot het ontstaan van het ongeval.
De rechtbank gaat uit van de norm dat een persoon die door en tijdens werkzaamheden op een weg een verontreiniging veroorzaakt of doet veroorzaken, een dergelijke verontreiniging op zodanige wijze dient te verwijderen of verminderen, dan wel zodanige andere maatregelen dient te treffen, dat er tijdens die werkzaamheden een veilige situatie blijft bestaan voor de weggebruikers en dat na afronding van die werkzaamheden de weg weer normaal bruikbaar is voor het verkeer. De concrete mate van gevaarzetting, die met name zal worden bepaald door aard en mate van verontreiniging op de weg, de ligging van de weg en al dan niet aanwezige verlichting kunnen daarbij aanleiding vormen om meer maatregelen te verlangen van de betrokken persoon.
De politie heeft ter plaatse, onmiddellijk na het ongeval, vastgesteld dat het wegdek over een afstand van 300 meter zeer sterk besmeurd was met modder en zeer glad was als gevolg van deze verontreiniging. Na meting bleek de laag modder een dikte te hebben van ongeveer 3 millimeter. De modderlaag was erg vast gereden en daardoor was er een compacte laag gevormd . Ook de medewerkers van de brandweer , de medewerker van het Waterschap alsmede getuigen die ten tijde van dan wel vlak na het ongeval ter plaatse waren, hebben verklaard dat het wegdek (spiegel)glad was. Volgens het proces-verbaal VerkeersOngeval Analyse is [slachtoffer] mogelijk ten gevolge van de grote hoeveelheid modder op het wegdek met zijn voertuig in de slip geraakt. Van andere omstandigheden die tot het ongeval geleid zouden kunnen hebben is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de gladheid van het wegdek tot het ongeval van [slachtoffer] heeft geleid.
Evenmin is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat er een andere oorzaak voor de aanwezigheid van modder op de weg is geweest dan de werkzaamheden van verdachte en zijn helpers, zodat de rechtbank er van uit gaat dat de gladheid van het wegdek aan die werkzaamheden te wijten is.
Verdachte heeft verklaard dat, toen hij ’s avonds het stuk weg waarover zijn oogst was afgevoerd tijdelijk achterliet om te gaan eten, hij achterom heeft gekeken en geconstateerd dat de weg visueel schoon was , terwijl gebleken is dat de weg op dat gedeelte feitelijk spiegelglad was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in het donker op een onverlichte weg niet had mogen volstaan met achterom kijken, maar zich beter van de toestand van de weg had moeten vergewissen, zodat hij na het constateren van die gladheid verderstrekkende maatregelen had kunnen en moeten nemen. Daarbij valt te denken aan beter schoonmaken en/of beter waarschuwen en manen tot stapvoets rijden.
Dit klemt te meer omdat het inmiddels donker was geworden en er geen activiteiten meer op het land zichtbaar waren die naderend verkeer, in combinatie met de waarschuwingsbordjes, opmerkzaam zouden moeten maken op mogelijke verontreiniging op de weg. De betrokken weggebruikers moesten naar aanleiding van de waarschuwingsbordjes wel alert zijn op de aanwezigheid van modder op de weg, maar hoefden er niet op bedacht te zijn dat zij zich op een dergelijk zeer glad wegdek zouden bevinden. Verdachte daarentegen had zich moeten realiseren dat bij duisternis de aanwezige verontreiniging (en de mate daarvan) niet of minder goed kon worden waargenomen en ingeschat door gemotoriseerde weggebruikers.
Uit het dossier is niet gebleken dat de betrokken bestuurders met een snelheid hebben gereden die hoger was dan de wettelijk toegestane snelheid. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesteld dat zij ten tijde van het slippen dan wel ten tijde van het ongeval met een snelheid hebben gereden die hoger was dan een ter plaatse onder de door hen te verwachten omstandigheden veilig te achten snelheid.
Het feit dat verdachte grotendeels volgens de aanwijzingen van het waterschap heeft gewerkt en dat de kantonnier van het Waterschap niets op de werkwijze van verdachte aan te merken had kan niet leiden tot de conclusie dat verdachte niets te verwijten valt.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk nalatig is geweest door om 17.50 uur de weg in de vervolgens door de politie aangetroffen staat achter te laten waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] is overleden, en dat hij daarmee tevens gevaar en hinder heeft veroorzaakt op de openbare weg. Zij acht het primair ten laste gelegde onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen en verklaart verdachte daaraan schuldig.
4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis,
aanmerkelijk nalatig heeft gehandeld als volgt:
- verdachte heeftwerkzaamheden verricht
waardoor het wegdek van de Isabellaweg besmeurd/bevuild raakte met modder
waardoor het wegdek van de Isabellaweg slipgevaarlijk werd,
- vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
- vervolgens is een auto op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven (en is
uiteindelijk tegen een boom tot stilstand gekomen),
waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] (de
bestuurder van bovengnoemde auto) is overleden;
2.
op 08 december 2008 te IJzendijke, gemeente Sluis werkzaamheden heeft
verricht waardoor het wegdek van de Isabellaweg besmeurd/bevuild raakte met waardoor het wegdek van de Isabellaweg slipgevaarlijk werd,
vervolgens is dat wegdek onvoldoende schoongemaakt en/of zijn onvoldoende,
althans ontoereikende, maatregelen getroffen om naderende bestuurders op die
besmeurde/bevuilde weg een veilige doorgang te verlenen,
vervolgens zijn meerdere voertuigen te weten voertuigen
bestuurd door [betrokkene sub 2] en [betrokkene sub 3] en [betrokkene sub 4] op dat wegdek gaan slippen en/of schuiven, door welke gedraging(en) van verdachte op de weg, de Isabellaweg,
gevaar werd veroorzaakt, en het verkeer op
die weg werd gehinderd;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete ten bedrage van € 10.000,- subsidiair 85 dagen hechtenis en daarnaast een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uur subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er door het nalatige gedrag van verdachte een dodelijk slachtoffer is gevallen, en dat er bij de mate waarin schoonmaakwerkzaamheden worden verricht er kennelijk sprake is van een economische afweging. Daarom is een hoge geldboete op zijn plaats. Hij heeft bij zijn eis wel rekening gehouden met de inspanningen die verdachte wel heeft verricht. Ook heeft hij rekening gehouden met het feit dat het reeds een oudere zaak betreft en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De officier van justitie ziet aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke straf nu verdachte er van doordrongen dient te worden dat zijn handelen onvoldoende zorgvuldig was en dat hij daarmee in de toekomst rekening dient te houden.
6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen dan heeft de raadsman bij het opleggen van de straf verzocht rekening te houden met het werk van verdachte als landbouwer, de lange werktijden die daarmee zijn gemoeid en de lange tijd die inmiddels sinds het gebeurde is verstreken. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte meerdere malen contact heeft gezocht met familie van het slachtoffer en elke dag geconfronteerd wordt met het gebeuren nu hij dagelijks langs de plaats van het ongeval komt. Volgens de raadsman geeft oplegging van elke soort straf problemen bij verdachte maar levert een geldboete de minste problemen op. Hij heeft wel benadrukt dat verdachte slechts een marginaal inkomen heeft uit zijn bedrijfsvoering.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 8 december 2008 schuldig gemaakt aan het gevaar op de weg veroorzaken en daarmee het verkeer hinderen. Bovendien is het aan zijn schuld te wijten dat op genoemde datum [slachtoffer] als gevolg van die omstandigheden door een ongeval met zijn personenauto is overleden.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder diens draagkracht. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Tevens heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in contact is geweest.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 4 mei 2010 opgesteld door E. Pols. Hierin wordt onder meer het volgende medegedeeld: Verdachte heeft het betreffende perceel sinds 2007 in zijn bezit en heeft al eerder overleg gevoerd met het Waterschap of het mogelijk was de af/toerit van het perceel naar de andere kant van het perceel te verplaatsen zodat het uit zou komen op een polderweg in plaats van een drukke rijksweg. Opvallend is dat de dag na het ongeluk het Waterschap hiervoor toestemming heeft gegeven. Dit is direct uitgevoerd door verdachte. Verdachte heeft laten weten zich radeloos te voelen omdat hij niet zou weten hoe hij er nog beter voor kan zorgen dat er niets gebeurt. Hij is van mening dat de weggebruikers zelf niet genoeg anticiperen op de wegsituatie. Verdachte is landbouwer in de pootteelt en heeft een moeizame maar gezonde bedrijfsvoering. Hij werkt zes tot zeven dagen per week van vroeg in de ochtend tot ’s avonds 21 uur.
Op de rapporteur heeft verdachte een emotionele en aangeslagen indruk gemaakt. Dat hij wordt vervolgd wegens nalatigheid terwijl hij zichzelf als een nauwgezet en plichtsgetrouw mens ziet, zeker in zijn werk, treft hem diep en voelt als onterecht. Verder wordt opgemerkt in het rapport dat verdachte contact heeft opgenomen met de familie van het slachtoffer en daar op bezoek is geweest. De weduwe zelf zou hier geen behoefte aan hebben. Hij informeert nog wel regelmatig via de familiekring hoe het met de weduwe gaat. De reclassering schat het recidiverisico als laag. Met betrekking tot de strafmodaliteiten wordt medegedeeld, dat het uitvoeren van een werkstraf moeilijk is in verband met het werk van verdachte. Een gevangenisstraf zou een faillissement voor zijn bedrijf betekenen. Hetzelfde geldt voor het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, hoewel verdachte vanwege zijn leeftijd geen rijbewijs voor landbouwvoertuigen nodig heeft. Tot betaling van een geldboete is verdachte wel in staat.
De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. Met name de persoonlijke omstandigheden van verdachte hebben de rechtbank doen besluiten hiervan in substantiële zin ten gunste van verdachte af te wijken. Weliswaar is er sprake van een aanmerkelijk nalaten van verdachte hetgeen een tragisch ongeval als gevolg heeft gehad, maar het is niet zo dat verdachte in het geheel niets heeft gedaan om het wegdek schoon te houden. Zo heeft hij waarschuwingsborden laten plaatsen en heeft telkens met de schuiver achter de tractor met laadbak gereden om de modder die van de tractor af kwam direct van de weg te schuiven. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij deed wat van hem verwacht mocht worden.
Alles afwegend komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat een geldboete van € 7.000,- voor het ten laste gelegde onder 1 een passende sanctie is. Hierbij heeft zij rekening gehouden met het relatief beperkte inkomen en de daaruit voortvloeiende draagkracht van verdachte. Een gedeelte van deze straf, te weten € 4.000,-, zal zij voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te doordringen in de toekomst bij zijn landbouwwerkzaamheden dusdanige maatregelen te nemen dat de veiligheid van weggebruikers niet in gevaar wordt gebracht. Voor een voorwaardelijke werkstraf ziet de rechtbank geen aanleiding.
De officier van justitie heeft één eis geformuleerd voor zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde. Nu onder 2 sprake is van een overtreding, zal de rechtbank hiervoor een aparte straf opleggen. Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500,- een passende sanctie is.
7 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
8 De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair: Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn;
feit 2: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
Ten aanzien van feit 1 primair:
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 7.000,=, waarvan € 4.000,=, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen voor het onvoorwaardelijke deel en 50 dagen voor het voorwaardelijke deel;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
Ten aanzien van feit 2:
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;
- bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. Steenbeek en mr. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juli 2010.
Mr. Steenbeek is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.