Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:6281

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
09-02-2022
Zaaknummer
8920073 CV EXPL 20-6301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst of stageovereenkomst? Rechtsvermoeden 7:610a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0174
Prg. 2022/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8920073 CV EXPL 20-6301

Vonnis van de kantonrechter van 4 augustus 2021

in de zaak van:

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ,

wonend te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde mr. S.X.J. Zuidema,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. B.A.L.H. Robijns.

Partijen zullen hierna [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie

  • -

    de rolbeslissing waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de akte houdende vermeerdering en vermindering van eis in conventie

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 april 2021, waarbij namens [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] een pleitnota is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 4 juli 2019 heeft [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] een inschrijfformulier van Studiecentrum Minerva ingevuld en ondertekend, waarin hij heeft verklaard een onderwijsovereenkomst aan te willen gaan voor de opleiding Beveiliger 2 en dat de kosten van de opleiding worden betaald door “mijn werkgever”. De achterzijde van het formulier is ingevuld en ondertekend door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Voor zover hier relevant staat op de achterzijde: “Voor de kosten van de opleiding/training, kunt u mij een factuur toesturen (…) Deze factuur zal binnen de geldende betalingstermijn door onderstaand bedrijf worden betaald.” [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft daaronder haar gegevens ingevuld.

2.2.

Op 4 juli 2019 hebben [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] een formulier “Praktijkovereenkomst beveiliger” ingevuld en ondertekend. Deze overeenkomst is afgedrukt op briefpapier van Studiecentrum Minerva. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft zijn gegevens ingevuld in de rubriek “Gegevens kandidaat” en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft haar gegevens ingevuld in de rubriek “Gegevens leerbedrijf”. In de rubriek “Gegevens onderwijsinstelling” staan de gegevens van Studiecentrum Minerva voorgedrukt. De overeenkomst vermeldt een minimum aantal studiebelastingsuren van 320.

2.3.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft op 17 juli 2019 een “onderwijsovereenkomst” gesloten met Studiecentrum Minerva voor de opleiding van Beveiliger niveau mbo 2.

2.4.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] hebben op 14 oktober 2019 een overeenkomst ondertekend waarin zij zijn overeengekomen dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ingaande 12 juni 2019 stage loopt bij [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Partijen zijn daarbij een stagevergoeding van € 11,93 bruto overeengekomen. Ook bevat deze overeenkomst, waar “Stageovereenkomst” boven staat, het volgende geheimhoudingsbeding:

“De stagiair verplicht zich zowel gedurende als na het einde van deze stageovereenkomst tot absolute geheimhouding over alle feiten en bijzonderheden over de onderneming van het bedrijf, de relaties van het bedrijf en de met het bedrijf verbonden ondernemingen, die door bekendmaking het bedrijfsbelang kunnen schaden. Voor deze verplichting maakt het geen verschil hoe de stagiair aan de informatie is gekomen.”

2.5.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vierwekelijks betalingen verricht. De daarvan opgemaakte specificaties vermelden aanvankelijk dat het “salaris” betreft. Vanaf periode 10 2019 (zie productie 7 van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ) vermelden de specificaties dat het gaat om “stagevergoeding”.

2.6.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] is door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tewerkgesteld bij grote evenementen, waaronder het Solar-festival, PSV-voetbalwedstrijden en het Oktoberfest te Sittard. Ook is [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tewerkgesteld bij “de kerstgrot”.

2.7.

Vanaf 10 juni 2020 heeft [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] nauwelijks nog werkzaamheden voor [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verricht.

2.8.

Bij brief van 17 juli 2020 heeft [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] (voor zover hier van belang) zich tegenover [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] op het standpunt gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat € 5.375,20 aan loon ten onrechte door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] is ingehouden in het kader van de opleiding.

2.9.

Bij e-mailbericht van 25 augustus 2020 heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] (samengevat en voor zover hier van belang) medegedeeld dat:

  • -

    geen sprake is van een arbeidsovereenkomst omdat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] een stagiair is,

  • -

    de opleidingskosten op grond van een afspraak tussen [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] en [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zijn voorgeschoten en dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] dit aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] terugbetaalt.

  • -

    aan de vereisten uit de stageovereenkomst is voldaan en daarmee de stageovereenkomst per de datum van het examen is komen te eindigen.

2.10.

Partijen hebben daarna nog gecorrespondeerd, maar dat heeft niet geleid tot een wijziging in hun standpunten.

2.11.

Bij e-mail van 3 september 2020 heeft (de gemachtigde van) [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan (de gemachtigde van) [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] (onder meer) medegedeeld dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] klanten van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] benadert, deze klanten vertelt dat hij een geschil met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft en dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] bij verschillende klanten vraagt wat de financiële afspraken met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zijn. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in deze e-mail aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van deze overtreding van het geheimhoudingsbeding.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vordert:

  1. voor recht te verklaren dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 46 uur per maand voor een uurloon van € 12,26 gerekend vanaf 12 juni 2019,

  2. voor zover komt vast te staan dat er tussen partijen een overeenkomst zou bestaan op grond waarvan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] de studiekosten zou dienen te voldoen, deze overeenkomst primair te vernietigen of subsidiair voor recht te verklaren dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen recht aan deze afspraak kan ontlenen en [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] op die grond geen boete verschuldigd is,

  3. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van het loon van € 548,32 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) vanaf september “2021” [de kantonrechter leest: 2020] tot en met 31 maart 2021 van € 4.386,56 en voorts € 548,32 bruto per maand (exclusief vakantiegeld en emolumenten) vanaf 1 april 2021 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,

  4. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen gevorderd onder 3., telkens vanaf de vierde werkdag van iedere maandelijkse periode, voor wat betreft de bedragen die opeisbaar zijn op het tijdstip van dagvaarden tot aan de dag van betaling

  5. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen tot terugbetaling van € 5.377,20, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, € 5.377,20 en de wettelijke verhoging te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de akte (15 april 2021) tot de dag van betaling,

  6. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van de € 643,88 buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2020 tot de dag van betaling,

  7. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis aan hem een schriftelijke kopie van de examenresultaten van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van de examens Nederlands en rekenen ter hand te stellen,

  8. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] voert verweer.

in reconventie

3.3.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] vordert:

  1. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van € 30.025,91 schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente “vanaf de dag van dagvaarding” tot de dag van betaling,

  2. verrekening van een eventueel door de kantonrechter aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] toe te wijzen vergoeding met het bedrag onder 1.,

  3. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

3.4.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] voert verweer.

4 De beoordeling

in conventie

arbeidsovereenkomst

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft in dat verband (onder meer) een beroep gedaan op het bepaalde in art. 7:610a BW:

“Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst”. Aan de vereisen van dit artikel wordt in deze zaak voldaan: [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft voor [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] gedurende meer dan drie maanden wekelijks dan wel gedurende twintig uur per maand arbeid verricht tegen beloning door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] wordt daarom vermoed op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst te zijn van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Het ligt dan op de weg van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om dat vermoeden te ontzenuwen. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] is daar niet in geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.1.1.

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verwijst er tevergeefs op dat partijen schriftelijk een stageovereenkomst gesloten hebben. Bij de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet immers acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en is de naam die partijen aan een overeenkomst geven dus niet (per definitie) doorslaggevend. Immers dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

4.2.

Het wezenlijke verschil tussen een stageovereenkomst waarbij partijen een beloning voor de stagiair zijn overeengekomen en een arbeidsovereenkomst is dat bij een stage-overeenkomst de leerervaring van de stagiair het hoofdaspect vormt. Met andere woorden: de werkzaamheden/activiteiten die de stagiair verricht dienen zozeer gericht te zijn op het uitbreiden van kennis en ervaring, zulks mede met het oog op de voltooiing van de opleiding, dat daarom niet van een arbeidsovereenkomst gesproken kan worden.

4.2.1.

Tegen het betoog van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] dat er in de kern op neerkomt dat hij door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] (net als de reguliere werknemers van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ) zonder begeleiding en zelfstandig werd ingezet voor beveiligingswerkzaamheden heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] , die zoals blijkt uit voorgaande het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet ontzenuwen, veel te weinig ingebracht.

Zo stelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] “alleen heeft gestaan, maar nooit zonder begeleiding of leidinggevende” en dat er “altijd wel een patrouillant dan wel een verantwoordelijke binnen de meldkamer, dan wel een verantwoordelijke collega ter plekke” aanwezig was waaraan hij verantwoording diende af te leggen. In dit betoog ziet de kantonrechter geen wezenlijk verschil tussen [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ’ situatie en de situatie van een werknemer/beveiliger zonder ervaring die in de beginperiode van zijn carrière enige begeleiding nodig heeft van de meer ervaren collega’s. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW niet heeft ontzenuwd.

4.3.

Op grond van voorgaande overwegingen is de in onderdeel 1. gevorderde verklaring voor recht dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst toewijsbaar. Ook is de in dat onderdeel gevorderde urenomvang en hoogte van het loon toewijsbaar. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft daar namelijk geen (afzonderlijk) verweer tegen gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling is slechts aangevoerd dat er geen bewijs is van de arbeidsomvang van 46 uur per maand. Dat is geen rechtens relevant verweer op dit punt. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] hoefde die urenomvang immers niet te bewijzen aangezien [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] die urenomvang niet tijdig heeft betwist. Hierbij komt dat de salarisspecificaties waarop [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] zijn urenomvang heeft gebaseerd bij de dagvaarding zitten gevoegd, en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft de stelling van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] dat hieruit de omvang van 46 uur per maand volgt, evenmin betwist.

opleidingskosten

4.4.

Partijen zijn ook verdeeld over de vraag voor wiens rekening de opleidingskosten van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] komen. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] stelt dat zij met [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] overeengekomen is dat die kosten voor rekening van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] komen door verrekening met het loon/de stagevergoeding van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] . [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] betwist tevergeefs dat hij met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] deze overeenkomst gesloten heeft. Het bestaan van deze overeenkomst blijkt namelijk genoegzaam uit het door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] als onderdeel van productie 4 overgelegde overzicht en de toelichting van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] daarbij. In dat overzicht wordt vermeld dat met ingang van periode 8 in 2019 steeds (ongeveer) veertig van de door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] gewerkte uren voor de loonbetaling worden ingehouden en dat twee maal op verzoek van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] twintig in plaats van veertig uren zijn ingehouden. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] licht dit verder toe in randnummer 34 van haar conclusie van antwoord. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft hiertegen niets relevants ingebracht. Het moet er daarom voor worden gehouden dat partijen wel degelijk overeengekomen zijn dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] de door haar voorgeschoten opleidingskosten met [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] zou verrekenen door een inhouding op het loon. De verwijzing naar het formulier (zie 2.1.) kan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] in dit verband overigens niet baten, want daaruit blijkt alleen dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zich jegens Minerva heeft verbonden tot betaling van de opleidingskosten. Dit zegt dus niets over hetgeen [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] met [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] is overeengekomen omtrent verschuldigdheid van deze opleidingskosten door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] jegens [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .

4.5.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vordert primair de overeenkomst op grond waarvan hij de opleidingskosten aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verschuldigd is te vernietigen. Hij doet dat tevergeefs. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] beroept zich in dat verband op art. 7:632 BW. Dit artikel beperkt echter alleen de bevoegdheid van de werkgever om gedurende het dienstverband vorderingen van de werkgever met het aan de werknemer uit te betalen loon te verrekenen. Aan de vordering tot vernietiging van de overeenkomst voor zover daarin is bepaald dat de opleidingskosten door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] terugbetaald moeten worden kan artikel 7:632 BW dus niet met succes ten grondslag gelegd worden. Wel kan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] op grond van dit artikel met succes hetgeen hij reeds betaald heeft terugvorderen. Verrekening van studiekosten tijdens de arbeidsovereenkomst is immers niet toegestaan krachtens art. 7:632 lid 1 BW. Bovendien komen deze kosten ook krachtens de toepasselijke cao voor rekening van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] (zie hierna onder 4.7.1.).

4.6.

Tussen partijen is niet in geding dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] in totaal € 5.377,20 aan opleidingskosten met het loon van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] verrekend heeft. Hieruit volgt dat het door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] gevorderde bedrag van € 5.377,20 toewijsbaar is. Ook de wettelijke verhoging over dit bedrag is toewijsbaar. De wettelijke rente over € 5.377,20 zal worden toegewezen vanaf 15 april 2021 tot de dag van betaling, evenals de wettelijke rente over de wettelijke verhoging.

4.7.

De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen recht kan ontlenen aan de afspraak tot terugbetaling van de opleidingskosten door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] en [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] op die grond geen boete verschuldigd is, is deels toewijsbaar op grond van de volgende reden.

4.7.1.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft gesteld dat de overeenkomst in strijd is met art. 60 van de cao particuliere beveiliging dan wel met artikel 40 van de cao van Veiligheidsdomein VBE.

Tegen die stelling heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen inhoudelijk verweer gevoerd. Wel heeft zij gesteld dat de cao particuliere beveiliging niet van toepassing is op arbeidsovereenkomsten die zij sluit met haar werknemers. Dit verweer laat dus onverlet dat de overeenkomst dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] de opleidingskosten moet terugbetalen aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] wel in strijd is met artikel 40 van de (in ieder geval toepasselijke) cao Veiligheidsdomein VBE. Het nadere verweer van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] aan deze cao geen rechten kan ontlenen omdat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] geen werknemer is, moet worden verworpen. Hiervóór is immers reeds geoordeeld dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] is, zodat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] wel degelijk een werknemer is in de zin van de toepasselijke cao. De kantonrechter zal dan ook voor recht verklaren dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen recht kan ontlenen aan de tussen partijen gesloten overeenkomst op grond waarvan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] de opleidingskosten aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zou dienen te voldoen.

4.7.2.

De verklaring voor recht dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] “op die grond geen boete verschuldigd is” zal worden afgewezen aangezien dit deel van de gevorderde verklaring voor recht in het geheel niet is onderbouwd met enige relevante stelling.

betaling (achterstallig) loon

4.8.

De in onderdeel 3. gevorderde betaling van loon en achterstallig loon zal toegewezen worden. Het daartegen gevoerde verweer dat de stage-/arbeidsovereenkomst in juni 2020 is geëindigd moet worden verworpen, want dit blijkt nergens uit. Van opzegging of een andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst per die maand is geen sprake geweest. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft daar ook niets over gesteld. Eerst ter zitting maakt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] melding van een opzegging op 20 juni 2020. Dit standpunt is tardief want niet eerder door haar naar voren gebracht; niet in de buitengerechtelijke correspondentie met de gemachtigde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] en zelfs niet in de conclusie van antwoord, en de betreffende opzegging is ook niet in het geding gebracht zodat het blijft bij een blote stelling.

De loonvordering zal, hoewel vaststaat dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] inmiddels in dienst is getreden bij een andere werkgever, worden toegewezen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal eindigen. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft immers geen beroep gedaan op de tenzij-bepaling van art. 7:628 lid 1 BW en zij heeft de stelling van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] dat hij 28 uur per maand bij de nieuwe werkgever werkt en er dus voldoende tijd is om nog 46 uur per maand bij [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te werken, niet betwist. De loonvordering van € 548,32 (exclusief vakantiegeld en emolumenten) bruto per maand vanaf september 2020 tot en met maart 2021, en van 1 april 2021 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zal worden toegewezen. Er is geen grond om daarnaast [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ook te veroordelen tot betaling van het brutobedrag van € 4.386,56 over de periode september 2020 tot april 2021. Bovendien is dit bedrag te hoog bij een verschuldigd loon van € 548,32 bruto per maand in die periode (zeven maanden x € 548,32 komt immers uit op € 3.838,24 en niet op € 4.386,56).

4.9.

De wettelijke rente en de wettelijke verhoging vordert [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] over het op het moment van dagvaarden opeisbare loon. De dagvaarding is betekend op 25 november 2020. Op dat moment was het loon over september en oktober 2020 opeisbaar. De wettelijke rente vordert hij “telkens vanaf de vierde werkdag van iedere maandelijkse periode”. Dit zou dus inhouden dat wettelijke rente voor het loon van (bijvoorbeeld) september 2020 verschuldigd zou zijn vanaf de vierde werkdag in die maand. Krachtens de wet was [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] echter niet verplicht op dat moment het loon over die maand al te betalen want uit art. 7:623 BW volgt dat betaling telkens na afloop van het loontijdvak dient te geschieden. Van een contractueel tussen partijen overeengekomen afwijkend betaalmoment is niets gebleken. De vordering zal daarom aldus worden toegewezen dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zal worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het loon van september en oktober 2020 met ingang van de vierde werkdag van de daaropvolgende maanden tot de dag van betaling.

De wettelijke verhoging over het loon van de maanden september en oktober 2020 zal eveneens worden toegewezen.

4.10.

Omdat vaststaat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat zal [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] ook worden veroordeeld om de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen

de overige vorderingen

4.11.

De buitengerechtelijke kosten van € 643,88 zullen worden afgewezen. De dagvaarding bevat geen onderbouwing van dit onderdeel. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] wijst daar terecht op in haar conclusie van antwoord. Ook daarna heeft [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ten aanzien van dit onderdeel geen concrete stellingen ingenomen, waardoor hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

4.12.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] vordert [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] te veroordelen om binnen zeven dagen na dagtekening van het vonnis aan hem een schriftelijke kopie van de examenresultaten van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van de examens Nederlands en rekenen ter hand te stellen. [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] heeft deze vordering ingesteld bij akte en daarin in voldoende mate nader toegelicht. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft hier geen afzonderlijk verweer tegen gevoerd zodat dit onderdeel van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ’ vordering zal worden toegewezen.

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 100,89

  • -

    griffierecht € 83,00

  • -

    salaris gemachtigde € 622,00 (2 punt x tarief € 311,00)

Totaal: € 805,89

4.14.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in de beslissing is bepaald.

in reconventie

4.15.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aan dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] opdrachtgevers heeft benaderd en aan hen heeft aangegeven dat er sprake is van een conflict met [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Door de wijze waarop [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] een voorstelling van zaken heeft gegeven zijn er opdrachten, onder meer door [naam bedrijf] , opgezegd, aldus [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . Dit heeft in de periode september 2020 tot aan de conclusie van eis in reconventie geleid tot een omzetderving van € 30.025,91, aldus [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] .

4.16.

[eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] betwist dat hij contact heeft opgenomen met opdrachtgevers van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] . In reactie hierop heeft [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aangevoerd dat de “betreffende cliënt”, waarmee zij kennelijk [naam bedrijf] bedoelt, [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft medegedeeld dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] hem heeft gebeld en toen heeft verteld over het geschil en de rechtszaak, en dat er sindsdien nooit meer een opdracht van deze cliënt is binnengekomen en [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen contact meer met deze cliënt krijgt.

4.17.

De kantonrechter is op grond van de betwisting en de daarop volgende nadere onderbouwing van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van schade als gevolg van omzetderving van € 30.025,91. Dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] ook andere cliënten/opdrachtgevers dan [naam bedrijf] heeft benaderd, blijkt nergens uit. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] heeft dat namelijk in het geheel niet onderbouwd. Of [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] daadwerkelijk aan [naam bedrijf] mededelingen heeft gedaan als door [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] gesteld, kan verder in het midden blijven. Immers, zelfs als het standpunt van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] juist is dat [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] aan deze cliënt heeft verteld over het geschil/de rechtszaak en dat deze cliënt daarna geen opdracht meer aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verstrekt heeft, dan nog staat de bewuste omzetderving niet vast. [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] laat namelijk in het midden of er een causaal verband bestaat tussen het (gestelde en door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] betwiste) telefoongesprek en het uitblijven van verdere opdrachten.

Daarnaast is er anders dan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] aanvankelijk betoogde kennelijk geen sprake van (tussentijdse) opzegging van een opdracht door [naam bedrijf] . De omzetschade kan daar dus geen verband mee houden. Onduidelijk is daardoor gebleven waarop de gevorderde omzetderving dan is gebaseerd. Is die omzetderving dan gebaseerd op een prognose van hetgeen [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] verwachtte aan omzet te genereren van toekomstige opdrachten van [naam bedrijf] ? En zo ja, is die prognose gebaseerd op de omzet die [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] voorheen genereerde uit de opdrachten van [naam bedrijf] ? Zo nee, hoe is die omzetderving dan berekend? Deze voor de hand liggende vragen laat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] onbeantwoord waardoor zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Op grond van deze overwegingen zal de vordering van [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] te veroordelen tot betaling van € 30.025,91 (vermeerderd met de wettelijke rente) worden afgewezen. Hieruit volgt dat de gevorderde verrekening eveneens afgewezen zal worden.

4.18.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] tot op heden begroot op € 996,00
(2 punten x tarief € 498,00) salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 46 uur per maand en een uurloon van € 12,26 gerekend vanaf 12 juni 2019,

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] geen recht kan ontlenen aan de tussen partijen gesloten overeenkomst op grond waarvan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] de opleidingskosten aan [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] zou dienen te voldoen,

5.3.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst na te komen,

5.4.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van het loon van € 548,32 bruto (exclusief vakantiebijslag en emolumenten) per maand vanaf 1 september 2020 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,

5.5.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van de wettelijke rente over het loon van september en oktober 2020, telkens vanaf de vierde werkdag van de daarop volgende maand tot de dag van voldoening,

5.6.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van de wettelijke verhoging over het loon van de maanden september en oktober 2020,

5.7.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van € 5.377,20, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.377,20 en over de wettelijke verhoging vanaf 15 april 2021 tot de dag van betaling,

5.8.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] om binnen zeven dagen na vandaag aan [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] een schriftelijke kopie ter hand te stellen van de examenresultaten van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] van de examens Nederlands en rekenen,

5.9.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] tot op heden begroot op € € 805,89,

5.10.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] volledig aan de onderdelen 5.3. tot en met 5.9. van dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 124,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.13.

wijst de vordering af,

5.14.

veroordeelt [gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie] tot op heden begroot op € 996,00,

5.15.

verklaart onderdeel 5.14. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en is in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.J. Otto.

Type: RW