Overwegingen
1. Bij besluit van 4 december 2019 heeft verweerder verzoekster een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van het verbod van artikel 9, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) door biometrische gegevens (vingerafdrukken) van haar werknemers te verwerken. Op dezelfde dag heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van zijn voornemen het boetebesluit actief openbaar te maken op grond van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Met inachtneming van de zienswijze van verzoekster tegen het voorgenomen openbaarmakingsbesluit heeft verweerder bij voormeld besluit van 14 januari 2020 beslist tot openbaarmaking van het boetebesluit.
2. Verweerder stelt zich in het besluit van 14 januari 2020 bij de beoordeling of openbaarmaking van het boetebesluit tot onevenredige benadeling van verzoekster, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, leidt op het standpunt dat hij geen grond ziet die ertoe leidt dat het boetebesluit in rechte geen stand houdt.
3. Verzoekster is het daar niet mee eens en voert onder meer een aantal inhoudelijke gronden aan tegen het boetebesluit.
4. Vaste rechtspraak is dat van een onevenredige benadeling, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob sprake kan zijn als het boetebesluit uiteindelijk in rechte geen stand houdt en de betrokken rechtspersoon ten onrechte als overtreder kenbaar is gemaakt. Of sprake is van onevenredige benadeling hangt dan dus af van een oordeel over de rechtmatigheid van het boetebesluit. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
10 november 2010 (ECLI:NL:RVS:BO3468).
De rechtmatigheid van het boetebesluit kan alleen worden beoordeeld als beroep wordt ingesteld tegen het nog te nemen besluit op bezwaar tegen het boetebesluit en in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank op dat beroep. Gelet op voormelde uitspraak zou ook nog een mogelijkheid zijn hangende bezwaar, beroep of hoger beroep met betrekking tot het boetebesluit een voorlopige voorziening te vragen, met als reden dat het boetebesluit naar verwachting geen stand zal houden en als voorlopige voorziening dat het boetebesluit niet of slecht op een bepaalde manier openbaar wordt gemaakt.
5. De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting al laten weten dat hij de rechtmatigheid van het boetebesluit in deze procedure niet kan beoordelen omdat het boetebesluit niet ter beoordeling voorligt. De rechtmatigheid van het boetebesluit is ook niet in een andere procedure beoordeeld. Van de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen hangende bezwaar tegen het boetebesluit is geen gebruik gemaakt, vooral omdat de werking van het boetebesluit is geschorst hangende de behandeling van het daartegen ingediende bezwaarschrift. Verzoekster is er niet op gewezen dat zij desondanks een dergelijke voorziening hangende bezwaar tegen het boetebesluit kan vragen. Verzoekster heeft een dergelijke voorziening hangende bezwaar tegen het boetebesluit dan ook niet gevraagd. Beide partijen hebben er geen blijk van gegeven dat zij wisten dat deze mogelijkheid bestaat. De voorzieningenrechter acht het onder deze omstandigheden niet volledig aan verzoekster tegen te werpen dat zij van deze mogelijkheid, de rechtmatigheid van het boetebesluit voorlopig beoordeeld te krijgen, geen gebruik heeft gemaakt.
6. Omdat verzoekster niet volledig kan worden tegengeworpen dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond om te oordelen dat het bestaan van deze mogelijkheid ertoe leidt dat het belang dat verzoekster heeft bij het voorkomen van onevenredig nadeel niet in de weg staat aan het algemeen belang dat gediend is met het actief openbaar maken van het boetebesluit. Daarnaast kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of verweerder zich op het standpunt kan stellen dat het boetebesluit de rechtmatigheidstoets kan doorstaan, omdat de rechtmatigheid van dat besluit nog niet is beoordeeld en de voorzieningenrechter dat in deze procedure niet kan doen. Dit maakt de rechtmatigheid van het openbaarmakingsbesluit op dit punt onzeker en een afweging van de betrokken belangen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening op zijn plaats.
7. Verweerder legt in het besluit van 14 januari 2020 uit dat met de openbaarmaking van handhavingsbesluiten het publieke belang van openbaarheid wordt gediend. Verweerder geeft aan dat het publiek op deze manier geïnformeerd wordt over overtredingen die mensen persoonlijk (kunnen) raken. Daarnaast kan de openbaarmaking van handhavingsbesluiten een generale preventieve werking hebben, omdat het kan leiden tot het voorkomen of beëindigen van overtredingen van de AVG door andere verwerkingsverantwoordelijken. Zij worden op deze manier namelijk ingelicht over de gevolgen van het overtreden van de AVG. Daarbij laat verweerder met het openbaar maken van handhavingsbesluiten zien hoe zij haar toezichthoudende taak uitvoert en legt zij hiermee publiekelijk verantwoording hierover af. Verzoekster heeft aangegeven dat zij door volledige openbaarmaking van het boetebesluit op dit moment in de procedure zwaar zou kunnen worden benadeeld. Niet alleen in financieel opzicht, ook haar marktpositie en naam zouden kunnen worden aangetast. De belangen tegen elkaar afwegende ziet de voorzieningenrechter reden het verzoek deels toe te wijzen en een voorlopige voorziening te treffen in de zin dat de naam van verzoekster, haar adres en haar inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel niet openbaar mogen worden gemaakt. Op deze manier wordt aan alle belangen nagenoeg geheel tegemoetgekomen. Dit betekent dat het boetebesluit voor het overige openbaar mag worden gemaakt.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek deels toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-.(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- bepaalt dat de naam van verzoekster, haar adres en haar inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel in het boetebesluit van 4 december 2019 niet openbaar mogen worden gemaakt tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van
€ 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.
Afschrift verzonden aan partijen op:4 maart 2020