Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2021:3150

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
C/03/287660 / JE RK 21-133
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing. Moeder test positief op het coronavirus en minderjarige daarna ook. De GI geeft aan de vader een schriftelijke aanwijzing, die strekt tot nakoming van de zorgregeling, maar uit de schriftelijke aanwijzing blijkt niet op welke wijze de zienswijze van de vader is betrokken bij de besluitvorming en evenmin dat en, zo ja, de belangen van de ouders tegen elkaar zijn afgewogen, terwijl de GI de geldende jurisprudentie op het punt van nakomen/uitvoeren van omgangsregelingen gedurende de coronacrisis onjuist aanhaalt. Schriftelijke aanwijzing wordt vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Maastricht

Zaakgegevens: C/03/287660 / JE RK 21-133

datum uitspraak: 1 april 2021

beschikking vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing in de zaak van:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. S.L. Smits-Emons, kantoor houdend te Echt-Susteren,

tegen:

de gecerficeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Roermond.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, van de vader, ingekomen op 22 januari 2021;

  • -

    de brief, met bijlage, van de vader van 17 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift van de GI, ingekomen op 18 februari 2021;

  • -

    de mondelinge behandeling op 25 februari 2021, waarbij de zaak, gezamenlijk met het verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling (onder zaaknummers C/03/280513 / JE RK 20-1600 en C/03/280515 / JE RK 20-1601) en de procedure tussen de ouders omtrent – kort gezegd – het gezag en de omgang (onder zaaknummer C/03/276243 / FA RK 20-1160), met gesloten deuren is behandeld. Met betrekking tot de onderhavige kwestie (vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing) zijn gehoord:

 de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

 twee vertegenwoordigsters van de GI.

Partijen hebben daarna nog getracht hun geschil in der minne te regelen. Op 9 maart 2021 heeft de griffier hierover telefonisch contact opgenomen met (het kantoor van) de advocaat van de vader en daaruit is gebleken dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan onder toezicht van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 maart 2021 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de (resterende) termijn van zes maanden, tot 21 september 2021.

De GI heeft op 8 januari 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader. Hierin heeft de GI de vader de volgende aanwijzingen gegeven (citaat):

“-U dient zich te houden aan de omgang zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank d.d. 03-04-2019.

-U dient de kinderen niet te onttrekken aan het gezag en toezicht van de moeder.

-U brengt de kinderen tijdig naar moeder op data overdracht omgang.

-U brengt [minderjarige 1] vrijdag 08-01-2021 om 17.00 uur terug naar moeder.”

Het verzoek


De vader heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren.

De GI heeft daar – blijkens voornoemd verweerschrift – verweer tegen gevoerd.

Op de door partijen betrokken stellingen zal de kinderrechter hierna, voor zover nodig, ingaan.

De beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

De gezaghebbende ouder kan op grond van het bepaalde in artikel 1:264 BW de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt.

Het verzoek van de vader tot vervallenverklaring is op 22 januari 2021 ontvangen door de rechtbank. Dit is binnen veertien dagen na de dag waarop de schriftelijke aanwijzing is gegeven op 8 januari 2021, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.

Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kinderrechter toetst of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beoordeelt of in de gegeven omstandigheden voldoende grond bestaat om een schriftelijke aanwijzing te geven. Ook beoordeelt de kinderrechter of het in het belang van een minderjarige is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die nu zijn.

Met inachtneming van voornoemd juridisch kader overweegt de kinderrechter als volgt.

De schriftelijke aanwijzing is door de GI op 8 januari 2021 aan de vader gegeven naar aanleiding van de discussie die tussen de ouders is ontstaan rond Kerst 2020, wanneer de moeder positief test op het coronavirus. In feite is over deze kwestie, het over en weer niet nakomen van de zorgregeling tussen de ouders, een kortgedingprocedure gevoerd (onder zaaknummer C/03/287135 / KG ZA 21-12). De vader heeft daarvan het kortgedingvonnis van 28 januari 2021 overgelegd. De kinderrechter stelt vast dat de kortgedingrechter in dit vonnis het feitencomplex helder heeft weergegeven (de GI heeft bij dat feitencomplex geen opmerkingen gemaakt), waarbij de kinderrechter uit het vonnis het volgende citeert:

“Uit de stukken en (de niet weersproken stellingen ten tijde van) het verhandelde ter zitting volgt -kort samengevat en voor zover van belang- de volgende tijdlijn. Op 20 december 2020 is de vrouw ziek geworden. Zij heeft de kinderen vervolgens (toch) die dag na het verblijf van de kinderen bij de man, naar haar laten terugkeren. Op of kort na 20 december 2020 is de vrouw positief getest op corona. De vrouw heeft op 23 december 2020 naar de man toe aangegeven dat de kinderen tot 6 januari 2021 bij haar dienen te blijven: als de vrouw op 27 december 2020 24 uur klachtenvrij is, gaat volgens de vrouw de quarantaineperiode van 10 dagen voor de kinderen in. Volgens de vrouw heeft zij dit mede aldus willen doen om te voorkomen dat de man besmet wordt. De man heeft aangegeven dat het voor de kinderen beter is dat zij naar hem komen, mede om zo de kans te verkleinen dat de kinderen -die dan wellicht al besmet zijn met het virus, maar wellicht ook nog niet- eveneens besmet raken, waarbij de man naar zijn zeggen (heeft ge)tracht de quarantaineperiode voor de kinderen zo kort mogelijk te houden. Op om omstreeks 27 december 2020 zijn beide kinderen naar de man gegaan na een daartoe strekkend advies. Volgens de vrouw zouden de kinderen conform de kerstregeling op 3 januari 2021 bij haar dienen terug te keren, terwijl de man correct (evenals vervolgens de vrouw ter mondelinge behandeling) aangeeft dat hij de kinderen conform de kerstregeling op 4 januari 2021 zou dienen terug te brengen naar de vrouw. Op 3 januari 2021 heeft de man aan de vrouw gemaild dat bij hem en de kinderen die dag een coronatest is afgenomen, waarvan hij de uitslag wil afwachten. Op 4 en 5 januari 2021 heeft de vrouw bij de man voor de deur gestaan om de kinderen op te halen, hetgeen niet is gebeurd. Op 5 januari 2021 heeft de GI via e-mail aan de man bericht dat de kinderen dienen terug te gaan naar de vrouw. Nadat op 5 januari 2021 is gebleken dat de testuitslag van [minderjarige 2] positief was en die van de man en [minderjarige 1] negatief, is [minderjarige 2] in de avond van 6 januari 2021 opgehaald door de vrouw die -zo is de vrouw kennelijk te verstaan gegeven- al antistoffen zou hebben aangemaakt. De man heeft [minderjarige 1] vervolgens nog enkele dagen bij zich gehouden, volgens de man om -kort gezegd- te voorkomen dat [minderjarige 1] bij een eerdere terugkeer naar de vrouw, via [minderjarige 2] met het virus zou kunnen worden besmet, zo [minderjarige 1] op dat moment al niet besmet was. Op 7 januari 2021 heeft de GI een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing aan de man gegeven, waarna -na reactie van de man- op 8 januari 2021 de schriftelijke aanwijzing is gevolgd tot -kort gezegd- naleving van de zorgregeling en afgifte van [minderjarige 1] aan de vrouw. Van vrijdag 8 januari 2021 op zaterdag 9 januari 2021 had [minderjarige 1] volgens de man wat hoofdpijnen, waarvan de man het verloop wilde afwachten. Vervolgens hebben de man en [minderjarige 1] zich op 10 januari 2021 laten testen. Nadat op 11 januari 2021 de testuitslag van zowel de man als [minderjarige 1] negatief bleek te zijn, is [minderjarige 1] nog diezelfde dag naar de vrouw teruggekeerd, nadat de GI desgevraagd aan de man had medegedeeld dat [minderjarige 2] klachtenvrij was.”

Uit voornoemd feitencomplex volgt dat op 5 januari 2021 was gebleken dat – naast eerder de moeder – nu ook [minderjarige 2] positief getest was op het coronavirus. Op de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing van de GI van 7 januari 2021 heeft de vader bij e-mailbericht van (eveneens) 7 januari 2021 gereageerd. Die reactie is letterlijk in de schriftelijke aanwijzing opgenomen en hierin geeft de vader onder meer aan dat hij zich conformeert aan de coronamaatregelen van de overheid met betrekking tot het coronavirus, in die zin dat de vader de 5 dagen quarantaine (na vaststelling van de positieve testuitslag van [minderjarige 2] ) wenst te handhaven, dat komende zondag (10 januari 2021) een afspraak staat gepland bij de GGD om de vader en [minderjarige 1] op het coronavirus te laten testen en dat de vader die afspraak zal nakomen en dat [minderjarige 1] , zodra de GGD testuitslag bekend is en negatief zal zijn, dezelfde dag nog zal terugkeren naar de moeder.

De kinderrechter stelt vast dat uit de – daags na de zienswijze van de vader gegeven – schriftelijke aanwijzing niet blijkt op welke wijze de GI de zienswijze van de vader heeft gewogen en betrokken bij het uiteindelijk geven van de schriftelijke aanwijzing. Evenmin blijkt uit de schriftelijke aanwijzing dat en, zo ja, op welke wijze de GI de belangen van de ouders bij het geven van de schriftelijke aanwijzing tegen elkaar heeft afgewogen. In dit verband heeft de GI slechts in de schriftelijke aanwijzing opgenomen:

“U dient de omgang zoals vastgelegd in de beschikking na te komen. De maatregelen getroffen door de overheid in verband met bestrijding van het Corona-virus belemmeren de uitvoering van de omgang niet. U en moeder hebben beiden het gezamenlijk gezag. De kinderen zijn onderdeel van het gezin van moeder en van uw gezin. De contactbeperkende maatregelen gelden niet voor gezinsleden.”

Ter zitting heeft de GI in dit kader nog aanvullend verklaard dat de schriftelijke aanwijzing is gegeven, omdat uit jurisprudentie volgt dat de omgang moet worden nagekomen omdat de contactbeperkende maatregelen in verband met Covid-19 niet gelden voor gezinsleden. De kinderrechter is evenwel van oordeel dat de GI de geldende jurisprudentie op dit punt onjuist aanhaalt. Volgens de geldende jurisprudentie moeten omgangsregelingen inderdaad – ondanks het heersende coronavirus – worden uitgevoerd, omdat kinderen tot zowel het gezin van de moeder(s) als de vader(s) behoren, mits geen sprake is van coronagerelateerde klachten. Echter, in dit geval was de moeder op 20 december 2020 positief getest op het coronavirus en bleek [minderjarige 2] op 5 januari 2021 eveneens positief te zijn getest op het coronavirus. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de kinderrechter niet, zonder enige verdere toelichting, worden volgehouden dat de zorgregeling (ten aanzien van [minderjarige 1] ) “gewoon” moet worden uitgevoerd en [minderjarige 1] zekerheidshalve niet nog enkele dagen, totdat hij getest zou worden op 10 januari 2021, bij de vader kon verblijven. Het had op de weg van de GI gelegen haar beweegredenen in dit kader (uitgebreider) te motiveren in de schriftelijke aanwijzing, hetgeen niet is gebeurd. Voor zover in de schriftelijke aanwijzing is opgenomen “U brengt [minderjarige 1] vrijdag 08-01-2021 om 17.00 uur terug naar moeder.”, is die aanwijzing dan ook onvoldoende gemotiveerd en kan dit onderdeel niet in stand blijven.

Hoewel de aanleiding voor het geven van de schriftelijke aanwijzing gelegen is in de weigering van de vader [minderjarige 1] aan de moeder af te geven vanwege een positieve coronatest bij de moeder en [minderjarige 2] , is de schriftelijke aanwijzing veel ruimer geformuleerd, waarvoor de kinderrechter verwijst naar de eerste drie streepjes in de schriftelijke aanwijzing (zoals hiervoor is weergegeven). Ter zitting is door de GI bevestigd dat de schriftelijke aanwijzing betrekking heeft op de kwestie die speelde rond Kerst 2020, maar dat de vader verder meewerkt en heeft meegewerkt aan de nakoming van de zorgregeling. Onder die omstandigheden is er voor de GI geen deugdelijke en toereikende grond aanwezig geweest om aan de vader de aanwijzingen te geven zoals vermeld onder de eerste drie streepjes, zodat deze onterecht zijn gegeven.

Conclusie van het voorgaande dient dan ook te zijn dat de schriftelijke aanwijzing niet overeind kan blijven en de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing op verzoek van de vader (geheel) vervallen zal verklaren.

De beslissing


De kinderrechter:

verklaart de aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzing van de GI van 8 januari 2021 geheel vervallen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.P.H. Welie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.