Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 23 december 2020
in de zaak van:
[eisende partij]
,
wonend [adres] ,
[woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde mr. M.G. Spijker,
tegen:
de stichting [naam stichting],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gemachtigde mr. F.M.A. Rooijakkers.
Partijen zullen hierna [eisende partij] en [naam stichting] genoemd worden.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding
-
de brief, met producties, van 30 november 2020 van mr. Rooijakkers
- de op 3 december 2020 gehouden mondelinge behandeling
- de overgelegde pleitnaantekeningen van mr. Rooijakkers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
[eisende partij] , geboren op [geboortedatum] , is op 13 mei 2019 bij [naam stichting] in dienst getreden voor onbepaalde tijd in de functie van [naam functie 1] .
2.2.
Sinds 1 januari 2020 is de functie van [eisende partij] gewijzigd in de functie [naam functie 2] . Het laatst genoten salaris is € 5.094,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
2.3.
[eisende partij] is op 2 maart 2020 arbeidsongeschikt geraakt.
2.4.
Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten. Deze is door [eisende partij] op 25 mei 2020 en door [naam stichting] op 29 mei 2020 ondertekend. Overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst per
30 juni 2020 eindigt.
2.5.
Op 14 september 2020 heeft [eisende partij] [naam stichting] verzocht om zijn salaris te betalen en mee te werken aan zijn re-integratie.
3 Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [naam stichting]
-
tot betaling van het aan [eisende partij] toekomende loon ad € 5.094,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten met ingang van 1 juli 2020 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid,
-
tot wedertewerkstelling van [eisende partij] in de functie van [naam functie 2] , zodra [eisende partij] arbeidsgeschikt is,
-
in de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.
3.2.
[naam stichting] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de vordering blijkt dat [eisende partij] voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft.
4.2.
In een kort geding moet de voorzieningenrechter zo veel mogelijk rekening houden met de beslissing die een bodemrechter vermoedelijk in de betreffende zaak zal nemen. Zijn beslissing is idealiter een voorschot op die bodembeslissing. Daarbij speelt echter een rol dat een kort geding zich normaal gesproken naar zijn aard niet leent voor uitvoerige bewijslevering. Daarvan is ook in dit geval sprake. Tegen die achtergrond komt de voorzieningenrechter tot navolgende afwegingen.
4.3.
Volgens [eisende partij] is er sprake van een wilsgebrek. Uit de vaststellingsovereenkomst had hij begrepen dat de arbeidsovereenkomst door zou lopen tot het moment dat zijn arbeidsongeschiktheid zou eindigen, althans dat [naam stichting] zijn loon zou doorbetalen, zolang hij arbeidsongeschikt is. Had hij begrepen dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook op 30 juni 2020 zou eindigen, dan zou hij de vaststellingsovereenkomst niet zijn aangegaan.
Tevens stelt [eisende partij] dat hij ten tijde van de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst psychisch niet stabiel was. Door het letsel, opgelopen tijdens een skiongeluk, sliep [eisende partij] slecht. Vermoeidheidsklachten speelden hem parten. Door het ongeluk kon [eisende partij] ook niet sporten, een uitlaatklep voor zijn dagelijkse stress. Dit in combinatie met nare – psychotische – ervaringen uit het verleden, privékwesties en spanningen op de werkvloer, hebben ertoe geresulteerd dat [eisende partij] in een ernstige depressie is geraakt. Volgens [eisende partij] wist [naam stichting] van zijn (psychische) verleden en van de privékwestie. Bovendien waren de spanningen op het werk onderwerp van gesprek.
[naam stichting] heeft uiteindelijk zijn ontslag aangezegd en [eisende partij] onder druk gezet een vaststellingsovereenkomst te tekenen. [eisende partij] heeft de overeenkomst, na handmatige aanpassing daarvan, getekend. Deze wijzigingen betreffen:
-
in artikel 5.1 heeft hij doorgestreept de zin: “Werknemer verklaart ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst volledig arbeidsgeschikt te zijn”. Verder heeft [eisende partij] een passage toegevoegd, voor zover relevant luidende: “Werknemer is ten tijde van het ondertekenen niet (volledig) arbeidsgeschikt. Sinds 02/03/’20 slechte nachtrust, vermoeidheid en psychische klachten”;
-
bij artikel 10, inhoudende dat werkgever werknemer uitdrukkelijk geadviseerd heeft juridisch advies in te winnen, heeft hij de opmerking geplaatst: “Dit advies is vooraf niet gegeven maar lees ik voor het eerst in de vaststellingsovereenkomst”;
-
artikel 11, onder andere inhoudende dat bij arbeidsongeschiktheid van werknemer vóór 1 juli 2020 de afspraken ongewijzigd in stand blijven, heeft [eisende partij] doorgestreept en daarbij de opmerking geplaatst “niet van toepassing”.
Deze aanpassingen in de vaststellingsovereenkomst zijn door [naam stichting] geaccepteerd, getuige het feit dat zij deze aangepaste versie heeft ondertekend. [eisende partij] meende op deze manier zijn loonbetalingen veilig te hebben gesteld.
4.4.
[naam stichting] betwist dat er sprake is van een wilsgebrek aan de zijde van [eisende partij] . Volgens [naam stichting] presteerde [eisende partij] minder goed dan verwacht en had hij conflicten met collega’s op de werkvloer. Omdat dit niet op gepaste wijze werd opgelost, is [eisende partij] daarop aangesproken. Op dat moment ging de beerput open. Niemand deugde volgens [eisende partij] . De problemen waren niet meer op te lossen voor [naam stichting] . Om die reden is aangedrongen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De bedrijfsarts heeft enkel gesproken over de gevolgen van het skiongeluk, de gescheurde kruisband, en niet over psychische klachten.
Op 28 april 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam stichting] en [eisende partij] met betrekking tot het gedrag van [eisende partij] ten aanzien van medewerkers van [naam stichting] . Op dat moment wenste [eisende partij] zelf ontslag te nemen en heeft hij achter zijn bureau plaatsgenomen onder de mededeling dat hij zijn ontslagbrief ging schrijven. [naam stichting] heeft hem dat toen afgeraden omdat hij anders zijn WW-rechten zou verspelen. Het zou beter zijn een en ander te regelen via een vaststellingsovereenkomst.
Uit het verslag van de bedrijfsarts van 8 juni 2020 blijkt dat [eisende partij] veel lijdensdruk ervaart onder de verstoorde arbeidsverhoudingen en het goed is als tussen [eisende partij] en [naam stichting] afspraken voor de toekomst worden gemaakt. Volgens [naam stichting] is dit gebeurd door de vaststellingsovereenkomst. Voor [naam stichting] is er nooit aanleiding geweest om te denken dat er sprake was van bijzondere (medische) omstandigheden, ondanks dat [eisende partij] steeds emotioneler en kwader werd. [naam stichting] ziet de vaststellingsovereenkomst daarom als juiste oplossing.
Uit niets blijkt overigens dat [eisende partij] geen aanspraak kan maken op een uitkering.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Een werknemer kan op grond van artikel 3:52 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een beroep doen op een vernietigingsgrond, waaronder misbruik van omstandigheden.
Bij de beoordeling van zo’n beroep heeft de rechtspraak - in de situatie waar het gaat om een instemming door de werknemer met de beëindiging van een arbeidsovereenkomst - belangrijke aanvullingen geformuleerd op het uitgangspunt dat uit de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ontvanger van de boodschap er in beginsel op mocht vertrouwen dat de verklaring van de zender overeenstemde met zijn wil (zie o.a. HR 05/02/1999, HR:1999:ZC2842; HR 10/06/2005, HR:2005:AS8387 en Gerechtshof ’s-Gravenhage, GHSGR:2007:BB1673).
Of dat vertrouwen van [naam stichting] gerechtvaardigd was, hangt af van alle omstandigheden van het geval, zoals de persoon van [eisende partij] , de gevolgen van beëindiging voor [eisende partij] en de omstandigheden waaronder de vaststellingsovereenkomst is getekend. In geval van een arbeidsrelatie, zoals hier aan de orde, kan volgens vaste rechtspraak het vertrouwen van een werkgever alleen dan gerechtvaardigd zijn als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben (zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering). In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking.
Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk instemde met het beëindigen van het dienstverband en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de beëindiging voor te lichten. De vraag in hoeverre op een werkgever een onderzoeksplicht rust ter zake van de werkelijke bedoeling van de mededelingen of gedragingen van de werknemer waaruit hij de wil om te beëindigen heeft menen te mogen afleiden, kan slechts worden beantwoord in het licht van de omstandigheden en is derhalve sterk verweven met de feiten. Bij schending van de onderzoeksplicht wordt de werkgever niet beschermd door artikel 3:35 BW. In dat geval is geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in voornoemd artikel.
4.6.
De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de wilsuiting van [eisende partij] voldoende duidelijk is geweest. De kantonrechter volgt [eisende partij] niet in zijn stelling dat hij op grond van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst zou hebben kunnen denken dat dit niet het einde van het dienstverband per 30 juni 2020 zou inhouden, of dat het salaris tot het einde van de arbeidsongeschiktheid zou worden doorbetaald.
De vaststellingsovereenkomst biedt immers geen enkel aanknopingspunt daarvoor, ook niet na de door [eisende partij] aangebrachte aanpassingen.
Overigens heeft [eisende partij] ter zitting verklaard dat die indruk bij hem gewekt was door een uitlating van een arbeidskundige, die hij had gesproken. Zo die uitlating al gedaan is, gesteld noch gebleken is dat [naam stichting] daarvan op de hoogte was.
Hoe dan ook, daarmee staat vast dat [eisende partij] door het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2020 wilde beëindigen.
4.7.
Vervolgens ligt ter beoordeling voor of [naam stichting] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat deze wilsuiting van [eisende partij] overeenstemde met zijn werkelijke wil. Met andere woorden, of [eisende partij] daadwerkelijk hangende zijn ziekte het dienstverband wilde beëindigen en afstand wilde doen van zijn aanspraken op loon.
Van belang daarvoor is dat [naam stichting] in de periode voorafgaande aan de vaststellingsovereenkomst te maken had met een kenbaar overspannen reagerende werknemer. Zo was er een incident waarbij [eisende partij] stante pede in grote boosheid zijn eigen ontslagbrief wilde gaan schrijven, waarvan [naam stichting] hem moest weerhouden. Ook blijkt uit de stukken dat [naam stichting] vond dat [eisende partij] in de periode voorafgaand steeds bozer en emotioneler werd. In de brief van 22 mei 2020 van [naam stichting] aan [eisende partij] wordt de situatie op 17 april 2020 beschreven. [naam directeur] (directeur) schrijft: “Je was die ochtend erg breekbaar en blijkbaar speelde privékwesties en andere ervaringen uit het verleden hierbij een grote rol”.
Verder heeft [naam stichting] de stelling van [eisende partij] dat [naam directeur] het verleden van [eisende partij] kende, waarin hij kampte met ernstige burn-outklachten en langere tijd psychische problemen heeft ervaren, niet weersproken.
Een belangrijke omstandigheid acht de kantonrechter verder dat er in de overeenkomst niets is opgenomen dat voordelig is voor [eisende partij] . Er is – nuchter bekeken - geen reden denkbaar waarom een werknemer deze overeenkomst zou tekenen. Er wordt bijvoorbeeld niet voorzien in een extra lange opzegtermijn, een transitievergoeding of faciliteiten die [eisende partij] kunnen helpen om snel weer te herstellen en/of een andere baan te vinden. Zo bezien is deze situatie eigenlijk niet anders dan het eerdere moment waarop [naam stichting] begreep dat zij [eisende partij] van het indienen van zijn eigen ontslag moest weerhouden.
In dit licht bezien is het niet (nogmaals) kritisch navragen of [eisende partij] deze overeenkomst echt wel wilde, maar daarin zonder meer meegaan, voor de kantonrechter aanleiding om aan te nemen dat een bodemrechter – in de toekomst oordelend over deze situatie – naar alle waarschijnlijkheid zal vaststellen dat [naam stichting] niet gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op deze wilsuiting van [eisende partij] .
4.8.
Het vorenstaande impliceert dat er een grote mate van aannemelijkheid is dat de vaststellingsovereenkomst in een bodemprocedure zal worden vernietigd. De vordering met betrekking tot betaling van het salaris vanaf 1 juli 2020, zal daarom inclusief wettelijke rente worden toegewezen.
4.9.
De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om de gevorderde 50% verhoging toe te kennen. In het kader van een kort geding moet het immers gaan om een spoedeisend belang. Dat spoedeisende belang is er met betrekking tot het ontvangen van loon – waarmee de normale uitgaven moeten worden bekostigd – maar die spoedeisendheid ziet de kantonrechter niet ten aanzien van de boete, die normaal gesproken immers ook niet wordt ontvangen.
Daarbij komt dat het hier om een voorlopig oordeel gaat en de kantonrechter zo veel als mogelijk is terughoudend wil zijn met beslissingen die, als het oordeel in een bodemprocedure toch anders zou uitvallen, teruggedraaid moeten worden.
4.10.
De kantonrechter zal eveneens de vordering tot wedertewerkstelling afwijzen. Tijdens de zitting heeft de kantonrechter meermalen kunnen constateren dat [eisende partij] zeer emotioneel is en aan het adres van [naam stichting] ernstige verwijten maakt. Ook de persoon van de directeur treffen die verwijten. De kantonrechter wil graag geloven dat een en ander terug te voeren is op het ziektebeeld van [eisende partij] en dat hij daar – op dit moment – niet een op een voor aansprakelijk kan worden gehouden. Maar in deze situatie is terugkeer op de werkvloer naar het oordeel van de kantonrechter in niemands belang.
Mogelijk zal [eisende partij] betogen dat hij niet zal terugkeren op de werkvloer voordat hij hersteld is maar de kantonrechter heeft aan de zitting de indruk overgehouden dat [eisende partij] in sterke mate zelf bepaalt wat er moet gebeuren en zich daarbij in mindere mate iets gelegen laat zijn aan de adviezen van derden. Dat zou ook het geval kunnen zijn met een advies van een bedrijfsarts met betrekking tot zijn al dan niet arbeidsongeschikt zijn. Als bijkomende omstandigheid speelt daarbij nog dat [eisende partij] heeft verklaard dat hij dag in dag uit alleen maar thuis zit, niemand ziet en terugkeer op de werkvloer ziet als een mogelijkheid om aan deze situatie te ontsnappen.
4.11.
[naam stichting] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:
-
dagvaarding € 106,47
-
griffierecht 499,00
-
salaris gemachtigde 720,00
totaal € 1.325,47
4.12.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
5 De beslissing
De kantonrechter in kort geding.
5.1.
veroordeelt [naam stichting] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 5.094,00 bruto per maand, of het geldende percentage daarvan als gevolg van voortdurende arbeidsongeschiktheid, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten met ingang van 1 juli 2020 tot aan de datum dat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze eindigt, vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 1.325,47,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.
type: DT
coll:
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: