Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ2508

Rechtbank Maastricht
20-04-2011
26-04-2011
146566 / HA ZA 09-1516
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Overeenkomst inzake geneeskundige behandeling art. 7:446 BW. Na preventieve ingreep aan de aorta en aan het hart mislukt. Transplantatie volgt. Aansprakelijkheid ziekenhuis? Ziekenhuis tekortgeschoten in de verplichtingen de patiënt (schriftelijk) te informeren over de ingreep (art. 7:448 BW), het dossier in te richten (7:454 BW) of bij operatie de zorg van een goede hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaart (7:453 BW)? Op gezamenlijke initiatief ingeschakelde deskunidge staakt het onderzoek na concept rapport. Procedurele en inhoudelijke bezwaren ziekenhuis tegen rapportage opvolgende deskunige.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146566 / HA ZA 09-1516

Vonnis van 20 april 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.H.M. Hartmans-Jansen, kantoorhoudende te Margraten,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

zetelende te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. R.J. Veenhuysen, kantoorhoudende te Maastricht.

Partijen zullen hierna [eiser] en het azM genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 februari 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2010.

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[eiser] heeft een aangeboren afwijking aan zijn hart, namelijk een bicuspide aortaklep. Daarvoor heeft hij in 1984 een valvulotomie ondergaan. Verder is er een dilatatie van de aorta ascendens. Begin 2004 heeft [eiser] zich voor behandeling hiervan gewend tot het azM. [eiser] heeft met het azM een behandelovereenkomst gesloten. De behandelaars in het azM hebben aan [eiser] voorgesteld een operatie uit te voeren aan de aorta ascendens en daarbij tevens de aortaklep te vervangen door een prothese. De operatie is uitgevoerd op 16 juni 2005 in het azM. De operatie heeft niet het beoogde gevolg gehad. Aan het einde van deze operatie functioneert namelijk het hart niet meer of in elk geval zozeer onvoldoende dat [eiser] alleen nog door gebruik van apparatuur in leven kan worden gehouden. [eiser] is overgebracht naar een ander ziekenhuis waar de behandeling is voorgezet. Daar is hij kunstmatig in leven gehouden en vervolgens is daar op 21 juli 2005 een donorhart getransplanteerd.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort gezegd -:

1. Een verklaring voor recht dat azM tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenissen uit de behandelovereenkomst met [eiser] en daardoor aansprakelijk voor de door [eiser] ten gevolge daarvan geleden schade;

2. Veroordeling van azM tot vergoeding van de onder 1. bedoelde schade, deze schade nader op te maken bij staat;

3. Veroordeling van azM tot vergoeding van de onkosten van [eiser] in de procedure.

3.2.

Volgens [eiser] is het azM tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen a) in overeenstemming met artikel 7:448 BW inlichtingen aan [eiser] te verstrekken, b) in overeenstemming met artikel 7:454 BW een dossier in te richten en c) bij de werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW).

3.3.

Ten aanzien van de tekortkoming onder:

a) is door [eiser] gesteld dat in het azM gewoonlijk een schriftelijke verklaring wordt opgesteld (formulier) om vast te leggen dat de patiënt werd ingelicht over de aard en het doel van de behandeling en dat de patiënt daarmee heeft ingestemd, maar dat in dit geval het formulier zich wel in het dossier bevindt, maar niet werd aangevuld tot de bedoelde verklaring; voorts dat hij niet juist is geïnformeerd over de aard, het risico en de uitvoering van de operatie doordat aan hem is verteld dat het een preventieve ingreep is, waarmee de indruk werd gewekt dat het risico van complicaties laag is, waarbij een gedeelte van de aorta ascendens geheel wordt vervangen (zogenaamde Bentall-procedure) en deze ingreep door professor dr. Maessen, samen met dr. Todoir wordt uitgevoerd, terwijl in werkelijkheid aan de ingreep een hoog risico was verbonden, alvorens werd over te gaan tot de Bentall-procedure eerst werd geprobeerd, althans in elk geval het voornemen bestond een supracoronaire buisprothese rondom de aorta ascendens aan te brengen en de operatie werd uitgevoerd door dr. Geskens;

b) is door [eiser] gesteld dat er in het dossier vele lacunes zijn in de aantekeningen van gegevens ten aanzien van de uitgevoerde verrichtingen en voorts dat het van de operatie vervaardigde anesthesieverslag niet overeenstemt met het verslag van de operatie;

c) is door [eiser] gesteld dat de operatie technisch niet correct werd uitgevoerd, zoals blijkt uit de inhoud van het rapport van 2 september 2009, dat is opgesteld op grond van de resultaten van een onderzoek dat op verzoek van partijen werd ingesteld door professor dr. A. Brutel de la Rivière (productie 42 [eiser]).

3.4.

Door azM worden de stellingen van [eiser] dat het azM is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit de behandelovereenkomst weersproken. Voor zover van belang wordt op de standpunten van het azM in de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Het standpunt van [eiser] dat in het azM gewoonlijk een schriftelijke verklaring wordt opgesteld (formulier) om vast te leggen dat de patiënt werd ingelicht over de aard en het doel van de behandeling en dat de patiënt daarmee heeft ingestemd omdat hij een dergelijk (niet ingevuld en niet getekend) formulier in zijn dossier heeft aangetroffen moet, mede gelet op de uitdrukkelijke ontkenning van de zijde van het azM dat het gebruik van dit formulier de gewoonte is, als onvoldoende gemotiveerd van de hand worden gewezen. In dit verband is van belang dat in artikel 6:448 BW is bepaald dat de door de hulpverlener te verstrekken inlichtingen desgevraagd schriftelijk worden gegeven en dat is gesteld, noch gebleken dat [eiser] een dergelijk verzoek aan (de behandelaars van) het azM heeft gedaan.

4.2.

De stelling van [eiser], dat hij niet juist is geïnformeerd over aard en het doel van de operatie doordat aan hem is verteld dat het een preventieve ingreep is met een laag risico, waarbij een gedeelte van de aorta ascendens geheel wordt vervangen (zogenaamde Bentall-procedure) en deze ingreep door professor dr. Maessen, samen met dr. Todoir wordt uitgevoerd, is door het azM gemotiveerd weersproken.

4.3.

Volgens het azM is [eiser] al op 14 april 2004 door professor dr. M.J.H.M. Jacobs en dr. G.V.A. van Ommen over de operatie ingelicht, over het voornemen een supracoronaire buisprothese te implanteren en dat – afhankelijk van de bij de operatie aan te treffen situatie - eventueel een deel van de aortaboog zou kunnen worden vervangen en indien nodig zou worden overgegaan tot de Bentall-procedure. Door het azM wordt gewezen op het feit dat dr. Jacobs bij brief van 19 april 2004 schriftelijk verslag heeft uitgebracht aan de huisarts van [eiser] en dat hij daarin onder meer relateerde dat hij uitgebreid met [eiser] heeft gesproken over de operatietechniek en over eventuele complicaties (produktie 5 azM).

4.4.

Door het azM wordt er voorts op gewezen dat [eiser] op 25 mei 2005 opnieuw werd ingelicht over de aard en het doel van de voorgenomen operatie. Het azM verwijst in dit verband naar een formulier (produktie 8 azM) waar op de laatste pagina is vermeld: “Akkoord / Bentall + boogvervanging!”. Volgens het azM zou het gesprek met [eiser] zijn gevoerd door dr. P. Barenbrug en dit formulier zou een verslag zijn van dat gesprek. In een brief van 11 januari 2010 (produktie 26 azM) is door dr. Barenbrug een schriftelijke verklaring afgegeven dat hij met [eiser] op die datum heeft gesproken en dat hij op grond van de aantekeningen op dat gespreksverslag meent dat hij toen aan [eiser] uitleg heeft gegeven over de aard van de ingreep en de daaraan verbonden risico’s.

4.5.

Volgens het azM is op 15 juni 2005 door dr. G.G. Geskens aan [eiser] uitleg gegeven over de voorgenomen operatie en zijn de risico’s met [eiser] besproken. In een brief van 11 januari 2010 (produktie 27 azM) is door dr. Geskens een schriftelijke verklaring afgegeven dat dit gesprek heeft plaatsgevonden en dat hij meent dat alle relevante aspecten van de operatie, met inbegrip van risico’s, met [eiser] zijn besproken.

4.6.

Tot slot is door het azM gewezen op de aantekeningen, die zijn gemaakt op het opnameformulier (produktie 10 [eiser]) en op het formulier dat is opgemaakt naar aanleiding van de opname van [eiser] op de afdeling Cardio-thoracale Chirurgie, op welke beide formulieren de aard van de voorgenomen operatie is aangegeven, waaruit volgens het azM blijkt dat [eiser] bij opname op 13 juni 2005 daarmee voldoende bekend was.

4.7.

Het azM stelt dat [eiser] weliswaar op het moment van de opname nog geen klachten had en er nog geen acuut risico bestond, maar dat [eiser] leed aan een ernstige aandoening, welke op enige termijn levensbedreigend was. Het azM concludeert dat de operatie noodzakelijk was, maar dat de mogelijkheid bestond de operatie nog enige tijd uit te stellen, waarbij evenwel met het verstrijken van tijd het risico toeneemt. Voorts brengt het azM naar voren dat bekend mag worden verondersteld, zeker ook bij een hartpatiënt gelijk [eiser], dat er een kans op complicaties is waardoor er bij open hartoperaties een mortaliteitsrisico bestaat. Volgens het azM is het mortaliteitsrisico in het algemeen circa 4% en in dit geval weliswaar hoger, maar niet zoveel hoger dat dit voor [eiser] een reden zou kunnen zijn geweest om van deze operatie af te zien of deze nog (langer) uit te stellen. Door het azM is in dit verband verwezen naar de inhoud van het conceptrapport van 8 mei 2007 dat is opgesteld op grond van de resultaten van een onderzoek dat op verzoek van partijen werd ingesteld door professor dr. B.A.J.M. de Mol (productie 19 [eiser]). In dat rapport wordt aangegeven dat het risico bij een Betall-operatie tussen 2% en 5% ligt, maar dat, waar hier een complicerende factor van een tweede operatie in het spel is, dit risico hoger is, namelijk een mortaliteitsrisico of risico op ernstige invaliditeit tenminste in de orde van grootte van 5%. In de meergenoemde rapportage van professor dr. A. Brutel de la Rivière (alinea 4 van dat rapport) wordt omtrent het risico van de operatie opgemerkt dat deze operatie bepaald niet een ‘gewoon’ hartchirurgisch geval betreft omdat het gaat om een patiënt met een aangeboren hartafwijking, aan wie een preventieve operatie, met name van de aorta, wordt geadviseerd (blz. 4), maar dat de risico’s van de ingreep, ofschoon het een tweede operatie betreft, als beperkt moeten worden ingeschat, mede gezien de leeftijd van [eiser] en de afwezigheid van enige nevenpathologie (blz. 27).

4.8.

[eiser] stelt dat dr. Jacobs moet worden aangemerkt als de behandelende specialist. Het specialisme van dr. Jacobs is namelijk vaatchirurgie met een cardiothoracale specialisatie. Volgens [eiser] heeft hij, in verband met het feit dat dr. Jacobs was verhinderd, toegestemd in de uitvoering van de operatie door professor dr. Maessen, cardiothoracaal chirurg, bijgestaan door de vaatspecialist dr. Todoir. [eiser] heeft in dit verband verwezen naar het formulier dat op 3 mei 2005 werd opgemaakt bij gelegenheid van zijn inschrijving op de wachtlijst (productie 46 [eiser]) waar bij ‘opnamespecialist’ wordt vermeld: “Maessen”. Bij gelegenheid van de comparitie na antwoord ter zitting van 23 april 2010 heeft [eiser] verklaard dat aan hem werd gezegd dat in verband met een buitenlands verblijf van professor Jacobs, dr. Maessen en dr. Todoir de operatie zullen uitvoeren. [eiser] verklaarde voorts dat het heeft geduurd tot de klachtbehandeling bij de commissie van het azM eer hij ervoer dat de operatie niet door professor Maessen, bijgestaan door dr. Todoir, werd uitgevoerd, maar door dr. Geskens en zonder bijstand van een vaatspecialist. Volgens [eiser] ligt de primaire indicatie voor de operatie, het aanbrengen van een prothese op de aorta, niet binnen het specialisme van dr. Geskens (proces-verbaal van deze comparitie na antwoord). Namens het azM is de zienswijze van [eiser] door dr. Maessen uitdrukkelijk weersproken. Volgens de verklaring van dr. Maessen is de cardiothoracale chirurgie het specialisme van dr. Geskens, hetgeen ook de chirurgie omvat aan het deel van de aorta waar zich bij [eiser] een aneurisma (dilatatie) bevond.

4.9.

Het azM weerspreekt dat aan [eiser] te kennen zou zijn gegeven dat de operatie door dr. Maessen, geassisteerd door dr. Todoir, zou worden uitgevoerd. In de eerste plaats is daartoe door het azM aangevoerd dat de grote vaten geen specifiek aandachtsgebied van dr. Maessen vormt en het dus ook niet voor de hand ligt dat deze operatie juist onder zijn leiding zou worden uitgevoerd. Volgens azM zijn dr. Van Ommen en dr. Jacobs daarvan op de hoogte, zodat het onwaarschijnlijk moet worden geacht dat zij bij hun meergenoemde gesprekken aan [eiser] hebben gezegd dat de operatie door dr. Maessen zal worden uitgevoerd. Voorts zou, aldus het azM, dr. Todoir geen specialist zijn op het gebied van de grote vaten, wat door dr. Maessen bij gelegenheid van de meergenoemde comparitie is bevestigd. Door het azM is in dit verband ook nog gewezen op het feit dat door dr. Geskens in het preoperatieve gesprek op 15 juni 2005 (zie hiervoor onder punt 4.5) is verteld dat hij als eerste operateur de ingreep zou uitvoeren.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling van [eiser], dat hij niet juist is geïnformeerd over aard, risico en uitvoering van de operatie moet worden verworpen.

4.11.

Uit de aan de rechtbank gepresenteerde stukken blijkt dat de operatie inderdaad een preventief karakter had, namelijk in die zin dat de operatie niet werd verricht om een op dat moment het welzijn van [eiser] onmiddellijk bedreigend gevaar het hoofd te bieden. De stelling van [eiser] dat zonder expliciete informatie daarover niet tot een operatie met preventief karakter kan worden besloten, moet als juist worden aanvaard. Uit de bijlage 4 bij de rapportage van professor dr. A. Brutel de la Rivière (productie 42 [eiser]) blijkt dat volgens [eiser], voorafgaande aan de operatie, tegen hem is gezegd dat het aan de operatie verbonden risico overeenkwam met het risico dat normaal is verbonden aan het ondergaan van een open hartoperatie. De rechtbank deelt het standpunt van het azM, dat waar [eiser] sedert zijn geboorte al als hartpatiënt gekend is, hij bekend verondersteld mag worden met de aan een open hartoperatie verbonden zeer serieuze risico’s, zoals feitelijk een ieder, die enigszins over dit type operatie is geïnformeerd daarmee bekend mag worden verondersteld (alinea 3.2.23 conclusie van antwoord). Uit de aan de rechtbank gepresenteerde stukken kan voorts niet worden opgemaakt dat in het geval van [eiser] het risico bij de open hartoperatie significant veel hoger lag. In dit verband wordt door de rechtbank verwezen naar hetgeen uit het rapport van professor dr. B.A.J.M. de Mol en uit het rapport van professor dr. A. Brutel de la Rivière hiervoor in alinea 4.7 is weergegeven.

4.12.

Door de inhoud van het formulier dat volgens het azM een verslag is van het gesprek op 25 mei 2005 tussen [eiser] en dr. P. Barenbrug kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat [eiser] op 25 mei 2005 niet (geheel) juist werd geïnformeerd over de aard van de operatie (productie 8 azM). Deze indruk wordt door de brief van 11 januari 2010 van dr. Barenbrug (zie hiervoor alinea 4.4) niet weggenomen. In deze brief wordt namelijk geen verklaring gegeven voor de vermelding in het formulier ‘Bentall+boogvervanging!’; uitsluitend wordt daarin vermeld dat blijkende uit aantekeningen uitleg werd gegeven over de aard en risico’s van de ingreep. Echter, volgens het azM is op 1 april 2004 besloten tot een operatieve ingreep waarbij het aneurisma van de aorta ascendens wordt ondervangen door implantatie van een supracoronaire buisprothese en de aortaklep wordt vervangen door een prothese. Indien dit tijdens de operatie noodzakelijk blijkt, wordt een deel van de aortaboog vervangen en indien nodig een Bentall-procedure uitgevoerd. Aldus is door dr. Jacobs aan de huisarts van [eiser] ook schriftelijk uiteengezet (zie hiervoor alinea 4.3) en kennelijk aan [eiser] indertijd uitgelegd. Dat [eiser] door dr. Jacobs werd geïnformeerd vindt voorts bevestiging in de weergave van het gesprek op 16 maart 2009 van professor dr. Brutel de la Rivière met [eiser] en zijn echtgenote (productie 42 [eiser], bijlage 4). Op de vraag met welke chirurg voorafgaande aan de operatie werd gesproken werd blijkens dat verslag door [eiser] geantwoord: ‘met professor Jacobs’. In datzelfde gesprek is door de echtgenote van [eiser] opgemerkt dat zij zich niet de naam kan herinneren van degene die de avond voorafgaande aan de dag van de operatie met [eiser] heeft gesproken. Hoewel dr. Geskens in zijn schriftelijke verklaring in zijn brief van 11 januari 2010 aangeeft dat het gesprek waarin hij alle relevante aspecten van de operatie met inbegrip van risico’s met [eiser] in de middaguren heeft plaats gevonden, ziet de rechtbank in de verklaring van de echtgenote van [eiser] niettemin een bevestiging van het door azM gestelde gesprek tussen [eiser] en dr. Geskens (zie hiervoor alinea 4.5).

4.13.

Dat op het opnameformulier, dat op 3 mei 2005 werd opgemaakt bij gelegenheid van de inschrijving van [eiser] op de wachtlijst bij ‘opnamespecialist’ staat vermeld ‘Maessen’ is onvoldoende om aan te nemen dat op enig moment aan de zijde van het azM het voornemen heeft bestaan de operatie te doen uitvoeren onder leiding van dr. Maessen. De enkele mededeling van [eiser] ‘dat aan hem werd gezegd’ dat dr. Maessen en dr. Todoir uitvoering aan de operatie zouden geven (zie hiervoor alinea 4.8) is, bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van de zijde van het azM (zie hiervoor alinea 4.9), geen toereikende motivering voor de stelling van [eiser] dat hij over de uitvoering van de ingreep onvoldoende werd geïnformeerd doordat deze, anders dan hij kennelijk verwachtte, niet werd uitgevoerd door deze specialisten. Hierbij moet in aanmerking genomen worden dat de behandelovereenkomst niet werd gesloten met één of meerdere specialisten, maar met het azM.

4.14.

[eiser] motiveert zijn stelling dat er in het dossier vele lacunes zijn in de aantekening van gegevens ten aanzien van de uitgevoerde verrichtingen door te wijzen op het feit dat professor dr. A. Brutel de la Rivière eerst tot een conclusie kon komen nadat hij het dossier had bestudeerd en gesprekken had gevoerd met de betrokkenen. Voorts zou het perfusieverslag niet eerder zijn overgelegd dan nadat daar uitdrukkelijk om werd verzocht. [eiser] verwijst naar een briefwisseling tussen de advocaat van het azM, de advocaat van [eiser] en professor dr. A. Brutel de la Rivière (producties 31-37 [eiser]). Het azM brengt terecht hier tegen in dat dossierstudie en het voeren van gesprekken met betrokkenen bij een onderzoek door een deskundige een gebruikelijke gang van zaken is en dus geen indicatie kan vormen voor het antwoord op de vraag of er in het dossier met betrekking tot behandeling van de patiënt lacunes zijn in de aantekening van gegevens ten aanzien van de uitgevoerde verrichtingen. Het azM heeft voorts naar voren gebracht dat uit de door [eiser] genoemde briefwisseling slechts blijkt dat professor dr. Brutel de la Rivière enige malen om aanvullende informatie heeft verzocht, welke informatie -voor zover betrekking hebbende op door azM uitgevoerde verrichtingen en aldus behorende tot dat dossier- door het azM werd verstrekt. Terecht verbindt het azM daar de conclusie aan dat dit nog niet betekent dat het dossier met betrekking tot de behandeling van [eiser] door het azM niet voldoet aan de eisen die daar krachtens artikel 7:454 BW aan moeten worden gesteld.

4.15.

[eiser] motiveert zijn stelling dat het van de operatie vervaardigde anesthesieverslag niet overeenstemt met het verslag van de operatie niet. Het azM voert terecht het bezwaar aan dat daardoor niet duidelijk is wat [eiser] daarmee bedoelt. Aannemelijk is echter dat [eiser] het oog heeft op de discrepantie in de totale duur van ischemie, enerzijds volgens het verslag van de operatie en anderzijds volgens het anesthesieverslag, zoals deze verslagen door professor dr. Brutel de la Rivière zijn geïnterpreteerd (alinea’s 2.44-2.47 productie 42 [eiser]). Echter, waar deze deskundige een verschil berekent van 31 minuten moet, naar het zich laat aanzien, worden uitgegaan van een verschil van minder dan 4 minuten. Wat daar verder ook van moge zijn, de conclusie dat het azM is tekortgeschoten in het bijhouden van aantekeningen van de ten aanzien van [eiser] uitgevoerde verrichtingen kan zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, evenmin worden getrokken uit de door [eiser] aangevoerde discrepantie tussen het verslag van de operatie en het anesthesieverslag.

4.16.

Dat de technische uitvoering van de operatie op 16 juni 2005 niet volgens de regels van de kunst is geweest blijkt volgens [eiser] uit de rapportage van professor dr. A. Brutel de la Rivière (productie 42 [eiser]). In dit verband is aan deze door de partijen gezamenlijk aangezochte deskundige relevant de vraag: ’3. Hoe luidt uw oordeel over de technische uitvoering van de operatie? Is er naar uw mening tijdens de operatie naar de regels der kunst gehandeld, zoals van een redelijk bekwaam en redelijk ervaren cardiothoracaal-chirurg mocht worden verwacht?’ (productie 31 [eiser]). Samengevat is deze vraag als volgt beantwoord: de uitvoering van de operatie is niet naar de regels van de kunst, zoals dat van een redelijk bekwaam en redelijk ervaren cardiothoracaal-chirurg mag worden verwacht (blz. 28). Ten onrechte werd geen kennis genomen van de gegevens van de valvulotomie in 1984 (blz. 22). Het team dat deze operatie uitvoerde was onvoldoende ervaren in deze specifieke ingreep (blz. 28) en de voor de operatie gekozen werkwijze heeft geleid tot zodanige schade dat het hart niet meer of in elk geval zozeer onvoldoende functioneerde dat [eiser] alleen nog door gebruik van apparatuur in leven kon worden gehouden (blz. 23).

4.17.

Het azM voert aan dat uit het rapport van het door professor dr. A. Brutel de la Rivière ingestelde onderzoek niet volgt dat de technische uitvoering van de operatie van 16 juni 2005 niet volgens de regels van de kunst is geweest. De kritiek van het azM samengevat: het rapport kent zeer veel tekortkomingen en voldoet niet aan elementaire eisen doordat de rapporteur niet alle feiten kent en van vooringenomenheid doet blijken. De rapportage is volgens het azM daardoor strijdig met de Richtlijn medisch specialistische rapportage. Het azM heeft ook inhoudelijke kritiek op de rapportage en verwijst daarvoor – vanwege het gedetailleerde karakter – naar de inhoud van haar brief van 25 juni 2009 aan de rapporteur (productie 19 azM). Om haar argumenten op dit punt kracht bij te zetten heeft het azM gewezen op het feit dat op verzoek van beide partijen eerder ook al een onderzoek werd ingesteld door professor dr. B.A.J.M. de Mol, die (overigens in concept) op 8 mei 2007 onder meer rapporteerde – samengevat – dat met de kennis achteraf, chirurgen met veel ervaring in dit type operatie mogelijk voor een andere uitvoering van de operatie zouden hebben gekozen, maar dat op basis van de hem ter beschikking staande gegevens hij van mening is dat volgens de regelen van de kunst door een redelijk bekwame en voldoende ervaren chirurg naar vermogen is gehandeld (productie 19 [eiser]). Het azM wijst voorts op de uiteenlopende reacties van vier niet-betrokken deskundigen, aan wie het azM een geanonimiseerde casusbeschrijving (productie 20 azM) heeft doen voorleggen met het verzoek om een beoordeling van de technische uitvoering van de operatie van 16 juni 2005 (producties 21-24 azM). Het azM verbindt daaraan de conclusie dat over een keuze voor een bepaalde uitvoering van deze operatie binnen de beroepsgroep kennelijk geen eenduidige opvatting bestaat.

4.18.

De vraag die het azM aan de vier niet-betrokken deskundigen heeft doen voorleggen luidt als volgt: ‘De vraag die in casu beantwoord dient te worden, is de vraag of de in ziekenhuis C gekozen operatietechniek correct was. Verschil van mening bestaat over de vraag of de gekozen operatietechniek c.q. –strategie voldoende bescherming bood tegen dilatatie/ischemie van het hart. De vraag waarop wij graag een antwoord zouden ontvangen luidt: Kon een redelijk bekwaam operateur overeenkomstig de medische standaard, zoals die in 2005 bestond bij een patiënt met een voorgeschiedenis, zoals hierboven beschreven, in redelijkheid tot het besluit komen om te kiezen voor de operatietechniek die hiervoor eveneens is beschreven?’ (productie 20 azM). Samengevat is de vier niet-betrokken deskundigen dus gevraagd hun oordeel te geven over de voor de operatie gekozen operatietechniek. Deze vraag bestrijkt daarmee slechts een bepaald aspect van de grondslag van de vordering van [eiser]. Door de reacties van deze vier niet-betrokken deskundigen is de voorliggende vraag, namelijk of de operatie op 16 juni 2005 technisch correct werd uitgevoerd, niet afdoende beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vraag evenmin afdoende beantwoord door het rapport van professor dr. B.A.J.M. de Mol van 8 mei 2007, dat immers de conceptfase niet is gepasseerd, of door het rapport van professor dr. A. Brutel de la Rivière van 2 september 2009, waar weliswaar een uitgebreid onderzoek aan is voorafgegaan, maar met betrekking waartoe moet worden geconcludeerd dat de beantwoording van de nu voorliggende vraag, mede gelet op de van de zijde van het azM geuite kritiek op het onderzoek en op de inhoud van het rapport en gelet op de reacties van de door het azM geraadpleegde vier niet-betrokken deskundigen, minst genomen discutabel is.

4.19.

De rechtbank is niet in staat te beoordelen of de operatie op 16 juni 2005 technisch correct werd uitgevoerd zonder dat zij wat dat betreft afdoende deskundig wordt geïnformeerd. De rechtbank constateert dat het daarom noodzakelijk is een bericht van deskundigen te bevelen. Gelet op de betrokken belangen, de complexiteit van de te onderzoeken materie en het feit dat op bepaalde punten er kennelijk onder deskundigen verschil van inzicht kan bestaan, gaat de voorkeur uit naar (zo dat mogelijk zal blijken te zijn) de benoeming van drie deskundigen, welke zullen worden verzocht een gezamenlijk rapport uit te brengen. Voor wat betreft de vraagstelling wordt voorgesteld om aan te sluiten bij de vraag waar partijen eerder al overeenstemming over hebben bereikt: ‘Hoe luidt uw oordeel over de technische uitvoering van de operatie? Is er naar uw mening tijdens de operatie naar de regels der kunst gehandeld, zoals van een redelijk bekwaam en redelijk ervaren cardiothoracaal-chirurg mocht worden verwacht?’ (zie hiervoor alinea 4.16). Daarbij kan aan de deskundigen worden verzocht bij de beantwoording van deze vraag in elk geval ook aandacht te besteden aan de kwesties a) of voorafgaande aan de operatie kennis genomen had moeten worden van de gegevens van de valvulotomie in 1984, b) of het team dat deze operatie uitvoerde voldoende ervaren was in deze specifieke ingreep en c) of de voor de operatie gekozen werkwijze heeft geleid tot zodanige schade dat het hart niet meer of in elk geval zozeer onvoldoende functioneerde dat [eiser] alleen nog door gebruik van apparatuur in leven kon worden gehouden, maar dat alleen met de kennis achteraf chirurgen met veel ervaring in dit type operatie mogelijk voor een andere uitvoering van de operatie zouden hebben gekozen.

4.20.

Alvorens een deskundigenbericht te gelasten zal de rechtbank eerst partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de beslissingen die in dat verband door de rechtbank moeten worden genomen, zoals deze in het dictum van dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal in afwachting daarvan iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over:

- het aantal van de te benoemen deskundigen;

- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen;

- de persoon of personen die in aanmerking komen om door de rechtbank te worden benoemd;

- het volgens partijen maximaal te accepteren voorschot op de schadeloosstelling van de deskundige(n);

- welke van de partijen het voorschot op de schadeloosstelling van de deskundige(n) ter griffie zal deponeren,

en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 18 mei 2011;

5.2.

houdt, in afwachting van de hiervoor bedoelde akten, iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.?

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.